Cassation court dismisses appeal as it lacks jurisdiction to re-evaluate administrative discretion on planning rules.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State dismissed the cassation appeal against a ruling by the Planning Dispute Council that rejected a subdivision permit. The applicant argued the council misinterpreted the scope of 'policy-desired developments' and failed to provide sufficient reasoning. The court held that it cannot re-examine the factual assessment of the lower administrative body, which falls under the latter's sovereign discretion.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 14, § 2 and 16 of the Royal Decree of 30 November 2006 on cassation procedure: The Council of State, in cassation proceedings, does not engage in the assessment of the case itself and cannot re-evaluate the factual findings of the administrative court.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VIIe KAMER
nr. 239.079 van 14 september 2017
in de zaak A. 221.164/VII-39.882.
In zake : Nicole VAN DE PUTTE
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Flamey kantoor houdend te 2018 Antwerpen Jan Van Rijswijcklaan 16
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD
VAN OOST-VLAANDEREN
I. Voorwerp van het beroep
1. Het cassatieberoep, ingesteld op 6 januari 2017, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb/A/1617/0364 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 29 november 2016 in de zaak 1314/0641/A/8/0612.
II. Verloop van de rechtspleging
2. Een beschikking van 18 januari 2017 verklaart het cassatieberoep toelaatbaar.
De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
VII-39.882-1/7
Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State.
Verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend teneinde te worden gehoord.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 juni 2017.
Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Glenn Declercq, die loco advocaat Peter Flamey verschijnt voor verzoekster, is gehoord.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Op 24 april 2014 weigert de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen (hierna: deputatie) aan verzoekster een verkavelingsvergunning te verlenen “voor het verkavelen van een perceel in 4 loten met halfopen bebouwing en 1 lot met (bestaande) woning in open bebouwing”.
3.2. De RvVb verwerpt met het bestreden arrest de vordering van verzoekster tot vernietiging van de voormelde vergunningsbeslissing.
VII-39.882-2/7
IV. Onderzoek van de middelen
Uiteenzetting van het enig middel
4. Verzoekster voert de schending aan van artikel 4.3.1, § 2, 2°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO) “en inzonderheid met miskenning van de wettelijke draagwijdte van het begrip ‘beleidsmatig gewenste ontwikkelingen’ in de zin van art. 4.3.1, §2, 2° VCRO”, “van de rechterlijke motiveringsplicht, neergelegd in artikel 149 van de Grondwet, van artikel 32, tweede lid van het Decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges [...] en artikel 66 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges”.
Zij stelt dat de RvVb “van oordeel is dat de overwegingen van de [deputatie] ter rechtvaardiging van het weigeringsbesluit van 24 april 2014
betrekking zouden gehad hebben op aspecten van goede ruimtelijke ordening, dewelke volgens de [RvVb] doorslaggevend zouden zijn geweest voor [de deputatie] om te besluiten dat (lot 4 van) de aanvraag niet verenigbaar zou zijn met de goede ruimtelijke ordening nu er geen sprake zou zijn van een kwalitatieve tuinzone; dat volgens de [RvVb] dus niet de verwijzing naar de zgn. algemene beleidslijn, nl. dat de tuindiepte achter de bebouwing minstens 8 meter moet bedragen om te kunnen spreken van een kwalitatieve en bruikbare tuinzone, van doorslaggevend belang zou zijn geweest bij de weigering van de aanvraag; [d]at de [RvVb] derhalve van oordeel is dat [de deputatie] louter om redenen van goede ruimtelijke ordening van oordeel zou zijn geweest dat er geen sprake is van een kwalitatieve en bruikbare tuinzone zodat de verkavelingsvergunning geweigerd diende te worden”.
In een eerste onderdeel betoogt zij dat de RvVb ten onrechte “redenen van goede ruimtelijke ordening heeft geëxtraheerd uit de zgn. algemene beleidslijn van [de deputatie], nl. dat de tuindiepte achter de bebouwing minstens
VII-39.882-3/7
8 meter moet bedragen om te kunnen spreken van een kwalitatieve tuinzone, om vervolgens tot het besluit te komen dat [de deputatie] op grond van deze redenen van goede ruimtelijke ordening, los van de algemene beleidslijn waarnaar in het besluit van [de deputatie] wordt verwezen, in alle redelijkheid kon oordelen dat het bouwberoep niet kon ingewilligd worden en de verkavelingsvergunning diende geweigerd te worden”.
Zij stelt dat zij onder meer de schending van artikel 4.3.1, § 2, 2°, VCRO heeft aangevoerd en dat zij “had ingeroepen [...] dat de vermeende strijdigheid met een zgn. ‘algemene norm’, die zou bepalen dat een tuindiepte van minstens 8 meter achter de bebouwing als ‘algemeen aanvaard’ zou kunnen worden, op geen enkele juridische en feitelijke grondslag gesteund is” en “dat deze zogenaamde algemene norm geen reglementair en dus geen verordenend karakter heeft en dat [zij] het bestaan van deze norm in elk geval formeel betwist heeft”.
