Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.063 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.063 Généré par l'IA

Court dismisses appeal against negative advice on audicien recognition due to insufficient proof of required medical work.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.063
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected Yves Lambert's appeal challenging a negative advisory opinion on his audicien recognition. Lambert argued that his father's employment certificate and collaboration with Dr. Brondeel proved he met the professional requirements for acquired rights. The court found the evidence insufficient because Dr. Brondeel could not confirm the specific work was performed by Lambert, and the employment certificate contained a chronological impossibility regarding its signing dates.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 70 and 71 of the Law on the Exercise of Health Professions; The Council of State holds that a claim for professional recognition based on acquired rights fails when the applicant cannot substantiate that the requisite professional activities were actually performed by them, particularly when the certifying medical professional cannot verify the specific nature of the work or when documentary evidence contains factual inconsistencies.

Mots-clés

Généré par l'IA
audicien recognition acquired rights professional qualification medical certificate validity evidence of work performed administrative appeal health professions law incapacité de travail médicale

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 24 of the Law on the Exercise of Health Professions
“Art. 24. De Koning kan, overeenkomstig de bepalingen van artikel 141, tweede lid, de voorwaarden bepalen waaronder de apothekers, op eigen verantwoordelijkheid en onder eigen toezicht, helpers kunnen belasten met het verrichten van bepaalde handelingen die betrekking hebben op de artsenijbereidkunde.
Article 69, 3° of the Law on the Exercise of Health Professions
Article 7, § 4 of the Royal Decree of 18 November 2004
“Art. 70. De Koning stelt de lijst vast van de paramedische beroepen.
Article 153, § 3, first paragraph of the Law on the Exercise of Health Professions
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VIIe KAMER

nr. 239.063 van 14 september 2017

in de zaak A. 217.949/VII-39.567.

In zake : Yves LAMBERT

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frederik Haentjens kantoor houdend te 9160 Lokeren Heilig Hartlaan 56

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

de VLAAMSE GEMEENSCHAP

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46, bus 1

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 23 december 2015, strekt tot de nietigverklaring van:

“- het besluit van de administrateur-generaal van het Agentschap Zorg en Gezondheid dd. 25.6.2015, - aan verzoeker ter kennis gebracht met brief dd. 26.6.2015.

- waarbij het beroep van verzoeker tegen de beslissing van de Werkgroep Erkenning audiologen en audiciens dd. 3.2.2014, waarin ‘... besloten (werd) om (de) aanvraag (van verzoeker) tot derogatie op de erkenning als audicien via verworven rechten negatief te adviseren’, werd verworpen en ‘(verzoeker) (...) een negatief advies (krijgt) betreffende de aanvraag van 4 januari 2013 tot erkenning als audicien, waardoor (verzoeker) geen definitieve erkenning zal ontvangen als audicien’”.

VII-39.567-1/15

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

Eerste auditeur Ann Eylenbosch heeft een verslag opgesteld.

De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 juni 2017.

Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Frederik Haentjens, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Veerle Huysman, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feitelijk en juridisch kader

Juridisch kader

3.1. Artikel 24 van de op 10 mei 2015 gecoördineerde wet

VII-39.567-2/15

betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen (hierna: WUG)

bepaalt:

“Art. 24. De Koning kan, overeenkomstig de bepalingen van artikel 141, tweede lid, de voorwaarden bepalen waaronder de apothekers, op eigen verantwoordelijkheid en onder eigen toezicht, helpers kunnen belasten met het verrichten van bepaalde handelingen die betrekking hebben op de artsenijbereidkunde.

De lijst van die handelingen, de uitvoeringsmodaliteiten ervan, alsook de vereiste kwalificatievoorwaarden van de helpers worden door de Koning vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 141, tweede lid”.

Op grond van artikel 69, 3°, WUG valt de uitvoering van de bij artikel 24 bedoelde handelingen onder de uitoefening van een paramedisch beroep.

3.2. De artikelen 70 en 71 WUG bepalen:

“Art. 70. De Koning stelt de lijst vast van de paramedische beroepen.

