Court dismisses annulment appeal regarding pig farm permit where prior procedural error precludes new grant.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the applicant's request to annul the Flemish Minister's decision refusing a pig farm permit. The applicant argued that the refusal was based on procedural errors from a previous case, but the court found the applicant had no legal interest in overturning the decision since the administrative authority was legally barred from granting the permit due to those same errors. Consequently, the court ruled that annulling the refusal would not benefit the applicant as the permit could never be issued under the current circumstances.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 10 and 11 of the Code of Administrative Justice: An annulment appeal is inadmissible if the applicant lacks a legal interest in the outcome, as the annulment would not alter the substantive result when the authority is precluded by prior jurisprudence from granting the requested permit.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IAJurisprudence citée
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VIIe KAMER
nr. 239.074 van 14 september 2017
in de zaak A. 217.841/VII-39.559.
In zake : Stijn STILLAERT
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jacqueline Meersman kantoor houdend te 9000 Gent Willem Tellstraat 22
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46, bus 1
bij wie woonplaats wordt gekozen
Tussenkomende partijen :
1. Greta VERBIST
2. Kathia STILLAERT
3. Marleen VAN DEN BRANDEN
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johan Verstraeten kantoor houdend te 3000 Leuven Vaartstraat 68-70
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 12 december 2015, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 9 oktober 2015 waarbij de bestuurlijke beroepen ingediend tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant van 8 november 2012, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan Stijn Stillaert voor het
VII-39.559-1/9
verder exploiteren en veranderen van een varkenshouderij, gelegen aan de Weterbeekstraat 28 te Bierbeek, gegrond worden verklaard, de beroepen beslissing van de deputatie wordt opgeheven en de gevraagde vergunning wordt geweigerd.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
De tussenkomende partijen hebben een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 23 februari 2016. De tussenkomende partijen hebben een memorie ingediend.
Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld.
Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partijen hebben een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 juni 2017.
Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Charlotte Bekaert, die loco advocaat Jacqueline Meersman verschijnt voor verzoeker, advocaat Veerle Huysman, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Simon Claes, die loco advocaat Johan Verstraeten verschijnt voor de tussenkomende partijen, zijn gehoord.
Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
VII-39.559-2/9
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Op 29 mei 2012 dient verzoeker een milieuvergunningsaanvraag in voor het verder exploiteren en veranderen van een bestaande varkenshouderij op percelen die zijn gelegen aan de Weterbeekstraat 28 te Bierbeek.
Volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgestelde gewestplan Leuven, zijn de voormelde percelen gesitueerd in agrarisch gebied.
3.2. Bij besluit van 8 november 2012 verleent de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant een milieuvergunning met als voorwerp:
“- 2 varkensstallen voor 2341 varkensplaatsen (rubriek 9.4.1.c.2 - kl 2)
waarvan:
○ 349 mestvarkens in de bestaande stal (= vermindering met 158 varkens in bestaande stal)
○ 1992 mestvarkens in een nieuwe stal (totaal = uitbreiding met 1834 varkens);
- het stallen van 14 voertuigen en/of aanhangwagens (hernieuwing)
(rubriek 15.1.1 - kl 3);
- opslag van 9200 kg zwavelzuur (nieuw) (rubriek 17.3.3.1.b - kl 3);
- de opslag van 4950 liter mazout (vermindering met 1050 l)
(rubriek 17.3.6.1.b - kl 3);
- een brandstofverdeelinstallatie met 1 verdeelslang (hernieuwing)
(rubriek 17.3.9.1 kl 3);
- de opslag van 200 kg fyto-producten in kleine verpakkingen (nieuw)
(rubriek 17.4 - kl 3);
- de opslag van 50 ton kunstmest (nieuw) (rubriek 28.1.f.1 - kl 3);
- de opslag van 3595 m³ dierlijke mest (uitbreiding met 2895 m³)
(rubriek 28.2.c.1 - kl 3);
- inrichting voor het bewerken van groenten (7 kW) (hernieuwing)
(rubriek 45.13.d.1.b - kl 3);
- een freatische grondwaterwinning op een diepte van 20 m uit het
VII-39.559-3/9
Brusseliaan met een opgepompt debiet van 12.289 m³/jaar (uitbreiding met 2469 m³) (rubriek 53.8.2 - kl 2).
