Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.067 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.067 Généré par l'IA

Court dismisses request to suspend animal welfare decision regarding horse seizure and transfer to shelter.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.067
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the applicant's request to suspend the execution of a decision transferring two animals to a recognized shelter. The applicant argued the seizure and transfer were disproportionate given the animals' poor condition, but the court found the administrative authority acted within its discretion. The court held that the decision was not arbitrary or manifestly unreasonable based on the established facts.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 17, § 1 of the Council of State Rules; The Council of State will not set aside an administrative decision unless it is arbitrary or manifestly unreasonable, thereby respecting the margin of appreciation of the executive branch.

Mots-clés

Généré par l'IA
administrative discretion proportionality principle animal welfare law arbitrary decision Council of State review seizure of animals shelter transfer épave

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 17, § 1 of the Council of State Rules
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER

nr. 239.067 van 14 september 2017

in de zaak A. 222.043/VII-39.968.

In zake : Tasha PEETERS

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Raf Vaes kantoor houdend te 3000 Leuven Naamsestraat 42

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

het VLAAMSE GEWEST

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Abbeloos kantoor houdend te 9200 Dendermonde Sint-Gillislaan 117

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 24 april 2017, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van “het diensthoofd bij de Inspectie Dierenwelzijn in het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie, [...], van 20 februari 2017, betreffende de bestemming van twee dieren van verzoekster, hetzij 1 paard en 1 pony, die in toepassing van artikel 42, § 2, van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren [...]

definitief in volle eigendom werd gegeven aan het erkend dierenasiel dat hiermede instemt, hetzij VZW Vogel- en Zoogdierenopvangcentrum te 3550

Heusden-Zolder”.

VII-39.968-1/10

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.

Eerste auditeur Ann Eylenbosch heeft een verslag opgesteld.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 september 2017.

Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Raf Vaes, die verschijnt voor verzoekster, en advocaat Dirk Abbeloos, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Op 6 januari 2017 neemt de Inspectie Dierenwelzijn van het Vlaamse Gewest, Departement LNE, 1 paard en 1 pony in beslag lastens verzoekster op grond van overtreding van artikel 4, 1, van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren (hierna: dierenwelzijnswet):

- de dieren bevinden zich in een erg magere conditie;

- de dieren hebben geen voeding ter beschikking;

- de dieren hebben geen drinkbaar water ter beschikking;

- de dieren hebben geen zacht ligbed ter beschikking.

VII-39.968-2/10

De dieren worden ondergebracht in het dierenasiel VOC

Heusden-Zolder.

3.2. Volgens de vaststellingen van de dierenarts is de pony cachectisch met een BSC 1/5. De hoeven en vacht zijn onverzorgd. Last van schilfers over het hele lichaam, vooral ter hoogte van schoft, rug en liesstreek. Het paard is cachectisch met een BSC 1/5. Hij heeft een systolisch bijgeruis van graad 3/6, mogelijks te wijten aan de slechte voedingsconditie. De hoeven zijn erg onverzorgd.

3.3. Op 18 januari 2017 wordt een verhoor afgenomen van verzoekster die het volgende verklaart:

- de magere conditie van de dieren is te wijten aan sterfte van een ander paard in november 2016;

- de conditie was niet zorgwekkend genoeg om een dierenarts te contacteren;

- tussen 3 en 4 uur de dieren nog eten en drinken gegeven;

- de stal niet in te strooien omdat de pony het stro zou opeten en het paard de houtkrullen, waarmee de dierenarts akkoord ging;

- het bekappen van de hoeven en vaccinaties uitgesteld omwille van sterfte van het andere paard;

- zo snel mogelijk de bewijzen van goede zorgen aan de Inspectie Dierenwelzijn te zullen bezorgen.

3.4. In het proces-verbaal G-17-288/AWF/AnS van 30 januari 2017

stelt de verwerende partij de voorgaanden vast en noteert zij op die datum nog geen documenten te hebben ontvangen van verzoekster.

3.5. Op 10 februari 2017 brengt de raadsman van verzoekster getuigenverklaringen bij:

- de dierenarts meldt op regelmatige basis de dieren te vaccineren en te ontwormen en verder bij problemen te worden gecontacteerd;

VII-39.968-3/10

- de smid verklaart jaarlijks de hoeven te verzorgen;

- de hooileverancier verklaart regelmatig overschotten hooi te leveren en regelmatig een controle te doen bij de dieren;

- de voederleverancier verklaart dat verzoekster regelmatig voeder heeft afgehaald.

3.6. Op 20 februari 2017 beslist het diensthoofd bij de Inspectie Dierenwelzijn van het Departement LNE in toepassing van artikel 42, § 2, van de dierenwelzijnswet, het paard en de pony definitief in volle eigendom te geven aan het dierenasiel VOC Heusden-Zolder dat daarmee instemt.

