Belgian court dismisses appeal against administrative fine and civil liability for truck overloading.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Court of Cassation dismissed the appeal filed by a trucking company and its driver against an administrative fine and civil liability order. The court rejected arguments that the driver's lack of criminal prosecution exempted the company from civil liability under the Road Decree and that the presumption of road damage violated the presumption of innocence. Consequently, the company was held legally responsible for the driver's actions and ordered to pay the fine.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 56 and 59, § 5, of the Road Decree of 19 December 1998; The company is civilly liable for administrative fines imposed on the driver, and the presumption of road damage does not violate the presumption of innocence.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IAJurisprudence citée
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
XIIe KAMER
nr. 239.054 van 12 september 2017
in de zaak A. 211.691/XII-7996
In zake: 1. de SRL SKIPTRANS
vennootschap naar Roemeens recht 2. Ionel COBANU
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Alain Franken kantoor houdend te 4000 Luik Boulevard de la Sauvenière 91
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
het VLAAMSE GEWEST
woonplaats kiezend bij het agentschap Wegen en Verkeer Koning Albert II-laan 20 bus 4
1000 Brussel
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 19 februari 2014, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 23 december 2013 van de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken waarbij aan Ionel Cobanu een administratieve geldboete wordt opgelegd van 4500 euro wegens beschadiging van het wegdek door overlading van een voertuig en de srl Skiptrans burgerrechtelijk aansprakelijk wordt gesteld voor de betaling van deze administratieve geldboete.
XII-7996-1/29
II. Verloop van de rechtspleging
2. Bij arrest nr. 236.059 van 11 oktober 2016 heeft de Raad van State het debat heropend en het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat gelast met een aanvullend verzoek.
Auditeur Ines Martens heeft een aanvullend verslag opgesteld.
De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 30 mei 2017.
Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Stéphanie Colella, die loco advocaat Alain Franken verschijnt voor de verzoekende partijen, en adjunct van de directeur Veerle Vanempten, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Auditeur Ines Martens heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Op 4 december 2012 wordt een vrachtwagen met oplegger, die bestuurd wordt door de tweede verzoekende partij, door de wegeninspectie gecontroleerd op de autoweg E40 te Wetteren. Bij de controle wordt vastgesteld dat het voertuig overladen is. Op de eerste as van de trekker bedraagt de
XII-7996-2/29
overlading 4.670 kg. Er wordt proces-verbaal opgesteld wegens inbreuk op artikel 56 van het decreet van 19 december 1998 ‘houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999’ (hierna: aslastendecreet).
3.2. Op 24 januari 2013 beslist het parket te Dendermonde geen strafvervolging in te stellen.
3.3. Op 18 maart 2013 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de tweede verzoekende partij een administratieve geldboete van 4.500 euro op te leggen en de eerste verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van de administratieve geldboete.
3.4. Op 5 april 2013 tekent de eerste verzoekende partij verzet aan tegen die beslissing.
3.5. Op 12 juni 2013 heeft een hoorzitting plaats. Namens de eerste verzoekende partij wordt een schriftelijke conclusie ingediend.
3.6. Op 8 juli 2013 bevestigt de wegeninspecteur-controleur zijn beslissing om aan de tweede verzoekende partij een administratieve geldboete op te leggen van 4.500 euro en de eerste verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van deze administratieve geldboete.
3.7. Op 9 augustus 2013 stelt de eerste verzoekende partij tegen die beslissing beroep in bij de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken.
3.8. Op 22 oktober 2013 heeft een hoorzitting plaats. Namens de eerste verzoekende partij wordt een schriftelijke conclusie ingediend.
3.9. Op 23 december 2013 beslist de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken aan de tweede verzoekende partij een administratieve geldboete van 4.500 euro op te leggen en de eerste verzoekende
XII-7996-3/29
partij burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van de administratieve geldboete. Dit is de bestreden beslissing.
IV. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel (tweede onderdeel)
Uiteenzetting van het middel
4. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van artikel 6.3, a), van het Europees Verdrag van 4 november 1950 ‘tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden’ (hierna: EVRM).
Het eerste onderdeel van het eerste middel werd in het voormelde arrest nr. 236.059 van 11 oktober 2016 door de Raad verworpen als ongegrond.
5. De verzoekende partijen voeren in hun verzoekschrift in een tweede onderdeel van het middel aan dat niet werd voldaan aan de vereiste van bijstand van een raadsman. Zij verwijzen naar het arrest Salduz van 27 november 2008 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM 27 november 2008, Salduz t. Turkije, nr. 36391/02) en stellen dat deze rechtspraak werd ingeschreven in het Wetboek van Strafvordering via de wet van 13 augustus 2011. In een arrest van het Grondwettelijk Hof van 14 februari 2013 werd geoordeeld dat de weigering van een voorafgaandelijk overleg met een advocaat in het kader van een verkeersovertreding niet gerechtvaardigd was zodat de verzoekende partijen van deze mogelijkheid gebruik hadden moeten kunnen maken voorafgaand aan hun eerste verhoor.
Het is immers onbetwistbaar dat een overtreding van overlading een verkeersovertreding uitmaakt en dat de financiële gevolgen voor de overtreder zeer groot zijn. Bijgevolg was de procedure die werd gevoerd tegen
XII-7996-4/29
de verzoekende partijen onontvankelijk en werd deze op een onregelmatige wijze gevoerd.
6. In de memorie van wederantwoord hernemen de verzoekende partijen woordelijk hun middel.
7. In de laatste memorie na het aanvullend verslag benadrukken de verzoekende partijen nog dat de vragenlijst die aan de bestuurder werd overgemaakt was opgesteld in het Nederlands en het Frans, terwijl hij had gevraagd om zich in het Roemeens uit te drukken, zodanig dat niet kan worden aangenomen dat hij zou hebben toegegeven de overtreding te hebben begaan, aangezien hij duidelijk niet heeft begrepen wat er in het document stond dat hem ter ondertekening werd voorgelegd. Dit geldt ook voor de vennootschap Skiptrans, aangezien zij als vennootschap naar Roemeens recht geen enkele kennis heeft van de Nederlandse taal. Hun rechten van verdediging werden bijgevolg geschonden. Zij wijzen er bovendien op dat de aanwezigheid van een advocaat tijdens de aanhouding van de vrachtwagenbestuurder, hem de mogelijkheid zou hebben gegeven om de aanwezigheid van een tolk te vragen, om de geldigheid van de vragenlijst te betwisten die hem werd aangeboden in een taal die hij niet begreep en om zijn betwistingen mee te delen aan de verbalisanten.
Beoordeling
8. In de mate dat de verzoekende partijen nog steeds volharden in het eerste onderdeel van hun eerste middel, dient erop te worden gewezen dat dit onderdeel van het middel door de Raad van State reeds werd beoordeeld en verworpen in het arrest nr. 236.059 van 11 oktober 2016, zodat dit niet meer het voorwerp uitmaakt van het huidig debat.
