Belgian State dismissed Patrick De Craemer's appeal regarding his incompatibility with tax appraisal activities.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected Patrick De Craemer's appeal against the Federal Public Service Finance's refusal to grant him a cumulative authorization for tax appraisal work. The court found that the State's reasoning regarding inherent conflicts of interest and the requirement for part-time status was legally sound and sufficiently motivated. Consequently, the applicant was ordered to bear the costs of the proceedings.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 19 and 20 of the Royal Decree of 2 October 1937; Article 19 of the Royal Decree of 10 April 1995: A public official's secondary activity involving property valuation is incompatible with their primary duties due to inherent conflicts of interest and the necessity of maintaining part-time status.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
IXe KAMER
nr. 238.809 van 13 juli 2017
in de zaak A. 218.873/IX-8848
In zake : Patrick DE CRAEMER
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Philippe Vande Casteele kantoor houdend te 2900 Schoten Klamperdreef 7
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën die woonplaats kiest bij de Centrale Rechtskundige Dienst van de FOD Financiën gevestigd te 1030 Brussel North Galaxy - Toren B
Koning Albert II-laan 33 bus 15
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 30 maart 2016, strekt tot de nietigver-
klaring van:
- de beslissing van de voorzitter van het directiecomité van de Federale Over-
heidsdienst Financiën van 29 januari 2016 waarbij Patrick De Craemer de cu-
mulatiemachtiging wordt geweigerd “om de beroepsactiviteit uit te oefenen die bestaat uit het uitvoeren van waardebepalingen van onroerende goederen als onbezoldigd medebestuurder binnen de bvba De Craemer te 8420 De Haan”;
- de zevende en de negende tot de twaalfde voorwaarde die verbonden zijn aan de beslissing van de voorzitter van het directiecomité van de Federale Overheids-
dienst Financiën van 29 januari 2016 om Patrick De Craemer de cumulatie-
machtiging te verlenen “om als onbezoldigd medebestuurder binnen de bvba De Craemer de beroepsactiviteiten uit te oefenen van [1°] opmetingen, afpalingen,
IX-8848-1/43
opmaken van plannen welke moeten dienen voor een grenserkenning, voor een mutatie en/of prekadastrering of voorafgaandelijke identificatie, voor het regelen van gemeenheid en voor gelijk welke akte of proces-verbaal, welke in een iden-
tificatie van grondeigendom voorzien en welke ter hypothecaire overschrijving of inschrijving kunnen worden aangeboden; [2°] het opstellen van deskundigen-
verslagen inzake kwaliteitsbeoordeling en normeringen van onroerende goede-
ren, opmaken van plaatsbeschrijvingen, te 8420 De Haan”.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge-
diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Auditeur Wendy Depester heeft een verslag opgesteld.
De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 maart 2017.
Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Philippe Vande Casteele, die verschijnt voor de ver-
zoekende partij en adviseur Ann Lauwens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Auditeur Wendy Depester heeft een met dit arrest gedeeltelijk eensluidend advies gegeven.
IX-8848-2/43
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge-
coördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Verzoeker is als statutair personeelslid van niveau B met de graad van fiscaal deskundige verbonden aan de administratie Opmetingen en Waarderingen, centrum Mutaties en Waarderingen West-Vlaanderen, antenne Mutaties 302 Oostende, afdeling Waarderingen, van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie (hierna: de AAPD) van de federale overheids-
dienst Financiën (hierna: FOD Financiën) en is belast met de volgende taken:
- het vaststellen van de kadastrale inkomens van nijverheidsgebouwen en uitzon-
derlijke gebouwen zoals bijvoorbeeld schoolgebouwen, ziekenhuizen en groot-
warenhuizen;
- het behandelen van bezwaarschriften bezorgd door de Vlaamse Belastingdienst (hierna: Vlabel) in verband met onroerende voorheffing; en - het schatten van verkoopwaarden van bebouwde en onbebouwde onroerende goederen ten behoeve van andere administraties binnen de FOD Financiën en de andere FOD’s.
3.2. Verzoeker is tevens gediplomeerd meetkundige-schatter on-
roerende goederen.
3.3. Op 20 december 2015 dient verzoeker een aanvraag tot cumu-
latiemachtiging in om als onbezoldigd bestuurder binnen de bvba De Craemer de volgende activiteiten uit te oefenen:
1° opmetingen, afpalingen, opmaken van plannen welke moeten dienen voor een grenserkenning, voor een mutatie of prekadastrering of voorafgaandelijke identificatie, voor het regelen van gemeenheid en voor gelijk welke akte of proces-verbaal, welke in een identificatie van grondeigendom voorzien en
IX-8848-3/43
welke ter hypothecaire overschrijving of inschrijving kunnen worden aange-
boden;
2° het opstellen van deskundigenverslagen inzake kwaliteitsbeoordeling en nor-
meringen van onroerende goederen, opmaken van plaatsbeschrijvingen; en 3° het uitvoeren van waardebepalingen van onroerende goederen.
3.4. Op 29 januari 2016 beslist de voorzitter van het directiecomité van de FOD Financiën om verzoeker de cumulatiemachtiging “om de beroepsac-
tiviteit uit te oefenen die bestaat uit het uitvoeren van waardebepalingen van on-
roerende goederen als onbezoldigd bestuurder binnen de bvba De Craemer te 8420
De Haan” te weigeren.
Deze beslissing wordt gemotiveerd als volgt:
“Overwegende dat de hoedanigheid van rijksambtenaar onverenigbaar is met elke activiteit die het vervullen van zijn ambtsplicht belemmert;
Overwegende dat bij zijn ambtsuitoefening de rijksambtenaar elke situatie dient te vermijden die van die aard is dat ze het vertrouwen van het publiek in zijn volledige neutraliteit in het gedrang zou kunnen brengen;
Overwegende dat de rijksambtenaar zich niet mag plaatsen en zich niet mag laten plaatsen in een toestand van belangenconflicten, dit wil zeggen in een toestand waarin hij door zichzelf of door een tussenpersoon een persoonlijk voordeel heeft dat van aard is om de onpartijdige en objectieve uitoefening van zijn ambt te beïnvloeden of de gewettigde verdenking te doen ontstaan van zulke invloed;
Overwegende dat onder persoonlijk voordeel wordt verstaan elk voordeel voor het personeelslid of ten gunste van zijn gezin, ouders, vrienden en naasten of organisaties waarmee hij persoonlijke, zakelijke of politieke relaties heeft of gehad heeft;
Overwegende dat in de manier waarop de rijksambtenaar de dossiers be-
handelt, hij op een strikte manier de beginselen van neutraliteit, van gelijkheid in behandeling en van naleving van de wetten, de reglementen en de richtlijnen dient te eerbiedigen;
Overwegende dat bij zijn ambtsuitoefening de rijksambtenaar elke activi-
teit die de waardigheid van het ambt aantast, het ambt schade toebrengt of het vervullen van de ambtsplichten belemmert, dient te vermijden;
