ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.033 · Conseil d'État
Synthèse Legislator
Généré par l'IADe vordering, ingesteld op 30 augustus 2017, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van het Guldensporencollege te Kortrijk van 17 augustus 2017 om aan Margaux Torrelle een oriënteringsattest C toe te kennen.
Regeste Legislator
Généré par l'IAECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.033 · Conseil d'État: Artikel 5, § 5, van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 „betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs‟ lijkt te refereren aan de delibererende klassenraad en niet aan de beroepscommissie.
Mots-clés
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE IXe KAMER
nr. 239.033 van 7 september 2017
in de zaak A. 222.939/IX-9118
In zake: Margaux TORRELLE
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46 bus 1
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
de VZW SCHOOLBESTUUR DE PLEINSCHOOL &
SINT-AMANDSCOLLEGE
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter Dewaele kantoor houdend te 8500 Kortrijk Groeningestraat 33
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 30 augustus 2017, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van het Guldensporencollege te Kortrijk van 17 augustus 2017 om aan Margaux Torrelle een oriënteringsattest C toe te kennen.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 september 2017, om 10.30 uur.
IX-9118-1/11
Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge-
bracht.
Advocaat Bart Staelens, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Nele Vroman, die loco advocaat Pieter Dewaele verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Diane Mareen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge-
coördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Tijdens het schooljaar 2016-2017 is verzoekster ingeschreven in het eerste jaar van de derde graad wetenschappen-wiskunde aan het Guldenspo-
rencollege te Kortrijk.
Verzoekster behaalt de volgende jaarresultaten:
- Nederlands: 60%;
- Frans: 59%;
- Engels: 43%;
- wiskunde: 48%;
- godsdienst: 55%;
- geschiedenis: 66%;
- aardrijkskunde: 54%;
- biologie: 62%;
- chemie: 54%;
- fysica: 56%;
- esthetica: 64%;
IX-9118-2/11
- lichamelijke opvoeding: 77%;
- extra Duits: 59%.
3.2. De delibererende klassenraad beslist om verzoekster een oriën-
teringsattest C toe te kennen. Die beslissing van de klassenraad is als volgt gemo-
tiveerd:
“Margaux heeft onvoldoende kennis en vaardigheden verworven om te slagen in het 5de jaar Wetenschappen-wiskunde.
Zij heeft de leerplandoelstellingen onvoldoende bereikt voor het rich-
tingsvak wiskunde en voor het algemene vak Engels.
Zij behaalt een eindtotaal van 57% met zwakke resultaten voor richtings-
vakken chemie, fysica en aardrijkskunde.
Ook hier werden een aantal leerplandoelstellingen niet bereikt.
Na de kerstklassenraad werd Margaux meermaals aangeraden om over te stappen naar een richting met minder wiskunde. Er was aanbod tot reme-
diëring en studieopvolging.
De klassenraad oordeelt dat Margaux niet voldoet aan het geheel van de vorming 5de jaar Wetenschappen-wiskunde.
De beslissing van de delibererende klassenraad is altijd het resultaat van een weloverwogen evaluatie.”
3.3. Overleg leidt niet tot een nieuwe samenkomst van de klassen-
raad, waarop verzoekster op 5 juli 2017 beroep instelt bij het schoolbestuur. De argumentatie van verzoekster kan worden samengevat tot de volgende bezwaren:
een C-attest lijkt onredelijk omdat verzoekster tot dan een vlekkeloos parcours liep en er ook gedurende het ganse schooljaar 2016-2017 geen tekorten waren, behalve voor Engels; ook vóór de examens van juni waren er geen tekorten in het dagelijks werk, behalve voor Engels; er waren nooit contacten met een vakleerkracht voor extra taken of remediëring; tijdens het examen wiskunde had verzoekster een black-out; ook de volgende examens zou zij daar nog de gevolgen van hebben gedragen; zij moet de kans krijgen om een bijkomend examen voor wiskunde af te leggen; er wordt niet gemotiveerd waarom geen A-attest met een bijkomende waarschuwing, een bijkomende proef of een vakantietaak wordt gegeven; de mo-
tivering voor een C-attest is zeer algemeen, niet concreet en in tegenstrijd met het puntenoverzicht.
