Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.037 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.037 Généré par l'IA

Court dismisses urgent suspension request against school's orientation certificate due to lack of cumulative statutory conditions.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.037
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the applicant's urgent request to suspend the school board's orientation certificate C. The applicant, a student with dyslexia, argued that the board failed to consider his special circumstances and did not adequately address his grievances regarding grades and guidance. The court found that the applicant's arguments were merely a restatement of the first ground and that no statutory conditions for granting an urgent suspension were met.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 17, §§ 1 and 4 of the Coordinated Laws on the Council of State; An urgent suspension request requires the cumulative fulfillment of specific statutory conditions, which were not met in this case.

Mots-clés

Généré par l'IA
urgent suspension request orientation certificate C cumulative statutory conditions school disciplinary procedure dyslexia accommodation procedural exhaustion Council of State jurisdiction besoin d'une formation scolaire spéciale

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Articles 17, §§ 1 and 4 of the Coordinated Laws on the Council of State
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE IXe KAMER

nr. 239.037 van 11 september 2017

in de zaak A. 222.998/IX-9122

In zake: Largo VANDERKELEN

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Vangeel kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

de VZW BERKENBOOMSCHOLEN

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kris Van Raemdonck kantoor houdend te 9120 Beveren Peperstraat 1 bus 202

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 31 augustus 2017, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van Berkenboom Humaniora van 17 augustus 2017, waarbij aan Largo Vanderkelen een oriënteringsattest C wordt toegekend.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 september 2017, om 10.30 uur.

IX-9122-1/15

Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge-

bracht.

Advocaat Christophe Vangeel, die verschijnt voor de verzoe-

kende partij en advocaat Kris Van Raemdonck, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Auditeur Barbara Speybrouck heeft een met dit arrest eenslui-

dend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge-

coördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3. Verzoeker is tijdens het schooljaar 2016-17 leerling van het eerste jaar van de derde graad economie-wetenschappen aan Berkenboom Huma-

niora te Sint-Niklaas.

Tot het jaar voordien volgde verzoeker, die te kampen heeft met dyslexie en volgens het verzoekschrift hoogbegaafd is, de richting wetenschap-

pen-wiskunde. De wijziging van richting, volgens verzoeker “zodat hij zich zou kunnen focussen op de wetenschapsvakken” met een minder zwaar wiskunde-

programma, ging noodzakelijk gepaard met een schoolverandering.

Op het einde van het jaar worden vier jaartekorten opgetekend:

Duits (49,3%), wiskunde (49,4%), chemie (47,7%) en fysica (43,6%).

De klassenraad beslist tot een oriënteringsattest C.

IX-9122-2/15

Na overleg weigert de directeur om de klassenraad opnieuw samen te roepen, waarna verzoeker beroep instelt bij de beroepscommissie.

Verzoeker wordt op 17 augustus 2017 door de beroepscommis-

sie gehoord. Ter zitting legt de raadsman van verzoeker nog een conclusie neer.

Ook de vakleerkrachten Duits, wiskunde, fysica en scheikunde worden gehoord.

Nog steeds op 17 augustus 2017 beslist de beroepscommissie om het C-attest te handhaven. Die beslissing is als volgt gemotiveerd:

“- Het groot aantal jaartekorten, waarvan 2 richtingsvakken - de leerbegeleiding die Largo heeft stopgezet door zijn afwezigheid - het onvoldoende gebruik van de faciliteiten die zijn aangeboden in de tijdsklas. Zelfs na aansporing en vragen van leerkrachten, is Largo hier te weinig op ingegaan.

- Gedurende het schooljaar is Largo verwittigd. Op de rapporten van kerstmis, maart en mei zijn er duidelijke waarschuwingen geweest.”

IV. Ontvankelijkheid van de vordering

4. In de nota met opmerkingen werpt de verwerende partij een exceptie op wegens gebrek aan belang. Op de terechtzitting doet zij echter afstand van deze exceptie.

V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden

5. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat min-

stens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende nood-

zakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.

IX-9122-3/15

VI. Uiterst dringende noodzakelijkheid

6. Het mag, zoals verzoeker schrijft, vaste rechtspraak van de Raad van State heten dat het dreigend verlies van een schooljaar een nadeel uitmaakt dat binnen een gewone schorsingsprocedure niet tijdig zal kunnen worden gekeerd.

