Court dismisses urgent execution suspension claim due to lack of concrete urgency evidence in animal welfare case.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the applicant's request to suspend the enforcement of an order transferring seized animals to a sanctuary. The applicant alleged moral and financial harm but failed to provide specific facts demonstrating that immediate execution would cause irreparable damage. Consequently, the court ruled that vague assertions of hardship do not satisfy the statutory requirement for urgency.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 17, § 1 and 17, § 2 of the Council of State Act; Urgency in interim relief requires concrete factual evidence of imminent irreparable harm, not merely general assertions of moral or financial disadvantage.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER
nr. 239.068 van 14 september 2017
in de zaak A. 222.338/VII-40.009.
In zake : Abdelhamid BUSIF
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Siegfried De Mulder kantoor houdend te 1730 Asse Stationsstraat 35, bus 1
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk De Greef kantoor houdend te 1700 Dilbeek Eikelenberg 20
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 6 juni 2017, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de Dienst Inspectie Dierenwelzijn van de Vlaamse overheid van 4 april 2017, genomen in toepassing van artikel 42, § 2, van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren (hierna: dierenwelzijnswet) houdende de definitieve bestemming van de op 17 maart 2017 in beslag genomen dieren.
Verzoeker vordert eveneens een schadevergoeding tot herstel ten bedrage van 2.500 euro vermeerderd met de gerechtelijke interestvoet vanaf datum van de bestreden beslissing van 4 april 2017 tot algehele betaling.
VII-40.009-1/8
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.
Auditeur Anja Somers heeft een verslag opgesteld.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 september 2017.
Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Dieter Vanelverdinghe, die loco advocaat Siegfried De Mulder verschijnt voor verzoeker, en advocaat Dirk De Greef, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Op 21 april 2009 wordt er een proces-verbaal opgemaakt ten laste van verzoeker waarbij vier overtredingen van artikel 4 en één overtreding van artikel 3 van de dierenwelzijnswet worden opgesomd.
3.2. Er volgden meerdere controles en vaststellingen.
3.3. Bij vonnis van 1 oktober 2015 van de Nederlandstalige
VII-40.009-2/8
rechtbank van eerste aanleg Brussel, Strafzaken, wordt aan verzoeker, onder meer, een verbod opgelegd om pluimvee te houden gedurende één jaar.
3.4. Er wordt nadien nogmaals proces-verbaal opgesteld op 18 maart 2017 naar aanleiding van een ambtshalve controle met inbeslagname van weidedieren tot gevolg.
3.5. Op 21 maart 2017 wordt verzoeker verhoord.
3.6. Op 22 maart 2017 heeft de dierenarts een verslag opgemaakt met betrekking tot de gezondheidstoestand van de in beslag genomen dieren.
3.7. In toepassing van artikel 42, § 2, van de dierenwelzijnswet worden de inbeslaggenomen dieren op 4 april 2017 definitief in volle eigendom gegeven aan de dierenasielen die daarmee instemmen.
Dit is de bestreden beslissing.
De beslissing is als volgt gemotiveerd:
“Gelet op de vaststellingen en overtredingen vermeld in PV 001558/2017:
- er is geen drinkwater aanwezig voor de dieren;
- de weide ligt vol met rommel;
- er hangt een overweldigende stank in de stallen;
- verschillende dieren zijn ziek, gewond en mager;
- de weide en het bos liggen bezaaid met kadavers;
Gelet op het feit dat er een herhaling is van de vastgestelde feiten:
- sinds 2010 heeft de politie al 14 processen-verbaal opgesteld op basis van de dierenwelzijnswet;
- sinds 2009 heeft onze dienst al meerdere klachten ontvangen over de verzorging en huisvesting van de dieren. Er werden in totaal 3 processen-verbaal en 3 waarschuwingen opgesteld. Telkens worden soortgelijke maatregelen opgelegd, nl. weide opruimen, kadavers verwijderen, hokken reinigen, aangepast voeder geven aan de dieren, ….
Gelet op het feit dat er reeds eerder een verbod werd uitgesproken op het houden van pluimvee Gelet op de dierenartsverslagen waaruit blijkt dat:
- ezels:
VII-40.009-3/8
• merrie was mager, hengstenveulen was in goede conditie;
• beide dieren hebben een erge worminfestatie;
• merrie heeft verwaarloosde hoeven;
• de merrie is geïdentificeerd en geregistreerd;
• hengstenveulen is enkel geïdentificeerd.
- dieren in VZW Kalmoes:
• 3 dieren worden behandeld voor een longontsteking;
• Alle dieren wordt behandeld tegen schurft en wormen;
• De horens van 2 geiten groeien in de schedels;
• Het gebit van het paard is slecht verzorgd waardoor het moeilijk kan eten.
-dieren in Ark van Pollare:
• ÉÉn geit is gestorven, was al ziek op moment van inbeslagname;
• Mannelijke lama heeft doorgroeiende tanden;
• Vrouwelijke lama is mager;
• Beide lama’s zijn behandeld tegen schurft en wormen;
• Kippen, hanen en kalkoenen zijn vrij mager;
• Barberie-eenden bevinden zich in een vrij goede conditie.