Overwegende dat de heer De Craemer, Patrick, C.L., tewerkgesteld is als fiscaal deskundige bij het Centrum Mutaties en Waarderingen, West-Vlaanderen te 8400 Oostende, waar hij zich bezighoudt met:
- het bepalen van kadastrale inkomens van nijverheidsgebouwen en uit-
zonderlijke gebouwen zoals bvb. schoolgebouwen, ziekenhuizen, grootwarenhuizen en dergelijke;
IX-8848-4/43
- het behandelen van bezwaarschriften overgemaakt door de Vlaamse Belastingdienst in verband met Onroerende Voorheffing;
- het schatten van verkoopwaarden van gebouwde en ongebouwde on-
roerende goederen ten behoeve van andere administraties binnen de FOD Financiën en andere FOD’s;
dat hij deze activiteiten uitoefent binnen de hele provincie West-Vlaanderen en in hoofdzaak binnen het ambtsgebied van de antenne Mutaties 302 Oostende;
Overwegende dat de heer De Craemer, Patrick, C.L., het diploma heeft van meetkundige schatter van onroerende goederen;
Overwegende dat de heer De Craemer, Patrick, C.L., in de uitoefening van zijn functie bij de FOD Financiën rechtstreeks contact heeft met de burgers, belastingplichtigen, bestuurlijke overheden en vertegenwoordigers hiervan via telefoon, e-mail, brief, plaatsbezoeken, …;
Overwegende dat de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocu-
mentatie over zeer privacygevoelige informatie beschikt waaronder de ver-
koopprijzen van onroerende goederen; dat de heer De Craemer, Patrick, C.L., in de hoedanigheid van fiscaal deskundige bij de AAPD ook toegang heeft tot deze zeer privacygevoelige informatie waaronder de verkoopprijzen van onroerende goederen, toepassingen zoals CADNET, STIPAD, Patris, Annucomp, Cadgis, ConsultImmo, Sitran, Urbain, Easyval, Cadbuild, Regeval, MyMin-
fin-Patrimoine, PDF-F60, Locostat en ECL, de fiches é E, de schetsen 207 en alle andere elementen van de schattingsdocumentatie waarover de Administra-
tie beschikt;
Overwegende dat de heer De Craemer, Patrick, C.L., een aanvraag tot cumulatiemachtiging indient voor de activiteit van onbezoldigd bestuurder binnen de bvba De Craemer waarbij hij zich onder meer bezighoudt met het uitvoeren van waardebepalingen van onroerende goederen te 8420 De Haan;
Gelet op de beslissing van het Beheerscomité van de AAPD van 5 mei 2015: ‘Het Beheerscomité beslist een negatief advies te formuleren in het raam van het verzoek om advies inzake een (eventueel) belangenconflict aangaande het uitvoeren van schattingen in het kader van de Vlaamse Codex Fiscaliteit (Erfbelasting/Successierechten – aangifte van nalatenschap). Het comité oor-
deelt dat met de huidige reglementering, het toestaan van cumul, voor het uit-
voeren van dergelijke werken in strijd is met de voorwaarden opgenomen in elke machtiging. De landmeter-expert, ambtenaar bij de AAPD, mag niet op-
treden in zaken of geschillen waarbij de staat of eender welke andere admini-
stratieve instantie direct of indirect als partij betrokken is. Gezien de schatting per definitie een subjectief bestanddeel bevat kan de administratieve onafhan-
kelijkheid van het personeelslid in het gedrang worden gebracht’;
Overwegende dat de ‘schatting’ van een onroerend goed per definitie – ook al wordt ze beredeneerd – een subjectief bestanddeel bevat; dat de administra-
tieve onafhankelijkheid van de heer De Craemer, Patrick, C.L., door het uit-
voeren van waardebepalingen van onroerende goederen in het gedrang wordt gebracht; dat de druk vanwege de aanvrager immers groot is om de schat-
ting/waardebepaling bijvoorbeeld zo laag mogelijk te houden indien deze wordt gevraagd in het kader van een successieaangifte;
Overwegende dat de activiteit die bestaat uit het uitvoeren van waardebe-
IX-8848-5/43
palingen van onroerende goederen als onbezoldigd bestuurder binnen de bvba De Craemer te 8420 De Haan schade kan toebrengen aan zijn onafhankelijkheid (cf. art. 9 §1 van het K.B. van 2 oktober 1937: ‘een toestand waarin hij door zichzelf of door een tussenpersoon een persoonlijk voordeel heeft dat van die aard is om de onpartijdige en objectieve uitoefening van zijn ambt te beïn-
vloeden of de gewettigde verdenking te doen ontstaan van zulke invloed’);
Overwegende dat de onverenigbaarheid om in bijberoep ‘als onbezoldigd bestuurder binnen de bvba De Craemer waardebepalingen van onroerende goederen uit te voeren’ ook ingegeven is door het beginsel dat de Administratie op geen enkel gebied mag en wil ingrijpen in de prijsvorming op de onroerende markt; dat het derhalve niet toegestaan kan worden dat een personeelslid van de FOD Financiën in zijn bijberoep ‘schattingen/waardebepalingen van onroe-
rende goederen’ zou doen die prijsvorming op de onroerende markt zouden kunnen beïnvloeden;
Overwegende dat enerzijds het werken als onbezoldigd bestuurder binnen de bvba De Craemer die zich bezighoudt met de uitvoering van waardebepa-
lingen van onroerende goederen en anderzijds het hebben van toegang tot zeer interessante gegevens (CADNET, STIPAD, …, fiches é E, de schetsen 207
en alle andere elementen van de schattingsdocumentatie waarover de Admini-
stratie beschikt) zou kunnen leiden tot schending van het beroepsgeheim; dat de Administratie dit dient te voorkomen;
Overwegende dat de heer De Craemer, Patrick, C.L., door zijn tewerkstel-
ling op de AAPD en de aldaar verkregen ervaring en deskundigheid in verband met ‘schattingen van onroerende goederen’ en mede door de toegang tot pri-
vacygevoelige gegevens een zekere voorsprong heeft op andere schatters die geen personeelslid van de FOD Financiën zijn; dat dit een discriminatie inhoudt waarbij de concurrentievervalsing aanleiding zou kunnen geven tot klachten vanwege andere landmeters-experten;
Overwegende dat de andere firma’s/zelfstandigen die zich bezighouden met het uitvoeren van waardebepalingen van onroerende goederen, de indruk kunnen hebben dat zij benadeeld zijn tegenover de heer De Craemer, Patrick, C.L., aangezien hij fiscaal deskundige is bij de AAPD, en bijgevolg, in tegen-
stelling tot zijzelf, toegang heeft tot zeer interessante gegevens zoals vergelij-
kingspunten, CADNET, STIPAD, …;
Overwegende dat de heer De Craemer, Patrick, C.L., niet mag optreden in zaken of geschillen waarbij de Staat of eender welke administratieve instantie direct of indirect als partij betrokken is;
Overwegende dat het uitvoeren van waardebepalingen (schattingen) van onroerende goederen (bijvoorbeeld in het kader van successieaangiften) een activiteit is die een onverenigbaarheid meebrengt omdat de Staat of eender welke administratieve instantie (in casu Vlabel) direct of indirect betrokken partij is;
Overwegende dat de heer De Craemer, Patrick, C.L., zowel in zijn functie van fiscaal deskundige tewerkgesteld bij de AAPD – Opmetingen en Waarde-
ringen, Afdeling Waardering West-Vlaanderen te 8400 Oostende, als in zijn functie van onbezoldigd bestuurder binnen de bvba De Craemer die waarde-
bepalingen van onroerende goederen uitvoert te 8420 De Haan, in contact kan komen met hetzelfde publiek;
IX-8848-6/43
Overwegende dat hierdoor het vertrouwen van de collega’s en van het pu-
bliek, dat mogelijks om één of andere reden beroep moet doen op beide in-
stanties, kan worden aangetast en de geloofwaardigheid van de heer De Crae-