Art. 71. § 1 De Koning kan, overeenkomstig de bepalingen van artikel 141, tweede lid, de in artikel 69, 1° bedoelde prestaties nader bepalen en de voorwaarden vaststellen waaronder zij moeten worden uitgevoerd.

Hij kan eveneens, overeenkomstig de bepalingen van artikel 141, tweede lid, de vereiste kwalificatievoorwaarden bepalen waaraan de personen moeten voldoen die deze prestaties verrichten.

§ 2 De Koning kan, op advies van de Nationale Raad voor paramedische beroepen, de beroepstitels bepalen waaronder de betrokkenen die in artikel 69

bedoelde prestaties en handelingen verrichten”.

3.3. Het koninklijk besluit van 4 juli 2004 betreffende de beroepstitel en de kwalificatievereisten voor de uitoefening van het beroep van audioloog en van audicien en houdende vaststelling van de lijst van de technische prestaties en van de lijst van handelingen waarmee de audioloog en de audicien door een arts kan worden belast (hierna: koninklijk besluit van 4 juli 2004) geeft uitvoering aan deze wetskrachtige bepalingen. Het werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 9 augustus 2004 en is in werking getreden op 19 augustus 2004.

3.4. De lijst van de technische prestaties, bedoeld in artikel 71, § 1, eerste lid, WUG is voor wat de audiciens betreft, opgenomen in bijlage I a) bij

VII-39.567-3/15

dit koninklijk besluit van 4 juli 2004:

“Interventies en een schriftelijk verslag aan de voorschrijvende arts gericht betreffende de patiënt ten gevolge van de voorgeschreven interventie;

Deze interventies bestaan uit:

1. De correctie van de gehoorstoornis bij middel van hoortoestellen, omvat:

1.1. de meting, de evaluatie of de beoordeling van de fysio-akoestische en psycho-akoestische karakteristieken van het gehoor, nuttig voor de aanpassing.

1.2. de keuze van de hoortoestelaanpassing ter correctie van het gehoor.

1.3. de oorafdruk, de aanpassing, de onmiddellijke doeltreffendheidscontrole en de aflevering van de hoortoestellen ter correctie van het gehoor.

1.4. de begeleiding van de persoon met slechthorendheid en zijn omgeving met het oog op het optimaal gebruik van hoortoestellen, met inbegrip van psychologische ondersteuning.

1.5. de controle van de bestendige doeltreffendheid van de geleverde hoortoestellen.

2. De programmering en het onderhoud van het uitwendige deel van de implantaten ter verbetering van de auditieve functie.

3. De aflevering van uitwendige elektronische systemen, die de akoestische signalen uitgestuurd door de stemgestoorden, versterken.

4. De keuze, de aanpassing, de doeltreffendheidscontrole en de levering van sensoriële hulpmiddelen, andere dan hoortoestellen, die de auditieve handicap reduceren.

5. De bescherming van het gehoor tegen schadelijk geluid, omvattend de keuze, de aanpassing en de levering van individuele hulpmiddelen ter bescherming van de hoorfunctie”.

3.5. De artikelen 72, §§ 1 en 2 en 73, §§ 1 en 2 WUG luiden voorts als volgt:

“Art. 72

§ 1 Buiten de beoefenaars, bedoeld in artikel 3, § 1, en de artikelen 4, 6, en 43 voor wat betreft de prestaties verbonden aan hun respectieve kunst, mag niemand prestaties verrichten die nader bepaald zijn ter uitvoering van artikel 71, § 1, of handelingen uitvoeren die bedoeld zijn in artikel 69, 2° en 3°, die niet houder is van een erkenning afgegeven door de minister bevoegd voor Volksgezondheid.

§ 2 De Koning bepaalt, op advies van de Nationale Raad voor paramedische beroepen, de voorwaarden en de regels tot het verkrijgen, het behouden en het intrekken van de in de eerste paragraaf bedoelde erkenning.

Deze erkenning mag enkel toegekend worden aan personen die voldoen aan de vereiste kwalificatievoorwaarden die nader bepaald zijn ter uitvoering van artikel 71, § 1, of ter uitvoering van artikel 69, 2° en 3°.

