Court annuls hunting license denial where traffic offenses were deemed irrelevant to hunting safety risks.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State annulled the Regional Hunting Authority's refusal of a hunting license to Jan Michel. The authority had denied the license based on recent traffic convictions, arguing they indicated a dangerous disposition regarding weapon use. The court held that these traffic offenses were entirely foreign to hunting and did not prove a risk of improper weapon handling without further specific investigation.
Regeste Legislator
Généré par l'IAJachtdecreet van 24 juli 1991; Jachtadministratiebesluit van 25 april 2014: The administrative authority cannot deny a hunting license solely based on past traffic offenses unless there is concrete evidence linking those acts to a specific danger regarding the use of weapons in a hunting context.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VIIe KAMER
nr. 239.062 van 14 september 2017
in de zaak A. 218.231/VII-39.594.
In zake : Jan MICHEL
wonende te 2370 Arendonk De Lusthoven 57
alwaar woonplaats wordt gekozen bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Bouckaert en Stefanie François
tegen :
het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Bronders kantoor houdend te 8400 Oostende Archimedesstraat 7
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 29 januari 2016, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing zonder opgegeven datum, maar medegedeeld via aangetekend schrijven, gedateerd op 11 december 2015, van de Directeur AVES, Agentschap voor Natuur en Bos, inzake het beroep van Jan Michel tegen het besluit van 1 september 2015 van de Arrondissementscommissaris, Departement Kanselarij & Bestuur, Vlaamse dienst van de gouverneur Antwerpen, tot weigering van het jachtverlof aan de verzoekende partij voor het seizoen 2015-2016”.
VII-39.594-1/13
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Auditeur Wendy Depester heeft een verslag opgesteld.
De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 juni 2017.
Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Stefanie François, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Clive Rommelaere, die loco advocaat Bart Bronders verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Auditeur Wendy Depester heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Verzoeker vraagt een Vlaams jachtverlof aan voor het jachtseizoen 2015-2016.
VII-39.594-2/13
3.2. De Arrondissementscommissaris weigert op 1 september 2015
dit jachtverlof. Deze weigeringsbeslissing wordt gemotiveerd als volgt:
“Gelet op de aanvraag van de heer MICHEL Jan, geboren te Mol op 3 juni 1944 en wonende De Lusthoven 57 te 2370 Arendonk, voor een jachtverlof voor het seizoen 2015/2016;
Gelet op het Jachtdecreet van 24 juli 1991;
Gelet op het besluit van 25 april 2014 van de Vlaamse Regering houdende de administratieve organisatie van de jacht in het Vlaamse Gewest (B.S. 12 juni 2014), afgekort Jachtadministratiebesluit;
Gelet op het uittreksel uit het strafregister d.d. 10 juni 2015 dat aanvrager neerlegde voor het bekomen van het jachtverlof;
Gelet op het feit dat ik vorig seizoen 2014/2015 weigerde een jachtverlof af te leveren aan Michel Jan omdat zijn uittreksel uit het strafregister toen zes veroordelingen m.b.t. verkeer vermeldde, gaande van 2/2/2012 tot en met 25/6/2014;
Overwegende dat belanghebbende uiteindelijk afzag van zijn aanvraag en dat de procureur des Konings te Turnhout nadien, op 4 februari 2015, adviseerde om het jachtverlof 2014/2015 te weigeren aan belanghebbende op grond van artikel 14, 3° van het Jachtadministratiebesluit;
Overwegende dat er op het uittreksel uit het strafregister van 10 juni 2015
van Michel Jan vijf nieuwe veroordelingen m.b.t. verkeer zijn bijgekomen waaruit ik besluit dat hij hardleers blijkt te zijn en zijn foute gedrag onverstoord blijft verderzetten;
Overwegende dat belanghebbende reeds gedurende een lange periode het niet al te nauw neemt met de verkeersregels en zich op het vlak van de verkeersveiligheid op een onverantwoorde en onzorgvuldige wijze blijft gedragen;
Overwegende dat de aangroeiende lijst van verkeersovertredingen aantoont dat belanghebbende onvoldoende verantwoordelijkheidszin aan de dag legt en m.i. niet over de juiste ingesteldheid beschikt om de jacht met vuurwapens uit te oefenen;
Overwegende dat artikel 14, 3° van het Jachtadministratiebesluit bepaalt dat de Arrondissementscommissaris het jachtverlof kan weigeren aan degenen wier slecht gedrag, geestestoestand of vorig gedrag laat veronderstellen dat ze een slecht gebruik van hun wapens kunnen maken;
Overwegende bovendien dat een aanvrager van een Vlaams jachtverlof 2015/2016 het bewijs moet kunnen voorleggen dat hij beschikte over een Vlaams jachtverlof van vorig seizoen 2014/2015 ofwel een kopie moet kunnen voorleggen van slagen voor het jachtexamen in Vlaanderen, Wallonië, Nederland, Luxemburg, Frankrijk, Duitsland of Oostenrijk ofwel een kopie moet kunnen voorleggen van een geldig jachtverlof seizoen 2015/2016 uit Wallonië, Nederland of Luxemburg;
Overwegende dat belanghebbende geen van voormelde documenten voorlegde waardoor zijn aanvraag voor een Vlaams jachtverlof 2015/2016 niet kan aanvaard worden”.
