Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.064 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.064 Généré par l'IA

Court dismisses appeal by pharmacy association claiming exclusion from self-regulation due to new permanent training rules.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.064
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the annulment appeal filed by the VZW TARDEL against the 2014 royal decree on pharmacist training. The association argued that the new rules excluded it from self-regulation, a right reserved for professional associations under Belgian law. The court held that the decree did not prevent the association from organizing training or representing its members' interests, rendering the claim inadmissible.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 19, first paragraph, and 14, first paragraph, of the Council of State laws: An annulment appeal is inadmissible if the applicant cannot demonstrate a direct, personal, certain, actual, and legal disadvantage caused by the administrative act.

Mots-clés

Généré par l'IA
annulment appeal admissibility standing requirement personal legal interest professional association rights pharmacy training regulation self-regulation exclusion Council of State jurisdiction ordre professionnel

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 19, first paragraph, of the Council of State laws
Article 14, first paragraph, of the Council of State laws
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VIIe KAMER

nr. 239.064 van 14 september 2017

in de zaak A. 213.866/VII-39.242.

In zake : de VZW TARDEL

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Van Der Straten kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 120, bus 4

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Pierre Legros en Jérôme Sohier kantoor houdend te 1000 Brussel Emile De Motlaan 19

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 29 september 2014, strekt tot de nietigverklaring van het koninklijk besluit van 8 juli 2014 betreffende de permanente vorming van apothekers van de voor het publiek opengestelde officina’s, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 31 juli 2014.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

VII-39.242-1/8

Auditeur Anja Somers heeft een verslag opgesteld.

De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 juni 2017.

Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Pieter Borms, die loco advocaat Patrick Van Der Straten verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Manoël De Keukelaere, die loco advocaat Jérôme Sohier verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. De verzoekende partij is een VZW die zich richt op de behartiging van de belangen van haar leden en op het bevorderen van de beroepsuitoefening. Tot haar maatschappelijk doel behoort het organiseren van beroepsopleidingen en vormingen. Daarnaast verzorgt de VZW de tarifering van haar leden.

De verzoekende partij is geen beroepsvereniging in de zin van de wet van 3 maart 1898 op de beroepsverenigingen.

VII-39.242-2/8

3.2. Het bestreden koninklijk besluit van 8 juli 2014 werd genomen ter uitvoering van artikel 4, § 2bis, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen.

Dit artikel bepaalde ten tijde van de bestreden beslissing:

“[…] De uitoefening van de functie van apotheker binnen voor het publiek opengestelde apotheken is onderworpen aan een permanente vorming teneinde de kwaliteit van de farmaceutische zorg te verzekeren.

De Koning kan de minimumvoorwaarden vaststellen voor de in het derde lid bedoelde permanente vorming, en nadere regelen vaststellen voor de controle op de naleving van deze bepaling. […]”.

Voorts stelde artikel 4, § 1, van de wet van 20 juli 2006

betreffende de oprichting en de werking van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten (hierna: FAGG) ten tijde van de bestreden beslissing:

“§ 1. Het Agentschap heeft als opdracht, vanaf hun ontwikkeling tot hun gebruik, de kwaliteit, de veiligheid en de doeltreffendheid te verzekeren van geneesmiddelen voor menselijk gebruik, van geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik, met inbegrip van homeopathische geneesmiddelen en geneesmiddelen op basis van planten, medische hulpmiddelen en hulpstukken, magistrale bereidingen, officinale bereidingen, grondstoffen bestemd voor de bereiding en de productie van geneesmiddelen. […]

Het is met name bevoegd voor:

[…]

4° op het gebied van productie en distributie: […]

k. de kwaliteit van de farmaceutische zorg in voor het publiek opengestelde apotheken te controleren;

[…]

6° op het gebied van de wetgeving: regelgevingen voorstellen aan de minister voor de materies die onder de bevoegdheden van het Agentschap vallen en de opvolging, de toepassing en de controle verzekeren van de hierna vermelde regelgevingen die aan de opdrachten van het Agentschap verbonden zijn evenals van hun uitvoeringsbesluiten:

[…] 6 het koninklijk besluit nr. 80 van 10 november 1967 betreffende de Orde der apothekers, inzake de permanente opleiding”.

VII-39.242-3/8

3.3. Een ontwerp van besluit werd overgemaakt aan de bevoegde minister, na overleg met de verschillende actoren uit de sector.

3.4. De Inspectie van financiën adviseert gunstig op 25 maart 2014.

3.5. De Raad van State, afdeling wetgeving, geeft advies op 12 mei 2014.

3.6. Het bestreden besluit van 8 juli 2014 betreft de permanente vorming van de apothekers van de voor het publiek opengestelde officina’s. In het besluit wordt onder meer bepaald hoeveel vormingspunten per jaar dienen te worden behaald en in welke domeinen.

Artikel 1, 7°, definieert beroepsvereniging als volgt:

“iedere op grond van de wet van 31 maart 1898 op de beroepsverenigingen, erkende beroepsvereniging van officina-apothekers of van apotheken, waarvan de werking het gehele land bestrijkt, of een samenwerkingsverband tussen deze beroepsverenigingen”.