De verwerende partij verklaart ter terechtzitting overigens het vervuld zijn van deze schorsingsvoorwaarde niet (meer) te betwisten en dus af-

stand te doen van haar verwijt, geformuleerd in de nota, dat verzoeker onvol-

doende diligent gehandeld zou hebben bij het instellen van de huidige vordering.

VII. Ernst van de middelen

A. Eerste middel

Uiteenzetting

7. Een eerste middel is geput uit de schending van “de – formele en materiële – motiveringsplicht”, van het redelijkheidsbeginsel, van de artikelen 5, § 5, en 57 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 ‘betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs’ (het organisatiebesluit), “alsook [van] het eigen schoolreglement en de eigen afspraken”.

Verzoeker merkt op dat zijn gemiddeld eindresultaat 61,9%

bedraagt, wat volgens hem ‘voldoende’ is en dat zijn tekorten “slechts 9 lesuren van de 33 uren schoolweek” vertegenwoordigen. Het C-attest lijkt enkel te steunen op de tekorten, maar duidelijkheid verkrijgt verzoeker daaromtrent niet.

De aangevochten beslissing beantwoordt niet zijn “expliciete vraag” om ook de positieve resultaten in de beoordeling te betrekken en “de goede resultaten […] te bekijken in het licht van de tekorten”.

IX-9122-4/15

Vervolgens volgt in het inleidend verzoekschrift een uiteenzet-

ting van twee à drie bladzijden met opmerkingen en grieven waarvan verzoeker niet bepaald met grote precisie aangeeft of deze zijn te koppelen aan de in één en hetzelfde middel aangevoerde schending van de formelemotiveringsplicht, de materiëlemotiveringsplicht of het redelijkheidsbeginsel. Van sommige opmer-

kingen is zelfs niet duidelijk of ze als grief dan wel als toelichting zijn bedoeld.

Wel is het zo dat een verzoekende partij op ontvankelijke wijze mag argumenteren dat niet alle motieven worden weergegeven in de bestreden beslissing, inzonder-

heid omdat niet geantwoord zou zijn op essentiële grieven, derwijze dat er sprake is van een schending van de formelemotiveringsplicht en tevens inhoudelijk kritiek uiten op de in een beslissing wél geëxpliciteerde motieven, derwijze dat de mate-

riëlemotiveringsplicht geschonden is. Wil een verzoeker zulke argumentatie aan de rechter voorleggen in een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, dan strekt het hem wel tot voordeel zelf duidelijk het onderscheid tussen beide moti-

veringsverplichtingen te maken. Het valt niet toe aan de Raad om het middel in de plaats van verzoeker te construeren. De Raad zal hierna in de beoordeling de op-

merkingen van verzoeker hernemen en beoordelen; indien hij bij het prima facie onderzoek waartoe hij in het kader van een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid overgaat niet de nuancering heeft gevat die verzoeker mogelijk voor ogen stond, dan moet verzoeker dit verdragen als gevolg van de onvoldoende zuiver gestructureerde uiteenzetting in het verzoekschrift.

Verzoeker merkt nog op dat geen enkele normatieve tekst als slaagnorm oplegt, dat een leerling voor alle of welbepaalde vakken geslaagd moet zijn. Hij wijst op de tekst van artikel 57 van het organisatiebesluit alsook op artikel 5, § 5, van het organisatiebesluit “dat de klassenraad tot een globale appreciatie verplicht” en de rechtspraak van de Raad van State met betrekking tot die bepa-

lingen.

Tot slot stelt verzoeker dat de bestreden beslissing op geen en-

kele wijze rekening houdt met de vraag om de attestering te bekijken in het licht van de beoogde studiekeuze en artikel 34 van het organisatiebesluit.

IX-9122-5/15

Beoordeling

8. Artikel 5, § 5, van het organisatiebesluit lijkt enkel te refereren aan de delibererende klassenraad en niet aan de beroepscommissie. Voor zover formeel wordt geput uit een schending van deze bepaling, is het middel niet ern-

stig.

9. De rechtspraak waarnaar verzoeker verwijst met betrekking tot wat artikel 57 van het organisatiebesluit leert, heeft betrekking op de versterkte motiveringsplicht in de situatie waarbij een leerling met slechts één tekort een negatieve evaluatiebeslissing bestrijdt. Verzoeker heeft vier jaartekorten. Voor zover een schending wordt aangevoerd van de formelemotiveringsplicht specifiek in samenhang gelezen met artikel 57 van het organistiebesluit, is het middel niet ernstig.