9.1. Wat het tweede onderdeel van het middel betreffende de bijstand door een raadsman betreft, kan worden vastgesteld dat het, geformuleerd
XII-7996-5/29
in nagenoeg identieke bewoordingen, reeds meerdere malen door de Raad van State werd verworpen. De procedurestukken in de huidige zaak bevatten geen enkel element dat de Raad ertoe zou brengen af te wijken van deze rechtspraak, zoals onder meer verwoord in het arrest nr. 236.435 van 17 november 2016, nv Norbert Dentressangle Logistics Welkenraedt e.a.
Overigens moet worden vastgesteld dat het geschonden geachte artikel 6.3, a), EVRM, niet de bijstand door een raadsman betreft.
9.2. Ten overvloede moet worden opgemerkt dat de verzoekende partijen nog steeds niet aantonen dat te dezen de omstandigheden van de zaak van die aard zouden zijn dat de bijstand van een advocaat reeds vereist zou zijn bij de eerste wegcontrole. Deze wegcontrole heeft enkel tot doel de naleving van de aslastenregelgeving na te gaan en behelst in essentie technische vaststellingen, namelijk het vaststellen van de overlading met een door de metrologische dienst van de FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie, gecontroleerde asweger. Een afschrift van het tijdens een dergelijke wegcontrole opgestelde proces-verbaal, waarbij de bestuurder een aantal voorgedrukte vermeldingen mag aankruisen en eigen verklaringen mag neerschrijven, wordt toegestuurd aan de vrachtwagenbestuurder, samen met een vragenlijst bestemd voor de burgerlijk aansprakelijke partij. Bijgevolg hebben beide de mogelijkheid om een advocaat te raadplegen na ontvangst van voornoemde documenten en kunnen zij overleg plegen om hun respectievelijke verdediging zowel schriftelijk, als mondeling in de beste omstandigheden grondig voor te bereiden. De eerste verzoekende partij heeft dit te dezen trouwens effectief gedaan, zowel tijdens de administratieve fase van de procedure als voor de Raad van State. Immers, zowel tijdens de verzetprocedure als tijdens de beroepsprocedure heeft zij zich laten bijstaan door een advocaat van haar keuze en werden schriftelijke besluiten neergelegd. Uit geen enkel element van het administratief dossier blijkt overigens dat de vrachtwagenbestuurder zich op enig moment in een kwetsbare positie bevond.
Bijgevolg kan niet worden aangenomen dat aan hem bij het invullen van de vragenlijst en het afleggen van zijn schriftelijke verklaring bij dergelijke
XII-7996-6/29
wegcontrole, reeds toegang diende te worden verleend tot een advocaat. Daarbij heeft hij trouwens, weliswaar in het Roemeens, wel degelijk meegedeeld wat hij betwistte. Tevens dient te worden opgemerkt dat de verzoekende partijen, ook niet nadat zij werden bijgestaan door een advocaat tijdens de administratieve procedure, om de aanwezigheid van een tolk hebben gevraagd of de vertaling van bepaalde stukken.
Het tweede onderdeel van het middel wordt verworpen.
B. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
10. In een tweede middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 60 van het aslastendecreet, doordat het bewijs ontbreekt dat de inbreuk door het parket werd geseponeerd. De verwerende partij maakt gebruik van een document dat geen bewijskracht heeft, aangezien dit niet gedateerd of ondertekend is, noch op welke wijze dan ook werd afgestempeld door het parket. Op grond daarvan kan niet worden vastgesteld dat het parket geen vervolging zal instellen. Het staat bijgevolg niet vast dat de verwerende partij de mogelijkheid had om een administratieve geldboete op te leggen, aangezien een seponering niet automatisch wordt toegepast en een deel van de parketten in België wel een strafvervolging instellen, zoals bijvoorbeeld in de gerechtelijke arrondissementen Antwerpen en Dendermonde.
11. In de memorie van wederantwoord merken de verzoekende partijen op dat het kantschrift, dat zich volgens de bestreden beslissing in het administratief dossier zou bevinden, aan hun niet werd meegedeeld, zodat zij niet kunnen nagaan of de referenties van het Vlaamse Gewest op een correcte manier zijn overgenomen en of ze wel degelijk betrekking hebben op het betrokken dossier. Ten slotte stellen de verzoekende partijen nog dat de vermelding “beleefd het dossier in bijlage [tot] beschikking” niet hetzelfde betekent als “seponering”.
XII-7996-7/29
Beoordeling
12. In het auditoraatsverslag verwijst de met het onderzoek van de zaak belaste auditeur opnieuw naar het reeds vermelde arrest nr. 236.435 van 17 november 2016, nv Norbert Dentressangle Logistics Welkenraedt e.a., waarin de Raad van State in de randnummers 23 tot 26 een nagenoeg identiek geformuleerd middel reeds heeft beoordeeld en verworpen. Zij stelt tevens vast dat uit het administratief dossier blijkt dat de wegeninspecteur-controleur het proces-verbaal betreffende de inbreuk op artikel 56 van het aslastendecreet op 9 januari 2013 heeft bezorgd aan de procureur des Konings te Dendermonde met het verzoek om overeenkomstig artikel 59 van het voormelde decreet binnen een termijn van 90 dagen – eventueel verlengbaar met dertig dagen – mee te delen welk gevolg aan deze zaak zal worden gegeven, dat de wegeninspecteur-
controleur de procureur des Konings vroeg zijn beslissing te vermelden “in de laatste kolom van bijgevoegde lijst” en deze dan terug te bezorgen en dat de procureur des Konings vervolgens met een brief van 24 januari 2013, die door de verwerende partij op 29 januari 2013 werd ontvangen, de voormelde lijst heeft teruggestuurd waarop de woorden “Strafvervolging instellen” zijn geschrapt en de woorden “Administratieve afhandeling” zijn behouden. Zij besluit hieruit dat meer dan genoegzaam blijkt dat de betrokken procureur des Konings de inbreuk heeft geseponeerd en er te dezen geen reden is om anders te oordelen.
De Raad van State valt deze vaststellingen en conclusie bij, die door de verzoekende partijen in hun laatste aanvullende memorie overigens niet worden betwist.
Het tweede middel wordt verworpen.
XII-7996-8/29
C. Derde middel
Uiteenzetting van het middel
13. In een derde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van het onpartijdigheidsbeginsel, doordat de wegeninspecteur-
controleur die de administratieve geldboete heeft opgelegd vervolgens zelf heeft beslist om deze sanctie al dan niet te behouden, zodat hij zowel rechter als partij was. Het feit dat tegen die beslissing beroep kon worden ingesteld doet geen afbreuk aan die vaststelling, aangezien de ambtenaar bij wie het beroep wordt ingesteld evenmin onpartijdig is en rekenschap dient af te leggen aan de minister.
Ook het feit dat de Raad van State aan de eisen van onpartijdigheid en onafhankelijkheid voldoet, volstaat niet, aangezien de waarborgen van artikel 6
EVRM ook van toepassing zijn op de procedure die de rechterlijke uitspraak voorafgaat. De verzoekende partijen hadden niet de mogelijkheid om bijkomende onderzoeksmaatregelen te vragen, getuigen te horen of “des causes de justification” (rechtvaardigingsgronden) in te roepen.