Artikel 4 van het bestreden besluit bepaalt dat een activiteit slechts in aanmerking komt voor de toepassing van dit besluit indien zij door een beroepsvereniging met toekenning van een uniek nummer werd opgenomen in haar lijst van toegelaten activiteiten. De organisator dient een aantal gegevens mee te delen aan de beroepsorganisatie. Indien de beroepsorganisatie oordeelt dat de gegevens onvolledig zijn, de activiteit niet voldoet aan de bepalingen van het besluit of de indeling naar domein of toekenning van de punten kennelijk foutief is, brengt zij het FAGG op de hoogte. De minister of zijn afgevaardigde spreekt zich binnen de 21 dagen na de ontvangst van de in het eerste lid bedoelde kennisgeving uit over de toelaatbaarheid van de betrokken activiteit.

De beroepsverenigingen staan ook in voor de opvolging van de vormingsactiviteiten. Artikel 7 bepaalt welke gegevens aan de

VII-39.242-4/8

beroepsverenigingen dienen te worden meegedeeld.

Het bestreden besluit werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 31 juli 2014 en trad in werking op 1 januari 2015.

De verwerende partij vermeldt dat de twee grootste beroepsverenigingen APB en OPHACO een samenwerkingsverband hebben opgezet en een platform bieden waarop zowel de organisatoren als de apothekers terecht kunnen.

IV. Ontvankelijkheid

Standpunten van de partijen

4. De verzoekende partij vreest in essentie dat zij de belangen van haar aangesloten leden niet meer zal kunnen behartigen en dat zij geen vormingen meer zal kunnen organiseren voor haar leden. Voorts meent zij dat het bestreden besluit de apothekers verplicht om zich aan te sluiten bij een beroepsvereniging.

Zij besluit dat zij wordt uitgesloten van deze mogelijkheden en dat zij persoonlijk wordt benadeeld door de bepalingen van het koninklijk besluit.

5. De verwerende partij werpt als exceptie het gebrek aan belang van de verzoekende partij op.

Zij betoogt dat de verzoekende partij haar belang steunt op het nadeel dat ze ondervindt door het feit dat ze geen erkende beroepsvereniging is.

Aangezien de verzoekende partij meent dat zij als VZW “zeer vergelijkbaar” is met de erkende beroepsverenigingen en dat de diensten die ze aanbiedt grotendeels overlappen met de dienstverlening door deze beroepsverenigingen, zou het nadeel voortvloeien uit haar keuze om niet te voldoen aan de criteria om als beroepsvereniging te worden erkend.

VII-39.242-5/8

Bovendien zou de verzoekende partij zich op een onjuiste lezing van de bestreden bepalingen steunen, onder meer omdat het bestreden besluit haar niet verhindert om vormingsactiviteiten aan te bieden.

6. De verzoekende partij zet in de memorie van wederantwoord uiteen dat zij door voor de vorm van een VZW te kiezen wordt uitgesloten van het erkennen van beroepsopleidingen. De exceptie van de verwerende partij betreft volgens haar “een argument ten gronde m.b.t. de schending van het gelijkheidsbeginsel” en zou niets te maken hebben met de ontvankelijkheid van de vordering.

7. In de laatste memorie voegt zij toe dat zij in de eerste plaats belang heeft bij het aanvechten van het bestreden besluit omdat zij wordt uitgesloten van de mogelijkheid om aan zelfregulering te doen, hetgeen wel wordt toegestaan aan beroepsverenigingen

Beoordeling

8. Luidens artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan een annulatieberoep zoals bedoeld in artikel 14, § 1, van deze wetten, voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht door elke partij die doet blijken van een benadeling of een belang.

Een verzoeker beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: vooreerst dient hij door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden. Voorts moet de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling hem een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook.

Anders dan de verzoekende partij voorhoudt, belet het bestreden besluit haar niet om de belangen van haar leden te behartigen noch om vormingen

VII-39.242-6/8

te organiseren voor haar leden.

Uit artikel 4 van het bestreden besluit vloeit enkel voort dat een activiteit dient te worden opgenomen door een beroepsvereniging op de lijst van de toegelaten activiteiten om in aanmerking te komen voor de toepassing van dit besluit. De organisator van een activiteit moet hierbij bepaalde gegevens meedelen aan de beroepsvereniging waarna de beroepsvereniging de activiteit ofwel opneemt op de lijst ofwel het FAGG in kennis stelt waarom zij de activiteit niet opneemt. Hierna volgt een beoordeling door de minister of zijn afgevaardigde.

Het bestreden besluit voorziet in een centrale rol voor de beroepsverenigingen bij de controle, op basis van vooraf vastgestelde criteria waarbij de finale beslissingsbevoegdheid bij de minister of zijn afgevaardigde ligt.

Het besluit belet de verzoekende partij niet om vormingen te organiseren noch om de belangen van haar leden te behartigen.

Artikel 7 van het bestreden besluit verplicht de apothekers niet om zich aan te sluiten bij een beroepsvereniging maar bepaalt welke gegevens jaarlijks dienen te worden meegedeeld aan een beroepsvereniging.

De verzoekende partij maakt niet aannemelijk dat zij een nadeel ondervindt ten gevolge van het bestreden besluit. Deze vaststelling dringt zich op zonder dat het middel hoeft te worden onderzocht.

De exceptie is gegrond en het beroep is niet ontvankelijk.

VII-39.242-7/8

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verwerende partij.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien september tweeduizend zeventien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:

Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier.

De griffier De voorzitter

Bart Tettelin Eric Brewaeys

VII-39.242-8/8

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.064