Art. 73

VII-39.567-4/15

§ 1 Niemand mag een beroepstitel dragen die betrekking heeft op één van de prestaties die nader bepaald zijn ter uitvoering van artikel 71, § 1, of op handelingen die bedoeld zijn in artikel 69, 2° en 3°, zo hij niet houder is van de erkenning bedoeld in artikel 72, §1.

§ 2 De voorgaande paragraaf heeft enkel betrekking op de beroepsbeoefenaars ten aanzien van wie de Koning reeds de inwerkingtreding heeft bepaald overeenkomstig artikel 183 van de wet van 25 januari 1999

houdende sociale bepalingen. Voor de andere beroepsbeoefenaars geldt, tot op het ogenblik dat de Koning de inwerkingtreding heeft bepaald overeenkomstig artikel 183 van de wet van 25 januari 1999 houdende sociale bepalingen, de bepaling in het volgende lid:

Niemand mag een beroepstitel dragen die betrekking heeft op één van de prestaties die nader bepaald zijn ter uitvoering van artikel 71, § 1, of op handelingen die bedoeld zijn in artikel 69, 2° en 3°, zo hij aan de vereiste kwalificatievoorwaarden niet voldoet”.

3.6. Teneinde rekening te houden met de situatie van de personen die, vóór de nieuwe reglementering, een paramedisch beroep uitoefenden zonder houder te zijn van het vereiste diploma en zonder over een erkenning te beschikken, bevat artikel 153, §§ 1 tot 3, WUG een overgangsbepaling:

“Art. 153

§ 1 In afwijking van artikel 72, § 2, tweede lid, wordt de in artikel 72, § 1, bedoelde erkenning ambtshalve toegekend aan de personen die op het ogenblik van de inwerkingtreding van het koninklijk besluit genomen in uitvoering van artikel 72, § 2, eerste lid, door de Dienst voor geneeskundige verzorging van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering voor dit beroep erkend zijn, overeenkomstig artikel 215 van de Ziekteverzekeringswet van 14 juli 1994.

§ 2 In afwijking van artikel 72, § 2, tweede lid, wordt de in artikel 72, § 1, bedoelde erkenning op hun verzoek toegekend aan personen die niet reeds in paragraaf 1 bedoeld zijn en:

1° hetzij - wat een beroep betreft waarvoor een opleiding bestaat in een inrichting opgericht, gesubsidieerd of erkend door de bevoegde overheid - houder zijn van een diploma, uitgereikt door een inrichting opgericht, gesubsidieerd of erkend door de bevoegde overheid dat een opleiding bekroont waarvan het niveau, maar niet de volledige theoretische of theoretische en praktische opleiding en stages, overeenstemt met de in artikel 72, § 2, tweede lid, bedoelde voorwaarden voor zover zij dit diploma behalen voor het einde van de periode van zes jaar te rekenen vanaf de inwerkingtreding van het koninklijk besluit genomen in uitvoering van artikel 72, § 2, eerste lid;

2° hetzij - wat een beroep betreft waarvoor geen opleiding bestaat in een inrichting opgericht, gesubsidieerd of erkend door de bevoegde overheid - houder zijn van een diploma, uitgereikt door een inrichting opgericht, gesubsidieerd of erkend door de bevoegde overheid, dat een opleiding bekroont

VII-39.567-5/15

waarvan het niveau overeenstemt met de in artikel 72, § 2, tweede lid, bedoelde voorwaarden voor zover zij dit diploma behalen voor het einde van het jaar waarin de eerste diploma’s worden uitgereikt die een opleiding bekronen die overeenstemt met de in artikel 72, § 2, tweede lid, bedoelde voorwaarden.

Voor het indienen van de aanvraag tot erkenning bij de minister bevoegd voor Volksgezondheid, beschikken de in 1° en 2° bedoelde personen over één jaar vanaf de inwerkingtreding van het koninklijk besluit genomen in uitvoering van artikel 72, § 2, eerste lid, of vanaf het behalen van boven bedoelde diploma’s. Tijdens deze overgangsperiode en zolang niet over hun aanvraag tot erkenning is beslist, mogen ze hun beroep blijven uitoefenen.