mer, Patrick, C.L., in zijn hoedanigheid van fiscaal deskundige bij de AAPD in het gedrang kan worden gebracht;
Overwegende dat de heer De Craemer, Patrick, C.L., zich plaatst in een situatie waarin hij de onpartijdige en objectieve uitoefening van zijn hoeda-
nigheid van fiscaal deskundige in het gedrang brengt; dat immers de verdenking zou kunnen ontstaan dat de klanten van bvba De Craemer rechtstreeks of on-
rechtstreeks bevoordeeld worden inzake hun fiscale aangelegenheden; dat het publiek (klanten zoals o.a. banken, immobiliënkantoren, particulieren (bij-
voorbeeld voor hun successieaangifte)…) zo onder andere de indruk kunnen hebben dat het voor hen fiscaal voordelig kan uitvallen als ze hun onroerende goederen via de heer De Craemer, Patrick, C.L., laten schatten, omdat hij én als onbezoldigd bestuurder binnen de bvba De Craemer waardebepalingen van onroerende goederen uitvoert én tegelijkertijd ambtenaar is bij de FOD Finan-
ciën, waar hij als fiscaal deskundige bij de AAPD toegang heeft tot alle moge-
lijke interessante gegevens (verkoopwaarden onroerende goederen, CADNET, STIPAD, …) om de schatting te kunnen opmaken;
Overwegende dat de heer De Craemer, Patrick, C.L., het beginsel van de naleving van de wetten, reglementen en richtlijnen in het gedrang kan brengen door deze wetten, reglementen en richtlijnen op een andere manier toe te passen en/of te interpreteren omdat hij fiscaal ambtenaar is en schattingen van onroe-
rende goederen opmaakt voor bvba De Craemer; dat hij het beginsel van neu-
traliteit kan schenden omdat er een vermenging kan ontstaan van zijn hoeda-
nigheid van fiscaal ambtenaar, die toegang heeft tot privacygevoelige gegevens, en zijn hoedanigheid van onbezoldigd bestuurder binnen de bvba De Craemer, waardoor hij het vertrouwen van het publiek en zijn collega’s in zijn volledige neutraliteit in het gedrang zou kunnen brengen;
Overwegende dat de activiteit van onbezoldigd bestuurder binnen de bvba De Craemer, die waardebepalingen van onroerende goederen uitvoert voor banken, immobiliënkantoren, particulieren, …, en waarbij hij rechtstreeks in contact komt met de klanten/belastingplichtigen, de waardigheid van zijn ambt kan beïnvloeden, cfr. Art. 8 §2 van het K.B. van 2 oktober 1937: ‘Zelfs buiten de uitoefening van zijn ambt vermijdt de rijksambtenaar elk gedrag dat in strijd is met de waardigheid van zijn ambt. Hij vermijdt evenzeer elke toestand waarbij hij, zelfs door een tussenpersoon, in verband zou kunnen worden ge-
bracht met bezigheden die in strijd zijn met de waardigheid van zijn ambt.’;
Overwegende dat het uitvoeren van waardebepalingen/schattingen van onroerende goederen (voor bijvoorbeeld successieaangiften), in de hoedanig-
heid van onbezoldigd bestuurder van de bvba De Craemer bepaalde fis-
caal-juridische gevolgen met zich meebrengt die onverenigbaar zijn met de hoedanigheid van ambtenaar bij de FOD Financiën;
Overwegende dat de heer De Craemer, Patrick, C.L., zich door de uitoe-
fening van de beroepsactiviteit die bestaat uit het uitvoeren van waardebepa-
lingen (schattingen) van onroerende goederen voor banken, particulieren, …, plaatst in een toestand van belangenconflicten (dit wil zeggen in een toestand waarin hij door zichzelf of door een tussenpersoon een persoonlijk voordeel
IX-8848-7/43
heeft dat van die aard is om de onpartijdige en objectieve uitoefening van zijn ambt te beïnvloeden of de gewettigde verdenking te doen ontstaan van zulke invloed) omdat hij bij de FOD Financiën tewerkgesteld is, die de instantie is waar de kadastrale inkomens van onroerende goederen worden vastgelegd, en hij bovendien toegang heeft tot voor de schatting interessante gegevens zoals CADNET, STIPAD, ….”
Dat is de eerste bestreden beslissing.
3.5. Eveneens op 29 januari 2016 beslist de voorzitter van het direc-
tiecomité van de FOD Financiën om verzoeker de cumulatiemachtiging “om als onbezoldigd bestuurder binnen de bvba De Craemer de beroepsactiviteiten uit te oefenen van [1°] opmetingen, afpalingen, opmaken van plannen welke moeten dienen voor een grenserkenning, voor een mutatie en/of prekadastrering of voor-
afgaandelijke identificatie, voor het regelen van gemeenheid en voor gelijk welke akte of proces-verbaal, welke in een identificatie van grondeigendom voorzien en welke ter hypothecaire overschrijving of inschrijving kunnen worden aangeboden;
[2°] het opstellen van deskundigenverslagen inzake kwaliteitsbeoordeling en normeringen van onroerende goederen, opmaken van plaatsbeschrijvingen, te 8420 De Haan” te verlenen, voor zover:
“- [1°] de bepalingen opgenomen in het deontologisch kader voor ambte-
naren van het federaal administratief openbaar ambt rigoureus worden nage-
leefd;
- [2°] de activiteit wordt uitgeoefend buiten de uren waarop de rijksamb-
tenaar zijn dienst vervult;
- [3°] hij – bij een voltijdse tewerkstelling – tijdens de werkweek (bekeken over een referentieperiode van 4 maanden) gemiddeld 38 uren aan de hoofdac-
tiviteit bij de FOD Financiën besteedt;
- [4°] de activiteit in elk geval bijkomstig blijft ten overstaan van het uit-
geoefend ambt;
- [5°] de activiteit wordt uitgeoefend met inachtneming van de wetten en reglementen die de uitoefening van die activiteit regelen;
- [6°] hij de bijzondere voorwaarden inzake onverenigbaarheid naleeft in-
dien hij een verlof of een afwezigheid geniet die dergelijke voorwaarden bepaalt (vb: verbod om een bezoldigde activiteit uit te oefenen tijdens de afwezigheid ten gevolge van de vrijwillige vierdagenweek);
- [7°] de nevenactiviteit niet uitgeoefend wordt in de gemeente(n) waar het personeelslid een administratieve bevoegdheid heeft;
- [8°] de administratieve onafhankelijkheid van het personeelslid niet ge-
compromitteerd wordt door enig belangenconflict tussen zijn nevenactiviteiten
IX-8848-8/43
en zijn administratieve verplichtingen; zo mag het personeelslid niet optreden als scheidsrechter of raadgever bij betwisting van het kadastraal inkomen of bij een tekortschatting registratie;
- [9°] de betrokkene niet optreedt in zaken of geschillen waarbij de Staat of eender welke andere administratieve instantie direct of indirect als tegenpartij betrokken is;
- [10°] er geen enkele publiciteit wordt gevoerd voor de activiteit (dit houdt onder andere in dat zijn naam noch op het internet, noch in de gele gids wordt teruggevonden onder de functie van landmeter);
- [11°] hij zich niet bezighoudt met de schatting van de waarde van on-
roerende goederen;
- [12°] hij niet voorkomt op de lijst van landmeters-experten die opdrachten kunnen uitvoeren voor de Vlaamse Overheid.”
Dat is de tweede bestreden beslissing.
IV. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
4. In een eerste middel voert verzoeker machtsoverschrijding aan, het gebruik van onwettige motieven en de schending van het gelijkheidsbeginsel en verzoekt hij om toepassing van artikel 159 van de Grondwet ten aanzien van de beslissing van het beheerscomité van de AAPD van de FOD Financiën van 5 mei 2015 en de nota’s van de adviseur-generaal van de dienst Algemene Inspectie van de AAPD van de FOD Financiën van 17 juli 2015 en 4 december 2015, ingeroepen in de formele motivering van de eerste bestreden beslissing.
