Court remands case to Constitutional Court to determine if Article 207 of the Civil Security Law violates Constitutional equality principles.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State declared the contested administrative decision admissible and remitted the case to the Constitutional Court for a preliminary ruling. The applicant argued that merging fire stations resulted in unequal treatment and disproportionate financial burdens for personnel retaining old regulations under Article 207 of the Civil Security Law. The court found the complaint sufficiently serious to warrant a constitutional interpretation of whether this article violates Articles 10 and 11 of the Constitution regarding equal treatment.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 10 and 11 of the Constitution; Article 207 of the Law of 15 May 2007 on Civil Security: The Council of State must refer a question to the Constitutional Court when a legislative provision potentially violates constitutional equality principles, even if the Court of Justice has not yet ruled on the clear violation.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
Xe KAMER
nr. 239.048 van 12 september 2017
in de zaak A. 217.652/X-16.416.
In zake : de HULPVERLENINGSZONE OOST
VLAAMS-BRABANT
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bert Beelen kantoor houdend te 3000 Leuven Justus Lipsiusstraat 24
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten David D’Hooghe en Leopold Schellekens kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 20 november 2015, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de minister van Binnenlandse Zaken van 23 september 2015 ‘tot vernietiging van beraadslaging punt 4 van de zoneraad van 18 maart 2015 van de hulpverleningszone Vlaams-Brabant Oost’.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Auditeur Iris verheven heeft een verslag opgesteld.
X-16.416-1/13
De verzoekende partij en de verwerende partij hebben laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 mei 2017.
Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Thomas Beelen, die loco advocaat Bert Beelen verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Leopold Schellekens, die loco advocaat David D’Hooghe verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Auditeur Iris Verheven heeft een advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Juridisch kader en feiten
3. Artikel 14 van de wet van 15 mei 2007 ‘betreffende de civiele veiligheid’ (hierna: de wet van 15 mei 2007) schrijft voor dat het grondgebied van het Rijk verdeeld wordt in hulpverleningszones, zones genoemd. De gemeentelijke brandweerdiensten worden in de zones geïntegreerd.
Overeenkomstig artikel 207 van de wet van 15 mei 2007 kan het gemeentepersoneel dat personeel wordt van de hulpverleningszone beslissen om onderworpen te blijven aan de wetten en reglementen die van toepassing zijn op het gemeentepersoneel. Artikel 48, § 1, van het koninklijk besluit van 19 april 2014 ‘houdende bezoldigingsregeling van het operationeel personeel van de hulpverleningszones’ (hierna: het koninklijk besluit van 19 april 2014) schrijft voor dat het personeelslid dat van die mogelijkheid gebruik maakt, persoonlijk de reglementaire bepalingen blijft genieten die op hem van toepassing waren wat de
X-16.416-2/13
geldelijke bepalingen en de sociale voorwaarden betreft, zo lang deze situatie aanhoudt.
4. Sinds 1 januari 2015 zijn onder meer de brandweerposten Leuven en Tienen samengevoegd in de hulpverleningszone Oost Vlaams-
Brabant.
Omdat de vergoedingen voor onregelmatige prestaties voor het operationeel beroepspersoneel in de onderscheiden posten verschillend was, dringt zich volgens de zoneraad van de verzoekende partij een verduidelijking op “om onrechtvaardige situaties te vermijden voor het personeel dat kiest voor het behoud van het oud geldelijk statuut”. Daarom beslist de zoneraad op 18 maart 2015 onder punt 4 over een “aanvulling” met betrekking tot de “[i]nvulling” van de bepalingen van het koninklijk besluit van 19 april 2014.
Onder de rubriek “Argumentatie” wordt uiteengezet wat volgt:
“Voor het operationeel beroepsbrandweerpersoneel van de post Leuven werd, voor de berekening van de vergoedingen voor onregelmatige prestaties op zaterdagen, zondagen en feestdagen, het aantal effectief gepresteerde uren vermenigvuldigd met een herleidingsbreuk met in de teller 38 en in de noemer de gemiddelde wekelijkse arbeidstijd. Voor de graden brandweerman, korporaal, sergeant en adjudant was deze breuk in 2014 38/51,54; voor de graad luitenant was deze breuk in 2014 38/42,92 en voor de graad kapitein was deze breuk in 2014 38/38.