VII-39.594-3/13
3.3. Verzoeker stelt op 9 september 2015 tegen deze weigering beroep in bij het Agentschap voor Natuur en Bos. Als bijlage bij zijn beroepschrift legt hij een Waals jachtverlof voor het jachtseizoen 2015-2016 neer.
3.4. Met een brief van 24 september 2015 zendt de Directeur AVES
van het Agentschap voor Natuur en Bos het beroepschrift van verzoeker aan de Arrondissementscommissaris met de vraag hem binnen de twee maanden een gemotiveerd advies toe te sturen over de aard en de wenselijkheid van de aflevering van een Vlaams jachtverlof voor het seizoen 2015-2016 aan verzoeker, samen met het advies van de procureur des Konings.
3.5. De Arrondissementscommissaris verleent op 19 november 2015
een gemotiveerd ongunstig advies. Dit advies luidt als volgt:
“In uw brief van 24 september 2015 verzocht u mij, op grond van artikel 16
van het Jachtadministratiebesluit van 25 april 2014, om advies inzake het beroepsdossier van de heer Michel Jan […]. De heer Michel heeft beroep ingesteld tegen mijn weigering van 1 september 2015 tot het uitreiken van een jachtverlof voor het seizoen 2015-2016. Deze weigering is gebaseerd op het feit dat betrokkene in minder dan één jaar tijd vijf veroordelingen heeft opgelopen door de politierechtbank van Antwerpen wegens het niet respecteren van de verkeersregels en het feit dat de aanvrager niet alle gevraagde bewijsstukken kon voorleggen.
Mijn beleid bestaat hierin dat bij een dergelijke reeks veroordelingen het jachtverlof voor minstens één seizoen wordt geweigerd op grond van artikel 14, 3° van het jachtadministratiebesluit. Aangezien de veroordelingen voorkomen op het uittreksel van het strafregister en dit bovendien de tiende veroordeling is inzake verkeer in een tijdspanne van nog geen drie jaar, besluit ik dat er een patroon aanwezig is en dat betrokkene blijk geeft van onvoldoende verantwoordelijkheidszin door zich quasi pertinent op een onverantwoorde wijze in het verkeer te begeven, waardoor hij niet alleen zichzelf maar ook het leven van anderen mogelijks in gevaar brengt.
Aangezien een jager zich doorgaans zonder controle van de overheidsinstanties vrijelijk met vuurwapens mag bewegen op zijn jachtterreinen, besluit ik dat hij door zijn gedragingen het noodzakelijk vertrouwen van de vergunningverlenende overheid niet meer geniet.
Ik kan dan ook geen positief advies verlenen bij het door de heer Michel ingestelde beroep tegen de weigering van zijn jachtverlof voor het seizoen 2015-2016.
Als bijlage vindt u het advies van de procureur des Konings van Turnhout d.d. 26 oktober 2015”.