10. De stelling van verzoeker dat de bestreden beslissing geen dui-

delijkheid verschaft dat het C-attest zou zijn gesteund op de door hem behaalde jaartekorten, is weinig ernstig. In de bestreden beslissing wordt weliswaar bondig, maar uitdrukkelijk verwezen naar de “jaartekorten, waarvan 2 richtingsvakken”.

Uit verzoekers eindrapport blijkt dat hij jaartekorten heeft voor Duits, wiskunde, chemie en fysica. Vermits verzoeker de richting economie-wetenschappen volgt, is er geen twijfel dat de vakken chemie en fysica de twee bedoelde profielbepalende vakken zijn.

11. Het argument van verzoeker dat de evaluatiebeslissing enkel op de tekorten lijkt te steunen en “reeds hierdoor” onwettig is, kan in zijn alge-

meenheid niet worden bijgevallen.

Is het immers zo, dat geen enkele regelgevende tekst een slaagnorm oplegt of vereist dat een leerling álle leerplandoelstellingen moet be-

reiken of voor alle toetsen en examens geslaagd moet zijn om met vrucht geslaagd

IX-9122-6/15

te zijn, dan staat evenmin de regelgeving eraan in de weg dat aan een leerling met vier jaartekorten een C-attest wordt toegekend.

Als daarenboven twee van die vier jaartekorten betrekking hebben op profielbepalende vakken, dan mag het niet verwonderen dat de toe-

kenning van een C-attest tot de mogelijkheden behoort.

Als die mogelijkheid realiteit is geworden, zoals in deze zaak, dan ligt het op de weg van verzoeker om aan te geven welke ándere resultaten de beroepscommissie ten onrechte niet of onvoldoende in de beoordeling betrokken zou hebben, ofschoon ze vermogen een ander licht te werpen op zijn prestaties.

Daar komt verzoeker niet aan toe.

Ten overvloede zij opgemerkt dat het argument ook lijkt te steunen op een premisse die feitelijke grondslag mist. De bestreden beslissing lijkt immers aan te geven dat de beroepscommissie naast de jaartekorten ook verwijst naar en dus rekening houdt met de studiehouding van verzoeker, die volgens de commissie de aangeboden begeleiding onvoldoende zou hebben benut.

12.1. Verzoeker stelt dat hij voor de beroepscommissie heeft verwezen naar zijn “goede resultaten” en dat hij “de expliciete vraag” heeft gesteld “hoe men deze dient te bekijken in het licht van de tekorten”.

12.2. Ook dit betoog lijkt feitelijke grond te missen. Verzoeker heeft voor de beroepscommissie op het eerste gezicht enkel aangehaald dat hij een ge-

middeld jaarresultaat van 61,9% behaalt, dat voor Duits en wiskunde de jaarte-

korten niet al te groot zijn en dat hij voor de vakken chemie en fysica voor dage-

lijks werk meer dan 50% behaalt. Naar andere – positieve – resultaten wordt op het eerste gezicht nergens verwezen.

IX-9122-7/15

13.1. Verzoeker klaagt voorts erover dat niet wordt geantwoord op zijn vraag om uit te leggen hoe de examenvragen een link hebben met de eindtermen en waar hij daarin tekortschiet.

13.2. Op het eerste gezicht maakt verzoeker niet duidelijk hoe een mogelijk gebrek aan uitleg achteraf tot gevolg moet hebben dat de toegekende punten in het gedrang worden gebracht. Er mag voorts aan worden herinnerd dat, gelet op het vermoeden van deskundigheid van de leerkrachten, aangenomen wordt dat de examenvragen worden opgesteld in acht genomen de aan de eind-

termen gerelateerde en door het leerplan vereiste leerstof. Die punten worden dan ook geacht tot bewijs van het tegendeel een in een cijfer samenvattende weergave te vormen van de kennis, de vaardigheden en, voor zover opgenomen in het leer-

plan, de attitudes van de leerling. Aangenomen wordt ook, in beginsel, dat de leerling die niet een voldoende jaarresultaat behaalt, voor dat vak de leerp-

landoelstellingen niet op voldoende wijze heeft bereikt. De verwijzing naar een niet-betwist en derhalve verondersteld ordentelijk vastgelegd jaartekort volstaat in de regel als motivering voor de vaststelling dat de leerplandoelstellingen voor die vakken niet werden bereikt.