Het besluit herneemt de vaststellingen en overtredingen vermeld in het proces-verbaal G-17-288/AWV/AnS, de verklaringen die verzoekster tijdens het verhoor heeft afgelegd en overweegt het volgende:

“Gelet op het feit dat we op 18 januari 2017 tijdens het verhoor vragen om zo snel mogelijk de bewijzen te bezorgen, Gelet op het feit dat we in ons proces-verbaal gedateerd op 30 januari 2017

melden dat we nog geen bewijzen ontvangen hebben;

Gelet dat we telefonisch aan Meester Vaes op 10 februari 2017 melden dat we nog steeds geen bewijzen van goede verzorging ontvangen hebben;

Gelet dat uit de ontvangen documenten op 10 februari 2017 blijkt dat:

- de dierenarts meldt op regelmatige basis de dieren te vaccineren en ontwormen; verder bij problemen te worden gecontacteerd;

- de smid verklaart jaarlijks de hoeven te verzorgen;

- de hooileverancier verklaart regelmatig overschotten hooi te leveren aan betrokkene en regelmatig een controle te doen bij de dieren;

- de voerderleverancier regelmatig voeder verkocht heeft aan betrokkene;

Gelet op de lange tijd dat onze dienst gegeven heeft aan betrokkene om het aanbrengen van bewijzen van goede verzorging, werden er slechts niet-gedetailleerde verklaringen aangeleverd waaruit onvoldoende blijkt dat een goede verzorging werd gegeven;

Gelet op het feit dat teruggave van de dieren niet aangewezen zou zijn omwille van de onzekerheid over de verzorging en voeding van de dieren;

Gelet op het feit dat de kosten voor opvang en verzorging oplopen;

Gelet op het feit dat de dieren geen reële verkoopwaarde, minstens geen waarde hebben die in verhouding staat tot de kosten van transport, opvang, huisvesting en verzorging overeenkomstig zijn ethologische en fysiologische behoeften”.

Dit is de bestreden beslissing.

VII-39.968-4/10

3.7. Met een schrijven van 21 februari 2017 wordt verzoekster in kennis gesteld van de bestreden beslissing.

IV. Voorwaarden van het administratief kort geding

4. Naar luid van artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring én dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van het besluit prima facie kan verantwoorden.

V. Onderzoek van de middelen

Eerste middel

Uiteenzetting van het middel

5. Een eerste middel wordt genomen uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet) en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald de materiëlemotiveringsplicht:

“De beslissing met het verwijzen naar vaststellingen en gegevens waarop het bestuur haar beslissing laat steunen, is echter niet nauwkeurig, minstens onvoldoende nauwkeurig of onvolledig gemotiveerd, omdat de eindelijke motivatie in essentie neerkomt op alleen eigen argumenten uit eigen vaststellingen, terwijI al het door en namens verzoekster aangevoerde verweer, hetzij het betwisten, verklaren en uitleggen aan de bevoegde overheid van een slechts zeer tijdelijk vastgestelde minder gunstige toestand der dieren en in acht genomen de feitelijk context hieraan ten grondslag, dit niet wordt beantwoord of verworpen zonder grond of afdoende motivatie en dit terwijI de eindbeslissing, waar ook andere beslissingen eveneens konden genomen worden, op zich ook onvoldoende wordt gemotiveerd, zodat geheel de gegeven

VII-39.968-5/10

motivatie de genomen bestemmingsbeslissing niet kan schragen”.

Beoordeling

6. De formelemotiveringswet bepaalt dat de motivering van een bestuursbeslissing de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en deze motivering moet afdoende zijn, dit wil zeggen dat de motivering in rechte en in feite evenredig moet zijn aan het belang van de beslissing en draagkrachtig, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. Een motivering is afdoende wanneer deze de bestuurde redelijkerwijze in staat stelt te begrijpen op grond van welke feitelijke en juridische gegevens de beslissing is genomen en aldus met kennis van zaken desgevallend tegen deze beslissing in rechte kan optreden en wanneer zij de Raad van State in staat stelt de hem opgedragen wettigheidscontrole uit te oefenen. De motiveringsplicht houdt in dat de motivering duidelijk is, niet tegenstrijdig, juist, pertinent, concreet en precies.

De bestreden beslissing is formeel met redenen omkleed.

De administratieve inbeslagname en daarna de bestreden beslissing vinden grond in vaststellingen van dierenverwaarlozing. Van de beslissende overheid mag worden verwacht dat zij een expliciete afweging maakt van alle elementen die verband houden met de verzorging van de dieren. De formelemotiveringsplicht lijkt echter niet zover te reiken dat van die overheid ook moet worden verwacht dat zij antwoordt op verklaringen die verband houden met de feitelijke omstandigheden die achterliggend zijn aan de vastgestelde conditie van de dieren.