VII-39.594-4/13
3.6. Het als bijlage gevoegd ongunstig advies van de procureur des Konings van 26 oktober 2015 luidt als volgt:
“Ik heb het schrijven van 24 september 2015 m.b.t. het beroep tegen het besluit van de arrondissementscommissaris van Antwerpen van 01 september 2015 waarbij het jachtverlof voor het seizoen 2015/2016 aan de heer MICHEL Jan voorlopig werd geweigerd, in goede orde ontvangen.
Het komt mij voor dat de weigering van de arrondissementscommissaris terecht is mede gelet op het feit dat de heer MICHEL Jan sedert het ongunstige advies van mijn eerste substituut Inge Delissen dd. 4 februari 2015 nog viermaal door de politierechtbank te Antwerpen, afdeling Turnhout werd veroordeeld wegens verkeersinbreuken (snelheidsbeperking).
Het jachtverlof dient mijns inziens dan ook te worden geweigerd”.
3.7. Verzoeker wordt er door de Directeur AVES van het Agentschap voor Natuur en Bos van in kennis gesteld dat zijn beroep tegen de weigering van zijn Vlaams jachtverlof voor het jachtseizoen 2015-2016 niet wordt ingewilligd.
Deze beslissing wordt formeel gemotiveerd als volgt:
“Ik heb uw schrijven van 9 september 2015 met referentie „Michel/AC‟ in goede orde ontvangen. U tekent daarmee overeenkomstig artikel 16, § 1 van het Jachtadministratiebesluit van 25 april 2014 beroep aan tegen de weigering van uw jachtverlof voor het jachtseizoen 2015-2016. Dit beroepschrift is ontvankelijk. Overeenkomstig artikel 16, § 2 van het Jachtadministratiebesluit van 25 april 2014 heeft het Agentschap van Natuur en Bos op 20 november 2015 een gemotiveerd advies over het beroepschrift ontvangen van de bevoegde arrondissementcommissaris van de provincie Antwerpen. Op 3 november werd over uw beroepschrift op verzoek van de bevoegde arrondissementcommissaris van de provincie Antwerpen tevens een gemotiveerd advies ontvangen van de procureur des Konings.
De arrondissementscommissaris houdt in zijn advies van 19 november 2015 vast aan zijn beslissing van 1 september 2015 waarbij hij van oordeel is dat het door u gesteld gedrag in het verkeer een waarschijnlijkheid genereert dat [u] zich in andere situaties ook onverantwoord zou gedragen. De arrondissementscommissaris verwijst daarbij naar het feit dat u recent reeds herhaaldelijk veroordeeld bent wegens inbreuken in het verkeer. Gelet op de herhaaldelijke veroordelingen is een noodzakelijk vertrouwen van de vergunningverlenende overheid geschaad om u als jager de gunst te verlenen, zonder controle van de overheidsinstanties, zich vrijelijk met vuurwapens in het openbaar te mogen begeven. Ik kan in deze stellingname van de
VII-39.594-5/13
arrondissementscommissaris volgen.
Naast het advies van de arrondissementscommissaris voorziet de beroepsprocedure vermeld in artikel 16, § 2 van het Jachtadministratiebesluit ook in het vragen van advies aan de procureur des Konings van het arrondissement in kwestie. In dit advies, verleend op 20 november 2015, geeft de procureur te kennen van oordeel te zijn dat uw jachtverlof voor het jachtseizoen 2015-2016 niet mag worden uitgereikt en dat de aanvankelijke beslissing van de arrondissementscommissaris om het jachtverlof te weigeren bevestigd moet worden.
De procureur vermeldt een reeks van verschillende recente verkeersovertredingen waarvoor veroordelingen werden uitgesproken door de politierechtbank van Antwerpen, afdeling Turnhout, na een eerder ongunstig advies van zijn eerste substituut. Hij onderbouwt daarmee de stelling dat u zich herhaaldelijk en zeer recent onverantwoord heeft gedragen en blijft gedragen in het verkeer. Hij is van oordeel dat wie zich niet als een zorgvuldige en verantwoordelijke burger gedraagt en daarbij de veiligheid van derden en zichzelf onnodig in gevaar brengt, een ingesteldheid vertoont die een risico inhoudt, ook met betrekking tot activiteiten met vuurwapens zoals jacht.