§ 3 In afwijking van artikel 72, § 1, mogen personen die niet voldoen aan de in artikel 72, § 2, tweede lid, gestelde kwalificatievoorwaarden maar die, op het moment waarop de lijst van de prestaties of de lijst van de handelingen in verband met het paramedisch beroep waartoe zij behoren gepubliceerd wordt, sinds minstens drie jaar deze prestaties of handelingen hebben uitgevoerd, dezelfde werkzaamheden blijven verrichten onder dezelfde voorwaarden als de beoefenaars van de paramedische beroepen die zulke prestaties of handelingen uitvoeren.

In afwijking van artikel 72, § 1, mogen personen die niet voldoen aan de in artikel 72, § 2, tweede lid, gestelde kwalificatievoorwaarden voor hun paramedisch beroep, waarvoor geen opleiding bestaat in de zin van bovengenoemde kwalificatievoorwaarden, dezelfde werkzaamheden blijven verrichten onder dezelfde voorwaarden als de beoefenaars van de paramedische beroepen die zulke prestaties of handelingen uitvoeren, voor zover zij op het moment waarop de eerste diploma’s worden uitgereikt die een opleiding bekronen die overeenstemt met de in artikel 72, § 2, tweede lid, bedoelde voorwaarden, deze prestaties of handelingen uitvoeren.

[...].

Op straffe van verlies van het voordeel verleend bij de bepaling van het eerste of tweede lid van deze paragraaf, moeten zij zich bij de minister bevoegd voor Volksgezondheid, bekend maken volgens een door de Koning vastgestelde procedure; bij deze gelegenheid vermelden zij de werkzaamheden waarvoor zij het voordeel van de verkregen rechten inroepen. De door de Koning bepaalde procedure zal onder meer de wijze vaststellen waarop het bewijs van de uitvoering van de in het eerste lid bedoelde prestaties of handelingen moet worden geleverd”.

3.7. Artikel 7, § 4, van het koninklijk besluit van 18 november 2004

betreffende de erkenning van de beoefenaars van de paramedische beroepen (hierna: koninklijk besluit van 18 november 2004), stelt de procedure vast waarmee de beoefenaars van paramedische beroepen het voordeel van de regeling van de verworven rechten kunnen aanvragen. Deze bepaling luidde ten tijde van de bestreden beslissing:

VII-39.567-6/15

“§ 4. In afwijking van artikel 6 kunnen de personen die het voordeel wensen te genieten, bedoeld in artikel 54ter, § 3, eerste lid, van het voornoemde koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967, moeten zich bij de Minister bekendmaken door middel van een formulier dat door het Directoraat-Generaal wordt bezorgd.

Zij vermelden naast het betrokken paramedisch beroep, de werkzaamheden waarvoor zij het voordeel van de verkregen rechten inroepen, evenals de periode(s) en plaats(en) waar zij deze hebben uitgeoefend. Hieruit moet blijken dat de werkzaamheden in voldoende aantal en op duurzame wijze werden uitgevoerd, hetzij als technische prestatie, voorgeschreven door bevoegde personen, hetzij als door bevoegde personen toevertrouwde handeling.

Het formulier dient ondertekend te zijn door de betrokkene, alsook door de persoon die bevoegd is om de opgave van de betrokken werkzaamheden voor waar en echt te verklaren.

De personen bevoegd om de opgave van de werkzaamheden waarvoor het voordeel van de verkregen rechten wordt ingeroepen, voor waar en echt te verklaren zijn de artsen of apothekers die bevoegd zijn de werkzaamheden van het betrokken beroep, hetzij als handeling toe te vertrouwen, hetzij als technische prestatie voor te schrijven;

Uit de identificatie van de arts of apotheker moet blijken dat hij bevoegd is de werkzaamheden van het betrokken beroep, hetzij als handeling toe te vertrouwen, hetzij als technische prestatie voor te schrijven.

De Minister zendt, binnen de tien werkdagen na ontvangst, het aanvraagdossier voor advies door naar de bevoegde werkgroep”.

Dit koninklijk besluit is, voor het beroep van audicien, in werking getreden op 2 januari 2012.