Voor het operationeel beroepsbrandweerpersoneel van de post Tienen werd de vergoeding voor onregelmatige prestaties op nachten, zaterdagen, zondagen en feestdagen berekend op basis van het gemiddeld aantal uren dat gepresteerd wordt op nachten, zaterdagen, zon- en feestdagen, wat resulteert in een vaste maandelijkse vergoeding voor onregelmatige prestaties (behoudens afwezigheden andere dan verlof: zoals ziekte,...). Het achterliggend principe van deze vergoeding is ook duidelijk in functie van de gemiddelde wekelijkse arbeidstijd.
Zowel in Tienen als in Leuven was de gemiddelde wekelijkse arbeidstijd in 2014 meer dan 48 u/week. In beide posten is in 2015 een gemiddelde wekelijkse arbeidstijd van 48u/week van toepassing en wordt in 2016
overgeschakeld op een gemiddelde wekelijkse arbeidstijd van 38u/week.
Indien voor de post Leuven de herleidingsbreuk niet zou aangepast worden aan de gewijzigde arbeidstijd en indien in de post Tienen het gemiddeld aantal uren voor de berekening van de vergoeding voor onregelmatige prestaties niet zou aangepast worden aan de gewijzigde
X-16.416-3/13
arbeidstijd, zou dit leiden tot een onaanvaardbare en onrechtvaardige situatie.
Artikel 48 van het Koninklijk Besluit van 19 april 2014 houdende bezoldigingsregeling van het operationeel personeel van de hulpverleningszones, handelt onder andere over het behoud van de reglementaire bepalingen wat de geldelijke bepalingen en de sociale voordelen betreft. Daar zowel uit de reglementaire bepalingen van toepassing in Leuven als in Tienen een zeer duidelijk verband blijkt tussen de gemiddelde wekelijkse arbeidstijd en de berekening van de vergoeding voor onregelmatige prestaties, dient de gewijzigde gemiddelde wekelijkse arbeidstijd als factor gebruikt te worden voor het personeel van Tienen en Leuven, dat kiest voor het behoud van het oud geldelijk statuut.”
Besloten wordt vervolgens:
“Artikel 2:
Voor het personeelslid dat gebruik maakt van de mogelijkheid, vermeld in artikel 207 van de wet van 15 mei 2007, dient voor de berekening van de vergoeding voor onregelmatige prestaties, in de reglementaire bepalingen daaromtrent, de reële gemiddelde wekelijkse arbeidstijd gebruikt te worden.
Artikel 3:
Voor de personeelsleden die kiezen voor het behoud van het oud geldelijk statuut in de post Leuven betekent dit een aanpassing van de herleidingsbreuk voor de berekening van de onregelmatige prestaties op zaterdagen, zondagen en feestdagen voor het jaar 2015 volgens een gemiddelde wekelijkse arbeidstijd van 48u/week en vanaf 2016 volgens een gemiddelde wekelijkse arbeidstijd van 38u/week.
Artikel 4:
Voor de personeelsleden die kiezen voor het behoud van het oud geldelijk statuut in de post Tienen betekent dit een aanpassing van het vast bedrag voor de onregelmatige prestaties op nachten, zaterdagen, zondagen en feestdagen voor het jaar 2015 volgens een gemiddelde wekelijkse arbeidstijd van 48u/week en vanaf 2016 volgens een gemiddelde wekelijkse arbeidstijd van 38u/week.”
De betrokken beraadslaging van 18 maart 2015 over punt 4
wordt op 23 september 2015 in het kader van het algemeen specifiek administratief toezicht bedoeld in artikel 126 van de wet van 15 mei 2007
vernietigd door de minister van Binnenlandse Zaken. Overwogen wordt:
“Overwegende dat beraadslaging punt 4 van de zoneraad van 24/03/2015 [lees: 18/03/2015] strijdig is met artikel 48, §1, van het KB van 19 april 2014 houdende bezoldigingsregeling van het operationeel personeel van de hulpverleningszones;
Overwegende dat het personeelslid inderdaad kan gebruik maken van de mogelijkheid vermeld in artikel 48, §1, om de reglementaire bepalingen te genieten uit zijn oude geldelijke statuut. Wanneer wordt gekozen voor het
X-16.416-4/13
oude geldelijke statuut, wordt echter gekozen voor het volledige statuut zoals het gold op het moment vlak vóór de overgang naar de hulpverleningszone. Er kunnen dus geen aanpassingen gebeuren in functie van het aantal uren dat personeelsleden werken. Er werd bijkomend niet aangetoond dat dit op die manier was voorzien in het oude statuut, noch in dat van Leuven, noch in dat van Tienen.”