De procureur des Konings beëindigt zijn advies met de stelling dat er zich zijn inziens terecht een weigering van uw jachtverlof opdringt, wat in deze stand van het dossier neerkomt op een bevestiging in beroep van de door de arrondissementscommissaris besliste weigering. Ik vind in het dossier geen elementen die zouden kunnen worden gebruikt om dit duidelijke advies van de procureur niet te volgen.
De bepalingen in de jachtwetgeving met betrekking tot de afgifte van jachtverloven en jachtvergunningen zijn voornamelijk gericht op de vrijwaring van de openbare orde en veiligheid en op het respecteren van de jacht- en natuurwetgeving. Het afleveren van een jachtverlof is een blijk van vertrouwen van de overheid in de burger die het jachtverlof aanvraagt. Het gaat uit van de veronderstelling dat deze burger de openbare orde en veiligheid niet in het gevaar zal brengen en dat hij respect zal opbrengen voor de regelgeving.
Wanneer de aanvrager van een jachtverlof herhaaldelijk geverbaliseerd en veroordeeld wordt wegens het niet naleven van de geldende regels, genereert dit de nodige voorzichtigheid bij de bevoegde arrondissementscommissaris voor het uitreiken van een jachtverlof.
Gelet op de bovenstaande elementen ben ik van mening dat een bevestiging in beroep van de weigering van uw jachtverlof voor het jachtseizoen 2015-2016
gerechtvaardigd is. Voor het jachtseizoen 2015-2016 wordt uw beroep tegen de weigering van uw jachtverlof niet ingewilligd.
Op die manier wil ik een bijkomend duidelijk signaal geven om zich als jager bewust te zijn van de verantwoordelijkheid die men als houder van een jachtverlof draagt.
Ik voeg hier evenwel aan toe dat het afleveren van een jachtverlof telkens geldt voor één jachtseizoen. Bij elke aanvraag van een jachtverlof voor een nieuw jachtseizoen wordt nagegaan of de betrokkene recht heeft op dit jachtverlof. Op dat moment wordt ook nagegaan of er voldoende elementen zijn die kunnen leiden tot het herzien van het ingenomen standpunt om vervolgens een jachtverlof af te leveren.
VII-39.594-6/13
De arrondissementscommissaris wordt van deze beslissing op de hoogte gebracht.
Tegen deze beslissing kan beroep worden ingesteld bij de Raad van State, Wetenschapsstraat 33, 1040 Brussel. Dit beroep moet binnen een termijn van zestig dagen na de kennisgeving van deze beslissing bij aangetekend schrijven worden ingediend.
Daarnaast wil ik nog opmerken dat het Jachtadministratiebesluit van 25 april 2014 uitvoerig bepaald welke documenten moeten voorgelegd worden voor het bekomen van een jachtverlof. De aanvrager moet hierbij weldegelijk bewijs leveren van het bestaan van de gevraagde documenten. Het voorleggen van het bewijs van de intentie tot het aanvragen van de bedoelde documenten kan hierbij onmogelijk volstaan. Uit uw schrijven blijkt evenwel dat aan het voorleggen van een Waals jachtverlof voor het huidige jachtseizoen tot de mogelijkheden behoort om aan de verplichtingen van het Jachtadministratiebesluit van 25 april 2014 te voldoen.
Ik wil er ook op wijzen dat het uitreiken van een jachtverlof tot de regionale bevoegdheden behoort. Aan het feit dat een andere regionale overheid een situatie anders inschat en op een andere wijze omgaat met de gegeven situatie, kunnen geen verdere rechten ontleend worden met betrekking tot de andere regio‟s”.
Dit is de bestreden beslissing.
IV. Onderzoek van het enige middel
Standpunten van de partijen
4. In het enige middel werpt verzoeker de schending op van artikel 14, 3°, van het besluit van de Vlaamse regering van 25 april 2014 houdende de administratieve organisatie van de jacht in het Vlaamse Gewest (hierna: jachtadministratiebesluit), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van het zorgvuldigheids-, het redelijkheids- en het motiveringsbeginsel.