Feiten

4.1. Op 4 januari 2013 dient verzoeker een aanvraag in tot erkenning als audicien bij de minister van Volksgezondheid. De aanvraag omvat onder meer een attest van tewerkstelling, ondertekend en opgesteld door de heer Chris Swolfs, algemeen directeur, op 28 december 2012, en een kopie van een attest opgesteld door Dr. Brondeel dat verzoeker sinds 1997 hoorapparaten aanpast, gedateerd op 23 februari 2012.

4.2. De Werkgroep Erkenning audiologen en audiciens adviseert de aanvraag tot afwijking via verworven rechten negatief.

VII-39.567-7/15

4.3. Tegen dit negatief advies tekent verzoeker beroep aan bij de minister van Volksgezondheid.

4.4. Op 19 mei 2014 vraagt de secretaris van de Commissie van beroep voor de paramedische beroepen aan verzoeker om zijn dossier aan te vullen met de volgende documenten:

“-Een leesbare up-to-date bevestiging van Dr. Brondeel met een lijst van technische prestaties die Mijnheer Yves Lambert stelt, met een verwijzing naar artikel 7, § 4 van het Koninklijk Besluit van 18 november 2004 betreffende de erkenning van de beoefenaars van de paramedische beroepen;

- Een stagebewijs van Laperre;

- Een kopie van het contract van Laperre waarover mijnheer Yves Lambert op de zitting van 25 april 2014 heeft gesproken;

- Een getuigenis van de vader van Mijnheer Yves Lambert dat hij in zijn aanwezigheid bepaalde werkzaamheden van de audicien (lijst van technische prestaties) heeft uitgeoefend”.

Hij deelt mee dat, wanneer er in de bijlagen wordt verwezen naar “de uitvoering van voorschriften voor hoorapparaten” en het “aanpassen van hoorapparaten”, het alle technische prestaties omvat zoals vermeld in de bijlage I a) van het koninklijk besluit van 4 juli 2004.

4.5. Op 28 oktober 2014 verleent de Commissie van beroep voor de paramedische beroepen een negatief advies betreffende het beroep ingediend door verzoeker:

“[...]

Overwegende dat de gevraagde leesbare up-to-date bevestiging van Dr. Brondeel met een lijst van technische prestaties die Mijnheer Yves Lambert stelt, met een verwijzing naar artikel 7, § 4 van het Koninklijk besluit van 18 november 2004 betreffende de erkenning van de beoefenaars van de paramedische beroepen niet ter beschikking werd gesteld;

Overwegende dat het attest van tewerkstelling opgesteld op 28 december 2012 en op 28 december 2012 ondertekend door mijnheer Chris Swolfs, algemeen directeur onmogelijk op 23 februari 2012 kon worden ondertekend door Dr. L. Brondeel;

Overwegende dat Dr. L. Brondeel bevestigt dat hij met mijnheer Lambert heeft samengewerkt, maar niet kan bevestigen dat de werkzaamheden waarvoor

VII-39.567-8/15

het voordeel van de verkregen rechten wordt ingeroepen door Mijnheer Yves Lambert of door Mijnheer André Lambert werden uitgevoerd en deze dus niet voor waar en echt kan verklaren;

Overwegende dat Mijnheer Yves Lambert niet beschikt over een tewerkstellingsattest dat bewijst dat hij op 9 augustus 2004 (datum van de publicatie van het koninklijk besluit van 4 juli 2004 [...]) minstens 3 jaar de prestaties en/of handelingen heeft uitgevoerd die behoren tot het beroep van een audicien zoals werd vastgesteld in artikel 54ter, § 3, eerste lid van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen dat bepaalt dat, in afwijking van artikel 24, § 1, personen die niet voldoen aan de in artikel 24, § 2, tweede lid, gestelde kwalificatievoorwaarden maar die, op het moment waarop de lijst van de prestaties of de lijst van de handelingen van audicien gepubliceerd werd, sinds minstens 3 jaar deze prestaties of handelingen uitgevoerd hebben, dezelfde werkzaamheden mogen blijven verrichten onder dezelfde voorwaarden als de audiciens die zulke prestaties of handelingen uitvoeren;