14. In de memorie van wederantwoord betwisten de verzoekende partijen dat het middel gericht zou zijn tegen het aslastendecreet en niet tegen de bestreden beslissing. Volgens de verzoekende partijen is de verwerende partij er immers op grond van het aslastendecreet niet toe verplicht om het beroep in eerste aanleg voor te leggen aan diezelfde wegeninspecteur die de administratieve boete heeft opgelegd. Het feit dat een beroep wordt ingesteld bij de Raad van State neemt niet weg dat de voorafgaande rechtspleging onregelmatig is aangezien ze werd ingediend voor ambtenaren waarvan de onpartijdigheid niet is aangetoond, nu de eerste ambtenaar de persoon is die de boete heeft opgelegd.
15. In de laatste memorie benadrukken de verzoekende partijen nog dat de rechtspraak van hogere rechtscolleges meermaals heeft bevestigd dat het onpartijdigheidsbeginsel verhindert dat iemand tegelijkertijd rechter en partij is en meer bepaald “wanneer hij de rol van beschuldiging heeft gespeeld”. Het feit
XII-7996-9/29
dat de eiser kon worden verhoord en schriftelijke verklaringen heeft kunnen afleggen voor de eerste ambtenaar, maakt niet dat deze daarom automatisch als onpartijdig kan worden beschouwd. Zij merken hierbij op dat de verwerende partij niet in staat is om voorbeelden voor te leggen waarbij deze eerste ambtenaar op zijn beslissing zou zijn teruggekomen. Zij herhalen dat het feit dat een beroep mogelijk is bij de Raad van State niet wegneemt dat de eerste ambtenaar het voorwerp kan uitmaken van vermoedens van onpartijdigheid en dat het precies hierover is dat de Raad van State wordt gevraagd om een oordeel te vellen. Zij menen ten slotte dat het veelzeggend is om te moeten vaststellen dat de verwerende partij zich blijkbaar van het probleem bewust is geworden, “aangezien het nieuwe decreet van 2013 uitdrukkelijk bepaalt dat de ambtenaar die over een beroep moet oordelen niet een uitspraak heeft mogen doen over een beroep in een vroeger stadium van de rechtspleging, hetgeen niet zo lijkt te zijn voor de ambtenaar die een oordeel moest vellen over het eerste beroep”. Volgens hen zou er bovendien in recente zaken sprake zijn van een “plotse ommekeer” bij de verwerende partij: een andere ambtenaar dan de ambtenaar die de oorspronkelijke boete heeft opgelegd, moest later een uitspraak doen over het beroep in eerste aanleg.
Beoordeling
16. Dit middel, ontwikkeld in nagenoeg identieke bewoordingen, werd reeds meerdere malen door de Raad van State verworpen. De procedurestukken in de huidige zaak bevatten geen enkel element die er de Raad van State zou moeten toe brengen af te wijken van deze rechtspraak. De Raad van State heeft bijgevolg al meermaals een “oordeel” geveld, zoals gevraagd door de verzoekende partijen, over dit beweerde “probleem” betreffende de onpartijdig-
heid van de wegeninspecteur-controleur die zich ook uitspreekt over het eventuele verzet dat tegen zijn beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete wordt aangetekend. Met de auditeur-verslaggever kan bijvoorbeeld opnieuw worden verwezen naar het arrest nr. 236.435 van 17 november 2016
inzake de nv Norbert Dentressangle Logistics Welkenraedt e.a.
XII-7996-10/29
In het voormelde arrest wordt er op gewezen dat organen van het actief bestuur weliswaar de onpartijdigheidsplicht in acht moeten nemen, doch dat voor hen die verplichting niet zo absoluut geldt als voor de rechter en dat ze verenigbaar moet zijn met de eigen aard, meer bepaald de eigen structuur van het bestuur. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de wijze waarop de bestuurlijke procedure door de decreetgever wordt geregeld.
Ook al bevindt dit agentschap als instelling, zich in een ondergeschikte positie ten opzichte van de regering, zijn zowel de vaststelling van de aslasteninbreuken door wegeninspecteurs als de beslissing om een admini-
stratieve boete op te leggen wegens die inbreuken door wegeninspecteurs-
controleurs, eigen bevoegdheden die de artikelen 61 respectievelijk 59 van het aslastendecreet toekennen aan deze ambtenaren van dit agentschap; in de uitoefening van die bevoegdheden, zijn deze structureel onafhankelijk en ontsnappen ze aan het gezag van de minister. Voorts is het eigen aan de procedure van verzet – geregeld door het toen nog toepasselijke artikel 60, § 2, van het aslastendecreet – dat dezelfde instantie – te dezen dezelfde wegeninspecteur-controleur – die bij verstek uitspraak heeft gedaan, het verzet behandelt.
Voorts, ook al is de procedure voor de wegeninspecteur-
controleur en in beroep voor de minister, niet omkleed met bepaalde waarborgen die eigen zijn aan de rechterlijke macht, dan nog remedieert het beroep bij de Raad van State dat open staat tegen de beslissing van de minister in beroep, zulks; meer bepaald is de Raad van State bevoegd om de toepassing te weigeren van een onwettige reglementaire bepaling en een onwettige administratieve beslissing te vernietigen die er toepassing van maakt, alsook om het Grondwettelijk Hof te bevragen over de grondwettigheid van een wetgevende bepaling. Het standpunt dat de Raad van State een rechtscollege is dat beantwoordt aan de vereisten van artikel 6.1, EVRM werd reeds gewezen in talrijke arresten van de Raad van State en bevestigd door het Grondwettelijk Hof
XII-7996-11/29
en het Hof van Cassatie (GwH 18 februari 2016, nr. 25/2016, overw. B.40.1 en B.40.2; Cass. 15 oktober 2009, Arr.Cass. 2009, 584)
17. De verzoekende partijen tonen te dezen voorts evenmin in concreto aan waarom er niettemin zou moeten worden geoordeeld dat “de eerste ambtenaar het voorwerp [uitmaakt] van vermoedens van onpartijdigheid”. Uit het administratief dossier blijkt dat de eerste verzoekende partij zowel in verzet als in beroep schriftelijke conclusies heeft neergelegd, dat de verzoekende partijen telkens werden uitgenodigd voor de hoorzittingen, dat tijdens de hoorzitting in beroep hun raadsman de zaak kon toelichten en alle dienstige elementen kon aanvoeren ter verdediging van zijn cliënte, waarbij een ambtenaar voor de bestuurlijke beroepsinstantie een schriftelijk relaas heeft genotuleerd van het verloop van de zitting, en waarop de minister in de bestreden beslissing uitgebreid heeft geantwoord zodat in de bestuurlijke procedure de rechten van verdediging werden geëerbiedigd en het bestuur heeft doen blijken van de vereiste onafhankelijkheid en op zorgvuldige wijze heeft gehandeld.