Gelet op het verhoor van betrokkene op 21/03/2017 waaruit blijkt dat:
- betrokkene levert geen bewijzen aan waaruit blijkt dat hij de nodige kennis heeft om de dieren te zorgen;
- betrokkene niet erg meewerkend is en ontwijkende, vage of geen antwoorden geeft op de gestelde vragen - betrokkene de vaststellingen betwist waaruit geconcludeerd kan worden dat hij over onvoldoende kennis beschikt aangaande het houden en verzorgen van dieren waardoor de dieren niet de gepaste diergeneeskundige zorgen kregen; indien betrokkene effectief niet op de hoogte was van de gedane vaststellingen wijst dit op onvoldoende toezicht op zijn dieren waardoor eveneens de nodige diergeneeskundige verzorging niet tijdig gegeven kon worden Gelet op het feit dat de verzorging en huisvesting van zoveel dieren een constante dagtaak is;
Gelet op het feit dat teruggave van de dieren onverantwoord zou zijn omwille van de onzekerheid over de verzorging en voeding van de dieren aangezien betrokkene de vaststellingen betwist en dus niet erkent of er zich niet van bewust is dat er wel degelijke dierenwelzijnsproblemen zijn die een oplossing vragen waardoor er geen garanties zijn dat het dierenwelzijn in de toekomst gegarandeerd kan worden Gelet op het feit dat de dieren geen reële verkoopwaarde, minstens geen waarde hebben die in verhouding staat tot de kosten van transport, opvang, huisvesting en verzorging overeenkomstig zijn ethologische en fysiologische behoeften”.
IV. Schorsingsvoorwaarden
4. Luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State (hierna: RvS-wet) kan slechts tot schorsing van de
VII-40.009-4/8
tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de beslissing prima facie kan verantwoorden.
Er kan alleen rekening worden gehouden met hetgeen daarover in het verzoekschrift werd uiteengezet en gestaafd. De Raad van State kan geen acht slaan op hetgeen in later ingediende geschriften of ter terechtzitting nog door de verzoekende partij wordt bijgebracht. De verwerende partij kan daarop immers niet meer schriftelijk repliceren en de auditeur kan daarover niet op een deugdelijke wijze advies verlenen in een procedure die op grond van artikel 22 van de RvS-wet essentieel schriftelijk is.
Spoedeisendheid
Standpunten van de partijen
5. Verzoeker voert aan dat alle dieren in beslag werden genomen met alle financiële en morele gevolgen van dien. De dieren werden bij de bestreden beslissing vervolgens definitief toegewezen aan verschillende dierenasielen wat verzoeker definitief een ernstige morele en materiële schade berokkent die moeilijk te herstellen valt.
De schorsing zorgt er volgens hem voor dat de dieren niet geadopteerd kunnen worden en vrijwaart de rechten van verzoeker. Bij een eventuele nietigverklaring zouden de dieren kunnen worden teruggegeven.
Voorts voert verzoeker ook reputatieschade aan.
6. De verwerende partij wijst er vooreerst op dat de inbeslagname niet werd aangevochten.
VII-40.009-5/8
Voorts meent de verwerende partij dat verzoeker de financiële en morele gevolgen niet concreet weergeeft. Bovendien wordt het morele nadeel hersteld door een vernietigingsarrest. Tot slot zet de verwerende partij uiteen dat het lange wachten van verzoeker niet strookt met de vereiste van de spoedeisendheid en het bovendien waarschijnlijk is dat de dieren reeds werden geadopteerd.
Beoordeling
7. Op grond van artikel 17, § 2, van de RvS-wet moet het verzoekschrift een uiteenzetting van de feiten bevatten die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, 4°, van het procedurereglement kort geding van 5 december 1991. Dit houdt in dat het aan de verzoekende partij toekomt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep te kunnen afwachten, gelet op de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van het bestreden besluit voor haar persoonlijk veroorzaakt.
Een verzoekende partij die beweert dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep te kunnen afwachten, moet dus in haar verzoekschrift concrete feiten aanvoeren die de spoedeisendheid verantwoorden.
De spoedeisendheid van de zaak wordt niet vermoed, welke ook de aard van de bestreden beslissing is.
8. Te dezen ontbreekt in het verzoekschrift een concrete uiteenzetting van de gegevens die de spoedeisendheid verantwoorden. De bewering dat verzoeker een moreel en financieel nadeel lijdt zonder dit evenwel concreet uiteen te zetten, volstaat niet om de spoedeisendheid aan te tonen.
Bovendien brengt verzoeker geen stukken voor waaruit zijn financieel nadeel blijkt (de zorg voor de dieren is immers weggevallen) noch dat deze schade van dien aard is dat de tijdspanne die een nietigverklaring in beslag neemt niet zou kunnen
VII-40.009-6/8
worden overbrugd. Tot slot kan hieraan worden toegevoegd dat een moreel nadeel in principe door een eventueel tussen te komen nietigverklaring wordt hersteld en het feit dat de reputatie van verzoeker schade zou hebben geleden door de ruchtbaarheid in de pers, is een nadeel dat zich reeds voltrokken heeft en dat niet kan worden vermeden of hersteld door een schorsingsarrest.
Een verwijzing naar de ernst van de middelen is niet terzake dienend. De voorwaarde van het spoedeisend karakter is een schorsingsvoorwaarde die afzonderlijk onderzocht moet worden. De onwettigheden die tegen het bestreden besluit worden aangevoerd kunnen op zich geen reden zijn om het bestaan van spoedeisendheid te aanvaarden.
Er is bijgevolg niet voldaan aan één van de voorwaarden van artikel 17, § 1, van de RvS-wet. Dit volstaat om de vordering tot schorsing te verwerpen.
Het verzoek tot schadevergoeding tot herstel, dat een accessorium vormt van het annulatieberoep, komt pas aan de orde indien in het arrest dat uitspraak doet over de gevorderde nietigverklaring een onwettigheid werd vastgesteld. In de huidige stand van de zaak kan hierover aldus nog geen uitspraak worden gedaan.
BESLISSING
De Raad van State verwerpt de vordering.
VII-40.009-7/8
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien september tweeduizend zeventien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
Eric Brewaeys, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier.
De griffier De voorzitter
Bart Tettelin Eric Brewaeys
VII-40.009-8/8
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.068