Overwegende dat Mijnheer Yves Lambert niet beschikt over een tewerkstellingsattest dat ondertekend is door een arts zoals vermeld in artikel 7, § 4, derde en vierde lid, van het voornoemde koninklijk besluit van 18 november 2004 dat bepaalt dat het formulier dient ondertekend te zijn door de betrokkene, alsook door de persoon die bevoegd is om de opgave van de betrokken werkzaamheden voor waar en echt te verklaren. De personen bevoegd om de opgave van de werkzaamheden waarvoor het voordeel van de verkregen rechten wordt ingeroepen, voor waar en echt te verklaren zijn de artsen of apothekers die bevoegd zijn de werkzaamheden van het betrokken beroep, hetzij als handeling toe te vertrouwen, hetzij als technische prestatie voor te schrijven;

Overwegende dat Mijnheer Yves Lambert niet over het diploma van audicien beschikt zoals vermeld in artikel 4 van het voornoemde koninklijk besluit van 4 juli 2004;

OM AL DEZE REDENEN:

Wordt door de Commissie van beroep voor de paramedische beroepen na grondige beraadslaging en bij unanimiteit van de aanwezige leden aan de bevoegde Minister het negatief advies gegeven betreffende de aanvraag van 4 januari 2013 tot erkenning als audicien op basis van een derogatie voor verworven rechten als audicien, ingediend door Mijnheer Yves Lambert, geboren op 24 augustus 1970, waardoor hij geen derogatie voor verworven rechten als audicien zou ontvangen”.

4.6. Op grond van dit advies besluit de administrateur-generaal op 25 juni 2015 aan verzoeker geen definitieve erkenning toe te kennen als audicien.

Dit is het bestreden besluit.

VII-39.567-9/15

IV. Onderzoek van het enig middel

Standpunten van de partijen

5. Verzoeker roept in een enig middel de schending in van artikel 153, § 3, eerste lid, WUG, artikel 7, § 4, van het koninklijk besluit van 18 november 2004, de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het burgerlijk wetboek, artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit van 4 juli 2004 samengelezen met bijlage I

a) “Lijst van technische prestaties die door de audiciens mogen worden verricht met toepassing van artikel 23, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen.

In een eerste onderdeel betoogt verzoeker dat de verwerende partij, door een “up-to-date bevestiging van Dr. Brondeel met een lijst van technische prestaties die Mijnheer Yves Lambert stelt”, te eisen, bijkomende voorwaarden oplegt waarin niet wordt voorzien door artikel 7, § 4, tweede lid, van het koninklijk besluit van 18 november 2004, en de bewijskracht verbonden aan het attest door Dr. L. Brondeel waarin is bevestigd dat verzoeker “hoorapparaten aanpast sinds 1997” schendt, alsook artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit van 4 juli 2004, samengelezen met zijn voormelde bijlage I a).

In een tweede onderdeel bekritiseert verzoeker de overweging dat “het attest van tewerkstelling opgesteld op 28 december 2012 en op 28 december 2012 ondertekend door mijnheer Chris Swolfs, algemeen directeur onmogelijk op 23 februari 2012 kon worden ondertekend door Dr. L. Brondeel”.

Een derde onderdeel betreft de overweging dat “Dr. L. Brondeel bevestigt dat hij met mijnheer Lambert heeft samengewerkt, maar niet kan bevestigen dat de werkzaamheden waarvoor het voordeel van de verkregen rechten wordt ingeroepen, door Mijnheer Yves Lambert of door Mijnheer André Lambert

VII-39.567-10/15

werden uitgevoerd en deze dus niet voor waar en echt kan verklaren”. Verzoeker betoogt dat de bestreden beslissing niet alle door hem voorgelegde stukken toetst aan de voorschriften van artikel 7, § 4, tweede lid, van het koninklijk besluit van 18 november 2004. Artikel 7, § 4, van dat koninklijk besluit vereist volgens verzoeker niet dat de betrokken arts kan “bevestigen dat de werkzaamheden waarvoor het voordeel van de verkregen rechten wordt ingeroepen [...] werden uitgevoerd [...]”. De enige vereiste is volgens verzoeker dat de betrokken arts “bevoegd” was om de aanvraag mee te ondertekenen. De bevestiging van Dr. Brondeel dat hij met verzoeker heeft “samengewerkt”, houdt volgens verzoeker ook in dat hij bevestigt dat de betrokken werkzaamheden door hem zijn uitgevoerd, en bijgevolg is de bestreden beslissing volgens hem niet naar recht verantwoord.