Hij betoogt vooreerst dat artikel 14, 3°, van het jachtadministratiebesluit een concreet onderzoek van de gedragingen van de aanvrager van een jachtverlof vereist, met inbegrip van een zorgvuldige en redelijke voorbereiding en beoordeling van het dossier, zowel in feite als in rechte, en dat de verwerende partij voorafgaand aan het nemen van de bestreden beslissing
VII-39.594-7/13
geen dergelijk onderzoek heeft gevoerd, zodat zij deze beslissing niet met kennis van zaken heeft kunnen nemen.
Daarnaast stelt verzoeker dat de motieven van de bestreden beslissing niet afdoende en pertinent zijn. Verzoeker argumenteert dat de in 2013, 2014 en 2015 door hem begane lichte verkeersovertredingen de enige gegevens zijn waarop de verwerende partij zich baseert voor het nemen van de bestreden beslissing. Deze overtredingen betreffen evenwel kleine snelheidsovertredingen -
nooit meer dan 30 km/u boven de toegelaten snelheid - waarbij nooit enig rijverbod werd uitgesproken. Er is ook nooit sprake geweest van enige aanrijding, laat staan vluchtmisdrijf of intoxicatie of dronkenschap. Verzoeker wijst er in dat verband op dat in België de toegelaten snelheden van 50, 70 en 90 km/u om de haverklap veranderen, en dat hij vaak op de baan is en beroepshalve veel kilometers met de auto dient af te leggen, ook „s nachts. Uit het feit dat hij in een periode van drie jaar een aantal keren de toegelaten snelheid op de openbare weg licht heeft overschreden, kan volgens hem evenwel niet - in tegenstelling tot wat de verwerende partij argumenteert - worden besloten dat hij een gevaar voor de openbare orde en veiligheid zou betekenen en/of dat de kans bestaat dat hij misbruik zou maken van zijn wapen om kwaad te berokkenen aan derden of aan zichzelf. Bij voormelde veroordelingen is er immers nooit sprake geweest van enige directe of indirecte relatie met een inbreuk op de wapenwetgeving en/of enige vorm van fysiek geweld.
Meer nog, met verwijzing naar de artikelen 6 en 7 van het opgeheven koninklijk besluit van 1 maart 1956 tot afgifte van jachtverloven, jachtvergunningen en verloven voor vogelvangst, waarvan artikel 14, 3°, van het jachtadministratiebesluit volgens verzoeker de voortzetting en de letterlijke herhaling is, argumenteert verzoeker dat het jachtverlof slechts geweigerd kan worden wanneer de aangehaalde feiten of veroordelingen gepaard gaan met inbreuken op de jachtregelgeving en/of gelieerd zijn aan fysiek geweld of mogelijke uitspattingen. Als voorbeeld haalt hij overvloedig of herhaald drankmisbruik aan, waardoor het gevaar voor ongevallen te groot wordt. Feiten die
VII-39.594-8/13
geen band vertonen met inbreuken op de jachtregelgeving of een misbruik van wapens of gebruik van gewelddadig gedrag, zijn volgens verzoeker niet van aard om daaruit te besluiten dat de openbare orde in gevaar is of dreigt in gevaar te komen. Er anders over oordelen zou volgens verzoeker een miskenning van de tekst van artikel 14, 3°, van het jachtadministratiebesluit zijn.
Voorts meent verzoeker dat artikel 16, § 2, van het jachtadministratiebesluit, dat voorschrijft dat het Agentschap voor Natuur en Bos, alvorens een beslissing te nemen, advies inwint bij de Arrondissementscommissaris, die dan op zijn beurt advies vraagt aan de procureur des Konings, in strijd is met de elementaire rechtsregels inzake hoger beroep en de rechten van verdediging schendt, aangezien de Arrondissementscommissaris de beslissing in eerste aanleg heeft genomen en de procureur des Konings al advies heeft gegeven voor de in eerste aanleg genomen beslissing. De kans is dan ook onbestaande, aldus verzoeker, dat deze personen in een identiek dossier met dezelfde inhoud van mening zullen veranderen. Ook schept de bestreden beslissing verwarring aangaande het tijdstip waarop de procureur des Konings tijdens de beroepsprocedure zijn ongunstig advies heeft uitgebracht.