Wat de mogelijkheid betreft om bijkomende onderzoeks-
maatregelen te vragen, getuigen te horen of rechtvaardigingsgronden in te roepen, blijkt ook hier uit het proces-verbaal van de wegeninspecteurs, dat de persoon die wordt verhoord, kan vragen dat “bepaalde opsporingshandelingen worden verricht of dat een bepaald verhoor kan afgenomen worden”. Uit het dossier blijkt niet dat de tweede of de eerste verzoekende partij daarom heeft verzocht, laat staan dat een dergelijk verzoek zou zijn verworpen. De verzoekende partijen tonen evenmin aan dat zij niet de mogelijkheid hadden om “rechtvaardigings-
gronden” in te roepen.
18. De stelling van de verzoekende partijen dat ten gevolge van het nieuwe decreet van 2013 de regelgeving zou zijn gewijzigd in de zin dat steeds een andere ambtenaar zich moet uitspreken over “het beroep”, wat ook al zou blijken uit de recente praktijk, noopt niet tot een ander standpunt. Overigens gaat het om de ambtenaren die overeenkomstig artikel 19, § 4, van het decreet van
XII-7996-12/29
3 mei 2013 ‘betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport’ door de Vlaamse regering worden aangewezen om het beroep te behandelen en dus niet het verzet [dat nog steeds door dezelfde wegeninspecteur-controleur wordt behandeld], wat thans het bezwaar wordt genoemd, namelijk om de overtreder en de onderneming op de hoogte te brengen van de eventuele onontvankelijkheid van het beroep, die de overtreder, de onderneming of de raadsman zullen horen en het beroep zullen uitspreken. De voormelde § 4 bepaalt in het eerste lid dat “deze ambtenaren […] niet betrokken [mogen] geweest zijn bij eerdere stappen van de procedure”. Dit was trouwens ook het geval onder gelding van het vorige aslastendecreet: zo bepaalt artikel 60, § 4, dat “[d]e Vlaamse regering […] een of meer ambtenaren [kan] aanwijzen die de overtreder, de onderneming of de raadsman zullen horen en het beroep zullen uitspreken”. Het eerste lid van de voormelde § 4 bepaalt dat “[z]e […] een hogere rang [hebben] dan de wegeninspecteur-controleur” en dus net zoals thans in het nieuwe aslastendecreet wordt bepaald “niet betrokken [mogen] geweest zijn bij eerdere stappen van de procedure”.
Het derde middel is ongegrond.
D. Vierde middel
Uiteenzetting van het middel
19. In een vierde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’. De verzoekende partijen stellen vast dat de motivering van de bestreden beslissing identiek is aan de motivering van andere beslissingen in dergelijke dossiers. Hieruit blijkt dat geen rekening werd gehouden met de specifieke kenmerken van het dossier. Zo werd in de bestreden beslissing geen antwoord gegeven op het argument dat aan de vrachtwagenbestuurder voldoende tijd moet worden gegeven om de lading stabiel te laten worden. Eveneens werd niet geantwoord op de vraag tot uitstel.
XII-7996-13/29
20. In de memorie van wederantwoord betogen de verzoekende partijen dat zij, doordat de verwerende partij haar beslissing om geen uitstel toe te kennen niet uitdrukkelijk motiveerde, niet de mogelijkheid hebben om de redenen te begrijpen waarom dit uitstel hen werd geweigerd. Door geen antwoord te formuleren op het argument dat er geen wachttijd werd toegekend om het voertuig stabiel te laten worden, hebben de verzoekende partijen evenmin de mogelijkheid om de veroordelingen te begrijpen die tegen hen werden uitgesproken. In de administratieve richtlijnen van het Vlaamse Gewest wordt nochtans uitdrukkelijk in de mogelijkheid voorzien om een wachttijd toe te kennen.
21. In de laatste memorie benadrukken de verzoekende partijen nog, met betrekking tot de wachttijd, dat er nooit een antwoord werd geformuleerd op hun verwijt dat er geen verduidelijkingen stonden in het strafdossier met betrekking tot de lading doch enkel dat deze lading uit hout bestond, terwijl het gewicht kan verschillen naargelang de vochtigheidsgraad.
Met betrekking tot het verzoek om uitstel, herinneren zij er aan dat artikel 59bis, § 2, van het aslastendecreet een uitzonderingsgeval is en dus op een restrictieve manier dient te worden geïnterpreteerd. Door te motiveren dat het ontbreken van gerechtelijke antecedenten het noodzakelijke minimum is maar niet voldoende om het verlenen van de gunst te rechtvaardigen, voegt de verwerende partij een extra voorwaarde toe, en interpreteert zij de tekst op een extensieve manier, hetgeen niet mag.
Beoordeling
22. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ verplichten de overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen te vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat op een afdoende wijze. Het begrip “afdoende” impliceert dat de opgelegde motivering in rechte en in feite evenredig moet zijn met de ernst van de genomen beslissing. Het belangrijkste doel van de
XII-7996-14/29
verplichting tot uitdrukkelijke motivering is dat de betrokkene in de hem betreffende akte zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan deze werd genomen, zodat hij met kennis van zaken kan uitmaken of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft.
23. De verzoekende partijen maken niet aannemelijk dat in de motivering geen antwoord werd geformuleerd op de conclusies, en evenmin dat het ontoereikend zou zijn. Het feit dat andere beslissingen waarbij voor een gelijkaardige inbreuk een administratieve geldboete werd opgelegd, identieke motieven bevatten met betrekking tot dezelfde grieven, volstaat niet om te besluiten dat de formelemotiveringsplicht werd geschonden.
In de motivering van de bestreden beslissing wordt, na de vermelding van de wettelijke grondslag van de beslissing, een uiteenzetting van de feiten en de vaststelling dat het beroep ontvankelijk is, een antwoord gegeven op de middelen van de eerste verzoekende partij aangaande de “[b]eslissing tot niet vervolgen van het parket”, het gebruik van talen in bestuurszaken (dat uit drie delen bestaat), de vermeende schending van artikel 47bis, § 1, 3°, van het Wetboek van Strafvordering, de motivering van de bestreden beslissing, de schending van het proportionaliteitsbeginsel en het uitstel van tenuitvoerlegging van de administratieve geldboete.
24. In zijn antwoord op de grieven van de eerste verzoekende partij met betrekking tot het uitstel van de tenuitvoerlegging van de administratieve geldboete vermeldt de minister dat op grond van artikel 59bis van het aslastendecreet de wegeninspecteur-controleur of de Vlaamse regering, geheel of gedeeltelijk uitstel van de tenuitvoerlegging van de betaling van de administratieve geldboete kan toekennen. Het uitstel is enkel mogelijk als in de negatieve referteperiode geen andere administratieve geldboete werd opgelegd of er geen strafrechtelijke veroordeling is geweest op grond van dit decreet. Indien de overtreder verzoekt hem geheel of gedeeltelijk uitstel van betaling toe te kennen, moet uit de motivering blijken waarom op dat verzoek niet wordt
XII-7996-15/29
ingegaan. De voorwaarde is wel dat de betrokkene specifieke redenen inroept om in zijn geval geheel of gedeeltelijk uitstel van betaling toe te staan.
Te dezen heeft de eerste verzoekende partij gevraagd om uitstel van de betaling van de administratieve geldboete toe te staan omwille van het feit dat de vrachtwagenbestuurder nog geen veroordeling wegens een inbreuk op het aslastendecreet had opgelopen.