IX-9118-3/11
3.4. De beroepscommissie neemt op 17 augustus 2017 de thans be-
streden beslissing waarbij het evaluatieresultaat wordt bevestigd. De motivering luidt:
“1. Over de ontvankelijkheid: het beroep is tijdig en regelmatig ingesteld.
2. Over de grond van de zaak: de beroepscommissie is van oordeel dat de delibererende klassenraad op 30 juni 2017 over alle informatie beschikte om een beslissing te nemen. Later kwamen geen nieuwe elementen aan bod. Er waren geen nieuwe argumenten om de uitspraak te wijzigen.
De klassenraad heeft in haar beslissing alle informatie betrokken en heeft naar eer en geweten geoordeeld.”
3.5. Bij arrest nr. 238.983 van 30 augustus 2017 verwerpt de Raad van State een op 22 augustus 2017 ingestelde vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de ook met de huidige vordering bestreden evaluatiebeslissing. De Raad oordeelt dat niet is voldaan aan de schorsingsvoorwaarde van uiterst dringende noodzakelijkheid.
IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
4. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat min-
stens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende nood-
zakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.
V. Uiterst dringende noodzakelijkheid
5. Verzoekster heeft reeds eerder een vordering tot schorsing in-
gesteld bij uiterst dringende noodzakelijkheid.
IX-9118-4/11
Bij arrest nr. 238.983 van 30 augustus 2017 is die vordering afgewezen. Volgens dit arrest was de uiterst dringende noodzakelijkheid niet aangetoond.
Verzoekster mag het hiermee niet eens zijn, dat neemt niet weg dat dit arrest gezag van gewijsde heeft, zoals de verwerende partij in haar nota opmerkt. Volgens verzoekster gedraagt zij zich evenwel naar het gezag van ge-
wijsde, omdat zij thans een zeer uitvoerige uiteenzetting geeft van de redenen waarom een gewone schorsing te laat zou komen en het voormelde arrest enkel vaststelde dat die uiteenzetting ontbrak.
Wat daar ook van weze, verzoekster verliest hoe dan ook uit het oog dat luidens artikel 17, § 2, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State een nieuwe vordering tot schorsing slechts kan worden ingesteld, in het geval als het voorliggende, “indien deze steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen”.
Op de terechtzitting uitdrukkelijk ondervraagd over de elemen-
ten in de uiteenzetting die volgens verzoekster nieuw zijn, erkent de raadsman dat de aangevoerde feiten reeds bestonden ten tijde van de eerste vordering. Zijn zienswijze, dat alle elementen die niet eerder in het verzoekschrift waren verwoord “nieuwe elementen” zijn, kan echter niet worden bijgevallen. Zelfs al bevat de uiteenzetting van verzoekster elementen die niet in het eerste verzoekschrift op papier waren gezet, dan blijkt niet dat het gegevens zijn die toentertijd niet bekend waren of het niet moesten zijn.
6. Uit wat voorafgaat volgt dat de Raad, gelet op het bepaalde in artikel 17, § 2, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, niet anders kan dan de huidige vordering afwijzen wegens ontbreken van nieuwe elementen die de spoedeisendheid rechtvaardigen.
IX-9118-5/11
VI. Onderzoek van het eerste middel
Standpunt van de partijen
7. Een eerste middel is geput uit de schending “van de – formele en materiële – motiveringsplicht, van het redelijkheidsbeginsel en de artikels 5, § 5, en 57 van het besluit van 19 Juli 2002 van de Vlaamse regering betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs”.
Verzoekster wijst erop dat de bestreden beslissing louter stelt dat haar beroep ontvankelijk is en dat er geen nieuwe elementen aan bod kwamen om de uitspraak van de klassenraad te wijzigen. Waarom dat zo is, leert de beslissing niet, aldus verzoekster. Zij wijst op de argumenten die zij in haar verzoekschrift en in een bijkomende nota aan de beroepscommissie had voorgelegd en waarmee de beroepscommissie rekening moest houden:
“Of deze nieuw zijn of niet doet niet ter zake.”
