Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.077 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.077 Généré par l'IA

Court annuls minister's decision rejecting environmental permit for heliport due to flawed planning compatibility assessment.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.077
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State annulled the Flemish Minister's decision rejecting the environmental permit for a heliport in Lint. The applicant argued the decision failed to properly verify compatibility with the regional plan's industrial zone designation. The court ruled that the limited urban planning assessment in the contested decision violated the regional plan's industrial zone destination.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 7.2.0 of the Layout Decree; Article 1 of the Regional Plan Antwerp: The administrative authority must conduct a comprehensive urban planning compatibility test when granting permits in designated industrial zones, and a limited assessment that ignores the zone's specific destination constitutes a violation of the regional plan.

Mots-clés

Généré par l'IA
environmental permit heliport authorization industrial zone regional plan urban planning test administrative discretion compatibility assessment indemnisation du bruit aéroportuaire

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 7.2.0 of the Layout Decree
Regional Plan Antwerp
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VIIe KAMER

nr. 239.077 van 14 september 2017

in de zaak A. 216.887/VII-39.469.

In zake : de NV HELIVENTURE FTO

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Ghysels en Yeliz Karaca kantoor houdend te 1170 Brussel Terhulpsesteenweg 187

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

het VLAAMSE GEWEST

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk De Greef kantoor houdend te 1700 Dilbeek Eikelenberg 20

bij wie woonplaats wordt gekozen

Tussenkomende partijen :

I. de GEMEENTE LINT

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom Swerts kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18

bij wie woonplaats wordt gekozen II. 1. Bert LUYTEN

2. Karl LEENKNEGHT

3. Marc VAN URSEL

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Yves Loix en Jo Van Lommel kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 27

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 7 september 2015, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en

VII-39.469-1/14

Landbouw van 9 juli 2015 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 11 december 2014, houdende het weigeren van de milieuvergunning aan de NV Heliventure FTO voor het exploiteren van een helihaven, gelegen aan de Fabriekstraat 38 te Lint, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

De tussenkomende partij sub I heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. Deze tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 10 november 2015. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend.

De tussenkomende partijen sub II hebben een verzoek tot tussenkomst ingediend. Deze tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 11 januari 2016. De tussenkomende partijen hebben een memorie ingediend.

Auditeur Dieter Decock heeft een verslag opgesteld.

De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partijen sub I en sub II hebben een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 juni 2017.

Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Jan Ghysels, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Dirk De Greef, die verschijnt voor de verwerende partij, advocaat

VII-39.469-2/14

Karin Lieckens, die loco advocaat Tom Swerts verschijnt voor de tussenkomende partij sub I, en advocaat Fatema Hosseini, die loco advocaten Yves Loix en Jo Van Lommel verschijnt voor de tussenkomende partijen sub II, zijn gehoord.

Auditeur Dieter Decock heeft een andersluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. De verzoekende partij beschikt over zes helikopters en baat op het terrein van AED-studio’s aan de Fabriekstraat 38 te Lint een helihaven uit.

Zij dient op 30 juli 2014 een milieuvergunningsaanvraag in voor een helihaven met maximaal tien vliegbewegingen per dag en maximaal vier nachtelijke vliegbewegingen per maand, een helikopteronderhoudswerkplaats voor kleine reparaties en onderhoud, een opslag van 200 liter diverse gevaarlijke producten in kleine verpakkingen in de werkplaats, de opslag van brandstoffen (4.950 liter AVGAS (vliegtuigbrandstof) en 4.950 liter Jet A-1 (kerosine)) met verdeelinstallatie voor de bevoorrading van de helikopters en het lozen van bedrijfsafvalwater (afkomstig van de tankpiste).

Het helipad bevindt zich achteraan de gebouwen van de AED-studio’s (ten noordoosten). Op de percelen ten oosten en ten noorden van het helipad zijn geen bedrijven gevestigd. De onderhoudswerkplaats bevindt zich in een loods binnen de bestaande gebouwen van AED-studio’s. De helikopters worden in deze loods gestald.