6. De verwerende partij stelt daar wat het eerste onderdeel betreft tegenover dat blijkens artikel 7, § 4, van het koninklijk besluit van 18 november 2004, uit het formulier moet blijken dat de werkzaamheden in voldoende aantal en op duurzame wijze werden uitgevoerd, hetzij als technische prestatie, voorgeschreven door bevoegde personen, hetzij als door bevoegde personen toevertrouwde handeling, dat dit formulier voor waar en echt dient te zijn verklaard door de bevoegde arts, en dat artikel 153, § 3, eerste lid, WUG voorts vereist dat de personen die zich op dit artikel beroepen dezelfde werkzaamheden “blijven”

verrichten. Aangezien het stuk opgesteld door Dr. Brondeel louter vermeldt dat verzoeker sinds 1997 hoorapparaten aanpast, kan het volgens haar dan ook niet aanzien worden als een stuk in de zin van artikel 7, § 4, van het koninklijk besluit van 18 november 2004. De geschonden geachte bepalingen uit het burgerlijk wetboek zijn volgens de verwerende partij als bepalingen met betrekking tot het bewijs van verbintenissen uit overeenkomst en dus met een zuiver privaatrechtelijk karakter niet van toepassing op een administratiefrechtelijke procedure.

Wat het tweede onderdeel betreft, spreekt het volgens de verwerende partij voor zich dat een tewerkstellingsattest dat werd opgesteld op 28 december 2012, onmogelijk “nadien” kan zijn ondertekend door Dr. Brondeel

VII-39.567-11/15

op 23 februari 2012, en dat motieven die evident zijn, niet moeten worden vermeld.

In die omstandigheden met volgens de verwerende partij de ondertekening van het tewerkstellingsattest door Dr. Brondeel in februari 2012, terwijl het attest zelf werd opgemaakt in december 2012, dient de handtekening van Dr. Brondeel als onbestaande te worden beschouwd.

Wat het derde onderdeel betreft, antwoordt de verwerende partij dat zij niet verplicht is alle door de partijen aangevoerde feitelijke en juridische argumenten te beantwoorden. Het volstaat dat de beslissing duidelijk de redenen doet kennen die haar verantwoorden.

Artikel 7, § 4, van het koninklijk besluit van 18 november 2004

vereist volgens haar wel degelijk dat de betrokken arts kan bevestigen dat de werkzaamheden werden uitgevoerd. Het “samenwerken” houdt volgens de verwerende partij niet noodzakelijk in dat verzoeker de werkzaamheden als vereist in artikel 7, § 4, van het koninklijk besluit van 18 november 2004 ook zelf uitvoert.

7. In haar laatste memorie voegt de verwerende partij toe dat de stelling als zou het bestreden besluit niet toelaten om kennis te nemen van de waarde die de verwerende partij heeft gehecht aan het attest opgesteld door Dr. Brondeel volgens hetwelk verzoeker hoorapparaten aanpast sinds 1997, te dezen irrelevant is, aangezien dit stuk allerminst uiteenzet dat verzoeker de lijst van technische prestaties zoals omschreven in artikel 7, § 4, van het koninklijk besluit van 18 november 2004, uitvoerde.

8. In zijn laatste memorie voegt verzoeker toe dat het standpunt van de verwerende partij ten aanzien van het eerste onderdeel ongegrond is omdat de bestreden beslissing nergens oordeelt dat het door verzoeker voorgelegde attest “onvoldoende specifiek en gedetailleerd” was en ook de uitnodiging aan verzoeker om zijn dossier te vervolledigen dit nergens vermeldt. Het standpunt is volgens hem tevens tegenstrijdig omdat de verwerende partij, nu de auditeur zijn standpunt bijtreedt, plots het geweer van schouder verandert en beweert dat de voorlegging

VII-39.567-12/15

van de up-to-date bevestiging werd gevorderd omdat het attest “onvoldoende specifiek en gedetailleerd was”.