Verzoeker meent eveneens dat een jachtverlof voor één jachtseizoen kan worden geweigerd in geval van “drie veroordelingen wegens strafbare intoxicatie als bestuurder of éénmaal dronken sturen of vluchtmisdrijf bij een ongeval zonder gekwetsten” en dat, nu deze veroordelingen zich niet hebben voorgedaan, hieruit a contrario moet worden afgeleid dat er voor de lichte verkeersovertredingen in 2013, 2014 en 2015 geen beslissing tot weigering van het jachtverlof kon worden genomen, laat staan dat deze weigering méér dan één jachtseizoen zou omvatten. Hij vervolgt dat de verwerende partij hem al heeft laten verstaan dat voor het jachtseizoen 2016-2017, op basis van het uittreksel uit zijn strafregister, evenmin een Vlaams jachtverlof zal worden afgeleverd.
Verzoeker ervaart de bestreden beslissing dan ook als een straf in plaats van als een voorzorgsmaatregel teneinde toekomstige ongevallen of misdrijven te voorkomen.
VII-39.594-9/13
Verzoeker besluit dat de enige fout die hem kan worden verweten, het feit is dat hij nalatig is geweest en de overgemaakte voorstellen tot betaling van een geldboete bij wijze van minnelijke schikking niet stipt heeft betaald. Had hij dat wél gedaan, dan zou hij nooit gedagvaard zijn geweest om te verschijnen voor de politierechtbank en zou hij ook geen veroordelingen hebben opgelopen.
5. De verwerende partij stelt daar tegenover dat de Arrondissementscommissaris overeenkomstig artikel 14, 3°, van het jachtadministratiebesluit van zijn discretionaire bevoegdheid gebruik heeft gemaakt en dat daarbij moet worden opgemerkt dat deze bepaling inderdaad de voortzetting is van het opgeheven artikel 7, 3°, van het koninklijk besluit van 28 februari 1977 tot afgifte van jachtverloven. Zij argumenteert voorts dat de Arrondissementscommissaris in zijn advies in graad van bestuurlijk beroep in het bijzonder wijst op het patroon van snelheidsovertredingen dat zich in hoofde van verzoeker in een zeer korte tijdspanne heeft voorgedaan, waaruit volgens haar kan worden afgeleid dat verzoeker blijk geeft van onvoldoende verantwoordelijkheidszin, waardoor hij zichzelf en anderen in gevaar brengt.
De toepassing van artikel 14, 3°, van het jachtadministratiebesluit vereist volgens de verwerende partij niet dat de aangehaalde feiten of veroordelingen gepaard zouden gaan met inbreuken op de jachtregelgeving en/of gelieerd zouden zijn aan fysiek geweld of mogelijke uitspattingen. Volgens haar is het precies de bedoeling van voormeld artikel 14, 3°, om bij de afgifte van jachtverloven een ruimere beleidsmarge te creëren in hoofde van de Arrondissementscommissaris en dit ongeacht de correlatie met jachtmisdrijven. Personen die strafrechtelijk zijn veroordeeld voor een jachtmisdrijf komen immers overeenkomstig artikel 13 van het jachtadministratiebesluit automatisch niet in aanmerking voor een jachtverlof. De verwerende partij leidt hieruit af dat de Arrondissementscommissaris voor een weigering van het jachtverlof dan ook terecht kan steunen op de algemene gedrags-
en geestestoestand van de aanvrager, los van de correlatie met inbreuken op de
VII-39.594-10/13
jachtregelgeving.
De verwerende partij meent voorts dat uit het patroon van de overtredingen wel degelijk kan worden afgeleid dat verzoeker een slecht gebruik van wapens zou kunnen maken omdat “het gebruik van wapens een meticuleuze aanpak vereist, in zoverre de houder van het wapen niet alleen op technisch vlak (gebruik van het wapen tijdens de jacht, alsook het vervoer en onderhoud van het wapen), doch ook op juridisch vlak (welke wapens zijn toegestaan, waar is jagen met het wapen toegestaan) een uitermate oplettende en dus zorgvuldige houding dient aan te nemen”. Gelet op het patroon van de verkeersovertredingen, is de bestreden beslissing volgens de verwerende partij niet kennelijk onredelijk.