IV. Onderzoek van het enige middel
Standpunt van de partijen
5. De verzoekende partij leidt het middel af “uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, artikel 48, § 1 van het KB van 19 april 2014 houdende bezoldigingsregeling van het operationeel personeel van de hulpverleningszone en van de materiële motiveringsplicht als beginsel van behoorlijk bestuur”.
In de eerste plaats betoogt de verzoekende partij dat de minister artikel 48, § 1, van het koninklijk besluit van 19 april 2014 interpreteert op een wijze die strijdig is met de tekst van de bepaling en daardoor een ongelijke behandeling creëert tussen de personeelsleden van de verzoekende partij, die niet gebaseerd is op pertinente criteria en die onevenredige gevolgen heeft.
Het artikel 48, § 1, bepaalt volgens de verzoekende partij niet dat er bij de toepassing van de reglementaire bepalingen die op het personeelslid van toepassing waren vóór de overgang naar de hulpverleningszone, geen rekening kan worden gehouden met de gewijzigde arbeidstijd. De toepassing van de reglementaire bepalingen van de stad Leuven en de stad Tienen op de personeelsleden die overgingen naar de hulpverleningszone veronderstelt dat de juiste arbeidstijd wordt toegepast op de erin vervatte berekeningswijze.
De interpretatie van de minister leidt tot een zeer grote benadeling voor het personeel dat van de stad Leuven overging naar de hulpverleningszone, terwijl ze voor het personeel dat van de stad Tienen overging naar de hulpverleningszone leidt tot een zeer grote bevoordeling. De ongelijke
X-16.416-5/13
behandeling van de personeelsleden is niet gebaseerd op pertinente criteria: “noch het feit dat een personeelslid overkwam van de stad Leuven, dan wel van de stad Tienen, noch het feit dat er in Leuven gewerkt werd met een herleidingsbreuk doch in Tienen met een vaste forfaitaire vergoeding zijn pertinente criteria om het ene personeelslid zwaar te benadelen opzichtens de regeling die voor de overgang naar de hulpverleningszone op hem van toepassing was en het andere personeelslid dan weer zwaar te bevoordelen”. Het onderscheid heeft onevenredig zware financiële gevolgen die niet redelijk verantwoord zijn.
Ingeval de minister in het bestreden besluit artikel 48, § 1, van het koninklijk besluit van 19 april 2014 toch correct geïnterpreteerd zou hebben, dan schendt minstens het artikel zelf de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. In dat geval moet volgens de verzoekende partij worden vastgesteld dat het bestreden besluit “enkel gebaseerd is op een nietige rechtsgrond”.
Voor zoveel, ten slotte, de ongelijkheid uit artikel 207 van de wet van 15 mei 2007 zou voortvloeien is er reden om hieromtrent het Grondwettelijk Hof prejudicieel te ondervragen.
6. De verwerende partij repliceert in de memorie van antwoord dat de beslissing van de zoneraad van 18 maart 2015 wel degelijk het vóór 1 januari 2015 bestaande geldelijk statuut wijzigt. De bewoordingen van de beslissing maken uitdrukkelijk gewag van een aantal aanpassingen aan het geldelijk statuut in de posten Leuven en Tienen. Aangezien “niet aangetoond werd dat de aanpassingen waren voorzien in het oude statuut van Leuven en Tienen, kon verwerende partij er terecht van uitgaan dat er sprake was van een onaanvaardbare wijziging van het oude statuut.”