Beoordeling

9. De geciteerde overgangsregeling van artikel 153, § 3, eerste lid, WUG voorziet erin dat personen die niet voldoen aan de in artikel 72, § 2, tweede lid, gestelde kwalificatievoorwaarden maar die, op het moment waarop de lijst van de prestaties of de lijst van de handelingen in verband met het paramedisch beroep waartoe zij behoren gepubliceerd wordt, sinds minstens drie jaar deze prestaties of handelingen hebben uitgevoerd, dezelfde werkzaamheden mogen blijven verrichten.

De lijst van de technische prestaties is, voor wat betreft het beroep van audicien, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 9 augustus 2004.

In het advies van de Commissie van beroep waarop het bestreden besluit steunt wordt de aanvraag op grond van verworven rechten in essentie negatief geadviseerd om volgende redenen:

- een up-to-date bevestiging van Dr. Brondeel met een lijst van technische prestaties die verzoeker stelt, is niet ter beschikking gesteld;

- het tewerkstellingsattest van 28 december 2012 kan onmogelijk zijn ondertekend door Dr. Brondeel op 23 februari 2012;

- Dr. Brondeel bevestigt dat hij met verzoeker heeft samengewerkt, maar kan niet bevestigen dat de werkzaamheden waarvoor het voordeel van de verkregen rechten wordt ingeroepen door verzoeker of diens vader zijn uitgevoerd en kan deze dus niet voor waar en echt verklaren.

Bij de behandeling van zijn bestuurlijk beroep werd verzoeker meermaals in de gelegenheid gesteld om de gevraagde stukken te bezorgen.

Artikel 7, § 4, van het koninklijk besluit van 18 november 2004

vereist dat uit het formulier moet blijken dat de werkzaamheden in voldoende

VII-39.567-13/15

aantal en op duurzame wijze werden uitgevoerd, hetzij als technische prestatie, voorgeschreven door bevoegde personen, hetzij als door bevoegde personen toevertrouwde handeling en dat dit formulier voor waar en echt dient te zijn verklaard door de bevoegde arts. Artikel 153, § 3, eerste lid, WUG eist voorts dat de personen die zich op die bepaling beroepen dezelfde werkzaamheden blijven verrichten. Bijgevolg heeft de verwerende partij geen bijkomende voorwaarden opgelegd door te oordelen dat het stuk opgesteld door Dr. Brondeel, dat vermeldt dat verzoeker sinds 1997 hoorapparaten aanpast, niet kan worden beschouwd als een stuk dat aantoont dat aan de voormelde voorwaarden is voldaan.

Het kan de verwerende partij evenmin ten kwade worden geduid dat zij heeft geoordeeld dat uit de samenwerking tussen de optiek waar verzoeker werkzaam is en Dr. Brondeel, niet automatisch volgt dat de verzoeker de werkzaamheden zoals vereist door artikel 7, § 4, tweede lid, van het koninklijk besluit van 18 november 2004, ook uitvoert. Dit geldt des te meer nu Dr. Brondeel uitdrukkelijk heeft verklaard dat hij niet wist wie de aanpassingen deed, “vader of zoon ?”.

De Commissie van beroep heeft om evidente redenen vastgesteld dat het attest van tewerkstelling opgesteld op 28 december 2012 en op die dag ondertekend door Chris Wolfs, algemeen directeur, onmogelijk door Dr. Brondeel kon zijn ondertekend op 23 februari 2012. Pas in de memorie van wederantwoord gewaagt verzoeker wat de chronologie van de data betreft van een “materiële vergissing”. Anders dan verzoeker voorhoudt, kon de Commissie uit de vaststelling dat het betrokken attest niet volledig met de werkelijkheid overeenstemt wel degelijk afleiden dat niet was voldaan aan de vereiste dat verzoeker beschikt over een tewerkstellingsattest dat ondertekend is door een arts zoals vermeld in artikel 7, § 4, derde en vierde lid, van het koninklijk besluit van 18 november 2004.

Het enig middel is niet gegrond.

VII-39.567-14/15

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verwerende partij.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien september tweeduizend zeventien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:

Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier.

De griffier De voorzitter

Bart Tettelin Eric Brewaeys

VII-39.567-15/15

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.063