Er is dan ook voor de beroepscommissie prima facie geen ver-

plichting om, enkel omdat een leerling dit vraagt, een opsomming te geven van alle niet behaalde leerplandoelstellingen, het verband te leggen met specifieke exa-

menvragen en om “de verbetersleutels die zouden zijn toegelicht en aangereikt”

voor te leggen. Dit zou enkel aan de orde kunnen komen indien de leerling het voormelde vermoeden van het ordentelijk verloop van de quotering aan het wan-

kelen brengt. Vooralsnog slaagt verzoeker niet in die op hem rustende bewijslast.

In dit verband kan ook worden opgemerkt dat verzoeker de mogelijkheid heeft gekregen de examens en de verbetersleutels in te kijken. Dit inzagemoment was gepland op 30 juni 2017, wat de laatste schooldag is van het schooljaar. Verzoeker beweert niet dat hij niet op de hoogte was gesteld van die ingeplande datum. Hij of zijn wettelijke vertegenwoordigers hebben daarvan geen

IX-9122-8/15

gebruik gemaakt. Aan verzoekers moeder is gemeld dat zij dan op individuele basis contact mocht opnemen met de leerkrachten, wat niet onredelijk lijkt. Dit alles in acht genomen, lijkt verzoeker de verwerende partij bezwaarlijk te kunnen verwijten dat hij de examens niet heeft kunnen inkijken en dat de beroepscom-

missie niet heeft geantwoord op de daarop betrokken argumenten en vragen.

14.1. Verzoeker betwist weliswaar de representativiteit van de be-

haalde jaartekorten, in het licht van de aangeboden remediëring voor zijn hoog-

begaafdheid en dyslexie. Hij stelt dat de beroepscommissie met de impact van de gebrekkige remediëring geen rekening heeft gehouden. Verzoeker stelt dat in de bestreden beslissing niet naar behoren wordt aangetoond dat het algemeen bege-

leidingsplan voor leerlingen met dyslexie is opgevolgd én dat dit gebrek niet van invloed is geweest op de punten.

14.2. Zoals de Raad van State al in tal van arresten heeft overwogen, is het, in beginsel, één zaak of een leerling bewezen heeft de van hem verlangde kennis en kunde te bezitten, een andere, als hij die kennis en kunde niet blijkt te bezitten, wie daarvoor de schuld draagt. Deze laatste kan diegene zijn die hem op het examen heeft voorbereid door bij die voorbereiding in gebreke te blijven. De stelling dat op de school, hetzij ingevolge hogere regelgeving hetzij wegens het eigen schoolreglement, een algemene plicht tot remediëring en begeleiding zou rusten en dat van haar op dit vlak een actieve of zelfs pro-actieve opstelling wordt verwacht, hoeft daarbij niet te worden onderzocht. Ook indien het antwoord op die vraag bevestigend zou zijn, lijkt de navolgende conclusie immers gelijk te moeten blijven.

Zelfs indien een leerling de school terecht zou verwijten niet tijdig over problemen te hebben gecommuniceerd en geïnformeerd, niet in de passende begeleidingsmaatregelen te hebben voorzien of ze niet te hebben toe-

gepast of aangepast, dan kan dat hoogstens betekenen dat de school schuld of mede schuld draagt aan het minder gunstige eindresultaat van die leerling, maar kan

IX-9122-9/15

zulks dit eindresultaat niet meer zo beïnvloeden dat het gunstiger wordt, laat staan dat een A-attest moet worden toegekend.

14.3.1. Uitzonderlijk kunnen er redenen zijn om af te wijken van voormeld beginsel, namelijk in het geval de school verzuimt welbepaalde vooraf individueel gemaakte afspraken omtrent de begeleiding van de leerling na te leven en dit verzuim door de aard van die afspraken in een rechtstreeks oorzakelijk verband gebracht kan worden met de wettigheid van de bestreden evaluatiebe-

slissing.

14.3.2. Verzoeker verwijt de beroepscommissie dat zij “niet naar be-

horen van recht” aantoont dat het begeleidingsplan “volgens de regels van de kunst is opgevolgd én dat dit gebrek niet van invloed is geweest op [zijn] punten”. Hij keert daarbij echter de bewijslast om.