Van een schending van het gelijkheidsbeginsel kan er, aldus nog de verwerende partij, slechts sprake zijn in zoverre de personeelsleden komende van de post Leuven en de post Tienen vergelijkbaar zijn, wat niet het geval is. De personeelsleden waren immers onderworpen aan een verschillend geldelijk statuut dat niet vergelijkbaar is. Bovendien bestaat er een objectieve en
X-16.416-6/13
redelijke verantwoording voor het verschil in behandeling, dat ook niet onevenredig is met het beoogde doel. De ongelijke behandeling is uitsluitend het gevolg van de eigen keuze die artikel 207, § 1, van de wet van 15 mei 2007 en artikel 48, § 1, van het koninklijk besluit van 19 april 2014 de personeelsleden laat om onder het toepassingsgebied te blijven van het op 31 december 2014
bestaande geldelijk statuut. Die mogelijkheid is verantwoord “vanuit de doelstelling van de wetgever om de personeelsleden niet zonder consensus nieuwe arbeidsvoorwaarden op te leggen”. Het is niet de bedoeling van de wetgever “om, bij de mogelijkheid om het oude statuut te behouden, te voorzien in een derde statuut (zijnde het oude statuut met wijzigingen)”. Het verbod om wijzigingen aan te brengen vindt zijn verantwoording “in de doelstelling van de wetgever dat het nieuw statuut uiteindelijk op alle personeelsleden van toepassing is”. De keuzemogelijkheid voor het behoud van het oud statuut “is in die zin ‘slechts’ een overgangsmaatregel”.
Vermits artikel 48, § 1, van het koninklijk besluit van 19 april 2014 slechts uitvoering verleent aan artikel 207, § 1, van de wet van 15 mei 2007, vloeit, aldus nog de verwerende partij, de mogelijkheid om het oud statuut te behouden voort uit de wet van 15 mei 2007 zelf. Waar de ongelijkheid tussen de personeelsleden komende van de post Leuven en de personeelsleden komende van de post Tienen zijn oorsprong vindt in de verschillen die op 31 december 2014 bestonden tussen de betrokken geldelijke statuten en waar de keuzemogelijkheid voorzien in artikel 207, § 1, van de wet van 15 mei 2007
redelijk verantwoord is en het verschil in behandeling niet onevenredig met het beoogde doel, schenden artikel 207 van de wet van 15 mei 2007 en artikel 48, § 1, van het koninklijk besluit van 19 april 2014 klaarblijkelijk niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, zodat er geen reden is om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof.
7. De verzoekende partij dupliceert in de memorie van wederantwoord dat zij geen wijzigingen heeft aangebracht in het oude personeelsstatuut van de brandweer van Leuven en Tienen. In het besluit van de zoneraad van 18 maart 2015 werd alleen beslist om de getallen die werden
X-16.416-7/13
gebruikt voor de berekening van de herleidingsbreuk (Leuven) en de forfaitaire vergoeding (Tienen) aan te passen aan de gewijzigde arbeidstijd van 38 uur. De formules en het systeem bleven ongewijzigd behouden.
Voorts argumenteert de verzoekende partij dat de personeelsleden komende van de post Leuven en de post Tienen wel degelijk vergelijkbaar zijn. Zij zijn allen werknemer van de verzoekende partij en voeren gelijke taken uit. Ook de uitgangspunten van de oude personeelsstatuten van de brandweer van Leuven en Tienen zijn vergelijkbaar aangezien in beide regelingen werd uitgegaan van de gemiddeld gepresteerde arbeidstijd van respectievelijk 51,54 en 53,46 uur. Alle brandweerlieden van de verzoekende partij presteren nu een arbeidstijd van 38 uur. Naar de verzoekende partij zegt, tracht ze geen “derde statuut” te creëren of het oude statuut te wijzigen, maar wil zij enkel het oude statuut op een correcte wijze toepassen, rekening houdend met de gewijzigde arbeidstijd. Er is geen objectieve en redelijke verantwoording om voor de berekening van de premies uit te gaan van fictieve arbeidstijden die vóór 1 januari 2015 beantwoordden aan de gemiddeld gepresteerde arbeidstijd van 51,54 of 53,46 uur, terwijl de gewijzigde arbeidstijd 38 uur is.
De verzoekende partij herhaalt dat indien geoordeeld wordt dat artikel 207, § 1, van de wet van 15 mei 2007 “een aanpassing van de in de oude personeelsstatuten van de brandweer van Leuven en Tienen ver[melde] formules voor de berekening van de premies voor onregelmatige prestaties aan de nieuwe arbeidstijd van 38 uren niet toelaat”, zij hierover een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof gesteld wil zien.