VII-39.469-3/14

3.2. Het terrein is volgens het bij koninklijk besluit van 3 oktober 1979 definitief vastgestelde gewestplan Antwerpen gelegen in het industriegebied Ganzenbol, dat gelegen is ten oosten van de spoorweg Brussel-Antwerpen, aan het station van Kontich. Aan de overzijde van de spoorweg en ten zuiden van het industriegebied bevindt zich een woongebied. Het industriegebied grenst ten oosten aan agrarisch gebied en ten noorden aan groengebied.

Het helipad bevindt zich op ongeveer 240 meter van het woongebied aan de overzijde van de spoorweg (westen), op ongeveer 200 meter van een groengebied (noorden) en op ongeveer 280 meter van het zuidelijk gelegen woongebied. Op ongeveer 270 meter ten zuidoosten van het helipad is de dichtste woning gelegen in agrarisch gebied waar zich op ongeveer 350 meter (Beekhoekstraat) nog woningen bevinden. De helikopteronderhoudswerkplaats is gelegen op ongeveer 100 meter van het woongebied aan de overzijde van de spoorweg en op 260 meter van het zuidelijk gelegen woongebied.

3.3. Tijdens het openbaar onderzoek worden 3.745 bezwaren ingediend die betrekking hebben op geluidshinder, veiligheid, trillingen, stofhinder, geurhinder, de eerder geweigerde vergunningsaanvraag bij het college van burgemeester en schepenen, illegale praktijken, misinformatie, gebrek aan maatschappelijk draagvlak, pollutie, verstoring zicht omwonenden, verstoring van de omgeving, natuur en planologische aspecten.

3.4. De deputatie van de provincieraad van Antwerpen weigert bij besluit van 11 december 2014 de milieuvergunning te verlenen.

3.5. De verzoekende partij dient tegen dit weigeringsbesluit administratief beroep in waarbij zij afstand doet van de opslag van brandstoffen, de tankpiste en bijgevolg ook het lozen van bedrijfsafvalwater. De aanvraag bestaat alsdan nog uit een helipad, een landings- en opstijgplatform en daarnaast de onderhoudswerkplaats met de opslag van 200 liter diverse gevaarlijke stoffen in kleine verpakkingen.

VII-39.469-4/14

3.6. Met het bestreden besluit van 9 juli 2015 wordt het beroep van de verzoekende partij ongegrond verklaard.

IV. Onderzoek van het derde middel

Standpunt van de partijen

4. De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 7.2.0

van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna: inrichtingsbesluit), rubriek 7.2 van de omzendbrief van 8 juli 1997

betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, het gewestplan Antwerpen, inzonderheid het industriegebied Ganzenbol, artikel 4.4.7, § 2, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), artikel 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000

tot aanwijzing van de handelingen in de zin van artikel 4.1.1, 5°, artikel 4.4.7, § 2, en artikel 4.7.1, § 2, tweede lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en tot regeling van het vooroverleg met de Vlaamse Bouwmeester (hierna: besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000), het rechtszekerheids- en het materiële motiveringsbeginsel. De verzoekende partij vraagt voorts de toepassing van artikel 159 van de Grondwet.

De verzoekende partij betwist dat de door haar gewenste helihaven niet verenigbaar is met de stedenbouwkundige voorschriften van het industriegebied waarin zij is gelegen. De verwerende partij betwist immers niet dat deze inrichting een transportbedrijf is dat, wat de door haar uitgevoerde commerciële vluchten betreft, afgestemd is op een bedrijf dat in de industriezone gevestigd is, te weten de AED-studio’s. Mitsdien vertoont de helihaven een verband met de ter plaatse ontwikkelde industriële activiteiten en vormt zij onbetwistbaar een complementair bedrijf ten aanzien van het bestaande industrieterrein. Nergens in de geldende reglementering wordt daarbij vereist dat