Dat het schoolreglement op algemene wijze in de mogelijkheid van een logboek zou voorzien – verzoeker verwaarloost om de bedoelde bepaling van het schoolreglement te vermelden en te citeren en verwacht dus dat de Raad dit zelf zou gaan opzoeken – toont niet aan dat hierover met verzoeker welbepaalde afspraken zijn gemaakt.

In de zaak die thans voorligt, is met verzoeker geen individueel begeleidingsplan opgesteld.

Wel lijkt het algemeen begeleidingsplan voor dyslexie in aan-

merking te zijn genomen voor de leerbegeleiding van verzoeker. Verzoeker wijst evenwel geen specifieke bepaling aan uit dit plan, die ten aanzien van hemzelf niet nageleefd zou zijn.

Voorts moet worden vastgesteld dat de school heeft voorzien in bepaalde bijkomende begeleidingsmaatregelen, waarmee op het eerste gezicht

IX-9122-10/15

verzoeker heeft ingestemd en die hij blijkbaar – doorheen het jaar en na aanpas-

sing – voldoende heeft geacht.

In de bestreden beslissing wordt in dat verband vooreerst ver-

wezen naar de “leerbegeleiding” van verzoeker. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat deze is opgestart na het kerstrapport, hetgeen verzoeker niet betwist. De be-

roepscommissie stelt vast – en antwoordt aldus formeel op dit aspect van de op-

geworpen grief – dat deze begeleiding is stopgezet door de afwezigheid van ver-

zoeker. Verzoeker betwist zijn afwezigheid niet maar stelt dat dit het gevolg was van het feit dat de begeleidster had aangegeven dat een verdere aanwezigheid weinig effect zou hebben. Deze niet onderbouwde bewering van verzoeker lijkt in tegenspraak met het door de begeleidster opgestelde overzicht waarop staat aan-

geduid dat verzoeker afwezig was op 14, 21 en 28 maart en op 18 april. Dit stuk is aan verzoeker bekend, hij legt het zelf neer als stuk 8. In zoverre verzoeker stelt dat hij daarop niet werd aangesproken noch zijn ouders daarvan formeel op de hoogte werden gebracht, blijkt uit de stukken van het dossier dat de beroepscommissie dit argument heeft onderzocht. In de verklaringen van de vakleerkracht wiskunde wordt gesteld dat verzoeker drie keer niet aanwezig was op de leerbegeleiding zonder reden, waarop deze is stopgezet. Volgens die leerkracht is dit gecommu-

niceerd via de agenda. Hoe dan ook laat verzoeker na om de stopzetting van de leerbegeleiding te koppelen aan een welbepaalde specifieke afspraak waarvan het niet nakomen dan bovendien in het vereiste rechtstreekse verband staat met de wettigheid van de evaluatiebeslissing. Het verwijt reikt niet verder dan de vast-

stelling, al dan niet correct, dat er onvoldoende begeleiding is gegeven.

Voorts wordt in de bestreden beslissing erop gewezen dat ver-

zoeker onvoldoende gebruik heeft gemaakt van de faciliteiten die zijn aangeboden in de ‘tijdklas’. Waar verzoeker stelt niet te weten om welke faciliteiten het gaat, lijkt dit weinig ernstig. Verzoeker geeft in het vervolg van zijn uiteenzetting in het verzoekschrift zelf aan wat deze maatregel juist inhoudt. Verzoeker beweert dan weer niet, dat hij de afgesproken dertig minuten extra tijd niet gekregen zou heb-

ben.

IX-9122-11/15

Uit het verzoekschrift en de stukken begrijpt de Raad ten slotte, wat de specifieke begeleiding van verzoeker betreft, dat zijn examens afgedrukt zouden worden op formaat A3 en dat op vraag van zijn moeder is aangenomen dat hij niet enkel – zoals het algemeen begeleidingsplan bepaalt – de mogelijkheid moest krijgen om mondelinge toelichting te krijgen over de gestelde vragen maar ook dat hij zijn antwoorden mondeling moest kunnen toelichten. Verzoeker be-

weert niet dat de afspraak omtrent het formaat A3 niet is nagekomen. Tegenover zijn opmerking dat hij de mondelinge toelichting van de antwoorden in de tijdklas moest geven in dezelfde tijdspanne en zelfs dat er geen kans tot mondelinge toe-

