Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.069 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.069 Généré par l'IA

Court dismisses suspension request for environmental permit enforcement due to lack of urgency and serious consequences.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.069
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the applicants' request to suspend the enforcement of a provincial decision partially granting an environmental permit for a pig farm. The court found that the applicants failed to demonstrate either the existence of serious consequences or the urgency required for such an interim measure. Consequently, the decision to enforce the permit was upheld despite arguments regarding visual and olfactory nuisance.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 100, 101, 102 of the Code of Administrative Justice; A suspension of enforcement requires proof of serious consequences and urgency, which were not established in this case involving a pig farm expansion.

Mots-clés

Généré par l'IA
suspension of enforcement environmental permit serious consequences urgency requirement pig farm expansion visual nuisance odour nuisance augmentation des possibilités d'utilisation du sol

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Articles 100, 101, 102 of the Code of Administrative Justice

Jurisprudence citée

Généré par l'IA
RvVb/S/1516/0399
RvVb/S/1516/0399 van 5 januari 2016 heeft geoordeeld “dat de beweerde visuele hinder sterk gerelativeerd dient te worden” en in ieder geval niet van die aard is “dat de verzoekende partijen de afwikkeling van de procedure ten gronde niet kunnen afwachten teneinde hun belangen gevrijwaard te zien”.
A. 209.677/VII-38.869
Dit besluit wordt voor de Raad van State aangevochten in, onder meer, de zaak A. 209.677/VII-38.869.
ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.726
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER

nr. 239.069 van 14 september 2017

in de zaak A. 222.023/VII-39.964.

In zake : 1. Stefaan TAILLIEU

2. Frieda VERGAUWE

3. Stefaan LASAGE

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koen Van Wynsberge kantoor houdend te 9860 Oosterzele Kwaadbeek 47a bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD

VAN WEST-VLAANDEREN

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 21 april 2017, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 9 februari 2017 waarbij de beroepen, ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zonnebeke van 16 juni 2014, houdende het gedeeltelijk verlenen aan Veronique Lampaert van de milieuvergunning voor het verder exploiteren en veranderen van een landbouwbedrijf, gelegen aan de Hoenstraat 15 te Zonnebeke, gedeeltelijk worden ingewilligd en de beroepen beslissing wordt gewijzigd.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.

VII-39.964-1/9

Auditeur Dieter Decock heeft een verslag opgesteld.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 september 2017.

Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Koen Van Wynsberge, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en adjunct-adviseur Sandy Vanparys , die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Aan de Hoenstraat 15 te Zonnebeke (Beselare) wordt een gemengd landbouwbedrijf geëxploiteerd. Op 20 mei 2011 dient de uitbaatster een hernieuwingsaanvraag in. Tegelijk wenst zij een wijziging door te voeren in het aantal gehouden dieren en haar inrichting te veranderen door toevoeging van een biogasinstallatie.

Op 29 november 2012 verleent de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen grotendeels de gevraagde vergunning. De hernieuwing van de vergunning voor 358 mestvarkens en voor een grondwaterwinning met een debiet van 267 m³ per jaar in het Landeniaan zand en de uitbreiding van de inrichting met 92 mestvarkens worden echter geweigerd. Bij ministerieel besluit van 3 juni 2013 wordt het bestuurlijk beroep tegen voormelde beslissing

VII-39.964-2/9

gedeeltelijk gegrond verklaard en wordt de beroepen beslissing gewijzigd. De milieuvergunning wordt deels verleend, met inbegrip van de gevraagde biogasinstallatie, en deels geweigerd, in hoofdzaak wat het aantal vergunde dieren betreft. Dit besluit wordt voor de Raad van State aangevochten in, onder meer, de zaak A. 209.677/VII-38.869. Bij arrest nr. é.726 van 4 februari 2016 stelt de Raad van State het verval van de verleende milieuvergunning vast omdat de corresponderende stedenbouwkundige vergunning als definitief geweigerd moet worden beschouwd.

3.2. Inmiddels heeft de uitbaatster op 5 maart 2014 een nieuwe aanvraag ingediend voor het verder exploiteren, uitbreiden en wijzigen van het landbouwbedrijf. In essentie beoogt zij in de toekomst louter nog een varkensbedrijf te exploiteren.

3.3. Bij besluit van 16 juni 2014 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zonnebeke gedeeltelijk de gevraagde vergunning.

3.4. Een aantal omwonenden, waaronder de verzoekende partijen, stellen tegen deze beslissing een bestuurlijk beroep in.

3.5. Op 11 december 2014 verklaart de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen de beroepen gedeeltelijk gegrond. De vergunning wordt deels verleend en deels geweigerd. De in eerste aanleg opgelegde bijzondere exploitatievoorwaarden worden verder uitgebreid.

3.6. Bij arrest nr. 236.078 van 13 oktober 2016 vernietigt de Raad van State dit besluit.

3.7. Ingevolge dit vernietigingsarrest herneemt de verwerende partij het administratief besluitvormingsproces. Na het organiseren van een nieuw openbaar onderzoek en het opnieuw inwinnen van de nodige adviezen, willigt de

VII-39.964-3/9

deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen op 9 februari 2017 de ingediende administratieve beroepen gedeeltelijk in, wijzigt zij de beroepen beslissing en verleent zij andermaal de gevraagde milieuvergunning.