VII-39.469-5/14

de helihaven ook complementair zou zijn ten aanzien van andere bedrijven. Wat de medische en theoretische opleiding betreft, wordt er, zonder verdere precisering, ten onrechte gesteld dat dit niet verenigbaar is met de bestaande bestemming van de zone. De vip- of commerciële vluchten, die inzonderheid bestaan uit het transport van personen voor professionele doeleinden, (goederen)vervoer van en voor klanten, dienstvluchten (inspectie offshore windmolenparken, pijplijncontrole, opnames sportwedstrijden, ...), zakenverplaatsingen, vervoer van personeel, (internationale) gasten voor de naastgelegen televisiestudio’s, ....), zoals omschreven in de milieuvergunningsaanvraag, acht de verzoekende partij complementair ten behoeve van de industriële bedrijven op de site. Waar, met betrekking tot de medische vluchten en de reddingsoperaties, de milieuvergunning wordt geweigerd omdat er geen stedenbouwkundige vergunning voorhanden is, is deze redenering volgens de verzoekende partij volkomen tegenstrijdig met de feitelijke en juridische situatie, nu reeds in het eerste middel, onder verwijzing naar de koppelingsregeling, werd uiteengezet dat de afwezigheid van een stedenbouwkundige vergunning niet tot gevolg heeft dat de milieuvergunning niet kan worden verkregen. Waar deze activiteit inpasbaar en verantwoord is in het kader van het algemeen belang, verbindt de verwerende partij aan de afwijkingsregeling van artikel 4.4.7, § 2, VCRO onterecht de voorwaarde van een stedenbouwkundige vergunning.

De verzoekende partij wijst er voorts nog op dat de uitbating van een helihaven in hoofdzaak een bestemmingsongevoelige activiteit betreft.

Mitsdien betreft enkel de activiteit van het landen en opstijgen een grondgebonden activiteit, en niet de activiteit van het vliegen zelf. Nog volgens de verzoekende partij moet voorts bij het lezen van de bestemmingsvoorschriften een evolutieve interpretatie worden gehanteerd, nu nieuwe maatschappelijke trends en inzichten in bedrijventerreinen, specifiek inzake ondersteunende dienstverlenende voorzieningen bij deze bedrijven, enkel op die manier een weerslag kunnen vinden. De verzoekende partij wijst er in dit verband nog op dat er verscheidene gunstige adviezen voorliggen waaraan zonder enige gemotiveerde uitleg wordt voorbijgegaan.

VII-39.469-6/14

Ten slotte meent de verzoekende partij dat men zich de vraag kan stellen of de gevraagde exploitatie van de inrichting op zich geen “bedrijf”

uitmaakt dat als hoofdfunctie thuishoort in de functiecategorie industrie en ambacht. De verzoekende partij maakt in dit verband de vergelijking met een truckstop, een limousinebedrijf en een taxidepot.

5. De verwerende partij repliceert dat de gevraagde helihaven noch een industrieel, noch een ambachtelijk bedrijf is. Zo transportbedrijven naast andere limitatief opgesomde bedrijven weliswaar worden aangemerkt als complementaire dienstverlenende bedrijven in artikel 7.2.0 van het inrichtingsbesluit, stelt de verwerende partij vast dat alleen het transport ten behoeve van AED-studio’s in relatie staat met het betrokken industriegebied.

Evenwel zijn AED-studio’s geen industriële of ambachtelijke bedrijven. En zelfs indien men zou aannemen dat dit bedrijf een industrieel of ambachtelijk bedrijf zou zijn, dan nog vormt dit slechts één bedrijf, terwijl het inrichtingsbesluit vereist dat de (complementaire) inrichting ten behoeve staat van meerdere andere industriële bedrijven. Waar echter uit de milieuvergunningsaanvraag blijkt dat de inrichting zal worden gebruikt voor het transport van personen voor professionele doeleinden, goederenvervoer van en voor klanten, dienstvluchten, zakenverplaatsingen en vervoer van personeel, wordt dit gebruik niet louter en alleen gekoppeld aan de AED-studio’s. Enkel het transport van internationale gasten voor de naastgelegen televisiestudio’s kan als complementair worden beschouwd in het kader van de stedenbouwreglementering. Ook medische vluchten vormen volgens de verwerende partij geen aan het industriegebied complementaire activiteit.