lichting werd geboden voor Engels, Frans en Duits, staat dat de voorliggende stukken niet lijken in te houden dat de afgesproken mogelijkheid om de ant-

woorden toe te lichten zou komen bovenop de reeds toegekende extra tijd om het examen af te leggen. Het argument staat ook tegenover de verklaringen van de vakleerkrachten Duits, wiskunde, chemie en fysica aan de beroepscommissie dat “[e]r […] rekening [is] gehouden met dyslexie [maar] dat [hij] regelmatig vragen openlaat” – wat dus geen toe te lichten antwoorden oplevert – of dat verzoeker “tijdens het examen geen vragen [heeft] gesteld en weinig extra toelichting [heeft]

gegeven”. Op basis van deze gegevens, kan het betoog van verzoeker vooralsnog niet overtuigen.

14.3.3. Verzoeker heeft in de huidige stand van de procedure geen aannemelijke gegevens voorgelegd om uitzondering te genieten op het beginsel dat falende begeleiding inroepen geen nuttig rechtsmiddel is omdat dit hoogstens een (mede)schuldige aanwijst maar niet vermag de punten beter te maken dan ze uit-

eindelijk zijn. Daargelaten of zijn argumenten in feite juist zijn, falen ze in rechte.

Verzoeker slaagt er derhalve evenmin in aan te tonen dat de beroepscommissie om die reden, de hem toegekende cijfers niet als representatief mocht beschouwen.

14.4. Uit wat voorafgaat volgt ook dat verzoeker geen belang heeft bij de grief dat op zijn bezwaren omtrent de begeleiding niet voldoende is geantwoord.

IX-9122-12/15

15. Het argument van verzoeker dat zijn ouders niet op de hoogte zouden zijn gebracht bij ernstige problemen, is om dezelfde redenen evenmin dienstig.

Louter ten overvloede dan ook, verwijst de Raad naar de over-

weging uit de bestreden beslissing waarin wordt verwezen naar de waarschuwin-

gen op de rapporten. Verzoeker kan bezwaarlijk stellen dat dit niet voldoende zou zijn als waarschuwing. Overigens heeft de moeder van verzoeker dit ook zo be-

grepen gelet op haar vragen per e-mail aan de directeur tot het nemen van gepaste maatregelen.

16. Waar verzoeker aangeeft dat de beroepscommissie niet is inge-

gaan op de vraag om bijkomende proeven, leest de Raad op het eerste gezicht nergens dat verzoeker dit – in zijn bezwaarschrift of aanvullende conclu-

sies – uitdrukkelijk heeft gevraagd aan de beroepscommissie.

17.1. Verzoeker voert ook nog aan dat niet is geantwoord op de vraag om de attestering te bekijken in het licht van de beoogde studiekeuze van verzoeker en artikel 34 van het organisatiebesluit.

17.2. Zoals de verwerende partij opmerkt, behoort dit op het eerste gezicht niet tot de bevoegdheid van de beroepscommissie. Verzoeker heeft op het eerste gezicht dan ook geen belang bij deze kritiek.

18. Het eerste middel is niet ernstig.

IX-9122-13/15

B. Tweede middel

Uiteenzetting

19. Verzoeker voert in het tweede middel de schending aan van “de motiveringsplicht”, van het redelijkheidsbeginsel en van het zorgvuldigheidsbe-

ginsel.

Verzoeker zet in het middel uiteen dat de beroepscommissie geen rekening heeft gehouden met zijn bijzondere omstandigheden en dat de punten niet representatief zijn gelet op die bijzondere omstandigheden, minstens dat hij op zijn grieven in dit verband een antwoord mag verwachten. Volgens verzoeker wordt daarmee niet alleen de motiveringsplicht geschonden, maar is dit ook onredelijk en onzorgvuldig.

Beoordeling

20. Het tweede middel lijkt niet meer te zijn dan een gebalde sa-

menvatting van het eerste middel. Om de redenen uiteengezet bij de bespreking van het eerste middel, mist ook het tweede middel ernst.

C. Slotsom

21. Er is niet voldaan aan één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodza-

kelijkheid worden toegewezen.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt de vordering.

IX-9122-14/15

2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 11 september 2017, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:

Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier.

De griffier De voorzitter

Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren

IX-9122-15/15

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.037