In de bestreden beslissing wordt hierop als volgt geantwoord:
“Appellante is van oordeel dat, gelet op het ontbreken van antecedenten in hoofde van de overtreder, de administratieve geldboete (voor een deel)
met uitstel moet worden opgelegd;
Overeenkomstig artikel 59bis, § 2, van het decreet kan het geheel of gedeeltelijk uitstel van de betaling van de administratieve geldboete enkel worden toegestaan als in de negatieve referteperiode geen andere administratieve geldboete werd opgelegd aan de overtreder of er geen strafrechtelijke veroordeling is geweest op basis van dit decreet;
Uit die bepaling blijkt dat het ontbreken van antecedenten die in het voorafgaand jaar tot een administratieve geldboete of veroordeling hebben geleid een absolute minimumvoorwaarde is om uitstel van betaling van de administratieve geldboete te kunnen verkrijgen;
Het ontbreken van antecedenten kan dan ook op zich niet volstaan om uitstel van betaling te verkrijgen. Er anders over oordelen zou er immers op neerkomen dat aan eenieder die aan de minimumvoorwaarde voldoet uitstel van betaling zou moeten worden toegekend;
Aangezien door appellante geen specifieke redenen worden aangevoerd om uitstel van betaling toe te staan, kan niet op verzoek van de appellante worden ingegaan en blijft de administratieve geldboete bepaald op het decretaal bepaalde minimum.”
Aldus wordt op afdoende wijze gemotiveerd waarom niet op het verzoek tot uitstel van de betaling van de administratieve geldboete wordt ingegaan. Blijkens de bestreden beslissing is de eerste verzoekende partij er niet in geslaagd specifieke redenen aan te tonen om haar uitstel van betaling toe te staan, gezien “[h]et ontbreken van antecedenten […] op zich niet [kan] volstaan om uitstel van betaling te verkrijgen”.
XII-7996-16/29
Deze motivering is ook materieel juist, en in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen in hun laatste memorie betogen, voegt de verwerende partij geen extra voorwaarde toe die niet zou zijn geoorloofd bij toepassing van het voormelde artikel 59bis, § 2. De omstandigheid dat in de negatieve referteperiode geen andere administratieve geldboete werd opgelegd of er geen strafrechtelijke veroordeling is geweest op grond van dit decreet, verleent niet automatisch het recht op de toekenning van uitstel. Dit is wel een voorwaarde, gesteld door het voormelde artikel, maar uitstel kan maar worden verleend, zoals de bestreden beslissing terecht opmerkt, wanneer specifieke omstandigheden worden aangetoond die daartoe kunnen doen besluiten.
25. De verzoekende partijen voeren voorts aan dat in de bestreden beslissing ten onrechte niet wordt geantwoord op het argument dat er geen wachttijd werd toegekend om het voertuig stabiel te laten worden. De formelemotiveringsplicht impliceert echter niet dat de overheid ertoe is gehouden om op elk aangevoerd argument afzonderlijk te antwoorden. Het volstaat dat uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt dat de aangevoerde argumenten in de besluitvorming werden betrokken en dat uit de motivering ervan kan worden afgeleid waarom deze argumenten niet werden aangenomen. De formelemotiveringsplicht vergt wel dat de minister in de beslissing na het instellen van het georganiseerd administratief beroep ingaat op argumenten die dermate wezenlijk zijn dat zij de motieven waarop de beslissing steunt, ontkrachten of minstens in een ander perspectief plaatsen. In de bestreden beslissing wordt verwezen naar de materiële vaststellingen van de overlading. Uit de materiële vaststellingen opgenomen in het proces-verbaal van 4 december 2012 blijkt dat de oplegger geladen was met gestapeld hout. In hun memorie van wederantwoord wijzen de verzoekende partijen erop dat het gaat om boomstammen. Anders dan bijvoorbeeld het geval zou kunnen zijn met vloeistoffen die in een tankwagen worden vervoerd, kan bezwaarlijk worden verondersteld dat bij het wegen van een voertuig geladen met boomstammen moet worden gewacht tot de lading stabiel is. Immers, “Omzendbrief MOW
2012/1” bepaalt onder punt B dat “[b]ij controles van voertuigen geladen met
XII-7996-17/29
goederen die mogelijks onderhevig zijn aan verschuivingen tijdens het transport en die, zonder enige tussenkomst, zichzelf terug stabiliseren (bijvoorbeeld vloeibare ladingen in tankwagens, zand, cement), […] de wegeninspecteur de chauffeur steeds de kans [dient] te geven om de lading eerst te laten stabiliseren alvorens over te gaan tot de weging (bijvoorbeeld door een ‘rustpauze’ van 5 à 10
minuten in acht te nemen tussen de afleiding en de weging). De wegeninspecteur dient er evenwel op toe te zien dat de chauffeur zelf geen handelingen verricht om de lading te herschikken voor de weging”. Er valt te dezen niet in te zien hoe gestapelde boomstammen, voor zover die zouden zijn verschoven, zonder handelingen van de chauffeur, na verloop van tijd zichzelf opnieuw zouden verdelen over de assen. Evenmin valt in te zien hoe de “vochtigheidsgraad” van de gestapelde boomstammen een invloed heeft op de stabiliteit van de lading. Er blijkt overigens niet dat de vrachtwagenbestuurder hierover bij de vaststelling van de overlading opmerkingen heeft gemaakt. Bijgevolg gaat het niet om een argument dat dermate wezenlijk is dat het de motieven waarop de beslissing steunt, ontkracht of minstens in een ander perspectief plaatst. De verzoekende partijen tonen dan ook niet aan dat de formelemotiveringsplicht zou zijn geschonden doordat in de bestreden beslissing geen uitdrukkelijke bespreking van dit argument werd opgenomen.
Het vierde middel is niet gegrond.
E. Vijfde middel
Uiteenzetting van het middel
26. In een vijfde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van het proportionaliteitsbeginsel, doordat voor de overlading een administratieve geldboete van 4.500 euro wordt opgelegd, terwijl dergelijke inbreuken volgens de wet van 21 juni 1985 ‘betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig voor vervoer te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen’ met een geldboete van “10 tot 10000
XII-7996-18/29
BEF” worden bestraft. Zij verwijzen naar een vonnis van de politierechtbank te Luik waarbij voor een duidelijk zwaardere overlading een lagere geldboete werd opgelegd. Bovendien heeft het Hof van Justitie in een arrest van 9 februari 2012
in de zaak Márton Urbán t. Vám- és Pénzügyőrség Észak-alföldi Regionális Parancsnoksága (C-210/10) geoordeeld dat sancties in verhouding moeten staan tot de feiten en effectief, ontradend en niet discriminerend moeten zijn. De verwerende partij heeft in de bestreden beslissing ten onrechte aangevoerd dat deze kritiek niet gericht is tegen de beslissing maar tegen het decreet. Zij verliest daarbij immers uit het oog dat zij de mogelijkheid heeft om geheel of gedeeltelijk uitstel toe te staan. De verzoekende partijen hebben in hun conclusies in eerste aanleg en in beroep uitdrukkelijk gevraagd om uitstel te verlenen, maar de verwerende partij heeft niet eens de moeite gedaan om daarop te antwoorden.