Dit is het bestreden besluit.

IV. Schorsingsvoorwaarden

4. Luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van het besluit prima facie kan verantwoorden.

Spoedeisendheid

Standpunt van de partijen

5. De verzoekende partijen zetten uiteen dat de belanghebbende partij thans over alle vereiste vergunningen beschikt om de bouw en exploitatie van de vleesvarkensstal aan te vatten. Volgens de verzoekende partijen kan dit “op relatief korte termijn” gebeuren, zodat zij vanaf dan zullen worden geconfronteerd met de hinder en nadelen voortvloeiend uit de exploitatie van de stal die zich op zeer korte afstand van hun woningen bevindt. Indien met andere woorden een uitspraak in een procedure tot vernietiging moet worden afgewacht, zal, zo menen de verzoekende partijen, de stal al met zekerheid opgericht en in exploitatie zijn, zodat de ermee gepaard gaande “schade en/of ongemakken” nog moeilijk omkeerbaar zullen zijn.

Inzonderheid maken de verzoekende partijen gewag van visuele-, geur-, mobiliteits- en stofhinder. De twee eerstvernoemde aspecten

VII-39.964-4/9

worden vervolgens nader toegelicht. Zo dichten de verzoekende partijen de visuele hinder een onvermijdelijk karakter toe, “gelet op het feit dat de thans bestreden vergunning (de) toelating inhoudt voor de oprichting van een aanzienlijk gebouw en bijkomende verhardingen”. Eén en ander geldt volgens de verzoekende partijen des te meer nu de aanvraag zich situeert in een openruimtegebied. Voorts achten de verzoekende partijen het “algemeen aanvaard dat een varkenshouderij een aanzienlijke geurhinder tot gevolg zal hebben op [...] [hun] woningen, die allen gelegen zijn op minder dan 50 meter van de percelen waarop de aanvraag betrekking heeft”. Zij wijzen in dit verband op het in het kader van de eerste beoordeling van de milieuvergunningsaanvraag uitgebrachte advies van de afdeling Milieuvergunningen, waarin melding wordt gemaakt van een toename van de geuremissie. Daarbij moet volgens de verzoekende partijen bovendien rekening worden gehouden met het feit dat de milieuvergunning van de aanvraagster reeds een aantal jaren vervallen is, zodat eigenlijk moet worden uitgegaan van een aanvraag voor een nieuwe varkenshouderij. De aangepaste exploitatievoorwaarden worden door de verzoekende partijen “zeer ontoereikend”

geacht. In dit verband verwijzen de verzoekende partijen naar het advies van de Provinciale Milieuvergunningscommissie omtrent de milieuvergunning verleend in het kader van de eerste beoordeling van de vergunningsaanvraag. Waar thans een windsingel als remediërende maatregel voor de geurhinder wordt voorgesteld, wordt dienaangaand in de toepasselijke omzendbrief een voorbehoud gemaakt. De verzoekende partijen beklagen zich er over dat in het bestreden besluit met deze kritiek geen rekening wordt gehouden.

De verzoekende partijen stellen ten slotte nog dat de aangehaalde nadelen zich des te scherper uiten, nu de aanvraagster de in het verleden verleende vergunningen heeft laten vervallen, en zij er dienvolgens zijn van uitgegaan dat er geen varkenshouderij meer zou worden uitgebaat in de onmiddellijke omgeving van hun woning. Thans verwachten de verzoekende partijen evenwel dat de aanvraagster snel zal overgaan tot oprichting van de stallen, waarbij nog wordt verwezen naar “de in de bijzondere vergunningsvoorwaarde opgelegde timing voor uitvoering”.

VII-39.964-5/9

6. De verwerende partij repliceert dat de verzoekende partijen met hun vordering tot schorsing voorbarig handelen. Immers gaan zij er van uit dat de exploitant thans over alle vereiste vergunningen beschikt, doch daarmee gaan zij er aan voorbij dat de stedenbouwkundige vergunning op heden nog wordt bestreden bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, en zulks wel door hen zelf. Waar een vordering tot schorsing voor de Raad van State kan worden ingesteld “op elk moment”, en met andere woorden de spoedeisendheid kan worden opgeworpen op het moment dat deze zich voordoet, meent de verwerende partij dat dit vandaag nog niet het geval is.

Beoordeling

7. Een zaak is spoedeisend, en dus vatbaar voor beoordeling in kort geding, zodra de vrees voor schade van enig belang, of zelfs voor ernstige nadelen, een onmiddellijke beslissing wenselijk maakt. Bijgevolg mag het kort geding worden gehanteerd wanneer het geschil niet met de gewone procedure binnen de gewenste tijdspanne kan worden opgelost. Het komt er daarbij voor een verzoekende partij die beweert dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep te kunnen afwachten, op aan om van die urgentie te overtuigen aan de hand van de concrete feiten die zij in haar vordering aanvoert.

