Court dismisses urgent suspension request against prison order deemed non-appealable internal discipline measure.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the applicant's request for an urgent suspension of a prison director's order restricting visitation to behind glass. The applicant argued the measure was a disguised disciplinary sanction, but the court found no evidence proving this intent. Consequently, the order was classified as a non-appealable internal security measure rather than a justiciable penalty.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 10 and 11 of the Code of Justice; A prison order restricting visitation to behind glass constitutes a non-appealable internal security measure and cannot be the subject of an annulment appeal or urgent suspension request.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IAJurisprudence citée
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER
nr. 238.987 van 31 augustus 2017
in de zaak A. 222.927/XIV-37.499
In zake: Michael BOLLYN
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jürgen Millen kantoor houdend te 3730 Hoeselt Tongersesteenweg 4, bus 1
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld per fax op 22 augustus 2017, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van de gevangenisdirecteur van Hasselt donderdag 17 augustus 2017
waarin aan verzoeker werd meegedeeld dat verzoeker enkel bezoek achter glas mag bekomen van mevrouw Van Engeland Kristel en dit van 14 augustus 2017 tot en met 13 november 2017”.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een administratief dossier en een nota ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2017, om 10.30 uur.
Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht.
XIV-37.499 1/7
Advocaat Jürgen Millen, die verschijnt voor verzoeker, en attaché Valérie Arickx, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Auditeur Ines Martens heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3. Verzoeker is opgesloten in de gevangenis te Hasselt.
Ingevolge een “rapport aan de directeur” van 13 augustus 2017
betreffende Kristel Van Engeland neemt de directeur van de gevangenis te Hasselt op 14 augustus 2017 een beslissing die dezelfde dag ter kennis wordt gebracht van verzoeker en die inhoudt dat “uw bezoekster VAN ENGELAND Kristel […] u enkel [mag] bezoeken achter glas voor een periode van 3 maanden (van 14/08/2017 tem 13/11/2017) als ordemaatregel wegens ongeoorloofd gedrag tav het personeel”.
Dit is de bestreden beslissing.
IV. Ontvankelijkheid van de vordering
Exceptie van bevoegdheid - Standpunt van de partijen
4. De verwerende partij betwist in haar nota en ter terechtzitting de bevoegdheid van de Raad van State. Zij betoogt in wezen dat de Raad van State geen kennis kan nemen van de ingestelde vordering omdat zij is gericht tegen een niet-aanvechtbare ordemaatregel.
XIV-37.499 2/7
5. Verzoeker anticipeert in het verzoekschrift op deze exceptie met een “uiteenzetting betreffende de ordemaatregel die een tuchtsanctie bevat”. Hij wijst op ’s Raads arrest nr. 116.899 van 11 maart 2003 en voert aan dat de bestreden beslissing “voor verzoeker een (verkapte) tuchtsanctie betreft die tot doel heeft om verzoeker mee te bestraffen voor het feit dat zijn vrouw een discussie had met een penitentiair beambte”. Verzoeker merkt op dat de opgelegde maatregel drie keer zo lang duurt als de 30 dagen die als tuchtsanctie kunnen worden opgelegd met toepassing van artikel 133, 3° van basiswet van 12 januari 2005 ‘betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden’ (hierna: de basiswet). Hij laat verder gelden dat de gevangenisdirecteur had laten weten dat de maatregel werd opgelegd om de goede orde en de veiligheid “in de gewone bezoekzaal” niet verder te verstoren, doch dat hem achteraf werd meegedeeld dat ook “het ongestoord bezoek” onder de maatregel valt. Dit wijst er volgens verzoeker op dat het duidelijk de bedoeling was hem mee te bestraffen door elke vorm van bezoek met fysiek contact onmogelijk te maken.
Beoordeling
6. De directeur van een strafinrichting is belast met de zorg voor de goede werking van, en de goede orde in de strafinrichting. Hij kan met het oog daarop ten aanzien van wie in de strafinrichting is opgenomen een veelheid van maatregelen beslissen die zekere ongemakken of onaangenaamheden kunnen meebrengen. Evenwel, zoals de Raad van State, in algemene vergadering, in het arrest nr. 116.899 van 11 maart 2003 inzake De Smedt heeft overwogen, zijn die maatregelen, in zoverre zij uitsluitend of hoofdzakelijk ingegeven zijn door veiligheids- en voorzichtigheidsoverwegingen, maatregelen van inwendige orde, waartegen in principe geen annulatieberoep openstaat. Het is slechts anders wanneer de betrokken maatregel er uitsluitend of hoofdzakelijk toe strekt een gedetineerde te bestraffen wegens disciplinaire tekortkomingen. De maatregel wordt dan in de eerste plaats gemotiveerd door het schuldig bevonden gedrag van de gedetineerde, waarvoor hij wil doen boeten. Een dergelijke maatregel komt wel
XIV-37.499 3/7
voor vernietiging – en dus voor schorsing van de tenuitvoerlegging – door de Raad van State in aanmerking.
