Court dismisses appeal for lack of interest when animal ownership transfer is already final.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the applicant's request to annul the transfer of ownership of animals to a shelter. The applicant failed to submit a counter-memoir within the statutory sixty-day period after receiving the defense. Consequently, the court determined that the requisite legal interest to pursue the annulment was absent.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 21, second paragraph; Article 7 of the Rules of Procedure: Where a party fails to submit a counter-memoir within the prescribed period, the court may declare the requisite interest lacking and dismiss the appeal without a full examination of the merits.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER
nr. 239.024 van 7 september 2017
in de zaak A. 221.319/VII-39.899.
In zake : Jenny KUMS
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jürgen Millen kantoor houdend te 3730 Hoeselt Tongersesteenweg 4, bus 1
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Butenaerts kantoor houdend te 1080 Brussel Leopoldlaan II-laan 180
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 24 januari 2017, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Dienst Inspectie Dierenwelzijn van het Vlaams Gewest van 21 november 2016 waarbij een hond en vier katten definitief in volle eigendom worden gegeven aan het dierenasiel van Genk.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend die aan verzoekster ter kennis werd gebracht op 26 april 2017.
Op respectievelijk 27 juli 2017 en 24 juli 2017 heeft de hoofdgriffier aan verzoekster en de verwerende partij de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 14bis, § 1, van het besluit van de Regent van
VII-39.899-1/3
23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Beoordeling
3. Bij het versturen van een kopie van de memorie van antwoord aan verzoekster heeft de hoofdgriffier melding gemaakt van artikel 21, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
Verzoekster heeft binnen de termijn van zestig dagen, gesteld in artikel 7 van voormeld besluit van de Regent, geen memorie van wederantwoord aan de griffie toegestuurd. Krachtens voornoemd artikel 21, tweede lid, dient te worden vastgesteld dat het vereiste belang om de gevorderde vernietiging te verkrijgen, ontbreekt.
De hoofdgriffier heeft de partijen medegedeeld, met toepassing van artikel 14bis, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, dat de kamer uitspraak zou doen onder aanvoering van het ontbreken van het vereiste belang, tenzij een van de partijen binnen een termijn van vijftien dagen zou vragen om te worden gehoord. Geen van de partijen heeft gevraagd om te worden gehoord.
Er bestaat aanleiding om het beroep te verwerpen.
IV. Rechtsplegingsvergoeding
4. De verwerende partij vraagt de rechtsplegingsvergoeding te begroten op 700 euro ten laste van verzoekster. Vermits verzoekster de in het ongelijk gestelde partij is en juridische tweedelijnsbijstand geniet, dient de
VII-39.899-2/3
rechtsplegingsvergoeding op grond van artikel 30/1, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State te worden herleid tot 140 euro.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro verschuldigd aan de verwerende partij.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeven september tweeduizend zeventien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
Eric Brewaeys, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier.
De griffier De voorzitter
Bart Tettelin Eric Brewaeys
VII-39.899-3/3
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.024