Cassation appeal dismissed; Council of State rejects review of RvVb jurisdictional decisions on planning permits.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State dismissed the cassation appeal filed against a decision of the Regional Planning Dispute Board (RvVb) upholding a planning permit for wind turbines. The appellant argued the RvVb failed to address specific legal requirements regarding landscape integration and motivation under the VCRO and related regulations. The court ruled that these substantive legal provisions and principles do not apply to the jurisdictional decisions of the RvVb, which only review procedural compliance.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 4.4.9 VCRO; Regulation of the Flemish Government of 11 April 2008; Law of 29 July 1991; Principle of good administration; Principle of proportionality: These substantive legal provisions and principles do not apply to the jurisdictional decisions of the Regional Planning Dispute Board (RvVb).
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VIIe KAMER
nr. 239.065 van 14 september 2017
in de zaak A. 219.944/VII-39.741.
In zake : de GEMEENTE ERPE-MERE
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jürgen De Staercke kantoor houdend te 9550 Hillegem Dries 77
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG AMBTENAAR
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Paul Aerts kantoor houdend te 9000 Gent Coupure 5
bij wie woonplaats wordt gekozen
Tussenkomende partij :
de NV ELECTRABEL
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Patrik De Maeyer, Tangui Vandenput en Dominique Vermer kantoor houdend te 1160 Brussel Tedescolaan 7
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van het beroep
1. Het cassatieberoep, ingesteld op 3 augustus 2016, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb/A/1516/1220 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 14 juni 2016 in de zaak 1314/0253/SA/3/0226.
VII-39.741-1/9
II. Verloop van de rechtspleging
2. Een beschikking van 26 augustus 2016 verklaart het cassatieberoep toelaatbaar.
De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 20 oktober 2016. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend.
Auditeur Joke Goris heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State.
De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend teneinde te worden gehoord.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 juni 2017.
Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Jürgen De Staercke, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Thomas Quintens, die loco advocaat Paul Aerts verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Patrik De Maeyer, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord.
Auditeur Joke Goris heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
VII-39.741-2/9
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Op 7 juli 2010 verleent de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar (hierna: GSA) aan de NV Electrabel een stedenbouwkundige vergunning voor de oprichting van drie windturbines.
3.2. De RvVb vernietigt op vordering van de verzoekende partij de voormelde stedenbouwkundige vergunning bij arrest van 30 juli 2013.
3.3. De GSA verleent op 6 november 2013 aan de NV Electrabel een stedenbouwkundige vergunning voor twee windturbines.
3.4. Het bestreden arrest verwerpt de vordering van de verzoekende partij tot vernietiging van de vergunningsbeslissing van 6 november 2013.
IV. Onderzoek van de middelen
Eerste middel
Standpunt van de verzoekende partij
4. De verzoekende partij voert de schending aan van de artikelen 3
en 11 van het besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000 betreffende de openbare onderzoeken over aanvragen tot stedenbouwkundige vergunning en verkavelingsaanvragen, artikel 4.7.26, § 4, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO) en artikel 6 richtlijn 85/337/EEG omdat:
VII-39.741-3/9
“- [d]e screening is uitgevoerd na het vernietigingsarrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 30 juli 2013, zodat de beoordeling van de effecten geenszins ter inzage lagen tijdens het openbaar onderzoek.
- [h]et college van burgemeester en schepenen van verzoekende partij [...]
deze beoordeling geenszins [heeft] kunnen betrekken in zijn advies van 17 mei 2010”.
Beoordeling
5. Het middel is niet gericht tegen het bestreden arrest en is bijgevolg niet ontvankelijk.
6. In zoverre de verzoekende partij voor het eerst in de memorie van wederantwoord aanvoert dat het bestreden arrest nalaat bepaalde grieven die zij voor de RvVb had opgeworpen te beantwoorden, is dit nieuwe middel wegens laattijdigheid niet ontvankelijk.
Het eerste middel wordt verworpen.
Tweede middel
Standpunt verzoekende partij
7. De verzoekende partij voert “de schending van de motiveringsverplichting [aan] zoals o.m. vervat in de wet van 29 juli 1991
‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ en in het beginsel van behoorlijk bestuur van de motiveringsplicht, van [de] artikelen 4.3.1, § 1, 1°, b) en 4.3.1, § 2 VCRO, evenals van omzendbrief EME/2006/01-RO/2006/02”.
Zij argumenteert dat “het bestreden arrest [...] niet de grief van verzoekende partij [weerlegt] dat de stedenbouwkundige vergunningsbeslissing niet op afdoende wijze motiveert waarom, gelet op de te schrappen windturbine,
VII-39.741-4/9
vanuit landschappelijk oogpunt de inplanting van twee i.p.v. drie windturbines nog vergunbaar is”.
Beoordeling
8. De in het middel aangehaalde wettelijke bepalingen, beginselen en omzendbrief zijn niet toepasselijk op de jurisdictionele beslissingen van de RvVb.
9. Het middel gaat terug op de verwerping door de RvVb van het tweede middel van de verzoekende partij. Anders dan de verzoekende partij stelt is de verwerping van dat middel met redenen omkleed.
10. In zoverre de verzoekende partij voor het eerst in de memorie van wederantwoord de “onjuiste toepassing van de wet” aanvoert, is dit nieuwe middel wegens laattijdigheid niet ontvankelijk.
