Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.086 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.086 Généré par l'IA

Court dismisses appeal as withdrawn by state but awards procedural costs to applicant.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.086
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Partiellement admis (Partially Allowed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State dismissed the applicant's appeal for invalidating the Minister's decision to grant a firearm permit, noting the original decision had been withdrawn by the state. While the substantive claim failed due to lack of subject matter, the court awarded the applicant the full procedural costs of 700 euros. The state's request to reduce these costs based on the early termination was rejected because the costs are a fixed reimbursement regardless of procedure duration.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Art. 30/1, § 1, 1st para. of the Coordinated Laws on the Council of State; Art. 30/1, § 2, 1st para. of the Coordinated Laws on the Council of State: The Council of State may award procedural costs as a fixed reimbursement to the party in the right, and the withdrawal of the contested decision by the opposing party does not justify reducing this fixed amount.

Mots-clés

Généré par l'IA
procedural costs fixed reimbursement withdrawal of decision firearm permit Council of State administrative appeal costs allocation arme personnelle

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Art. 30/1, § 1, 1st para. of the Coordinated Laws on the Council of State
“Art. 30/1. § 1. De afdeling bestuursrechtspraak kan een rechtsplegings-
Art. 30/1, § 2, 1st para. of the Coordinated Laws on the Council of State
“Art. 30/1. § 1. De afdeling bestuursrechtspraak kan een rechtsplegings-
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER

nr. 239.086 van 14 september 2017

in de zaak A. 219.856/XIV-37.140

In zake : Erik VERSTRAETEN

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hans-Kristof Carême kantoor houdend te 3000 Leuven Justus Lipsiusstraat 24

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Derveaux kantoor houdend te 1000 Brussel Verenigingstraat 28

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 27 juli 2016, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van de Minister van Justitie […] van 17 juni 2016 houdende de inwilliging van het georganiseerd administratief beroep van verzoeker gericht tegen het besluit van de provinciegouverneur van Antwerpen dd. 7 december 2015 betreffende de weigering van de aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning tot het voorhanden hebben van [een] vuurwapen […] en waarbij opnieuw rechtdoende verzoekers aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning tot het voorhanden hebben van voormeld vuurwapen wordt ingewilligd onder de voorwaarde dat hij geen vuurwapens en/of munitie in diens woning mag bewaren, doch wel in diens schietclub”.

XIV-37.140-1/4

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

Auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 september 2017.

Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Hans-Kristof Carême, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Bernard Derveaux, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur Marijke van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Ontvankelijkheid van het beroep

3. Het bestreden besluit werd ingetrokken bij besluit van de minister van Justitie van 1 juni 2017. Het voorliggende beroep is derhalve zonder voorwerp geworden.

XIV-37.140-2/4

IV. Rechtsplegingsvergoeding

4. De verwerende partij vraagt in een brief van 1 juni 2017 om de rechtsplegingsvergoeding te herleiden tot de helft, gelet op de vroegtijdige beëindiging van de procedure als gevolg van de intrekking van de bestreden beslissing.

5. Artikel 30/1, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State luidt:

“Art. 30/1. § 1. De afdeling bestuursrechtspraak kan een rechtsplegings-

vergoeding toekennen, die een forfaitaire tegemoetkoming is in de kosten en honoraria van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.”

Er is te dezen grond om overeenkomstig deze bepaling, verzoeker een rechtsplegingsvergoeding toe te kennen nu deze door de intrekking van de bestreden beslissing door de verwerende partij als de in het gelijk gestelde partij dient te worden beschouwd.

6. Wat de begroting van de omvang van de rechtsplegings-

vergoeding betreft, bepaalt artikel 30/1, § 2, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State:

“§ 2. De afdeling bestuursrechtspraak kan, bij met bijzondere redenen omklede beslissing, de vergoeding verlagen of verhogen, zonder echter de door de Koning voorziene maximale en minimale bedragen te overschrijden. In haar beoordeling houdt ze rekening met:

1° de financiële draagkracht van de in het ongelijk gestelde partij, om het bedrag van de vergoeding te verlagen;

2° de complexiteit van de zaak;

3° de kennelijk onredelijke aard van de situatie.”

Deze bepaling somt de criteria op waarmee de Raad van State rekening houdt om al dan niet af te wijken van het toe te kennen basisbedrag.

Deze opsomming is limitatief zodat de Raad van State niet op andere gronden mag afwijken van het basisbedrag.

XIV-37.140-3/4

Waar de verwerende partij ter motivering van het verminderen van het basisbedrag de vroegtijdige beëindiging van de procedure aanvoert, moet worden vastgesteld dat de rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire tegemoet-

koming is, ongeacht de duur van de procedure. De (proces)houding van de verwerende partij en het enkele feit dat de bestreden beslissing door haar is ingetrokken vormen geen afdoende reden opdat aan verzoeker niet de basisrechts-

plegingsvergoeding zou moeten worden toegekend om forfaitair tegemoet te gekomen in de kosten en honoraria van de advocaat.

7. Aan verzoeker wordt de door hem gevorderde rechtsplegings-

vergoeding van 700 euro toegekend.

BESLISSING

1.De Raad van State verwerpt het beroep.

2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegings-

vergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan verzoeker.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien september tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:

Geert Debersaques, kamervoorzitter,

bijgestaan door Johan Pas, griffier.

De griffier De voorzitter

Johan Pas Geert Debersaques.

XIV-37.140-4/4

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.086