8. In de laatste memorie benadrukt de verzoekende partij dat het feit dat de getallen in artikel 232bis van het administratief statuut veiligheidspersoneel van de stad Tienen gedurende jaren niet gewijzigd werden enkel hieraan toe te schrijven is dat tijdens de jaren vóór 1 januari 2015 de arbeidstijd niet gewijzigd werd, en dus ook niet het gemiddeld aantal gepresteerde uren. De beslissing van de zoneraad van 18 maart 2015 wijzigt niet het oude administratief statuut, maar is juist een correcte toepassing ervan,
X-16.416-8/13
rekening houdend met de wijziging van de arbeidstijd die volgt uit artikel 5, § 1, 1°, van de wet van 19 april 2014 ‘tot vaststelling van bepaalde aspecten van de arbeidstijd van de operationele beroepsleden van de hulpverleningszones en van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp en tot wijziging van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid’ (hierna: de arbeidstijdwet), die pas uitwerking kreeg op 1 januari 2015, zijnde ook de datum waarop het personeel van de brandweer van Tienen overkwam naar de hulpverleningszone.
Beoordeling
9. Artikel 207, § 1, eerste lid, van de wet van 15 mei 2007 bepaalt met betrekking tot het gemeentepersoneel (bedoeld in de artikelen 203 tot 206
van die wet) dat personeel wordt van de hulpverleningszone, dat het “kan beslissen onderworpen te blijven aan de wetten en reglementen die van toepassing zijn op het gemeentepersoneel”. Tevens voorziet dit artikel 207, § 1, eerste lid, erin dat de Koning bepaalt welke de bepalingen zijn die van toepassing zijn op het personeel dat van deze mogelijkheid gebruik maakt.
Hieraan gevolg gevend bepaalt het koninklijk besluit van 19 april 2014 in artikel 48, § 1:
“Het personeelslid dat gebruik maakt van de mogelijkheid, vermeld in artikel 207 van de wet van 15 mei 2007, blijft persoonlijk de reglementaire bepalingen genieten die op hem van toepassing waren wat de geldelijke bepalingen en de sociale voordelen betreft, zo lang deze situatie aanhoudt.”
10. Tenzij dus het personeelslid dat die mogelijkheid benut alsnog vraagt aan het nieuwe statuut onderworpen te worden (of gaat verkeren in het geval van artikel 207, § 2, van de wet van 15 mei 2007), “blijven”, wat de geldelijke bepalingen en de sociale voordelen betreft, op hem of haar de reglementaire bepalingen van toepassing die toepasselijk waren voor hij of zij personeelslid van de zone werd.
X-16.416-9/13
11. Met zijn beslissing van 18 maart 2015 past de zoneraad van de verzoekende partij voor de personeelsleden die kiezen voor het behoud van het oud geldelijk statuut in de post Leuven de gemiddelde wekelijkse arbeidstijd in de noemer van de herleidingsbreuk voor de berekening van de onregelmatige prestaties op zaterdagen, zondagen en feestdagen, aan tot 48 u/week voor het jaar 2015 en tot 38 u/week vanaf 2016.
Wat de personeelsleden die kiezen voor het behoud van het oud geldelijk statuut in de post Tienen betreft, beslist de zoneraad op 18 maart 2015
het vast bedrag voor de onregelmatige prestaties op nachten, zaterdagen, zondagen en feestdagen aan te passen volgens een gemiddelde wekelijkse arbeidstijd van 48 u/week voor het jaar 2015 en volgens een gemiddelde wekelijkse arbeidstijd van 38 u/week vanaf 2016.
12. In haar verslag beargumenteert en concludeert de auditeur dat wat de post Leuven betreft, de berekening van de vergoeding voor onregelmatige prestaties op zaterdagen, zondagen en feestdagen waarbij voor 2015 rekening wordt gehouden met een gemiddelde wekelijkse arbeidstijd van 48 uur, en vanaf 2016 met een gemiddelde wekelijkse arbeidstijd van 38 uur, geen aanpassing van het administratief statuut vereist. Het oud statuut, meer bepaald het op 23 september 1996 gewijzigde (artikel 9 van het) gemeenteraadsbesluit van 24 april 1995 ‘houdende vaststelling van het reglement voor de toekenning van nacht-, zaterdag- en zondagtoelagen voor het personeel van de veiligheidskorpsen’, voorziet immers in “een dynamische regeling” “in functie van de wekelijkse dienstprestaties”.