Rubrieken : 9.4.1.c.2, 15.1.1, 17.3.3.1.b, 17.3.6.1.b, 17.3.9.1, 17.4, 28.1.f.1, 28.2.c.1, 45.13.d.1.b en 53.8.2”.
De vergunning wordt afhankelijk gesteld van de naleving van een aantal bijzondere exploitatievoorwaarden.
3.3. Tegen dit besluit worden vijf administratieve beroepen ingesteld bij de bevoegde Vlaamse minister.
3.4. Met een besluit van 16 april 2013 verklaart de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur de beroepen gedeeltelijk gegrond. Het besluit van 8 november 2012 van de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant wordt gewijzigd. Vooreerst worden inzake de winning van het grondwater de woorden “met een opgepompt debiet van 12.289 m³/j” vervangen door de woorden “met een maximaal opgepompt debiet van 33,67 m³/d en 12.289 m³/jaar”. Voorts wordt een bijzondere vergunningsvoorwaarde gewijzigd en worden er twee bijzondere vergunningsvoorwaarden toegevoegd. Voor het overige worden de bepalingen van het deputatiebesluit bevestigd.
3.5. Bij arrest nr. 231.092 van 30 april 2015 vernietigt de Raad van State het voornoemde ministerieel besluit van 16 april 2013 op grond van de volgende motieven:
“[…]. Uit het bij het verzoekschrift tot nietigverklaring gevoegde afschrift van de milieuvergunningsaanvraag, waarvan de echtheid niet wordt betwist, blijkt dat in het vak D6 van het aanvraagformulier aanvankelijk ‘nee’ was aangekruist bij de vraag of het gaat over een GPBV-inrichting. In bijlage D3
‘Beschrijving van de bedrijfs- en productieprocessen’ wordt bij de omschrijving van de ‘onderdelen bij verandering’ het volgende in voetnoot vermeld:
‘Alhoewel op deze inrichting 2.341 plaatsen voor andere varkens zijn, gaat het niet om een X-bedrijf (een inrichting is ingedeeld onder ‘intensieve varkenshouderij’ wanneer er meer dan 2.000 plaatsen zijn voor andere varkens van meer dan 30 kg). Op het bedrijf zijn plaatsen aanwezig voor het houden van 2.341 varkens ouder dan 10 weken. In het begin van elke productiecyclus worden biggen met een
VII-39.559-4/9
begingewicht van ongeveer 20 kg geleverd van een ander bedrijf. Nu willen we duidelijk stellen dat er op het bedrijf plaatsen zijn voor 2.341 varkens ouder dan 10 weken dus dieren vanaf ongeveer 20 kg.
De groei van varkens die net verhokt zijn, valt een tijd terug waardoor de eerste kg’s relatief trager worden aangewonnen dan de volgende kg’s. De terugval in groei is te verklaren doordat het om een ‘open varkensbedrijf’ gaat en de biggen van één of meerdere andere inrichtingen afkomstig kunnen zijn.
Wanneer we rekening houden met het feit dat een big er 15 % à 20 %
van zijn verblijftijd over doet om op te groeien van 20 naar 30 kg, kunnen we duidelijk stellen dat we geen ‘X’-bedrijf zijn. Wanneer we rekening houden met 15% - 20% komt dit [er op] neer dat er gemiddeld tussen de 1.990 en 1.873 andere varkens van meer dan 30 kg aanwezig [zullen] zijn […] op het bedrijf’.
Op pagina 19 van het aanvraagdossier is het vak D6 niet aangekruist bij de lijst van bijgevoegde bewijsstukken. Ook de bij de aanvraag gevoegde ‘inhoudstabel’ van bijgevoegde stukken, bevat geen spoor van een bijlage D6.
Het niet-bijvoegen van de GPBV-bijlage D6 spoort overigens met het voorwerp van de vergunningsaanvraag zoals omschreven in bijlage C4; in die bijlage is enkel sprake van de rubrieken 9.4.1.c), 1° en 9.4.1.c), 2° (en dus niet van rubriek 9.4.1.d),1° die met het symbool X in kolom 4 van de indelingslijst aangeduid wordt als GPBV-installatie).