Verzoeker werkt het middel uit in vier middelonderdelen.
a) Eerste middelonderdeel
Uiteenzetting van het middelonderdeel
5.1. In een eerste middelonderdeel – schending van het gelijk-
heidsbeginsel – stelt verzoeker dat hij ongelijk wordt behandeld in vergelijking
IX-8848-9/43
met J.S., die adjunct-fiscaal deskundige bij de AAPD van de FOD Financiën is en die op 16 april 2015 een cumulatiemachtiging onder voorwaarden heeft gekregen “om in bijberoep de zelfstandige activiteit uit te oefenen van meetkundige-schatter en landmeter-expert, te 9200 Dendermonde”. Volgens verzoeker zijn beide cu-
mulatieaanvragen gelijkaardig omdat ze in essentie dezelfde nevenactiviteit omvatten, namelijk “het uitoefenen van schatting-activiteiten, opgedragen sinds 2015 door de Vlaamse overheid in het kader van een na te leven erkend kwali-
teitscharter”. Dit verschil in behandeling kan dan ook niet redelijk verantwoord worden.
5.2. In zijn laatste memorie wijst verzoeker erop dat de verwerende partij in hoofde van J.S. op 29 september 2016 een nieuwe beslissing heeft ge-
nomen waarin wordt bepaald dat de cumulatiemachtiging van 16 april 2015 wordt “opgeheven (stopgezet) wat betreft de activiteit van het uitvoeren van schattingen inzake erfbelastingsaangiften voor de Vlaamse Belastingdienst […] en wat betreft het zich bezighouden met de schattingen van de waarde van onroerende goederen in het algemeen”.
Beoordeling
6.1. Zoals verzoeker terecht vaststelt in zijn laatste memorie, is de cumulatiemachtiging van J.S. ondertussen opgeheven.
Uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat de ver-
werende partij nadat zij over de cumulatie-aanvraag van J.S. had beslist, haar beleid op het vlak van cumulatiemachtigingen heeft gewijzigd in het licht van mogelijke belangenconflicten.
In het bijzonder blijkt uit brieven van de Algemene Inspectie van 16 juli 2015 en 4 december 2015 aan de personeelsleden van de AAPD, waarin de problematiek expliciet wordt toegelicht, dat het aan het personeel – en dus ook aan J.S. – verboden wordt om schattingen van onroerende goederen uit te voeren,
IX-8848-10/43
alsook dat het verboden wordt om voor te komen op de lijst van landme-
ters-experten die opdrachten kunnen uitvoeren voor de Vlaamse overheid. Bo-
vendien heeft de verwerende partij nadien, op 29 september 2016, een nieuwe beslissing genomen waarbij de cumulatiemachtiging van J.S. van 16 april 2015
wordt “opgeheven (stopgezet) wat betreft de activiteit van het uitvoeren van schattingen inzake erfbelastingsaangiften voor de Vlaamse Belastingdienst […] en wat betreft het zich bezighouden met de schattingen van de waarde van onroerende goederen in het algemeen”.
Voor zover er initieel al een ongelijke behandeling zou zijn geweest, blijkt deze thans alleszins niet meer te bestaan en blijken alle perso-
neelsleden van de AAPD, waaronder J.S. en verzoeker, aan dezelfde regels on-
derworpen te zijn.
6.2. Verzoeker heeft aldus geen belang meer bij het eerste middel-
onderdeel. Het is onontvankelijk.
b) Tweede middelonderdeel
Uiteenzetting van het middelonderdeel
7.1. In een tweede middelonderdeel – het gebruik van onwettige motieven – voert verzoeker aan dat de eerste bestreden beslissing en de betwiste beperkende voorwaarden van de tweede bestreden beslissing gesteund zijn op onwettige, niet-draagkrachtige en ongegronde motieven, omdat de verwerende partij het beweerde risico van belangenvermenging of corruptie in hoofde van verzoeker niet aannemelijk maakt – wat niet in overeenstemming is met het arrest van de Raad van State nr. 231.692 van 22 juni 2015 – en bovendien nalaat aan te geven in welke mate het risico op een belangenconflict voor de cumulatieaanvraag van verzoeker anders zou zijn dan het risico op een belangenconflict voor de (ge-
lijkaardige) cumulatieaanvraag van J.S. Aangezien voormeld risico op een be-
langenconflict voor de (gelijkaardige) cumulatieaanvraag van J.S. niet van die aard
IX-8848-11/43
was dat de cumulatiemachtiging werd geweigerd, ziet verzoeker niet in waarom dit voor hem anders zou moeten zijn. Verzoeker stelt immers dat hij sinds 1981 een onberispelijke loopbaan als federaal ambtenaar van niveau B kent en zijn per-
soonlijk dossier geen (relevante) tegenindicatie aangaande een vermeend risico van belangenvermenging of corruptie bevat. De verwerende partij toont, aldus verzoeker, niet aan dat het risico op een belangenconflict in het geval van ver-
zoeker dermate groot is dat er een daadwerkelijke ernstige onverenigbaarheid is.
7.2. Met betrekking tot de beweerde schending van de materiëlemo-
tiveringsplicht betoogt verzoeker nog dat een essentieel gegeven van de cumula-
tieweigering “het schatten van onroerende goederen in het kader van de opdrachten die Vlabel toekent” is en dat de verwerende partij het bestaan van een verhoogd risico op een belangenconflict opwerpt “omdat bij schatting van onroerende goe-
deren in het kader van een successieaangifte de druk vanwege de aanvrager im-
mers groot is om de schatting zo laag mogelijk te houden”. Verzoeker repliceert hierop dat enkel de Vlaamse overheid bevoegd is inzake successieaangifte, dat de successierechten de Vlaamse schatkist ten goede komen, dat de Vlaamse overheid als enige bevoegde overheid zelf zorg draagt voor een correcte inning van de erf-
belasting en dat de Vlaamse overheid hieromtrent zelf een risico-analyse uitvoert en diegene die geen correcte waardebepaling van de goederen uitvoert van de lijst van erkende schatters weert. Bijgevolg, eenmaal de Vlaamse overheid verzoeker op de Vlabel-lijst heeft ingeschreven, zijn er volgens verzoeker geen redenen meer om het bestaan van een risico op een te lage schatting te kunnen aannemen.
7.3. In zijn laatste memorie betoogt verzoeker nog dat het gegeven dat Vlaamse ambtenaren niet in aanmerking komen, verantwoord is door het ge-
geven dat Vlabel het risico van te hoge schattingen (ten voordele van de Vlaamse schatkist) wil vermijden. Hij vervolgt verder:
“Aan de orde is zo geen probleem van belangenconflict, maar wel het pro-
bleem dat de erfbelastingplichtige nu eenmaal kan (en zal) opwerpen dat de Vlaamse ambtenaar bij het opmaken van schattingsverslagen inzake erfbelas-
ting zijn Vlaamse schatkist altijd wil bevoordelen door te hoge schattingen. De (Vlaamse) proceseconomie gebiedt om deze stelselmatige betwistingen te
IX-8848-12/43
vermijden.”
Beoordeling
8.1. De materiëlemotiveringsplicht, het vereiste van deugdelijke motieven, houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling op motieven moet steunen waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. De motieven moeten in het administratief dossier kunnen worden gevonden.