7. De bestreden beslissing betreft een regeling van het bezoek zoals het is bepaald in artikel 60, § 3, van de basiswet. Op grond van deze bepaling kan de directeur van de gevangenis beslissen dat de bezoeken aan een gedetineerde plaatsvinden in een lokaal voorzien van een transparante wand die de bezoekers van de gedetineerde scheidt, in de volgende gevallen:
“1° wanneer er ernstige redenen bestaan dat er zich tijdens het bezoek incidenten kunnen voordoen die de orde of de veiligheid in het gedrang kunnen brengen;
2° op verzoek van de bezoeker;
3° op verzoek van de gedetineerde;
4° als de bezoeker of de gedetineerde eerder de bezoekregeling niet heeft nageleefd en er redenen bestaan om aan te nemen dat deze inbreuk op de bezoekregeling zich kan herhalen.”
De basiswet plaatst op het eerste gezicht het bezoek aan een gedetineerde in een lokaal voorzien van een transparante wand, zoals met de thans bestreden beslissing wordt voorzien, niet in een bestraffend maar in een veiligheidskader.
De formele motivering van de bestreden beslissing vermeldt uitdrukkelijk dat het een “ordemaatregel” betreft en ze is enkel genomen in hoofde van Kristel Van Engeland: de beperking tot bezoek achter glas wordt dus enkel aan deze laatste opgelegd en niet aan verzoeker in het algemeen. Er wordt uitsluitend verwezen naar het “ongeoorloofd gedrag tav het personeel” van Kristel Van Engeland en niet naar enig gedrag van verzoeker zelf. Het rapport aan de directeur van 13 augustus 2017, dat zich in het administratief dossier bevindt en dat tot de bestreden beslissing heeft geleid, maakt eveneens enkel melding van ongeoorloofd gedrag van Kristel Van Engeland. Uit de bestreden beslissing kan in de huidige stand van het geding niet worden afgeleid dat de maatregel is genomen om verzoeker (disciplinair) te bestraffen.
XIV-37.499 4/7
8. Gelet op het voormelde moet de bestreden beslissing duidelijk als een maatregel van inwendige orde worden beschouwd waarmee de goede werking van de instelling wordt verzekerd.
Het komt derhalve aan verzoeker toe om het voor de Raad van State aannemelijk te maken dat, ondanks de schijn van het tegendeel, de bestreden beslissing er uitsluitend of hoofdzakelijk toe strekt om hem te bestraffen wegens disciplinaire tekortkomingen. Tot het bestaan van een dergelijke, niet-veruit-
wendigde bedoeling, kan niet worden besloten op grond van loutere subjectieve gevoelens van verzoeker. Integendeel dient verzoeker met verwijzing naar concrete omstandigheden aannemelijk te maken dat het determinerend motief van de opgelegde maatregel erin bestaat hem te bestraffen.
9. Verzoeker verwijst in het verzoekschrift niet naar concrete feiten of gegevens waaruit zou moeten blijken dat het opleggen van de bestreden maatregel in werkelijkheid uitsluitend of hoofdzakelijk ertoe strekt om hem te bestraffen wegens disciplinaire tekortkomingen. Hij beperkt zich in wezen tot de blote bewering dat het “een (verkapte) tuchtsanctie betreft die tot doel heeft om verzoeker mee te bestraffen”, doch in het licht van wat voorafgaat volstaat dit niet.
Dat de duur van de opgelegde maatregel drie maanden bedraagt terwijl de tuchtsanctie die bestaat in het organiseren van bezoek achter een transparante wand slechts 30 dagen mag duren, toont op zich geen bestraffend karakter in hoofde van verzoeker aan, evenmin als het feit dat Kristel Van Engeland gedurende de termijn van drie maanden ook niet wordt toegelaten tot ongestoord bezoek. Integendeel blijkt uit de gegevens van het administratief dossier op het eerste gezicht dat de maatregel uitsluitend is gegrond op het persoonlijk gedrag van Kristel Van Engeland en tot doel heeft verdere verstoring van de orde of de veiligheid door deze laatste te voorkomen. Bovendien werden in hoofde van Kristel Van Engeland reeds op 8 november 2016, 20 november 2016, 29 november 2016 en 25 maart 2017 rapporten aan de directeur opgesteld en werd haar met een beslissing van 26 maart 2017 van de directeur van de gevangenis,
XIV-37.499 5/7
eveneens om verdere verstoring van de orde of de veiligheid in de gevangenis te voorkomen, gedurende twee maanden de toegang tot de gevangenis ontzegd, gevolgd door een periode van twee maanden waarin zij enkel tot glasbezoek achter een transparante wand werd toegelaten.
10. Uit wat voorafgaat volgt dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat de bestreden beslissing waarbij aan Kristel Van Engeland drie maanden glasbezoek wordt opgelegd, in werkelijkheid uitsluitend of hoofdzakelijk ertoe strekt hemzelf te bestraffen wegens disciplinaire tekortkomingen.
In deze stand van het geding lijkt de bestreden beslissing een maatregel van inwendige orde te zijn die niet het voorwerp kan uitmaken van een annulatieberoep en waarvan de Raad van State bijgevolg evenmin de schorsing kan bevelen.
11. De door de verwerende partij opgeworpen – maar desnoods ook ambtshalve op te werpen – exceptie vertoont een dergelijke graad van ernst, dat ze reeds in de huidige stand van de procedure moet worden opgeworpen en bijgevallen.
V. Conclusie
12. Uit wat voorafgaat volgt dat de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid niet-ontvankelijk is.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro.
XIV-37.499 6/7
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 31 augustus 2017, door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit:
Carlo Adams, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier.
De griffier De voorzitter
Frank Bontinck Carlo Adams
XIV-37.499 7/7
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.987