In de mate dat verzoekster de materiëlemotiveringsplicht geschonden acht, komt zij er niet toe aannemelijk te maken dat de feitelijke gegevens waarop de bestreden beslissing berust, niet correct zouden zijn. De standpunten die verzoekster inneemt, getuigen weliswaar van een eigen appreciatie

VII-39.968-6/10

van deze feiten, maar tonen niet aan dat de verwerende partij de grenzen van de redelijkheid zou zijn te buiten gegaan door de gevolgtrekkingen die zij daaruit heeft gedaan, namelijk dat een teruggave van de dieren niet is aangewezen omdat een adequate verzorging en voeding van de dieren niet zeker is.

Door de klemtoon te verleggen naar de feitelijke context die aan de vastgestelde overtredingen ten grondslag zou liggen, weerlegt verzoekster de vastgestelde toestand van de dieren niet. Meer, zij erkent dat de toestand van de dieren “minder gunstig” is. Voorts en ondanks aandringen van de overheid tijdens het verhoor op 18 januari 2017 op een snel bewijs van goede verzorging, herhaald in het proces-verbaal van 30 januari 2017 en mondeling gemeld aan de raadsman van verzoekster op 10 februari 2017, heeft verzoekster bijna een maand laten verstrijken vooraleer de gevraagde documenten in te dienen. Voor zover zulks nog kan sporen met de door verzoekster verklaarde “momentopname van een iets minder gunstige toestand”, lijkt de beslissende overheid de strekking van de bedoelde documenten tot slot niet verkeerd te hebben beoordeeld door vast te stellen dat het niet-gedetailleerde verklaringen betreft. Verzoekster kan zich niet met goed gevolg beroepen op de nieuwe stukken die zij thans bij haar verzoekschrift voegt, om reden dat de verwerende partij er geen kennis van had ten tijde van de besluitvorming.

Een verder doorgedreven onderzoek van het middel zou de Raad van State ertoe nopen in de feitelijke beoordeling van de zaak te treden, waartoe hij niet bevoegd is. De Raad kan in het kader van zijn wettigheidstoezicht immers wel nagaan of de ingeroepen feiten werkelijk bestaan en of de appreciatie daarvan met de vereiste zorgvuldigheid is gebeurd, maar het komt hem daarbij niet toe het feitenonderzoek over te doen om zich aldus, wat de appreciatie van de zaak betreft, in de plaats te stellen van het bestuur.

De bestreden maatregel heeft voor verzoekster weliswaar zwaarwichtige gevolgen en andere bestemmingsmogelijkheden waren misschien mogelijk maar in de gegeven omstandigheden kan de genomen beslissing niet

VII-39.968-7/10

worden bestempeld als onredelijk of in kennelijke wanverhouding tot de vastgestelde feiten.

Het eerste middel is niet ernstig.

Tweede middel

Uiteenzetting van het middel

7. Een tweede middel is genomen uit de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het redelijkheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel.

“Geen redelijke overheid zou, rekening houdend met hetgeen voorligt en met de context der feiten, tot een dergelijke beslissing zijn gekomen en verzoekster onevenredig en dus disproportioneel vergelijkbaar en aldus zwaar hebben gestraft zoals thans voorligt met een definitieve eigendomsoverdracht van haar dieren aan een dierenasiel”.

Beoordeling

8. Een schending van het redelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur veronderstelt dat de overheid bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij haar beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Het redelijkheidsbeginsel kan derhalve slechts geschonden zijn indien de administratieve overheid een beslissing neemt die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende administratieve overheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen.

Verzoekster maakt niet aannemelijk dat de beslissende overheid lichtzinnig zou zijn omgesprongen met de bestemmingsmogelijkheden die de dierenwelzijnswet biedt. De Inspectiedienst Dierenwelzijn heeft verzoekster

VII-39.968-8/10

gehoord en haar de kans gegeven alsnog de bewijzen van goede verzorging bij te brengen. Onder de bespreking van het eerste middel is gebleken dat de verwerende partij op het eerste gezicht niet ten onrechte de wijze waarop verzoekster deze kans heeft benut, als onvoldoende heeft beoordeeld. In het licht van de gedane vaststellingen kan de verwerende partij in de gegeven omstandigheden niet worden verweten de grenzen van haar appreciatievrijheid te hebben overschreden door te oordelen dat een goede verzorging en voeding van de dieren in geval van teruggave niet zeker is.

Het tweede middel is niet ernstig.

Er is bijgevolg niet voldaan aan één van de voorwaarden van artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Dit volstaat om de vordering tot schorsing te verwerpen zonder dat het nodig is de opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie te onderzoeken.

BESLISSING

De Raad van State verwerpt de vordering.

VII-39.968-9/10

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien september tweeduizend zeventien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:

Eric Brewaeys, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier.

De griffier De voorzitter

Bart Tettelin Eric Brewaeys

VII-39.968-10/10

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.067