Verzoekster meent dat de RvVb ten onrechte geen rekening heeft gehouden met haar argumentatie, “ten onrechte overweegt dat de overwegingen van de deputatie geenszins ‘vage en nietszeggende beweringen’ zouden zijn die de [deputatie] heeft toegevoegd aan de verwijzing naar de desbetreffende beleidslijn, maar een concrete individuele beoordeling zouden inhouden van de kwaliteit van de woonkavel, inzonderheid de kwaliteit en de bruikbaarheid van de tuinzone”, “ten onrechte op artificiële wijze de overwegingen van de [deputatie] die betrekking hebben op de goede ruimtelijke ordening heeft geëxtraheerd uit de zgn.
algemene beleidsnorm die door de [deputatie] werd gehanteerd en die wel degelijk doorslaggevend is geweest om de verkavelingsaanvraag van verzoekster te weigeren”.
Zij betoogt voorts dat de RvVb “een draagwijdte gegeven heeft aan het begrip ‘beleidsmatig gewenste ontwikkelingen’ in de zin van art. 4.3.1, §2, 2° VCRO die het wettelijk niet heeft, minstens heeft de [RvVb] met miskenning van dit begrip het eerste middelonderdeel van het enig middel van verzoekster beoordeeld” en “had moeten vaststellen dat de overwegingen in het bestreden
VII-39.882-4/7
besluit van 24 april 2014 m.b.t. de goede ruimtelijke ordening wel degelijk voortvloeiden uit de zgn. algemene beleidslijn, nl. dat de tuindiepte achter de bebouwing minstens 8m diende te bedragen”.
Verzoekster besluit dat “wanneer voor de bodemrechter in het middel uitdrukkelijk werd ingeroepen dat de bestreden beslissing de weigering heeft gesteund op een niet-tegenstelbare beleidsregel inzake de tuindiepte achter de bebouwing, de bodemrechter niet op wettige wijze kan beslissen dat die beleidsregel niet het doorslaggevend weigeringsmotief blijkt geweest te zijn, maar wel de goede ruimtelijke ordening, wanneer het kwestieuze aspect van die goede ruimtelijke ordening betrekking heeft op de tuindiepte achter de bebouwing en wanneer dat aspect nu net het voorwerp uitmaakt van de gewraakte, niet-tegenstelbare beleidsregel” en “[d]at de bodemrechter er zich geenszins van kon afmaken door aldus het aspect van de tuindiepte achter de bebouwing te abstraheren uit de niet-tegenstelbare beleidsregel, die niets anders is dan een gewenste beleidsmatige ontwikkeling, waarvan de schending werd aangevoerd voor die bodemrechter, zonder meteen ook een draagwijdte te geven aan het decretaal beoordelingskader inzake goede ruimtelijke ordening, de daaraan verbonden aspecten en de beleidsmatige gewenste ontwikkelingen als één van die aspecten, die deze wettelijke regeling in rechte niet heeft”.
In een tweede onderdeel stelt verzoekster dat “de redenering van de [RvVb], zoals toegelicht in het eerste onderdeel intern tegenstrijdig is” door haar middel “als ongegrond te verwerpen met de enige overweging dat de bestreden weigeringsbeslissing niet louter zou gesteund zijn op de gewraakte, niet-tegenstelbare beleidsregel inzake de tuindiepte achter de bebouwing, maar tevens zou gesteund zijn op redenen van goede ruimtelijke ordening inzake tuindiepte achter de bebouwing” en hiermee “een onwettige draagwijdte heeft gegeven aan de wettelijke regeling inzake het decretaal beoordelingskader om vergunningsaanvragen te toetsen aan de goede ruimtelijke ordening, waaronder het aspect dat betrekking heeft op beleidsmatig gewenste ontwikkelingen, die
VII-39.882-5/7
overeenstemt met een beleidsregel die terzake door de administratieve overheid werd gehanteerd als decisief weigeringsmotief”.
Beoordeling
5. Als cassatierechter mag de Raad van State niet in tweede instantie de feitelijke beoordeling van de RvVb overdoen maar mag hij enkel nagaan of het hem voorgelegde arrest overeenkomstig de wet is genomen.
Luidens artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State treedt de afdeling bestuursrechtspraak in geval van cassatieberoep “niet in de beoordeling van de zaken zelf”.
6. Het middel is erop gericht aan te tonen dat de RvVb een verkeerde lezing geeft aan de voor deze laatste bestreden vergunningsbeslissing door in dat besluit meerdere weigeringsmotieven te lezen en daarin ook een motief met betrekking tot de goede ruimtelijke ordening te lezen los van de verwijzing in dit besluit naar een beleidslijn. Dit is geen vraag naar een al of niet verkeerde draagwijdte of interpretatie van het begrip “beleidsmatig gewenste ontwikkelingen” bedoeld in artikel 4.3.1, § 2, 2°, VCRO, maar noopt tot een beoordeling van de zaak zelf wat tot de soevereine appreciatiebevoegdheid van de RvVb behoort.
Het middel is in zijn beide onderdelen onontvankelijk.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
2. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep, begroot op 200 euro.
VII-39.882-6/7
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien september tweeduizend zeventien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier.
De griffier De voorzitter
Elisabeth Impens Eric Brewaeys
VII-39.882-7/7
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.079