Het tweede middel wordt verworpen.
Derde middel
11. De verzoekende partij voert “de schending van de motiveringsverplichting [aan] zoals o.m. vervat in de wet van 29 juli 1991
‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ en in het beginsel van behoorlijk bestuur van de motiveringsplicht, van artikelen 4.3.1.§ 1., 1°, b) en 4.3.1. § 2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en van subafdeling 5.20.6.4 van titel Il van het VLAREM”.
Zij stelt in een eerste onderdeel dat het bestreden arrest het gezag en de kracht van gewijsde van het vernietigingsarrest van 30 juli 2013 waarin de RvVb “op ondubbelzinnige wijze geoordeeld [heeft] dat eerstens het betrokken gebied wél een open landschap betreft en tweedens de E40 nauwelijks zichtbaar is
VII-39.741-5/9
in het landschap”, miskent “doordat het thans in strijd met het eerdere vernietigingsarrest oordeelt dat de nieuwe vergunningsbeslissing van 6 november 2016 de landschappelijke inpasbaarheid op een zorgvuldige en redelijke wijze zou hebben onderzocht doordat de bestreden beslissing motiveert dat er sprake zou zijn van een versnipperd gebied en de E40 vanop grote afstand in het landschap waarneembaar zou zijn, terwijl het volgens het bestreden arrest niet aan de Raad voor Vergunningsbetwistingen zou toekomen om de opportuniteit van een uitspraak te beoordelen”.
In een tweede onderdeel argumenteert de verzoekende partij dat, inzake de geluidsimpact, het bestreden arrest niet antwoordt op haar argument dat de vergunningsbeslissing niet de achterhaalde omzendbrief van 2006, maar de nieuwe Vlarem-geluidsnormen diende toe te passen. Door te stellen dat de verzoekende partij niet aantoont dat artikel 5.20.6.4 van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne zou zijn geschonden, miskent de bodemrechter de formelemotiveringsplicht die op de GSA rust. Dat de vergunningsbeslissing als voorwaarde oplegt dat de voorwaarden uit de Vlarem-wetgeving moeten worden nageleefd, belet niet dat de vergunningverlenende overheid krachtens artikel 4.3.1, § 2, VCRO verplicht is om de geluidshinder in concreto te beoordelen, met inbegrip van de nieuwe Vlarem-geluidsnormen.
De verzoekende partij voert in een derde onderdeel aan dat het bestreden arrest het derde onderdeel van haar derde middel niet beantwoordt en enkel nagaat of in de beoordeling aandacht werd besteed aan de veiligheidsrisico’s verbonden aan windturbines, terwijl het niet nagaat of in de vergunningsbeslissing ook effectief maatregelen werden opgelegd in de vorm van voorwaarden met betrekking tot de risico’s inzake ijsprojectie, ijsval en andere risico’s.
Beoordeling
12. De in het middel aangehaalde wettelijke bepalingen en
VII-39.741-6/9
beginselen zijn niet toepasselijk op de jurisdictionele beslissingen van de RvVb.
13. Het middel gaat terug op de verwerping door de RvVb van het vierde middel van de verzoekende partij. Anders dan de verzoekende partij stelt is de verwerping van dat middel met redenen omkleed.
Het derde middel wordt verworpen.
Vierde middel
Standpunt verzoekende partij
14. De verzoekende partij voert “de schending [aan] van artikel 4.4.9. VCRO en van de Bijlage bij het Besluit van de Vlaamse Regering van 11 april 2008 ‘tot vaststelling van de nadere regels met betrekking tot de vorm en de inhoud van de ruimtelijke uitvoeringsplannen’ zoals zij golden op datum van de vergunningsbeslissing van de gewestelijk stedenbouwkundige ambtenaar van 6 november 2013, van de motiveringsverplichting zoals o.m. vervat in de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ en in het beginsel van behoorlijk bestuur van de motiveringsplicht, evenals van het proportionaliteitsbeginsel”.
Zij betoogt dat het bestreden arrest haar vijfde middel “louter en alleen [beantwoordt] wat de kwestie van de landschappelijke inpasbaarheid en het efficiënt bodemgebruik betreft” en niet de door haar “opgeworpen kwestie of de stedenbouwkundige vergunningsbeslissing in het licht van artikel 4.4.9. VCRO en de Bijlage bij het Besluit van de Vlaamse Regering van 11 april 2008 wel op afdoende wijze motiveert of de algemene bestemming niet in het gedrang komt, met name omwille van de impact van het aangevraagde op uitbatingsmogelijkheden”.
VII-39.741-7/9
Beoordeling
15. De in het middel aangehaalde wettelijke bepalingen en beginselen zijn niet toepasselijk op de jurisdictionele beslissingen van de RvVb.
16. Het middel gaat terug op de verwerping door de RvVb van het vijfde middel van de verzoekende partij. Anders dan de verzoekende partij stelt is de verwerping van dat middel met redenen omkleed.
Het vierde middel wordt verworpen.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verwerende partij.
De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro.
VII-39.741-8/9
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien september tweeduizend zeventien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier.
De griffier De voorzitter
Bart Tettelin Eric Brewaeys
VII-39.741-9/9
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.065