27. In de memorie van wederantwoord verwijzen de verzoekende partijen nog bijkomend naar een vonnis van de politierechtbank van Halle van 26 mei 2014 waarbij een vennootschap werd veroordeeld voor een overlading van een voertuig tot een boete van 50 euro, verhoogd met de opdeciemen tot 300 euro, wat 15 keer minder is dan de boete die door de verwerende partij aan de verzoekende partijen werd opgelegd. Zij betogen dat er een ongelijkheid bestaat al naargelang het dossier al dan niet wordt geseponeerd door het parket en er aldus een administratieve dan wel een rechterlijke behandeling volgt. Voorts zou de verwerende partij in de bestreden beslissing verwarring hebben gezaaid tussen de vrachtwagenbestuurder en de werkgever door niet aan te tonen dat de werkgever het voorwerp zou hebben uitgemaakt van vroegere veroordelingen voor gelijkaardige feiten. De verwerende partij verliest ook uit het oog dat het dossier geen enkel element bevat dat het mogelijk maakt om de gerechtelijke antecedenten van de vrachtwagenbestuurder of van de vennootschap na te gaan.
Zij verwijzen hierbij naar artikel 195, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
XII-7996-19/29
28. In de laatste memorie merken de verzoekende partijen nog op dat in onderhavig geval dient te worden vastgesteld dat de bestreden beslissing hen veroordeelt noch tot het minimumbedrag noch tot het maximumbedrag, maar wel een willekeurig bedrag vastlegt zonder te rechtvaardigen hoe deze boete werd berekend. Zij menen dat de tegenpartij het proportionaliteitsbeginsel perfect had kunnen eerbiedigen door hen te veroordelen tot het minimumbedrag. De tegenpartij rechtvaardigt niet waarom zij voor die boete gekozen heeft, terwijl zij beschikt over een vork van straf gaande van een minimumbedrag tot een maximumbedrag. De verzoekende partijen betwisten dus wel degelijk de manier waarop de bestreden beslissing het decreet toepast, en niet het decreet op zich.
Beoordeling
29. Artikel 59, § 2, eerste lid, van het aslastendecreet bepaalt dat het tarief van de administratieve geldboete gelijk is aan de minimum geldboete overeenkomstig de overlading, zoals bepaald in artikel 57, verhoogd met de opdeciemen.
De overlading bedroeg op de tweede as van de trekker van de vrachtwagen 4.670 kg. Artikel 57 van het aslastendecreet stelt de minimum geldboete bij een overlading met 3.000 kg en meer vast op 750 euro. Verhoogd met de opdeciemen brengt dit de administratieve geldboete op 4.500 euro.
30. Het komt de Raad van State niet toe de proportionaliteit van het bedrag van de administratieve geldboete dat in het aslastendecreet is vastgelegd te beoordelen, vermits dit een kritiek op de inhoud van het aslastendecreet uitmaakt. Wel dient hij, wanneer hij daartoe wordt verzocht, te beoordelen of er een evenredigheidsverband bestaat tussen de gesanctioneerde gedraging en de opgelegde administratieve sanctie. Te dezen werd de minimum geldboete opgelegd, waarbij de minister geen lager bedrag mag opleggen, tenzij er verzachtende omstandigheden zijn.
XII-7996-20/29
De verzoekende partijen beweren ten onrechte in de laatste memorie dat de verwerende partij niet het minimumbedrag van de geldboete zou hebben opgelegd. Het decretaal vastgestelde minimumbedrag voor een overlading vanaf 3.000 kg bedraagt 750 euro, te vermeerderen met de opdeciemen die op dat moment een vermenigvuldiging met de factor 6 inhielden, zodat het minimale bedrag dus 4.500 euro bedraagt.
31. Artikel 59, § 2, tweede lid, van het aslastendecreet bepaalt dat als er verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, de wegeninspecteur-
controleur of de Vlaamse regering, na de overtreder en in voorkomend geval de onderneming te hebben gehoord, een administratieve geldboete onder de voormelde minimumbedragen mag opleggen. De verzoekende partijen geven in hun middel niet aan met welke verzachtende omstandigheden in de voorliggende zaak rekening diende te worden gehouden. Op grond van artikel 59bis van het aslastendecreet kan de wegeninspecteur-controleur of de Vlaamse regering voorts, na de overtreder en in voorkomend geval de onderneming te hebben gehoord, geheel of gedeeltelijk uitstel van de tenuitvoerlegging van de betaling van de administratieve geldboete toekennen. Het uitstel is enkel mogelijk als in de negatieve referteperiode geen andere administratieve geldboete werd opgelegd of er geen strafrechtelijke veroordeling is geweest op grond van dit decreet. Zoals bij de beoordeling van het vierde middel reeds is gewezen, heeft de eerste verzoekende partij zowel in eerste aanleg als in beroep in subsidiaire orde gevraagd om uitstel van betaling van de administratieve geldboete te verlenen, doch heeft zij geen specifieke redenen aangevoerd om die gunst te kunnen toestaan. Nu geen specifieke redenen worden aangevoerd om uitstel van betaling te verkrijgen, diende de verwerende partij niet na te gaan of de voorwaarde daartoe dat geen veroordeling door het Vlaamse Gewest werd uitgesproken gedurende de referteperiode, al dan niet was vervuld. Zij hoefde dan ook niet te bewijzen dat één van de verzoekende partijen wel reeds geconfronteerd zou zijn geweest met een veroordeling. Bovendien lijkt de overtreder zelf het beste geplaatst om te weten of hij of de onderneming waarvoor hij werkt, reeds het voorwerp hebben uitgemaakt van andere definitief geworden veroordelingen. In
XII-7996-21/29
die omstandigheden was de verwerende partij niet verplicht om op het verzoek tot uitstel in te gaan.
Het vijfde middel wordt verworpen.
F. Zesde middel
32. In een zesde middel voeren de verzoekende partijen aan dat de rechten van verdediging werden geschonden.
Zij voeren, samengevat, in dat verband de volgende grieven aan:
- Op grond van het vermoeden van onschuld moet de verwerende partij het bestaan van de inbreuk bewijzen, zowel wat de morele component als wat de materiële component betreft. Wanneer de beklaagde een geloofwaardige rechtvaardigingsgrond aanbrengt, dient de verwerende partij de onjuistheid hiervan te bewijzen. Nochtans heeft de verwerende partij te dezen op geen enkele wijze geantwoord op de argumenten van de verzoekende partijen.
Hoewel het materieel element van de inbreuk niet werd betwist, kunnen er vragen worden gesteld bij het feit of de verzoekende partijen wisten of het een overtreding betrof. Te dezen blijkt niet dat de vrachtwagenbestuurder of de onderneming over middelen beschikten om het gewicht van de lading na te gaan en dat zij op de hoogte waren van de overlading. De aard van de vervoerde goederen heeft ook zijn invloed op het feit of de vrachtwagen-
bestuurder op de hoogte kan zijn van een overschrijding van de massa aan de wielas. Boomstammen kunnen immers zwaarder zijn tijdens het vervoer als ze nat zijn geweest dan wanneer ze droog zijn.