Al deze overeenstemmende gegevens leiden tot de conclusie dat de aanvraag van [Stijn Stillaert] niet werd ingediend als betrekking hebbende op een varkenshouderij waarop de GPBV-voorschriften van toepassing zijn.
[…]. Desondanks blijkt dat de zaak in de loop van de vergunningsprocedure een andere wending heeft gekregen. Op het aanvraagformulier is later met een balpen in het vak D6 het woord ‘ja’ aangekruist. Het blijft geheel onduidelijk wanneer en door wie dit is gebeurd.
Ook duikt in het dossier plots een niet-gedagtekende bijlage D6 ‘Toelichting over de GPBV-inrichting’ op. Voorts blijkt dat de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant op 8 november 2012 vergunning heeft verleend voor een varkenshouderij die valt onder rubriek 9.4.1.c), 2°, van de indelingslijst terwijl in de motivering van hetzelfde besluit wordt gesteld dat het gaat om een ‘GPBV
bedrijf’ dat ‘de BBT-toets moet doorstaan’. Wanneer de deputatie, geconfronteerd met de bestuurlijke beroepsprocedure bij de bevoegde Vlaamse minister, het vergunningsdossier op 21 februari 2013 toestuurt aan de verwerende partij, maakt ze melding van een ‘erratum dat aan het dossier mag toegevoegd worden’. Dat ‘erratum’, ook daterend van 21 februari 2013, strekt er kennelijk toe rubriek 9.4.1.d), 1°, van de indelingslijst toe te voegen aan het beschikkend gedeelte van haar beslissing van 8 november 2012.
Deze kunstgrepen brengen de Raad van State evenwel niet af van de hiervoor gedane vaststellingen omtrent het werkelijke voorwerp van de initieel ingediende vergunningsaanvraag.
[…]. In zoverre de verwerende partij in haar laatste memorie poneert dat het feit dat de vergunningsaanvraag niet werd afgewezen wegens het ontbreken van bijlage D6 precies aantoont dat deze bijlage ‘ofwel bij de aanvraag werd gevoegd, ofwel kort nadien’, dingt zij naar een blind vertrouwen in het
VII-39.559-5/9
bestuurlijk handelen dat wordt beschaamd door het [hiervoor] gegeven feitenrelaas”.
3.6. Met het thans bestreden besluit van 9 oktober 2015 doet de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw opnieuw uitspraak over de bestuurlijke beroepen ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant van 8 november 2012. Deze beroepen worden gegrond verklaard en de gevraagde milieuvergunning wordt geweigerd.
De weigering van de vergunning steunt in essentie op de volgende overwegingen:
“Overwegende dat een varkenshouderij een GPBV-installatie is indien er meer dan 2.000 plaatsen zijn voor mestvarkens van meer dan 30 kg; dat er 2.341 plaatsen voor mestvarkens worden aangevraagd; dat de exploitant in bijlage D3 van de milieuvergunningsaanvraag stelt dat het hier geen GPBV-installatie betreft aangezien gedurende circa 15% van de kweekcyclus de dieren minder dan 30 kg wegen; dat echter in bijlage E10 van de milieuvergunningsaanvraag wordt gesteld dat zal gewerkt worden volgens het all-in/all-outprincipe; dat alle varkens met een gewicht van circa 20 kg aan het begin van de kweekcyclus in één keer worden opgezet in de stallen; dat de varkens op het einde van de kweekcyclus samen worden afgevoerd op een gewicht van 110 kg; dat bijgevolg op het einde van de afmestronde er wel degelijk meer dan 2.000 mestvarkens van meer dan 30 kg aanwezig zijn op het bedrijf; dat het all-in/all-outprincipe wordt herhaald in bijlage E11 van de milieuvergunningsaanvraag waar dit wordt aangehaald als maatregel om de transporthinder en de geluidshinder te beperken; dat de wijze van bedrijfsvoering integraal deel uitmaakt van de milieuvergunningsaanvraag; dat er zowel in het bestreden besluit van 8 november 2012 als in het door de Raad van State vernietigde ministerieel besluit van 16 april 2013, wordt vanuit gegaan dat zal gewerkt worden met het all-in/all-outprincipe en de verschillende hinderaspecten dan ook in die zin werden beoordeeld; dat het hier dus ontegensprekelijk een GPBV-installatie betreft;
[…]
Overwegende dat de Raad van State in zijn arrest van 30 april 2015 stelt dat er aanwijzingen zijn dat bijlage D6 ‘Toelichting over de GPBV-inrichting’ niet bij de initieel ingediende vergunningsaanvraag was bijgevoegd maar nadien aan de aanvraag werd toegevoegd; dat het hier wel degelijk om een GPBV-bedrijf gaat in tegenstelling tot wat in de milieuvergunningsaanvraag wordt gesteld aangezien er, gelet op het all-in/all-out principe, meer dan 2.000 plaatsen zijn voor mestvarkens van meer dan 30 kg; dat bijgevolg conform artikel 5, §7, van titel I van VLAREM bijlage D6 in de milieuvergunningsaanvraag moest zijn opgenomen, wat niet geval was; dat het wijzigen van een vergunningsaanvraag
VII-39.559-6/9
of het aanvullen ervan tijdens de procedure met een essentiële bijlage, niet mogelijk is; dat dit moet beschouwd worden als een procedurefout die niet kan worden rechtgezet tijdens de beroepsprocedure”.