Dit wordt door de verwerende in de laatste memorie, opvallend, niet betwist. Hierover ter terechtzitting ondervraagd, wordt er ook dan niets tegen de zienswijze in het auditoraatsverslag ingebracht.
13. Wat daarentegen de post Tienen betreft, staat buiten betwisting dat in het oud statuut – zonder dat een precieze bepaling wordt aangewezen – de vergoeding voor de onregelmatige prestaties op nachten, zaterdagen, zondagen en
X-16.416-10/13
feestdagen is bepaald op een vast bedrag, vastgesteld op basis van een in artikel 232bis van het administratief statuut veiligheidspersoneel berekend aantal maandelijks gepresteerde uren.
Het besluit van de zoneraad van 18 maart 2015 brengt in die forfaitaire vergoeding een wijziging aan voor de jaren 2015 en volgende. Noch het “achterliggend principe” waarop de vergoeding berust waarin de oude reglementaire bepalingen voorzien, noch de uitleg dat er tot 1 januari 2015 geen reden was om de reglementaire bepalingen aan te passen aan de wijziging van de arbeidstijd die volgt uit de arbeidstijdwet, kan doen besluiten dat de wijziging van de reglementaire bepalingen waartoe de zoneraad van de verzoekende partij op 18 maart 2015 heeft beslist, toch geen wijziging is of geen wijziging mag worden genoemd.
14. Alleszins wat de post Tienen aangaat, neemt de minister in zijn bestreden besluit van 23 september 2015 terecht aan dat de beslissing van de zoneraad van 18 maart 2015 een aanpassing inhoudt van het statuut zoals het gold vóór de overgang naar de hulpverleningszone, en dus strijdig is met artikel 48, § 1, van het koninklijk besluit van 19 april 2014.
15. In de gegeven omstandigheden moet volgens de verzoekende partij worden vastgesteld dat haar personeelsleden ongelijk worden behandeld zonder dat daarvoor pertinente criteria bestaan en met onevenredig zware financiële gevolgen voor de betrokkenen.
Het is een kritiek die, zoals de verwerende partij terecht opmerkt, zich wezenlijk richt tegen artikel 207 van de wet van 15 mei 2007. Het behoud, door de personeelsleden van de verzoekende partij, van het voordeel van de reglementaire bepalingen die in artikel 48, § 1, van het koninklijk besluit van 19 april 2014 worden aangewezen, gaat finaal op dat artikel 207 terug. In voorkomend geval is een discriminatie van de personeelsleden van de verzoekende partij inzake de premies voor onregelmatige prestaties, doordat zij “onevenredig zware financiële gevolgen” ondervinden “in positieve of negatieve
X-16.416-11/13
zin” naargelang zij overgekomen zijn van de post Tienen of de post Leuven en besloten onderworpen te blijven aan de reglementen die op hen van toepassing waren voor zij personeelslid van de verzoekende partij werden, aan dit artikel 207
toe te rekenen.
Of het artikel ook effectief de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, staat ter beoordeling van het Grondwettelijk Hof.
Nu de Raad van State niet van oordeel is dat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet klaarblijkelijk niet geschonden zijn, is er reden de door de verzoekende partij voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen.
BESLISSING
1. De Raad van State heropent het debat.
2. Aan het Grondwettelijk Hof wordt de volgende vraag gesteld:
“Schendt artikel 207 van de wet van 15 mei 2007 ‘betreffende de civiele veiligheid’ de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in de interpretatie waarin dit artikel tot gevolg heeft dat de hulpverleningszones bij de bezoldiging van de personeelsleden die gebruik maken van de mogelijkheid vermeld in artikel 207, § 1 geen rekening zouden mogen houden met gewijzigde arbeidstijden?”
X-16.416-12/13
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twaalf september 2017, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:
Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier.
De griffier De voorzitter
Frank Bontinck Johan Lust
X-16.416-13/13
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.048