Belgian State appeal dismissed; procedural withdrawal renders appeal void, but legal costs awarded to applicant.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Court of State rejected the appeal against the Minister of Justice's decision to withdraw the contested administrative ruling. Although the withdrawal rendered the appeal without subject matter, the Court awarded the applicant legal costs based on Article 30/1 of the State Council laws. The Court held that the withdrawal by the opposing party did not justify reducing the standard legal costs, which remain a fixed reimbursement regardless of procedure duration.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArt. 30/1, § 1, 1st para.; Art. 30/1, § 2, 1st para. of the State Council laws: An appeal rendered void by the withdrawal of the contested decision by the opposing party is dismissed, but the withdrawing party remains liable for the full standard legal costs awarded to the applicant.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER
nr. 239.085 van 14 september 2017
in de zaak A. 219.125/XIV-37.015
In zake : Antonius VAN DEN EIJNDEN
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Luc Brees kantoor houdend te 2170 Merksem Paasbloemstraat 85/1
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Derveaux kantoor houdend te 1000 Brussel Verenigingstraat 28
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 29 april 2016, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van 4 maart 2016 van de minister van Justitie inzake het beroep van de verzoekende partij tegen de beslissing van 2 oktober 2015 van de gouverneur van de provincie Antwerpen’.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld.
Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend.
XIV-37.015-1/4
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 september 2017.
Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Luc Brees, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Bernard Derveaux, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Marijke van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Ontvankelijkheid van het beroep
3. Het bestreden besluit werd ingetrokken bij besluit van de minister van Justitie van 21 april 2017. Het voorliggende beroep is derhalve zonder voorwerp geworden.
IV. Rechtsplegingsvergoeding
4. De verwerende partij vraagt in een brief van 24 april 2017 om de rechtsplegingsvergoeding te herleiden tot de helft, gelet op de vroegtijdige beëindiging van de procedure.
5. Artikel 30/1, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State luidt:
“Art. 30/1. § 1. De afdeling bestuursrechtspraak kan een rechtsplegings-
vergoeding toekennen, die een forfaitaire tegemoetkoming is in de kosten en honoraria van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.”
XIV-37.015-2/4
Er is te dezen grond om overeenkomstig deze bepaling, verzoeker een rechtsplegingsvergoeding toe te kennen nu deze door de intrekking van de bestreden beslissing door de verwerende partij als de in het gelijk gestelde partij dient te worden beschouwd.
6. Wat de begroting van de omvang van de rechtsplegings-
vergoeding betreft, bepaalt artikel 30/1, § 2, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State:
“§ 2. De afdeling bestuursrechtspraak kan, bij met bijzondere redenen omklede beslissing, de vergoeding verlagen of verhogen, zonder echter de door de Koning voorziene maximale en minimale bedragen te overschrijden. In haar beoordeling houdt ze rekening met:
1° de financiële draagkracht van de in het ongelijk gestelde partij, om het bedrag van de vergoeding te verlagen;
2° de complexiteit van de zaak;
3° de kennelijk onredelijke aard van de situatie.”
Deze bepaling somt de criteria op waarmee de Raad van State rekening houdt om al dan niet af te wijken van het toe te kennen basisbedrag.
Deze opsomming is limitatief zodat de Raad van State niet op andere gronden mag afwijken van het basisbedrag.
Waar de verwerende partij ter motivering van het verminderen van het basisbedrag de vroegtijdige beëindiging van de procedure aanvoert, moet worden vastgesteld dat de rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire tegemoetkoming is, ongeacht de duur van de procedure. De (proces)houding van de verwerende partij en het enkele feit dat de bestreden beslissing door haar is ingetrokken vormen geen afdoende reden opdat aan verzoeker niet de basisrechtsplegingsvergoeding zou moeten worden toegekend om forfaitair tegemoet te gekomen in de kosten en honoraria van de advocaat.
7. Aan verzoeker wordt de door hem gevorderde rechtsplegings-
vergoeding van 700 euro toegekend.
XIV-37.015-3/4
BESLISSING
1.De Raad van State verwerpt het beroep.
2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegings-
vergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan verzoeker.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien september tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:
Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier.
De griffier De voorzitter
Johan Pas Geert Debersaques .
XIV-37.015-4/4
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.085