Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.066 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.066 Généré par l'IA

Court dismisses appeal against animal welfare order transferring dogs to shelter due to proportionality.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.066
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the applicant's request to suspend enforcement and annul the decision transferring three huskies to a shelter. The court found the administrative decision based on clear facts regarding the dogs' confinement in a trailer and the owner's refusal to cooperate, making the measure proportionate to the welfare risks. Consequently, the appeal was deemed unfounded as the authority did not act arbitrarily or in clear disproportion to the severity of the violations.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 42, § 2 of the Animal Welfare Act of 14 August 1986; The Council of State lacks full discretion to substitute its own judgment for the administration but may annul measures that are clearly disproportionate to the facts.

Mots-clés

Généré par l'IA
animal welfare law proportionality principle administrative review dog confinement shelter transfer clear disproportion enforcement suspension état de la chose louée

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 42, § 2 of the Animal Welfare Act of 14 August 1986
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER

nr. 239.066 van 14 september 2017

in de zaak A. 222.205/VII-39.988.

In zake : Christine SMET

wonende te 2820 Bonheiden De Selliers de Moranvillelaan 16

alwaar woonplaats wordt gekozen

tegen :

het VLAAMSE GEWEST

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Isabelle Cooreman kantoor houdend te 1082 Brussel Keizer Karellaan 586, bus 9

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. Het verzoekschrift, ingediend op 10 mei 2017, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging en de nietigverklaring van de beslissing van de Dienst Inspectie Dierenwelzijn van de Vlaamse overheid van 13 april 2017

waarbij in toepassing van artikel 42, § 2, van de wet van 14 augustus 1986

betreffende de bescherming en het welzijn der dieren (hierna: dierenwelzijnswet), drie husky’s in volle eigendom worden gegeven aan het asiel dat daarmee instemt.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.

VII-39.988-1/9

Auditeur Anja Somers heeft een verslag overeenkomstig artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: algemeen procedurereglement) en overeenkomstig artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State opgesteld.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 september 2017.

Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht.

Verzoekster, die verschijnt in persoon, en advocaat Maxim Lecomte, die loco advocaat Isabelle Cooreman verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Op 6 april 2017 wordt een proces-verbaal opgemaakt waarin in hoofdzaak volgende feiten worden weergegeven:

Tussen 3 april 2017 en 6 april 2017 ontvangen de lokale politiediensten meerdere meldingen inzake verwaarloosde honden, drie honden zitten opgesloten in een kleine paardentrailer terwijl verzoekster op vakantie is.

VII-39.988-2/9

De politie contacteert verzoekster en gaat op 4 en 5 april 2017 ter plaatse waarbij geblaf wordt gehoord maar ze niet kunnen vaststellen in welke omstandigheden de dieren worden gehouden.

De eigenares weigert de contactgegevens van de verzorgster te geven. Volgens verzoekster zijn de buren het probleem. De honden zitten volgens verzoekster in goede omstandigheden.

De verzorgster van de dieren neemt contact op met de politie. Ze vindt het ook schandalig hoe de honden vastgehouden worden. Ze is akkoord gegaan met het verzorgen van de honden maar wist niet in welke omstandigheden de honden gingen zitten. Ze gaat elke avond de honden eten en drinken geven en laat ze even rondlopen in de tuin.

Op 6 april 2017 worden dan de volgende vaststellingen door de politie gedaan:

“- de honden zitten opgesloten in een paardentrailer […];

- van zodra wij de trailer naderen beginnen de honden te blaffen;

- een penetrante geur komt ons tegemoet;

- via een trapladder hebben wij via een klein raampje zicht in de trailer;

- wij stellen vast dat drie honden in de trailer zitten;

- de trailer heeft een afmeting van ongeveer 2 meter op 2.5 meter;

- de trailer heeft een ter hoogte van het compartiment waar de honden zitten drie raampjes langs iedere zijde en één dakverluchting;

- een aantal schuifraampjes en de dakverluchting staan open;

- één van de honden is vastgebonden waardoor hij niet aan de drinkbak kan;

- de grond van de trailer ligt vol uitwerpselen;

- wij kunnen een penetrante urinegeur waarnemen komende vanuit de trailer;

- wij kunnen geen voedsel aantreffen in de trailer;

- er staat een zinken emmer in de trailer zonder water;

- van zodra de honden één voor één uit de trailer gehaald worden door SUETENS beginnen zij dadelijk te drinken en te eten”.

Uit de bijkomende inlichtingen en gegevens blijkt dat reeds eerder melding werd gemaakt van loslopende honden.

VII-39.988-3/9

De honden worden bestuurlijk in beslag genomen.

3.2. Op 10 april 2017 wordt verzoekster verhoord door de politie, ze is niet akkoord met het feit dat de honden werden in beslag genomen. Ze ziet het probleem niet maar wil haar honden zeker terug. Volgens haar is het de fout van de buren, als deze de honden met rust zouden laten dan zouden deze niet ontsnappen en dan hoeft zij ze niet op te sluiten.