8.2. Artikel 12, §§ 2 en 3, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 luidt als volgt:
“§ 2. De vraag tot cumulatie wordt door de ambtenaar ingediend bij zijn hiërarchische meerdere. Zij dient verplicht te omvatten:
1° de zo nauwkeurig mogelijke aanwijzing van de beoogde activiteit;
2° de duur van de beoogde activiteit;
3° de gemotiveerde bevestiging dat de activiteit geen aanleiding kan geven, zelfs in de toekomst, tot een toestand van belangenconflict.
§ 3. Wanneer hij het nodig acht, vraagt de hiërarchische meerdere aan de ambtenaar bijkomende informatie of verantwoordingsstukken. De hiërarchi-
sche meerdere zendt de vraag, langs hiërarchische weg, met zijn beoordeling, aan de voorzitter van het directiecomité of aan zijn afgevaardigde. De voorzitter van het directiecomité of zijn afgevaardigde, vraagt wanneer hij het nodig acht, aan de ambtenaar bijkomende informatie of verantwoordingsstukken.”
Bij de beoordeling van de aanvaardbaarheid van een cumula-
tieactiviteit dient de overheid steeds na te gaan of de gevraagde activiteit de amb-
tenaar voor een belangenconflict zou kunnen plaatsen. Zij moet daarbij niet enkel nagaan of er een actueel belangenconflict bestaat maar ook of de activiteit moge-
lijk, zelfs in de toekomst, aanleiding zou kunnen geven tot een belangenconflict.
Het is daarenboven niet onregelmatig als het bestuur bij het beoordelen van het mogelijke belangenconflict ook rekening houdt met de per-
ceptie bij het publiek – dus een schijn van partijdigheid of afhankelijkheid – die dus losstaat van het feitelijke gedrag van de betrokken ambtenaar.
IX-8848-13/43
Verzoeker geeft dan ook een met de aangehaalde bepaling vol-
komen strijdige lezing van de opdracht van het bestuur bij de beoordeling van een vraag tot cumulatie, als hij stelt dat de loutere omstandigheid van een eventueel belangenconflict niet voldoende is om zijn cumulatieaanvraag te weigeren, tenzij de verwerende partij aantoont dat dit risico in het geval van verzoeker dermate groot is dat er een daadwerkelijke ernstige onverenigbaarheid is.
Overigens gaat de vergelijking met arrest nr. 231.692 van 22 juni 2015 niet op. In deze zaak had de verwerende partij eerst met toepassing van artikel 9, § 2, derde lid, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 een advies gegeven waaruit niet bleek dat er volgens haar sprake kon zijn van een eventueel belangenconflict wanneer de toenmalige aanvrager – die werkzaam was als personeelslid bij de FOD Financiën – zou overgaan tot het uitoefenen van een activiteit van onbezoldigd zaakvoerder van een burgerlijke vastgoedvennootschap die zich enkel zou bezighouden met het verhuur van vastgoed. Een week later besloot de verwerende partij echter om de cumulatieaanvraag die reeds het voor-
werp had uitgemaakt van voormeld positief advies, te weigeren omwille van een eventueel belangenconflict. Aangezien die zaak niet vergelijkbaar is met de thans voorliggende zaak – de feiten die aanleiding hebben gegeven tot die zaak zijn immers fundamenteel verschillend – kan ze derhalve niet als een eventueel argu-
ment voor voorliggende zaak dienen.
8.3. Uit de eerste bestreden beslissing blijkt dat de verwerende partij aan de hand van diverse specifieke en concrete motieven aantoont dat “het uit-
voeren van waardebepalingen van onroerende goederen” in hoofde van verzoeker een verhoogd risico op een belangenconflict inhoudt. Deze motieven zijn hiervóór sub 3.4 geciteerd.
Hoewel sommige van die motieven in de voorwaardelijke wijs zijn gesteld, zijn ze – in tegenstelling tot wat verzoeker beweert – naar het oordeel van de Raad van State niet louter hypothetisch. Ze zijn niet dermate vergezocht dat ze noch in feite noch in rechte als aanvaardbare motieven zouden kunnen door-
IX-8848-14/43
gaan. Het oordeel van de verwerende partij dat er een verhoogd risico op een be-
langenconflict in hoofde van verzoeker bestaat wanneer hij, naast zijn functie als fiscaal deskundige bij de AAPD van de FOD Financiën ook de activiteit van “het schatten van onroerende goederen” zou uitoefenen, is realistisch. Verzoeker kan niet overtuigen dat de eerste bestreden beslissing onredelijk is.
8.4. De kritiek van verzoeker komt er in wezen op neer dat de in aanmerking genomen risico’s van belangenconflicten zich niet kunnen voordoen omdat hij bij het schatten van onroerende goederen onderworpen is aan het tuchtrechtelijk toezicht, ingesteld door de wet van 11 mei 2003 ‘tot bescherming van de titel en van het beroep van landmeter-expert’ en door de wet van 11 mei 2003 ‘tot oprichting van de federale raden van landmeters-experten’, en het toe-
zicht ingesteld door Vlabel, die met de erkende landmeters-experten een kwali-
teitscharter heeft gesloten. Voorts zou hij sinds 1981 een onberispelijke loopbaan als federaal ambtenaar van niveau B kennen en zou zijn persoonlijk dossier geen (relevante) tegenindicatie bevatten aangaande een vermeend risico van belan-
genvermenging of corruptie.
Die kritiek komt in wezen neer op een andere zienswijze omtrent het risico van belangenconflicten dan de beoordeling van de verwerende partij die over de cumulatieaanvraag heeft beslist. Verzoeker mag het liever anders zien, daarmee is echter niet aangetoond dat die laatste beoordeling onredelijk moet worden genoemd.
In dit verband zij ook nog opgemerkt dat een cumulatie geen recht is maar een gunst. Het past in het voeren van een personeelsbeleid om, ter wille van de goede werking van de dienst en de gelijkvormige behandeling van de personeelsleden, algemene richtlijnen op te stellen in verband met de aanvragen tot cumulatie. Zoals hierna in het vierde middelonderdeel nader ter sprake komt, toont verzoeker niet aan dat deze richtlijnen onredelijk of anderszins onwettig zijn, noch dat ze ten onrechte op een blinde wijze en zonder oog voor de concrete gegevens van zijn individuele dossier op hem werden toegepast.
IX-8848-15/43
Geheel ten overvloede kan er nog op gewezen worden dat zelfs Vlabel meent dat het tuchtrechtelijk toezicht, ingesteld door de voornoemde wetten van 11 mei 2003, en het toezicht ingesteld door Vlabel, die met de erkende land-
meters-experten een kwaliteitscharter heeft gesloten, niet het reëel risico op een belangenconflict kan wegnemen. Zo, bijvoorbeeld, wordt er in artikel 3 van het kwaliteitscharter van Vlabel bepaald dat “de landmeter-expert in dienst van de Vlaamse Overheid niet in aanmerking kan komen voor het opstellen van bedoelde schattingsverslagen, ook niet mocht hij het beroep als zelfstandige in bijberoep of in vennootschapsvorm uitoefenen. Deze maatregel wordt genomen om alle schijn van partijdigheid weg te nemen”.
8.5. Voor zover verzoeker in het tweede middelonderdeel andermaal refereert aan de verschillende behandeling van zijn aanvraag en de aanvraag van J.S., mag worden verwezen naar de beoordeling van het eerste middelonderdeel.
8.6. Het tweede middelonderdeel is niet gegrond.
c) Derde middelonderdeel
Uiteenzetting van het middelonderdeel
9.1. In een derde middelonderdeel – schending van de formelemo-
tiveringsplicht – stelt verzoeker dat de tweede bestreden beslissing de artikelen 2
en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ schendt omdat ze voor de betwiste beperkende voorwaarden dat “hij zich niet bezighoudt met de schatting van de waarde van onroerende goederen” en dat “hij niet voorkomt op de lijst van landmeters-experten die op-
drachten kunnen uitvoeren voor de Vlaamse Overheid” geen enkele formele mo-
tivering bevat.