6. De tussenkomende partij sub I repliceert dat dienstverlenende bedrijven die geen enkel verband vertonen met de ontwikkelde industriële activiteit niet in het industriegebied kunnen worden toegelaten. In dit verband acht zij het onderzoek van de aard van de voorgenomen activiteiten en de invloed daarvan op het bestemmingsgebied doorslaggevend. Deze tussenkomende partij

VII-39.469-7/14

betwist vooreerst dat de activiteit van een helihaven een bestemmingsongevoelige activiteit zou betreffen, vermits het geen openbare helihaven en dus ook geen handeling van algemeen belang betreft. Voorts is er geen sprake van een ruimtelijk beperkte impact, noch van een ruimtelijk irrelevante activiteit. De verzoekende partij beweert weliswaar doch argumenteert niet waarom de activiteit van landen en stijgen als bestemmingsongevoelig zou moeten worden beschouwd louter op grond van de bedenking dat, hoewel de activiteit van landen en stijgen een grondgebonden activiteit betreft, de geldende plannen van aanleg toch niet worden gehinderd of voor lange tijd ongeschikt worden gemaakt. Bovendien betreft het hier een niet-occasioneel gebruik. De tussenkomende partij sub I voegt daar nog aan toe dat de desbetreffende handelingen ook niet zijn opgenomen in het besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000. Deze tussenkomende partij betwist voorts een evolutieve interpretatie die de verzoekende partij voorstaat, nu zij meent dat voorrang moet worden gegeven aan het legaliteitsbeginsel. Wat de commerciële vluchten betreft, toont de verzoekende partij volgens deze tussenkomende partij niet aan in hoeverre de vergunningverlenende overheid ten onrechte heeft geoordeeld dat de inrichting niet kan worden beschouwd als zijnde complementair ten behoeve van meerdere andere industriële bedrijven. Ook de organisatie van medische vluchten kan niet als een complementaire dienstverlenende activiteit worden aangemerkt. Artikel 4.4.7, § 2, VCRO is daarbij niet van toepassing, nu de milieuvergunningsaanvraag slechts de exploitatie van een helihaven en niet de aanleg ervan betreft, zoals ook blijkt uit de omschrijving van het toepassingsgebied van het uitvoeringsbesluit. Voor zover men zich daarnaast naar analogie op de voormelde regelgeving zou kunnen beroepen, benadrukt de tussenkomende partij sub I dat niet wordt aangetoond in hoeverre de voorgenomen medische vluchten en vluchten in functie van reddingsoperaties zouden kwalifïceren onder artikel 2, 9°, van het besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000, temeer nu ook onvoldoende blijkt of de exploitatie kan worden beschouwd als zijnde van “algemeen belang” aangezien de milieuvergunningsaanvraag uitgaat van een kapitaalvennootschap. Overigens, zo vervolgt de tussenkomende partij, kon de verwerende partij er op het vlak van de motivering in beginsel mee volstaan te verwijzen naar de principiële

VII-39.469-8/14

onverenigbaarheid van de aanvraag met de planologische voorschriften. Waar ten slotte, ondergeschikt, de verzoekende partij nog de vraag stelt of de exploitatie van de helihaven op zich geen industriële activiteit uitmaakt die als hoofdfunctie thuishoort in een industriegebied, merkt de tussenkomende partij sub I op dat industriële bedrijven kunnen worden gedefinieerd als bedrijven waar grondstoffen verwerkt worden en productief-technische bedrijven, terwijl ambachtelijke bedrijven deze zijn waarin handwerk primeert, zonder dat daarbij het gebruik van machines per definitie is uitgesloten, zodat de vergunningverlenende overheid er terecht kon van uit gaan dat de exploitatie van een helihaven niet kan worden beschouwd als een “industrie” in de zin van het inrichtingsbesluit.

7. De tussenkomende partijen sub II sluiten zich aan bij de repliek van de verwerende en de tussenkomende partij sub I, en verwijzen voorts naar hun verweer aangaande het eerste middel waarin zij argumenteren dat het exploiteren van een helihaven strijdig is met de voorschriften van industriegebied en de helihaven geenszins gebruikt wordt voor de vergunde activiteiten van Alfacem (AED-studio’s) noch in functie van de andere terreinen in het industriegebied.

Bijkomend merken deze tussenkomende partijen nog op dat de verzoekende partij erkent dat de heliactiviteiten niet als complementair kunnen worden beschouwd aangezien wordt getracht om deze als “bestemmingsongevoelig” te omschrijven waardoor deze in ieder bestemmingsgebied zouden zijn toegelaten. Hetzelfde geldt voor de medische vluchten aangezien wordt getracht om deze via artikel 4.4.7

VCRO als (stedenbouwkundige) “handelingen van algemeen belang” te kwalificeren. De in het geding zijnde aanvraag betreft echter een aanvraag voor het exploiteren van een private helihaven, en geenszins de aanleg van een helihaven.