3.3. Verzoekster geeft geen toestemming om naar de toestand van de honden te kijken door middel van een huiszoeking.

3.4. Op 13 april 2017 neemt de verwerende partij de bestreden beslissing:

“Gelet op de vaststellingen en overtredingen in PV ME.63.L4.002319/2017

dd. 6/04/2017 waaruit blijkt dat:

- de drie husky’s gehuisvest werden in een slechts verlichte en weinig verluchte paardentrailer met een oppervlakte van ongeveer 5m² - de grond van de paardentrailer vol uitwerpselen lag en er een penetrante urinegeur hing - één hond aangebonden was - de honden niet over drinkwater beschikten Gelet op het feit dat uit de vaststellingen en overtredingen die het voorwerp uitmaken van het PV ME.63.L4.002319/2017 dd. 6/04/2017 blijkt dat de dieren niet worden gehouden conform hun ethologische en fysiologische behoeften.

Gelet op het feit dat uit de historiek vermeld in PV ME.63.L4.002319/2017

dd. 6/04/2017 blijkt dat de husky’s reeds meerdere malen ontsnapt waren en op de openbare weg aangetroffen werden.

Gelet op het feit dat uit het verhoor van mevr. Smet blijkt dat zij het normaal vindt dat de honden in een paardentrailer vol uitwerpselen verbleven.

Gelet op het feit dat mevr. Smet geen toestemming wil geven voor een controle door de politie bij haar thuis, waardoor het onmogelijk is de huisvesting van de honden vooraf te controleren en na te gaan of de opgelegde maatregelen zouden worden nageleefd en er dus geen garantie is dat het welzijn van de dieren gegarandeerd is.

Gelet op het feit dat mevr. Smet de gegevens van de personen die in haar afwezigheid voor de kat, konijnen en paarden zouden zorgen niet wil doorgeven, wat het onmogelijk maakt om de juistheid van haar verklaring te controleren.

VII-39.988-4/9

Gelet op het feit dat uit het verhoor van mevr. Smet blijkt dat zij de ernst van de situatie niet beseft en de schuld deels bij haar buren legt.

Gelet op het feit dat uit het verhoor van mevr. Smet blijkt dat de hond Wolf vecht met hond Aila, en dat zij geen concrete voorstellen heeft gedaan om de honden op een gepaste wijze te huisvesten waarbij agressie wordt vermeden.

Gelet op het feit dat er geen garanties zijn dat de honden niet opnieuw in dezelfde omstandigheden zullen worden gehouden als waarin ze werden aangetroffen.

Gelet op het feit dat uit bovenvermelde blijkt dat het onverantwoord zou zijn om de dieren terug te bezorgen aan mevr. Smet aangezien de nodige garanties ontbreken dat het dierenwelzijn verzekerd is en dat controle hierop onmogelijk is.

Gelet op het feit dat de dieren geen reële verkoopwaarden, minstens geen waarde hebben die in verhouding staat tot de kosten van transport, opvang, huisvesting en verzorging overeenkomstig zijn ethologische en fysiologische behoeften”.

IV. Gegrondheid van het beroep

A. Voorafgaande uiteenzetting

Standpunt van verzoekster

4. Onder de titel “feitelijke omstandigheden van de zaak” zet verzoekster uiteen dat het hier om een tijdelijke situatie gaat en dat zij in de toekomst de honden naar een hondenpension zal brengen bij afwezigheid. Volgens haar diende de verzorgster de paardentrailer proper te houden. Zij benadrukt dat zij de situatie niet normaal vindt en dat zij verstevigingen aan de ren wil aanbrengen.

Zij wenste geen huiszoeking omdat dit een te grote inbreuk op haar privacy uitmaakt, zij zou geen probleem hebben met een controle van de hondenren.

Verzoekster beweert dat zij tot het inzicht is gekomen dat de paardentrailer niet geschikt is. De husky’s waren in goede gezondheid. Voor het overige uit verzoekster nog enkele goede voornemens.

Beoordeling

5. Luidens artikel 2, § 1, 2°, van het algemeen procedurereglement

VII-39.988-5/9

dient het verzoekschrift onder meer “een uiteenzetting van de feiten en middelen”

te bevatten. De uiteenzetting van een rechtsmiddel vereist in principe dat zowel de rechtsregel of het beginsel wordt aangeduid die zou zijn geschonden, als de wijze waarop die rechtsregel of dat beginsel door de bestreden rechtshandeling wordt geschonden.

De uiteenzetting van de feitelijke omstandigheden geeft geen aanduiding van overtreden rechtsregels of beginselen.

De vaststellingen die werden omschreven in het proces-verbaal van 6 april 2017 worden niet betwist of weerlegd. Verzoekster beweert enkel dat dit in de toekomst niet meer zal gebeuren en dat zij de situatie niet normaal vindt.

Verder uit zij enkele beloften naar de toekomst toe en vraagt zij aandacht voor het leed van haar dochters.

Indien verzoekster de schending van de materiëlemotiveringsplicht aanvoert, dient te worden vastgesteld dat zij niet aantoont, zelfs niet aanvoert dat de motieven aangehaald in de bestreden beslissing gesteund zijn op verkeerde feiten of dat deze feiten verkeerd beoordeeld werden.