In het kader van een “intern beroep” (versta: georganiseerd ad-
ministratief beroep) mag verzoekster een doorgedreven motivering verwachten en een antwoord krijgen op pertinente argumenten die zij opwerpt. In de bestreden beslissing wordt echter op geen enkele wijze rekening gehouden met haar argu-
mentatie, noch wordt deze beantwoord.
Volgens verzoekster moet daarom worden aangenomen dat de beroepscommissie deze argumenten niet kan weerleggen, zodat de bevestiging van het C-attest onredelijk tot stand is gekomen.
Ten slotte betoogt verzoekster dat het oordeel over het slagen van een leerling geen mathematische optelling is van cijfers per vak.
8. De verwerende partij betoogt in de nota dat de beroepscommissie blijkens de uitgeschreven motivering, met een duidelijke verwijzing naar de ar-
IX-9118-6/11
gumentatie van de delibererende klassenraad, zich diens motieven heeft eigen gemaakt.
De motieven van de klassenraad bieden volgens de verwerende partij ook een deugdelijke materiële motivering.
In tegenstelling tot waar verzoekster lijkt van uit te gaan, is het bovendien niet noodzakelijk dat de beroepscommissie in haar beslissing elk be-
zwaar individueel weerlegt. Het volstaat dat de beslissing op zich afdoende ge-
motiveerd is en dat impliciet of expliciet blijkt dat de argumentatie van de be-
trokkene in de besluitvorming werd betrokken. Dat is volgens de verwerende partij ook het geval, onder meer door de melding van de kennisname van het beroep van 5 juli 2017.
Beoordeling
9. Artikel 5, § 5, van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 „betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs‟ lijkt te refereren aan de delibererende klassenraad en niet aan de beroepscommissie.
Voor zover formeel wordt geput uit een schending van deze bepaling, is het middel niet ernstig.
De in het middel eveneens aangevoerde materiëlemotiverings-
plicht vereist evenwel dat de beroepscommissie een beslissing neemt die op deugdelijke gronden steunt, wat onder meer vereist dat ze tot stand komt na een zorgvuldig onderzoek van al de relevante feitelijke gegevens.
10. De beroepscommissie lijkt de draagwijdte van haar opdracht ontgaan te zijn. De beroepscommissie, zoals die in de Codex Secundair Onderwijs door de decreetgever is geconcipieerd, “heeft volheid van bevoegdheid, i.c. het evaluatieresultaat wordt bevestigd of door een ander vervangen op grond van
IX-9118-7/11
inhoudelijke of procedurele aspecten” (Parl.St. Vl.Parl. 2013-14, nr. 2421/1, 27).
Zoals in elke administratieve beroepsprocedure waarbij het beroepsorgaan de volle hervormingsbevoegdheid wordt opgedragen om in laatste aanleg te beslissen, betekent deze zogenaamde devolutieve werking dat de beroepen beslissing van de klassenraad uit het rechtsverkeer verdwijnt en dat een nieuwe beslissing in de plaats ervan komt, op grond van een autonome, eigen beoordeling van de zaak door het beroepsorgaan. Dat beroepsorgaan heeft beslissingsmacht over de zaak zelf, op dezelfde wijze als de delibererende klassenraad. Het moet de zaak onderzoeken op grond van al de feitelijke gegevens die hem zijn voorgelegd.
Het is vanzelfsprekend in het geval een leerling gebruik maakt van de verhaalmogelijkheid en aldus een samenkomst van de beroepscommissie uitlokt, dat de motiveringsplicht ten volle betekenis krijgt en dat de beroepscom-
missie kennis moet nemen van de grieven van de leerling, ze moet beoordelen en ze beantwoorden. Het bestaan en de zin van een dergelijke beroepsprocedure ver-
eist dan dat de motivering er blijk van geeft dat de bezwaren van de leerling daadwerkelijk in overweging zijn genomen en in de nieuwe beoordeling zijn be-
trokken, dat de leerling begrijpt waarom die argumenten de beroepscommissie niet konden overtuigen en dat ten minste een uitdrukkelijke repliek volgt op de vragen die voor de leerling blijkens haar beroepschrift van wezenlijk belang zijn en die, mochten ze terecht zijn gesteld, mogelijk tot een voor de leerling gunstiger resul-
taat leiden.