8. De verzoekende partij dupliceert dat het bestreden besluit oordeelt dat de aanvraag strijdig is met de gewestplanbestemming omdat de complementaire aard van de te vergunnen activiteit slechts ten dienste staat van één industrieel bedrijf en niet van meerdere en dat daaruit blijkt dat de verwerende partij het complementair karakter van de activiteit aanvaardt. Zij stelt dat het feit dat in een industriegebied slechts één industriële activiteit aanwezig is, dit de

VII-39.469-9/14

complementaire functie niet uitsluit. De kwalificatie “industriegebied” hangt niet af van het feit of één of meerdere bedrijven er zich zullen kunnen vestigen.

Wanneer het afdoende is dat één industrie gevestigd is op een terrein om te kunnen spreken van een industriegebied, dan moet het ook mogelijk zijn om in die hypothese een complementaire functie te realiseren.

Beoordeling

9. De verzoekende partij erkent dat alleszins de activiteit van het landen en opstijgen een grondgebonden activiteit is. Hieruit volgt dat deze activiteit onderworpen is aan een toetsing naar de planologische verenigbaarheid.

De stelling van de verzoekende partij dat de activiteit van het vliegen zelf de hoofdzaak zou zijn waardoor de uitbating van de helihaven in hoofdzaak bestemmingsongevoelig zou zijn, doet aan deze vaststelling niets af.

10. De artikelen 21, § 2, en 29 van Vlarem I vereisen onder meer een afdoende stedenbouwkundige toetsing van de milieuvergunningsaanvraag die moet worden onderscheiden van de beoordeling van de vergunningsaanvraag uit milieuhygiënisch oogpunt. Milieuvergunningsaanvragen moeten aldus worden getoetst aan de geldende ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften, alsmede aan de goede plaatselijke ruimtelijke ordening.

Uit het bestreden besluit en uit het door het bestuur gevoerde onderzoek moet blijken dat de verwerende partij de overeenstemming met het gewestplan terdege heeft onderzocht en dat de minister in redelijkheid heeft kunnen beslissen dat de aangevraagde inrichting in overeenstemming is met de stedenbouwkundige voorschriften van het gewestplan.

De beslissing over de milieuvergunningsaanvraag dient ook in een eigen redengeving aan te geven waarom de inrichting verenigbaar wordt geacht met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening waarbij in de eerste plaats rekening moet worden gehouden met de ordening in de onmiddellijke omgeving.

VII-39.469-10/14

11. Het middel van de verzoekende partij is beperkt tot de beoordeling door de verwerende partij van de verenigbaarheid van de aanvraag met het geldende gewestplanvoorschrift industriegebied.

12. Industriegebieden zijn luidens artikel 7.2.0 van het inrichtingsbesluit “bestemd voor de vestiging van industriële of ambachtelijke bedrijven” en “in deze gebieden [worden tevens] complementaire dienstverlenende bedrijven ten behoeve van de andere industriële bedrijven toegelaten, namelijk: bankagentschappen, benzinestations, transportbedrijven, collectieve restaurants, opslagplaatsen van goederen bestemd voor nationale of internationale verkoop”.

Het voorschrift laat aldus in industriegebied complementaire dienstverlenende bedrijven toe die ten behoeve staan van de andere industriële bedrijven. Het voorschrift maakt geen onderscheid tussen de industriegebieden wat betreft het aantal aanwezige of bestaande industriële of ambachtelijke bedrijven voor het toelaten van deze complementaire dienstverlenende bedrijven. Het voorschrift vereist niet dat deze complementaire dienstverlenende bedrijven slechts kunnen worden toegelaten indien zij ten behoeve van meerdere of alle in het industriegebied bestaande of aanwezige industriële of ambachtelijke bedrijven staan.

13. Het bestreden besluit concludeert “dat de aangevraagde inrichting […] niet verenigbaar is met de stedenbouwkundige voorschriften”

omdat “op de site slechts één bedrijf is gevestigd, namelijk AED-studio’s; dat de omzendbrief stelt dat complementaire dienstverlenende bedrijven toegelaten zijn indien zij ten behoeve staan van de andere industriële bedrijven; dat alleen het transport ten behoeve van AED-studio’s in relatie staat tot het betrokken industriegebied; dat de inrichting bijgevolg niet ten behoeve staat van meerdere andere industriële bedrijven, zoals de omzendbrief vereist”.