- De overtreding is niet bewezen, aangezien niet vaststaat dat de gebruikte asdrukweger behoorlijk functioneerde en meer dan een jaar voor de feiten werd getest. Bovendien is het niet aangetoond dat de weegbon afkomstig is van het toestel dat door de verbalisanten werd gebruikt. De verbalisanten die optreden voor de verwerende partij vallen niet onder toepassing van artikel 62
XII-7996-22/29
van de wet van 16 maart 1968 en hun vaststellingen hebben dus geen bijzondere bewijswaarde.
- De eerste verzoekende partij kan niet burgerlijk aansprakelijk worden gesteld voor een inbreuk waarvoor er geen bewijs is van seponering en waarvoor het parket ook nog geen enkele vervolging heeft ingesteld.
- Het vermoeden van wegdekbeschadiging schendt het vermoeden van onschuld, dat gewaarborgd wordt door artikel 6.2 EVRM en artikel 14.2 van het Internationaal Verdrag van 19 december 1966 ‘inzake burgerlijke en politieke rechten’ (hierna: BUPO-Verdrag).
- De verwerende partij is niet ingegaan op de vraag van de verzoekende partijen om in aanmerking te komen voor uitstel, zonder dat hierover enige uitleg wordt verstrekt.
33. In de memorie van wederantwoord stellen de verzoekende partijen nog bijkomend dat uit het dossier ook niet blijkt dat bij de weging van het voertuig voldoende tijd werd gelaten om de lading stabiel te laten worden, zoals door een recente richtlijn van het Vlaamse Gewest wordt voorgeschreven.
Voorts menen de verzoekende partijen dat de verwerende partij dient aan te tonen dat het de overlading is die het wegdek beschadigt en niet de staat van het wegdek die zorgt voor verplaatsing van de lading op de wielassen.
Betreffende de vraag tot uitstel, merken de verzoekende partijen nog op dat het dossier geen enkel element bevat dat de weigering van de gunst van het uitstel zou kunnen rechtvaardigen.
34. In de laatste memorie merken de verzoekende partijen nog op dat hoewel kan worden aangenomen dat een beroepschauffeur een overlading van zijn voertuig kan vaststellen, dit uiteraard niet hetzelfde is voor een overlading aan de wielas die “zelfs de meest vlijtige chauffeur enkel zou kunnen vaststellen via een weging van het voertuig”. Zij menen dan ook dat een extensieve toepassing van het arrest van het Hof van Cassatie van 2 november 2004
XII-7996-23/29
betreffende de schending van de artikelen 18, §§ 1 en 2, en 26 van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 ‘houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto’s, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen’ (hierna: het Technisch Reglement) op de overladingen aan de wielassen, strijdig is met het principe van de strikte interpretatie van de strafwet.
Wat de vaststelling van het materiële element van de overtreding betreft, verwijzen zij voorts nog naar rechtspraak van de correctionele rechtbanken, die gesteld heeft dat het gewest – de vervolgende partij – ertoe gehouden is om de werkelijkheid van de overtreding aan te tonen.
Zij verwijzen meer bepaald naar een vonnis van de correctionele rechtbank van Namen van 4 maart 2015, waarin werd vastgesteld dat het feit dat men niet kan bewijzen dat de wegingsbon wel degelijk afkomstig was van het toestel dat werd gebruikt door de verbalisanten, de volledige rechtspleging met onregelmatigheid bezoedelde; deze beslissing werd overigens bevestigd door het Hof van Cassatie.
De verzoekende partijen voegen deze twee beslissingen toe en benadrukken dat ze gewezen werden na het indienen van het huidig beroep.
Beoordeling
35. De verzoekende partijen betwisten in hun eerste grief in hoofdzaak het bestaan van het morele bestanddeel van het misdrijf.
In verband met het morele bestanddeel van een misdrijf heeft het Hof van Cassatie in een arrest van 8 oktober 2002 (AR P.01.1149.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021008.14 ) gewezen dat wanneer de wet van de delictsomschrijving geen schuldvorm vermeldt, de rechter de schuld kan afleiden uit het materiële feit van de overtreding, voor zover de overtreder geen “grond van rechtvaardiging” of “schulduitsluitings-
grond” aannemelijk maakt.
XII-7996-24/29
In een arrest van 2 november 2004 (AR P.04.0767.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041102.8 ) heeft het Hof van Cassatie met betrekking tot de misdrijven bedoeld in de artikelen 18, §§ 1 en 2, en 26 van het Technisch Reglement gewezen:
“dat die bepalingen inhouden dat eenieder die een voertuig gebruikt, zich ervan moet vergewissen dat het gewicht in beladen toestand ervan niet meer bedraagt dan het hoogst toegelaten gewicht, ook al heeft hij zelf het voertuig niet geladen; dat het verzuim daaraan te voldoen het opzet of de schuldige nalatigheid kan uitmaken vereist opdat het morele bestanddeel van het misdrijf zou bestaan.”
De verzoekende partijen tonen niet aan op welke wijze de omstandigheid dat de vrachtwagenbestuurder niet op de hoogte was van de overlading en over geen middelen beschikte om het gewicht van het voertuig te controleren, omstandigheden zijn waardoor deze of de betrokken onderneming geen enkel verwijt zou treffen noch kunnen ze worden aangemerkt als onoverkomelijk. Zelfs wanneer externe variabelen zoals regen of vochtigheid, het gewicht van de lading zouden beïnvloeden, dan nog is er geen sprake van een onoverkomelijke dwaling of overmacht in hoofde van de verzoekende partijen.
Zeker als professionele vrachtwagenbestuurder en vervoerder dienden de verzoekende partijen zich hiervan bewust te zijn. De verzoekende partijen tonen niet aan dat de voormelde rechtspraak van het Hof van Cassatie, die de Raad van State bijvalt, te dezen niet van toepassing zou zijn. De decreetgever heeft geen onvoorziene omstandigheid strafbaar gesteld noch een situatie gedefinieerd in vage termen, maar wel het precies becijferde resultaat van een gedraging, namelijk het beschadigen van het wegdek door zich met een voertuig op de openbare weg te bevinden waarvan de massa op de grond onder één van de assen het bij de goedkeuring vastgestelde maximum met meer dan 5 procent overschrijdt. Er wordt dus zelfs een marge toegelaten die de invloed van de voormelde variabelen kan opvangen.
36. De tweede grief betreft het materiële bestanddeel van het misdrijf. Volgens de verzoekende partijen is het niet zeker of de asweger op een correcte manier werkte en aan alle ijkingscriteria voldeed, en zou het niet
XII-7996-25/29
mogelijk zijn om aan de hand van het strafdossier te achterhalen of de weegbon afkomstig is van het toestel dat door de verbalisanten gebruikt werd.