Zij betwist enkel het motief waarbij zij verklaard zou hebben de situatie normaal te vinden. Zoals uit de bespreking van het middel blijkt vermeldt de bestreden beslissing dat verzoekster het normaal vindt dat de honden in een paardentrailer met uitwerpselen zitten. Dit vindt steun in stuk 2 van het administratief dossier waaruit blijkt dat verzoekster verklaarde dat het normaal is dat er zich uitwerpselen in de paardentrailer bevinden. De elementen die verzoekster aanhaalt: tijdelijke situatie, goede gezondheid van de dieren, leed van de dochters en goede voornemens weerleggen deze motieven niet.

Indien de uiteenzetting als middel bedoeld is, zoals de verwerende partij dit meent te hebben begrepen, kan zij niet tot de nietigverklaring leiden.

VII-39.988-6/9

B. Het eigenlijke middel

Standpunt van de partijen

6. Verzoekster voert de schending aan van de redelijkheid, billijkheid en proportionaliteit. De beslissing is te definitief gezien het enkel zeer tijdelijke en onbedoelde omstandigheden betrof die zich bovendien in de toekomst niet meer zullen voordoen. Verzoekster vraagt ook rekening te houden met haar dochters. Het beoogde doel kan ook bereikt worden zonder deze maatregel, de husky’s konden onder voorwaarden worden teruggegeven.

Verzoekster betwist het proces-verbaal: zij heeft nooit beweerd dat zij de situatie normaal vond.

7. De verwerende partij repliceert in de nota dat er geen sprake is van een tijdelijke toestand, dat verzoekster niet meewerkte en de ernst van de situatie niet inziet, en er geen voorstellen worden gedaan met betrekking tot het voorkomen van agressief gedrag tussen de honden.

De Raad van State heeft in deze een marginale toetsingsbevoegdheid zodat enkel kan worden opgetreden bij een onevenredige sanctie.

De verwerende partij heeft haar beoordelingsbevoegdheid op basis van artikel 42, § 2, van de dierenwelzijnswet uitgevoerd.

Beoordeling

8. Bij de beoordeling van de redelijkheid en de proportionaliteit van de opgelegde maatregel komt het niet aan de Raad van State toe om zich in de plaats van de overheid uit te spreken. Het redelijkheidsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel vereisen dat er geen kennelijke, onredelijke

VII-39.988-7/9

wanverhouding bestaat tussen de ernst van de feiten en de zwaarte van de genomen maatregel. Evenwel beschikt de Raad van State slechts over een marginale toetsingsbevoegdheid, wat betekent dat hij enkel een volkomen in wanverhouding tot de feiten staande maatregel als onwettig kan beschouwen.

Overeenkomstig artikel 42, § 2, van de dierenwelzijnswet zijn er, nadat een levend dier in beslag werd genomen, vijf bestemmingsmogelijkheden, waarvan de keuze wordt overgelaten aan de verwerende partij. Met de thans bestreden beslissing worden de honden in volle eigendom gegeven aan het asiel dat daarmee instemt.

De bestreden beslissing vermeldt uitdrukkelijk de redenen op grond waarvan de beslissing is genomen. Verzoekster betwist niet dat de motieven duidelijk en afdoende zijn. Zij betwist de vastgestelde feiten niet, zij beweert enkel dat deze tijdelijk van aard zijn en dat zij nooit verklaard heeft de situatie normaal te vinden. De bestreden beslissing is niet gebaseerd op de bewering dat verzoekster de situatie normaal vond. De bestreden beslissing vermeldt onder meer dat uit het verhoor blijkt dat verzoekster het normaal vindt dat de honden in een paardentrailer vol uitwerpselen verbleven. Het motief vindt aldus steun in het administratief dossier. Verzoekster toont niet aan dat de feiten niet op behoorlijke en zorgvuldige wijze werden vastgesteld, noch dat de motieven van het bestreden besluit onjuist zijn. Rekening houdend met de historiek waarbij werd vastgesteld dat de husky’s reeds meerdere malen ontsnapt waren, de overtredingen die werden vastgesteld, de verklaringen van verzoekster tijdens het verhoor waaruit blijkt dat zij het probleem niet inziet maar eerder bij de buren legt en er geen controle mogelijk is of het dierenwelzijn in de toekomst gegarandeerd is aangezien daarvoor geen toestemming werd gegeven, kan de bestreden beslissing niet als kennelijk onevenredig worden aangemerkt.

Het middel is ongegrond.

VII-39.988-8/9

9. Deze zaak vereist slechts korte debatten zodat er grond is om toepassing te maken van artikel 93 van het algemeen procedurereglement. Er is bijgevolg geen grond meer om over de vordering tot schorsing uitspraak te doen.

10. Het beroep tot nietigverklaring moet worden verworpen.

Dienvolgens moet de vordering tot schorsing, als accessorium van het annulatieberoep, eveneens worden verworpen.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep tot nietigverklaring en de vordering tot schorsing.

2. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verwerende partij.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien september tweeduizend zeventien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:

Eric Brewaeys, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier.

De griffier De voorzitter

Bart Tettelin Eric Brewaeys

VII-39.988-9/9

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.066