VII-39.469-11/14

14. In zoverre de onverenigbaarheid met artikel 7.2.0 van het inrichtingsbesluit is gebaseerd op de overweging dat op het betrokken industriegebied slechts één bedrijf is gevestigd, sluit de bestreden beslissing de toelating van een complementair dienstverlenend bedrijf in het betrokken industriegebied algeheel uit en miskent de verwerende partij het toepasselijke gewestplanvoorschrift dat geen onderscheid kent tussen de industriegebieden wat betreft het aantal bestaande industriële of ambachtelijke bedrijven.

15. De verwijzing door de verwerende partij naar de omzendbrief van 8 juli 1997 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen noodzaakt een onderzoek naar het karakter van die omzendbrief. Richtlijnen, die uitgevaardigd worden als een beleidslijn en uiteenzetten op welke wijze het bestuur zich in beginsel in concrete dossiers zal gedragen, maken de individuele beslissingen die ernaar verwijzen niet onregelmatig, op voorwaarde dan weer dat zij niet als een dwingend voorschrift en zonder oog voor de concrete gegevens van het dossier, in de zaak betrokken zijn.

Dergelijke omzendbrieven bevorderen het stroomlijnen van de administratieve besluitvorming en dienen aldus de rechtszekerheid, aangezien zij de bestuurde een zicht geven op de wijze waarop het bestuur zijn discretionaire bevoegdheid zal uitoefenen.

16. Onder “complementaire dienstverlenende bedrijven” verstaat de omzendbrief “dienstverlenende bedrijven, die nuttig of noodzakelijk zijn voor de goede werking van de eigenlijke industriële of ambachtelijke bedrijven”, dit zijn “bedrijven die complementair zijn aan of die dienst verlenen aan de eigenlijke industriële of ambachtelijke bedrijven” voor zover deze laatste bedrijven “bestaan of concrete plannen tot realisatie ervan bekend zijn”.

De omzendbrief bevat in deze omschrijving van het begrip “complementaire dienstverlenende bedrijven” slechts richtsnoeren of verduidelijkingen voor de vergunningverlenende overheid nopens de interpretatie en de toepassing van het voorschrift in artikel 7.2.0 van het inrichtingsbesluit.

VII-39.469-12/14

17. In zoverre de verwerende partij in het bestreden besluit stelt dat de omzendbrief betrekkelijk de complementaire dienstverlenende bedrijven “vereist” dat de inrichting, waarvan zij aanneemt dat haar “transport ten behoeve van AED-studio’s in relatie staat tot het betrokken industriegebied”, “ten behoeve staat van meerdere andere industriële bedrijven” geeft zij aan de omzendbrief een verordenend karakter die aan de bestaande voorschriften van artikel 7.2.0 van het inrichtingsbesluit een nieuwe regel van imperatieve aard zou toevoegen en die, zoals is gebleken, in het gewestplanvoorschrift niet te lezen valt.

De bestreden beslissing is ook op dit punt in strijd met artikel 7.2.0 van het inrichtingsbesluit.

18. De tot de verenigbaarheid van de aanvraag met het toepasselijke gewestplanvoorschrift beperkte stedenbouwkundige toetsing in de bestreden beslissing, schendt bijgevolg de bestemming industriegebied van het gewestplan Antwerpen.

Het middel is gegrond.

BESLISSING

1. De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 9 juli 2015 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 11 december 2014, houdende het weigeren van de milieuvergunning aan de NV Heliventure FTO voor het exploiteren van een helihaven, gelegen aan de Fabriekstraat 38 te Lint, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd.

2. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.

VII-39.469-13/14

3. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verzoekende partij.

De tussenkomende partij sub I wordt verwezen in de kosten van haar tussenkomst, begroot op 150 euro.

De tussenkomende partijen sub II worden verwezen in de kosten van hun tussenkomst, begroot op 450 euro, elk voor een derde.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien september tweeduizend zeventien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:

Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier.

De griffier De voorzitter

Elisabeth Impens Eric Brewaeys

VII-39.469-14/14

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.077