9.2. In zijn memorie van wederantwoord stelt verzoeker dat hij wil achterhalen waarom de eerste bestreden beslissing de cumulatiemachtiging wei-
IX-8848-16/43
gert en waarom de tweede bestreden beslissing de cumulatiemachtiging aan be-
perkende voorwaarden onderwerpt. De formele motivering van beide beslissingen verduidelijkt hierover niets.
Beoordeling
10.1. De artikelen 2 en 3 van de voornoemde wet van 29 juli 1991
verplichten de overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen en dit op een “afdoende” wijze.
Dat de motivering “afdoende” moet zijn, impliceert enerzijds dat de opgelegde motivering in rechte en in feite evenredig moet zijn met het belang van de genomen beslissing en anderzijds dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de motieven de beslissing moeten kunnen dragen. De beslissing dient duidelijk de redenen te vermelden waarop de overheid haar beslissing steunt.
10.2. De betwiste beperkende voorwaarden dat “hij zich niet bezig-
houdt met de schatting van de waarde van onroerende goederen” en dat “hij niet voorkomt op de lijst van landmeters-experten die opdrachten kunnen uitvoeren voor de Vlaamse Overheid” uit de tweede bestreden beslissing, hangen nauw samen met de eerste bestreden beslissing, dit is de beslissing waarbij de aanvraag van verzoeker tot het verkrijgen van een cumulatiemachtiging om waardebepa-
lingen van onroerende goederen uit te voeren, wordt afgewezen.
10.3. Het kan niet worden betwist dat de eerste bestreden beslissing afdoende is gemotiveerd. Het volstaat daarvoor te verwijzen naar het aangehaalde sub 3.4. Zoals bij de beoordeling van de overige middelen blijkt, steunt deze be-
slissing op draagkrachtige motieven.
De eerste en de tweede bestreden beslissing werden als één geheel samen bij een ter post aangetekende brief van 1 februari 2016, aan ver-
zoeker toegezonden. Verzoeker kan in de formele motivering van de eerste be-
IX-8848-17/43
streden beslissing dan ook voldoende aanwijzingen vinden om te achterhalen waarom hem in de tweede bestreden beslissing de beperkende voorwaarden dat “hij zich niet bezighoudt met de schatting van de waarde van onroerende goede-
ren” en dat “hij niet voorkomt op de lijst van landmeters-experten die opdrachten kunnen uitvoeren voor de Vlaamse Overheid” worden opgelegd. De formele mo-
tivering van de eerste bestreden beslissing stelt verzoeker in staat te begrijpen op grond van welke feitelijke en juridische gegevens voormelde beperkende voor-
waarden in de tweede bestreden beslissing werden opgelegd.
10.4. Het derde middelonderdeel is niet gegrond.
d) Vierde middelonderdeel
Uiteenzetting van het middelonderdeel
11.1. In een vierde middelonderdeel voert verzoeker machtsover-
schrijding aan en vraagt hij dat met toepassing van artikel 159 van de Grondwet, “de beslissing van het Beheerscomité dd. 5 mei 2015” en “de zgn. ‘oproep’-nota’s dd. 17 juli 2015 en 4 december 2015” – waarop de verwerende partij zich beroept in de motivering van de eerste bestreden beslissing – buiten toepassing zouden worden gelaten. Een aanvraag tot cumulatiemachtiging heeft immers, volgens verzoeker, steeds een individueel karakter en de verwerende partij kan hierover bijgevolg niet bij voorbaat en op algemene wijze beslissen door uitvaardiging van pseudo-wetgeving. Bovendien is alleen de minister en niet het beheerscomité van de AAPD van de FOD Financiën op grond van artikel 14ter van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 ‘houdende het statuut van het rijkspersoneel’ bevoegd om de meest geëigende gedragsregels vast te stellen en daaraan bijkomende ge-
dragsregels toe te voegen.
11.2. In zijn memorie van wederantwoord benadrukt verzoeker dat de nota van het beheerscomité van de AAPD van de FOD Financiën van 5 mei 2015
geen advies is, maar wel degelijk algemeen verbindende gedragsregels bevat. Hij
IX-8848-18/43
verwijst daarvoor naar de nota’s van 17 juli 2015 en 4 december 2015, die op hun beurt verwijzen naar voormelde nota van het beheerscomité en daarop gegrond zouden zijn. Om die reden vraagt verzoeker nogmaals om de wettigheid van voormelde nota van het beheerscomité te onderzoeken en, zo desgevallend, buiten toepassing te laten.
11.3. In zijn laatste memorie benadrukt verzoeker in essentie dat de beslissing van 5 mei 2015 van het beheerscomité van de AAPD van de FOD Fi-
nanciën en de brieven van de Algemene Inspectie van 16 juli 2015 en 4 december 2015 wezenlijke motieven zijn ter verantwoording en ondersteuning van de door hem bestreden beslissingen en die daarin ook worden vermeld. Die beslissing en die brieven zijn volgens hem van reglementaire of verordenende aard. Ter onder-
steuning hiervan stelt verzoeker:
“De cumulatie-machtiging, verleend op 16 april 2015 aan [J.S.], kan immers zo enkel (retroactief?) bijgestuurd worden door deze latere beslissingen (van het Beheerscomité van de AAPD of de Algemene inspectie) omdat deze, door verzoeker nu expliciet in vraag gestelde en geweerde beslissingen, nu eenmaal wel degelijk reglementair of verordenend van aard zijn en trouwens daarom ook in dat perspectief later aan alle betrokkenen werden meegedeeld en opgelegd (vóór er dus sprake was van een beslissing op een eventuele cumulatie-aanvraag van de aldus aangeschreven personen).
[…]
Het verbod (om op de lijst van landmeters-experten die opdrachten kunnen uitvoeren voor de Vlaamse overheid voor te komen) werd dus meegedeeld aan verzoeker en collega’s in 2015, meer bepaald vóór het indienen van hun cu-
mulatie-aanvraag en alleszins dus vóór de beslissing hierop.
Dit verbod, zo meegedeeld aan betrokkenen, berust niet op een gebrek aan een cumulatiemachtiging, en gaat dus voorbij aan een zogenoemd individueel onderzoek van de in te dienen cumulatieaanvraag.
Dit verbod berust wel degelijk op de voormelde beslissingen van het Be-
heerscomité van de AAPD en van de Algemene Inspectie waarvan de regle-
mentaire aard dus niet kan ontkend worden.
Nogmaals, zonder onderzoek van verzoekers situatie werden deze beslis-
singen voorafgaandelijk aan alle betrokkenen werden meegedeeld en opgelegd.
Dit bepaalt de kwalificatie van die beslissingen.”
IX-8848-19/43
Beoordeling
12.1. Verzoeker vraagt om de beslissing van het beheerscomité van de AAPD van de FOD Financiën van 5 mei 2015, die algemeen verbindende ge-
dragregels zou bevatten, buiten toepassing te laten. Verzoeker vraagt hetzelfde voor de brieven van de Algemene Inspectie van 16 juli 2015 en 4 december 2015, die al eerder werden besproken.