IV. Ontvankelijkheid van het beroep
Exceptie nopens het belang van verzoeker
4. De tussenkomende partijen stellen dat verzoeker geen belang heeft bij de nietigverklaring van de bestreden beslissing omdat de verwerende partij na het meervermelde vernietigingsarrest van 30 april 2015 niets anders kon doen dan de vergunningsaanvraag te weigeren. Bijgevolg zou de nietigverklaring van het bestreden besluit voor verzoeker “geen enkel voordeel betekenen”.
5. Verzoeker repliceert in zijn laatste memorie dat het annulatieberoep ertoe strekt te beletten dat de bestreden beslissing van 9 oktober 2015 waarbij de “bezwaren geacht worden gegrond te zijn” definitief wordt en zodoende dat “de bezwaarindieners bij elke andere aanvraag […] zich op deze ‘gegronde’ bezwaren [zouden] kunnen beroepen”.
6. In haar laatste memorie merkt de verwerende partij op dat zij de vergunning heeft geweigerd wegens de in arrest nr. 231.092 van 30 april 2015
vastgestelde procedurefout, dat de door de beroepsindieners opgeworpen bezwaren daarbij niet in concreto werden onderzocht en de inhoud van de bezwaarschriften dan ook op geen enkele manier bindend kan zijn in het kader van de beoordeling van toekomstige milieuvergunningsaanvragen.
Beoordeling
7. In arrest nr. 231.092 van 30 april 2015 werd vastgesteld dat de kwestieuze milieuvergunningsaanvraag aanvankelijk niet werd ingediend als betrekking hebbende op een inrichting waarop de GPBV-voorschriften (Geïntegreerde Preventie en Bestrijding van Verontreiniging) van toepassing zijn
VII-39.559-7/9
en dat pas in de loop van de administratieve procedure het voorwerp van de aanvraag in die zin werd gewijzigd. Uit het gezag van gewijsde van dit arrest vloeit voort dat de verwerende partij in graad van beroep geen vergunning kan verlenen voor een varkenshouderij die door de milieuwetgeving als een GPBV-installatie wordt aangemerkt. Alzo kan de gebeurlijke nietigverklaring van het bestreden besluit er niet toe leiden dat verzoeker op grond van dezelfde aanvraag alsnog de door hem nagestreefde milieuvergunning zou verkrijgen.
Het beroep is niet ontvankelijk.
V. Rechtsplegingsvergoeding
8. De tussenkomende partijen vragen dat verzoeker zou worden veroordeeld tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding.
9. Artikel 30/1, laatste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt uitdrukkelijk dat de tussenkomende partijen niet kunnen worden gehouden tot de betaling van de rechtsplegingsvergoeding of deze genieten.
Er is aldus geen grond om aan de tussenkomende partijen een rechtsplegingsvergoeding toe te kennen.
VII-39.559-8/9
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verwerende partij.
De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 450 euro, elk voor een derde.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien september tweeduizend zeventien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier.
De griffier De voorzitter
Elisabeth Impens Eric Brewaeys
VII-39.559-9/9
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.074