Het proces-verbaal van 4 december 2012 van de wegen-
inspecteurs vermeldt onder meer dat “[d]e weging […] op de daartoe voorziene weegbrug [geschiedde], geïnstalleerd door de Vlaamse overheid, langsheen de op- en afrit van de autosnelweg E40 te Wetteren” en dat “[d]e asweger met digitaal aanwijzend weegapparaat, merk Central Weighing Ltd., type Supaweigh II en serienummer 005520, […] door de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie, Afdeling Metrologie van de Algemene Directie Kwaliteit en Veiligheid op zijn juistheid [werd] getest op 18-10-2011”.
Uit het proces-verbaal blijkt derhalve dat de weger op 18 oktober 2011, dit is minder dan twee jaar voor de vaststelling van de overlading van het voertuig, door de bevoegde metrologische dienst op zijn juistheid werd getest. Het ijkingscertificaat van 18 oktober 2011 werd ook bij het administratief dossier gevoegd als stuk 14. De verzoekende partijen maken niet duidelijk aan welke voorschriften inzake ijking niet zou zijn voldaan. Er is dan ook geen objectieve reden om de juistheid van de uitgevoerde weging in twijfel te trekken.
Bovendien is er geen enkele reden om aan te nemen dat de weegbon die als bijlage 1 bij het proces-verbaal is gevoegd, niet afkomstig zou zijn van het toestel waarvan de verbalisanten hebben gebruikgemaakt. In het proces-verbaal wordt duidelijk verwezen naar de vaststellingen die werden gedaan op grond van de bijgevoegde weegbon. Op grond van artikel 62, § 2, van het op het moment van de vaststelling van de overtreding toepasselijke aslastendecreet, hebben de betrokken wegeninspecteurs de bevoegdheid om inbreuken op artikel 56 van het voormelde decreet vast te stellen bij proces-
verbaal met bewijswaarde tot bewijs van het tegendeel. De verzoekende partijen brengen geen enkel element aan dat doet twijfelen aan het feit dat de weegbon afkomstig is van het in het proces-verbaal vermelde weegtoestel. Zij betwisten
XII-7996-26/29
trouwens niet concreet de gegevens van het proces-verbaal noch van de weegbon, doch beperken zich ertoe hun betrouwbaarheid op algemene wijze te bekritiseren.
Overigens hebben zij geen klacht voor valsheid in geschrifte ingediend.
Voor zover de verzoekende partijen in de laatste memorie verwijzen naar een vonnis van de correctionele rechtbank te Namen van 4 maart 2015, blijkt dat in dat vonnis ook wordt overwogen dat de termijn om het proces-
verbaal over te maken aan het parket was overschreden, wat volgens de correctionele rechter afbreuk doet aan de bewijswaarde van het betreffende proces-verbaal. De verzoekende partijen tonen niet aan dat dit te dezen ook het geval is. Vervolgens wordt in het vonnis ook geoordeeld dat de inbreuk niet kan worden aangerekend aan de vrachtwagenbestuurder nu deze een ondergeschikte band heeft met zijn werkgever. Al deze elementen samen brengen de correctionele rechter er toe de beslissing tot het opleggen van de administratieve sanctie nietig te verklaren. In het cassatiearrest waar de verzoekende partijen ook nog naar verwijzen wordt het door de correctionele rechter ingenomen standpunt geenszins bevestigd, aangezien het cassatieberoep onontvankelijk wordt verklaard bij gebreke aan betekening van de cassatievoorziening aan de verwerende partij in cassatie.
De verzoekende partijen verwijzen bovendien ten onrechte in hun memorie van wederantwoord naar de omzendbrief MOW 2012/1 van 9 juli 2012 om te stellen dat bij het wegen van het voertuig een wachttijd moest worden in acht genomen om de lading stabiel te laten worden. Zoals uit de bij de bespreking van het vierde middel aangehaalde motivering van de bestreden beslissing blijkt, heeft de verwerende partij wettig geoordeeld dat er te dezen geen reden was om bij de controle van het voertuig een wachttijd in acht te nemen om de lading stabiel te laten worden. De verzoekende partijen tonen immers niet aan dat, gelet op de aard van de vervoerde goederen, met het wegen moest worden gewacht tot de lading uit zichzelf gestabiliseerd was. Hiervoor kan worden verwezen naar hetgeen reeds onder randnummer 25 werd besproken.
XII-7996-27/29
37. De verzoekende partijen beweren in een derde grief ten onrechte dat de eerste verzoekende partij niet burgerrechtelijk aansprakelijk zou mogen worden gesteld voor de handelingen van de vrachtwagenbestuurder omdat tegen laatstgenoemde geen strafvervolging werd ingesteld en er ook geen bewijs voorligt van seponering. Wat deze laatste grief betreft, kan worden verwezen naar de verwerping ervan bij de beoordeling van het tweede middel. Uit het dossier blijkt op afdoende wijze dat de procureur des Konings heeft beslist de overtreder te dezen niet te vervolgen. Bijgevolg mocht de wegeninspecteur-controleur een administratieve geldboete opleggen aan de vrachtwagenbestuurder.
Artikel 59, § 5, van het aslastendecreet bepaalt vervolgens dat de onderneming burgerrechtelijk aansprakelijk is voor de betaling van de administratieve geldboete opgelegd aan de personen voor wie ze overeenkomstig artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek aansprakelijk is.
38. De verzoekende partijen voeren in een vierde grief aan dat het vermoeden van onschuld wordt miskend, doordat wordt vermoed dat de overlading schade aan het wegdek heeft veroorzaakt. Die grief betreft in essentie de onverenigbaarheid van artikel 56 van het aslastendecreet met artikel 6.2
EVRM en artikel 14.2 van het BUPO-Verdrag.
De Raad van State heeft deze grief reeds meermaals beoordeeld en verworpen. Zoals onder meer in het meervermelde arrest nr. 236.433 van 17 november 2016, verwees hij daarbij naar het arrest nr. 61/2010 van 27 mei 2010 van het Grondwettelijk Hof waarbij het Hof de door de Raad van State daarover gestelde prejudiciële vraag ontkennend beantwoordde. Verwijzende onder meer naar “wetenschappelijke studies waaruit blijkt dat die wegbeschadiging in hoofdzaak voortvloeit uit de overlading op een as”, oordeelt het Hof dat artikel 56 van het aslastendecreet, in zoverre deze bepaling uitgaat van een weerlegbaar vermoeden van wegdekbeschadiging, aldus geen schending inhoudt van het door artikel 6.2 EVRM en artikel 14.2 van het BUPO-Verdrag gewaarborgd vermoeden van onschuld.
XII-7996-28/29
39. Wat ten slotte de vijfde grief betreft dat aan de verzoekende partijen geen uitstel van de betaling van de administratieve geldboete werd toegestaan, wordt verwezen naar de beoordeling van het vierde en het vijfde middel. Zoals hiervoor reeds werd geoordeeld, heeft de verwerende partij wettig geoordeeld dat geen uitstel van betaling van de administratieve geldboete moest worden verleend, aangezien door de verzoekende partijen geen specifieke redenen werden aangevoerd om uitstel te verkrijgen.
40. Het zesde middel wordt verworpen.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 350 euro, elk voor de helft.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 12 september 2017, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit:
Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier.
De griffier De voorzitter
Greta Scheveneels Dierk Verbiest
XII-7996-29/29
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.054