De kritiek op de in artikel 16, § 2, van het jachtadministratiebesluit voorgeschreven procedure voor de behandeling van een bestuurlijk beroep door het Agentschap voor Natuur en Bos, is volgens de verwerende partij enkel gericht tegen het jachtadministratiebesluit zelf en vormt geen wettigheidskritiek op de bestreden beslissing zelf.
6. In haar laatste memorie voegt de verwerende partij toe dat de kern van de motivering van de bestreden beslissing niet bestaat “uit de loutere vaststelling dat de verzoekende partij een aantal lichte verkeersovertredingen heeft begaan”. Volgens haar wordt in de bestreden beslissing de nadruk gelegd op het recent en herhaaldelijk karakter van de gepleegde snelheidsovertredingen, “hetgeen een ingesteldheid betreft die een risico inhoudt voor de openbare orde en veiligheid”. Met het voorgelegde uittreksel uit het strafregister kan, steeds volgens de verwerende partij, wel degelijk rekening worden gehouden: vooreerst moet het strafregister volgens haar aan het dossier worden toegevoegd aangezien het jachtverlof voor het Waalse Gewest pas in graad van beroep werd voorgelegd, en bovendien kan geen afbreuk worden gedaan aan de discretionaire bevoegdheid vastgelegd in artikel 14, 3°, van het jachtadministratiebesluit.
VII-39.594-11/13
Beoordeling
7. De veroordelingen waarvan sprake in het uittreksel uit het strafregister van verzoeker hebben enkel betrekking op feiten waarvan niet wordt betwist dat ze volkomen vreemd zijn aan de jacht en/of aan het wapenbezit van verzoeker. De verwerende partij maakt niet aannemelijk dat het hier gaat om feiten die van die aard zijn dat ze wijzen op een gevaarlijke ingesteldheid van verzoeker met betrekking tot het gebruik van wapens. Bij de beoordeling van de vraag of een persoon een verkeerd gebruik van wapens zou kunnen maken mag de verwerende partij in beginsel, rekening houden met feiten en gedragingen die vreemd zijn aan de jacht en/of met wapenbezit. Toch kan zij niet, zonder nader concreet en individueel onderzoek van de relevantie ervan, uit het louter gegeven dat verzoeker dergelijke feiten en gedragingen heeft gepleegd, besluiten dat verzoekers gedrag of geestestoestand laat veronderstellen dat hij een verkeerd gebruik van wapens kan maken.
Door dit te dezen wel te doen en aan het enkele gegeven dat verzoeker deze aan de jacht, aan fysiek geweld en aan het wapenbezit vreemde inbreuken op de verkeerswetgeving “herhaaldelijk” en “zeer recent” heeft gepleegd, de conclusie te verbinden dat verzoeker “zich niet als een zorgvuldige en verantwoordelijke burger gedraagt en daarbij de veiligheid van derden en zichzelf onnodig in gevaar brengt” en dat het door hem gesteld gedrag in het verkeer “een waarschijnlijkheid genereert dat [hij] zich in andere situaties ook onverantwoord zou gedragen”, of nog, “een ingesteldheid vertoont die een risico inhoudt, ook met betrekking tot activiteiten met vuurwapens zoals jacht”, gaat de verwerende partij de grenzen van een redelijke uitoefening van haar beoordelingsvrijheid te buiten.
Het enkele gegeven dat de verkeerswetgeving ook de openbare orde en veiligheid moet garanderen, doet hieraan geen afbreuk.
Het enige middel is gegrond.
VII-39.594-12/13
BESLISSING
1. De Raad van State vernietigt “de beslissing zonder opgegeven datum, maar medegedeeld via aangetekend schrijven, gedateerd op 11 december 2015, van de Directeur AVES, Agentschap voor Natuur en Bos, inzake het beroep van Jan Michel tegen het besluit van 1 september 2015 van de Arrondissementscommissaris, Departement Kanselarij & Bestuur, Vlaamse dienst van de gouverneur Antwerpen, tot weigering van het jachtverlof aan de verzoekende partij voor het seizoen 2015-2016”.
2. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
3. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 200 euro.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien september tweeduizend zeventien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier.
De griffier De voorzitter
Bart Tettelin Eric Brewaeys
VII-39.594-13/13
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.062