12.2. Richtlijnen, die uitgevaardigd worden als een beleidslijn en uiteenzetten op welke wijze het bestuur zich in beginsel in concrete dossiers zal gedragen, maken de individuele beslissingen die ernaar verwijzen niet onregel-
matig, op voorwaarde dat ze niet als een dwingend voorschrift en zonder oog voor de concrete gegevens van het dossier, in de zaak betrokken zijn. Dergelijke richt-
lijnen – al dan niet in de vorm van een omzendbrief – bevorderen het stroomlijnen van de administratieve besluitvorming en dienen aldus de rechtszekerheid, aan-
gezien ze de bestuurde een zicht geven op de wijze waarop het bestuur zijn dis-
cretionaire bevoegdheid zal uitoefenen.
De verwerende partij kan dan ook worden bijgevallen, waar zij stelt dat voormelde beslissing van het beheerscomité van de AAPD van de FOD
Financiën van 5 mei 2015 niet in de weg staat aan haar discretionaire beslis-
singsmacht om cumulatieaanvragen geval per geval te beoordelen en, vervolgens, om cumulatiemachtigingen toe te staan of te weigeren.
Uit de motivering van de eerste bestreden beslissing blijkt dat de verwerende partij de beslissing heeft gesteund op diverse specifieke en concrete motieven, rekening houdend met de concrete gegevens die door verzoeker in zijn aanvraag werden aangevoerd. Dat de formele motivering van de eerste bestreden beslissing bijkomend en ten overvloede ook verwijst naar de beslissing van het beheerscomité van de AAPD van de FOD Financiën van 5 mei 2015 – die een negatief advies bevat in het kader van de toepassing van artikel 9, § 2, derde lid,
IX-8848-20/43
van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 – doet niets af aan de vaststelling dat de aanvraag van verzoeker wel degelijk individueel werd beoordeeld.
12.3. Het vierde middelonderdeel is niet gegrond.
13. Het eerste middel is deels onontvankelijk, deels ongegrond.
B. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
14.1. Verzoeker voert in een tweede middel machtsoverschrijding aan, de schending van de formele- en de materiëlemotiveringsplicht en de onbe-
voegdheid van de steller van de handeling.
Verzoeker herhaalt dat uit het arrest van de Raad van State nr. 231.692 van 22 juni 2015 blijkt dat de loutere omstandigheid van een eventueel belangenconflict niet van die aard is om een weigering van de cumulatieaanvraag te gronden, tenzij is aangetoond dat dit risico dermate groot is dat er daadwerkelijk een ernstige onverenigbaarheid is. Hoewel de formele motivering van de eerste bestreden beslissing overvloedig en lang is, kan de verwerende partij niet aanne-
melijk maken dat, bij de uitoefening van de aangevraagde decretale schattingsac-
tiviteit voor de Vlaamse overheid (Vlabel), het risico “te worden gecompromit-
teerd door enig belangenconflict tussen zijn nevenactiviteit en zijn administratieve verplichtingen” dermate groot is dat er een daadwerkelijke ernstige onverenig-
baarheid is. Dit risico is volgens verzoeker vooreerst louter hypothetisch, gelet op het feit dat hij bij het schatten van onroerende goederen onderworpen is aan het tuchtrechtelijk toezicht, ingesteld door de wetten van 11 mei 2003, en het toezicht ingesteld door Vlabel, die met de erkende landmeters-experten een kwaliteits-
charter heeft gesloten. Verzoeker voegt eraan toe dat ook het Grondwettelijk Hof in arrest nr. 64/2012 van 10 mei 2012 heeft geoordeeld dat de aanwijzing van landmeters-experten door de Vlaamse overheid voor de schatting van onroerende
IX-8848-21/43
goederen betere garanties biedt voor onpartijdigheid en onafhankelijkheid dan vastgoedmakelaars.
Bovendien is niet de verwerende partij maar de Vlaamse over-
heid (Vlabel) als enige bevoegd om te bepalen of er in zijnen hoofde sprake kan zijn van een reëel risico tot te lage schattingen die de Vlaamse financiën zouden kunnen benadelen. Vlabel heeft door de aanvaarding van verzoekers inschrijving op de lijst van erkende landmeters-experten duidelijk geoordeeld dat dit niet het geval is en bijgevolg komt het de verwerende partij niet toe om verzoeker te ver-
bieden om op deze lijst voor te komen. Verzoeker kan enkel van deze lijst worden geschrapt door Vlabel wanneer hij zich niet keurig kwijt van zijn taak.
14.2. Verzoeker benadrukt in zijn memorie van wederantwoord in essentie dat er geen reden is om te besluiten dat er in zijnen hoofde een risico tot onjuiste schattingen bestaat en dat de verwerende partij met haar algemene be-
woordingen dit risico niet aannemelijk maakt. Volgens verzoeker is de Vlaamse overheid als enige bevoegd inzake successieaangifte. Zij heeft als enige begun-
stigde van de erfbelasting dit risico terdege en terecht niet in aanmerking genomen aangezien verzoeker door haar als schatter werd erkend.
Beoordeling
15.1. Hiervóór werd reeds aangetoond dat de lezing omtrent een “daadwerkelijk” belangenconflict, die verzoeker geeft aan artikel 12, § 2, 3°, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 niet wordt bijgevallen en voorts dat het oordeel van de verwerende partij dat er een risico op een belangenconflict in hoofde van verzoeker bestaat wanneer hij, naast zijn functie als fiscaal deskundige bij de AAPD van de FOD Financiën, ook de activiteit van “het schatten van on-
roerende goederen” zou uitoefenen, als gewettigd voorkomt.
IX-8848-22/43
Het middel herhaalt in grote mate slechts de kritiek die verzoe-
ker reeds heeft aangevoerd in het eerste middel en is om dezelfde redenen onge-
grond.
In vergelijking met het eerste middel put verzoeker enkel bij-
komende argumenten uit een arrest van het Grondwettelijk Hof en uit de be-
voegdheidsverdeling tussen de federale en de Vlaamse overheid inzake de erfbe-
lasting. Ook die argumenten kunnen niet slagen.
15.2. Zo kan er uit het door verzoeker vermelde arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 64/2012 van 10 mei 2012 geenszins worden afgeleid dat de garanties van onpartijdigheid en onafhankelijkheid waarmee de landme-
ters-experten hun opdracht dienen te vervullen en die vervat liggen in artikel 8 van het koninklijk besluit van 15 december 2005 ‘tot vaststelling van de voorschriften inzake de plichtenleer van de landmeter-expert’, volledig en voor honderd procent sluitend zijn. Ook kan uit artikel 6.2 van het kwaliteitscharter van Vlabel worden afgeleid dat de kans niet onbestaande is dat een landmeter-expert die voorkomt op de Vlabel-lijst toch foutieve schattingen verricht.
Daarnaast kan de zienswijze van de verwerende partij worden bijgevallen dat het niet is omdat de bevoegdheid inzake successierechten op 1 januari 2015 aan de gewesten is overgedragen, dat zij niet langer de bevoegdheid zou hebben om te oordelen of een voorgenomen activiteit van één van haar per-
soneelsleden zoals de schatting van de waarde van onroerende goederen al dan niet in het kader van de Vlaamse Codex Fiscaliteit, de onafhankelijke en objectieve uitoefening van het ambt, de gelijke behandeling en de neutraliteit al dan niet kan belemmeren. Door toezicht uit te oefenen op de naleving van de reglementaire en deontologische plichten van haar ambtenaren werpt de verwerende partij zich niet op als behoedster van een andere overheidsinstantie maar beoogt zij enkel de goede werking van de federale dienst en het vertrouwen van de burger in die fe-
derale dienst te bewaren. Het feit dat verzoeker door Vlabel werd toegelaten tot een lijst van landmeters-experten, vormt op zich geen waarborg dat voornoemde be-
IX-8848-23/43
ginselen zullen worden nageleefd. Overigens verliest verzoeker uit het oog dat er wel heel wat meer redenen waren om zijn aanvraag te weigeren, welke hij in het middel onbesproken laat.