8. Waar te dezen de verzoekende partijen uiteenzetten dat de belanghebbende partij thans over alle vereiste vergunningen beschikt om de bouw en exploitatie van de stal aan te vatten, beperkt zij zich tot de loutere vaststelling dat dit “op relatief korte termijn” kan gebeuren, doch op het ogenblik van het indienen van onderhavige vordering - dit is meer dan twee maanden nadat de milieuvergunning werd afgeleverd en de corresponderende stedenbouwkundige vergunning bijgevolg uitvoerbaar werd - was met het bouwproces klaarblijkelijk toch nog niet begonnen. Meer zelfs, rekening houdend met de eerder op 11 december 2014 verleende milieuvergunning, moet worden vastgesteld dat van 2 juli 2015, datum van aflevering van de stedenbouwkundige vergunning, tot 13 oktober 2016, datum van het voornoemde annulatiearrest, ook reeds uitvoering

VII-39.964-6/9

had kunnen zijn gegeven aan de stedenbouwkundige vergunning, doch dat dit klaarblijkelijk niet is gebeurd. Nog in dit verband moet worden opgemerkt dat het in beginsel niet volstaat te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht.

Voorts moet bij de beoordeling van de beweerde spoedeisendheid tevens rekening worden gehouden met het gedrag of de houding van de verzoekende partijen zelf. Dienaangaand blijken de verzoekende partijen thans voor de eerste maal de schorsing van de milieuvergunning te vorderen, terwijl zij zich in de vorige procedure betreffende de milieuvergunning van 11 december 2014 hebben beperkt tot een annulatieberoep. Vermits de schorsing voortaan “op elk moment” kan worden gevraagd, hadden de verzoekende partijen vanaf de aflevering van de stedenbouwkundige vergunning op 2 juli 2015 reeds kunnen vrezen voor een spoedige aanvang van de werken; desalniettemin hebben zij toen geen vordering tot schorsing ingediend.

9. Nog los van het bovenstaande maken de verzoekende partijen voorts ook niet aannemelijk dat de gevolgen van de mogelijke tenuitvoerlegging van het besluit dermate ernstig zouden zijn dat de schorsing ervan zich zou opdringen.

Waar immers de uiteengezette visuele hinder voornamelijk voortvloeit uit de stedenbouwkundige vergunning, moet worden vastgesteld dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen bij arrest nr. RvVb/S/1516/0399 van 5 januari 2016 heeft geoordeeld “dat de beweerde visuele hinder sterk gerelativeerd dient te worden” en in ieder geval niet van die aard is “dat de verzoekende partijen de afwikkeling van de procedure ten gronde niet kunnen afwachten teneinde hun belangen gevrijwaard te zien”.

Aangaande de geurhinder komen de verzoekende partijen dan weer niet verder dan de blote stelling als zou het “algemeen aanvaard (zijn) dat een

VII-39.964-7/9

varkenshouderij een aanzienlijke geurhinder tot gevolg zal hebben” en tot een verwijzing naar adviezen uit de eerdere milieuvergunningsprocedure die heeft geleid tot het vernietigde deputatiebesluit van 11 december 2014, zonder zulks te betrekken op de overwegingen uit het thans bestreden besluit waarin wordt verwezen naar het onderzoek van de afdeling Milieuvergunningen, de nieuw te bouwen ammoniakemissiearme stal, diverse milderende maatregelen en een geurstudie waarin een daling van de geuremissie wordt verwacht ten opzichte van de huidige situatie. Ten aanzien van deze overwegingen wordt enkel geopperd dat, wat de windsingel betreft, een voorbehoud moet worden gemaakt, doch de andere overwegingen uit het bestreden besluit worden buiten beschouwing gelaten, op de vage en dus niet-afdoende bewering na dat de exploitatievoorwaarden “zeer ontoereikend” zouden zijn.

De beweerde mobiliteits- en stofhinder wordt door de verzoekende partijen niet nader toegelicht.

10. De opmerkingen van de verzoekende partijen dat de milieuvergunning in wezen vervallen is en dat met hun kritiek geen rekening is gehouden, passen veeleer in de uiteenzetting betreffende de middelen die tegen het bestreden besluit worden aangevoerd dan dat zij van nut zouden kunnen zijn bij het aantonen van de spoedeisendheid. Het aanvoeren van ernstige middelen en de uiteenzetting van de spoedeisendheid zijn immers twee weliswaar cumulatief opgelegde, doch onderscheiden grondvoorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging te kunnen bevelen. Zij nopen in beginsel dan ook tot een afzonderlijke beoordeling.

11. De spoedeisendheid wordt niet aangetoond.

BESLISSING

De Raad van State verwerpt de vordering.

VII-39.964-8/9

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien september tweeduizend zeventien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:

Eric Brewaeys, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier.

De griffier De voorzitter

Bart Tettelin Eric Brewaeys

VII-39.964-9/9

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.069