Zoals verzoekster terecht opmerkt, is de vraag of haar argu-
menten al dan niet nieuw zijn dan ook niet relevant.
11. Wanneer een leerling voorts uitzonderlijke omstandigheden aanvoert om een bijkomende proef of een vakantietaak te krijgen – zoals te dezen het betoog dat het tekort “uitsluitend [is] gecreëerd door dat ene juni examen voor wiskunde” waarvoor zij beweerdelijk met een „blackout‟ kampte terwijl zij voorts kan bogen op “stabiele resultaten van wiskunde zonder tekorten” – dan mag zij
IX-9118-8/11
verwachten dat het over haar oordelend bestuursorgaan die vraag ernstig onder-
zoekt en zijn weigering verantwoordt.
12. Anders dan de verwerende partij, kan de Raad op het eerste gezicht niet in de bestreden beslissing lezen dat de beroepscommissie zich de argumenten van de delibererende klassenraad eigen maakt, noch dat zij redenen geeft waarom bijkomende proeven of een vakantietaak worden afgewezen.
De beroepscommissie merkt louter op dat de delibererende klassenraad over alle informatie beschikte en dat er later geen nieuwe elementen aan bod kwamen.
In het licht van de zo-even omschreven taak van de beroeps-
commissie zijn die vaststellingen frustratoir en wekken ze veeleer het vermoeden dat de beroepscommissie niet aan haar eigen oordeel is toegekomen.
Ze zijn niet enkel nutteloos, maar op het eerste gezicht ook verkeerd, minstens wat de vraag van de leerling betreft naar een vakantietaak of een bijkomende proef die niet aan de delibererende klassenraad werd voorgelegd, aangezien een nieuwe samenkomst ervan door de directeur werd afgewezen.
Of de klassenraad “naar eer en geweten” heeft geoordeeld is ten slotte al evenzeer rechtens niet relevant, nu zijn beslissing hoe dan ook ingevolge het instellen van het administratief beroep uit het rechtsverkeer verdwijnt en ver-
vangen wordt door de evaluatiebeslissing van de beroepscommissie. Het is, ove-
rigens, een stijlformule en een incantatie die de leerling niet vermag het recht te ontnemen op een beslissing die beantwoordt aan de eisen welke de motiverings-
plicht oplegt.
Voor zover het is ontleend aan de schending van de formelemo-
tiveringsplicht, is het middel ernstig.
IX-9118-9/11
13. Het is niet omdat de beroepscommissie heeft verzuimd om mo-
tieven op papier te zetten, dat er ipso facto geen motieven voor de bestreden be-
slissing bestaan of kunnen bestaan. Voorts valt het niet toe aan de Raad van State om in de plaats van de beroepscommissie over het slagen van de leerling te oor-
delen. Vooralsnog kan de – overigens ook in het tweede middel aangevoerde – schending van de materiëlemotiveringsplicht dus niet worden bijgevallen en is het middel in die mate niet ernstig.
14. Van een – ook in het tweede middel aangevoerde – schending van het redelijkheidsbeginsel kan slechts sprake zijn als de motieven vaststaan wat, als gezien, voorlopig niet het geval is. Hieruit volgt dat het middel voorbarig is, voor zover de schending van dit algemene beginsel van behoorlijk bestuur wordt aangevoerd.
15. Het middel is in de sub 12 aangegeven mate ernstig.
Het ligt op de weg van de verwerende partij om uit die vaststel-
ling passende conclusies te trekken en al dan niet voor de leerling nutteloos tijd verloren te laten gaan in afwachting van een uitspraak – zelfs al ware het in een kortedebattenprocedure – over een beroep tot nietigverklaring van dezelfde be-
slissing.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt de vordering.
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, verschuldigd aan de verwerende partij.
IX-9118-10/11
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 7 september 2017, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:
Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier.
De griffier De voorzitter
Vera Wauters Geert Van Haegendoren
IX-9118-11/11
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.033