15.3. Het tweede middel is niet gegrond.
C. Derde middel
Uiteenzetting van het middel
16.1. Verzoeker voert in een derde middel machtsoverschrijding aan, alsook het gebruik van onwettige motieven, de schending van de vrijheid van vereniging en de vrijheid van handelen en ondernemen, de schending van de wet van 11 mei 2003 ‘tot bescherming van de titel en van het beroep van landme-
ter-expert’ en van de wet van 11 mei 2003 ‘tot oprichting van de federale raden van landmeters-experten’.
16.2. Verzoeker betoogt vooreerst dat de vermelding in de eerste bestreden beslissing dat hij het diploma heeft van meetkundige schatter van on-
roerende goederen een onwettig motief uitmaakt aangezien hij de ambtelijke titel en graad van “fiscaal deskundige” draagt en niet de ambtelijke titel en graad van “landmeter expert - fiscaal deskundige”. Verzoeker voert deze beschermde titel van landmeter-expert enkel in het kader van voormelde wetten van 11 mei 2003 en niet in de uitoefening van zijn functie als ambtenaar van niveau B.
Daarnaast stelt verzoeker dat de voorwaarde vermeld in de tweede bestreden beslissing betreffende het verbod op het voeren van publiciteit voor de voorgenomen activiteit, onwettig is omdat de toegelaten beroepsactivi-
teiten gereglementeerd worden door voornoemde wetten van 11 mei 2003 en het dus niet verzoeker is, maar de overheid zelf, die op het internet het tableau met de namen van de landmeters-experten (met inbegrip van de naam van verzoeker)
openbaar maakt. Verzoeker heeft hier bijgevolg geen enkel aandeel in, zodat
IX-8848-24/43
voormelde beperkende voorwaarde moet worden beschouwd als een onmogelijk na te leven voorwaarde. Ook is het verbod op het voeren van publiciteit in strijd met het belang van de burger die via het internet moet kunnen terugvinden of verzoeker het beschermde en gereglementeerde beroep van landmeter-expert mag uitoefenen.
Ten slotte stelt verzoeker dat hij actief lid is van de vzw Belgi-
sche Orde van Landmeters-Experten en van de vzw Nationale Vereniging van Landmeters-Experten. De samenstelling van de raden van beheer van beide vzw’s en de ledenlijsten van beide vzw’s zijn terug te vinden op het internet omdat de wetgever verplicht tot de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad. De voorwaarde van het verbod op het voeren van publiciteit komt erop neer, aldus verzoeker, dat hij niet langer lid of bestuurder kan zijn in een beroepsvereniging van landmeters. Om die reden schendt het opgelegde verbod ook de vrijheid van vereniging.
16.3. In zijn memorie van wederantwoord benadrukt verzoeker dat hij de beroepstitel van landmeter-expert niet gebruikt in zijn activiteit als ambtenaar.
Daarnaast betoogt verzoeker dat uit de lezing van de betwiste voorwaarde houdende het verbod op het voeren van publiciteit, geenszins blijkt dat enkel een “actieve” publiciteit verboden is. Bovendien verwart de verwerende partij, aldus verzoeker, de actieve met de passieve publiciteit. De voorbeelden die door de verwerende partij worden aangehaald, namelijk publiciteit op het internet en in de gele gids, zijn voorbeelden waar de passieve publiciteit aan de orde is. Niet alle vermeldingen op het internet zijn immers aangevraagd door verzoeker zelf.
Het internet gebruikt zoekmachines die alle bestanden wereldwijd doorzoeken en waar verzoeker geen vat op heeft. De gele gids herneemt de vermelding van het tableau van de beroepsbeoefenaars, zodat verzoeker ook daar geen vat op heeft.
Het onderscheid tussen actieve en passieve publiciteit is dan ook volledig zoek.
IX-8848-25/43
Ten slotte wijst verzoeker er nog op dat, wanneer de verwerende partij stelt dat de nevenactiviteit volledig bijkomstig dient te blijven van het uit-
geoefende ambt en dat het derhalve logisch is dat enige publiciteit door verzoeker voor zijn nevenactiviteit uitgesloten dient te worden, zij enerzijds zelf geen on-
derscheid maakt tussen de actieve en de passieve publiciteit en anderzijds van de foute premisse vertrekt dat verzoeker als ambtenaar voltijds is tewerkgesteld, terwijl hij in werkelijkheid slechts halftijds werkzaam is.
Beoordeling
17.1. Het gegeven dat verzoeker het diploma heeft van meetkundige schatter van onroerende goederen is, zoals de verwerende partij aangeeft, een louter feitelijke vaststelling die zij geenszins als motief heeft gebruikt ter onder-
steuning van de weigeringsbeslissing. Het gaat dus om een overtollig gegeven, waardoor de regelmatigheid van de eerste bestreden beslissing niet kan worden aangetast.
Daarnaast heeft de verwerende partij, noch in de eerste, noch in de tweede bestreden beslissing, geargumenteerd dat de ambtelijke titel en graad van verzoeker ‘landmeter expert – fiscaal deskundige’ zou zijn. De kritiek van verzoeker hieromtrent mist dan ook feitelijke grondslag.
17.2. Reeds in de memorie van antwoord preciseert de verwerende partij dat zij met het geviseerde publiciteitsverbod in de tweede bestreden beslis-
sing enkel een verbod beoogt van actieve publiciteit die verzoeker zelf kan voeren.
Bij haar laatste memorie voegt zij ten overvloede een aan verzoeker gerichte brief van 1 december 2016, uitgaande van de stafdienst Personeel en Organisatie na-
mens de voorzitter van het directiecomité, waarin het volgende wordt meegedeeld:
“lk deel u hierbij mee dat het verbod waarvan sprake is in de tiende voor-
waarde van de beslissing tot cumulatiemachtiging van 29 januari 2016 m.b.t.
uw activiteit om als onbezoldigd bestuurder binnen de bvba De Craemer de beroepsactiviteiten uit te oefenen van:
• opmetingen, afpalingen, opmaken van plannen welke moeten dienen voor
IX-8848-26/43
een grenserkenning, voor een mutatie en/of prekadastrering of voorafgaande-
lijke identificatie, voor het regelen van gemeenheid en voor gelijk welke akte of proces-verbaal, welke in een identificatie van grondeigendom voorzien en welke ter hypothecaire overschrijving of inschrijving kunnen worden aange-
boden;
• het opstellen van deskundigenverslagen inzake kwaliteitsbeoordeling en normeringen van onroerende goederen, opmaken van plaatsbeschrijvingen, te 8420 De Haan, enkel beperkt is tot de door u zelf gevoerde vormen van publi-
citeit voor uw nevenactiviteit en de op uw aansturen door een derde gevoerde vormen van publiciteit voor uw nevenactiviteit.
De cumulatiemachtiging in kwestie blijft geldig tot uiterlijk 28 januari 2020.”
Hieruit volgt dat verzoeker in de door hem bekritiseerde voor-
waarde een beperking leest die de verwerende partij uitdrukkelijk niet erin heeft bedoeld. In die mate mist het middel eveneens feitelijke grondslag.
17. 3. Aangezien zoals hiervóór is vastgesteld, de verwerende partij enkel een verbod op actieve publiciteit beoogt – en dus niet de passieve publiciteit – schendt de tweede bestreden beslissing niet de vrijheid van vereniging op de door verzoeker aangegeven wijze.
17.4. Aangezien verzoeker niet aangeeft op welke wijze “de vrijheid van handelen en ondernemen” zou zijn geschonden, is dit middelonderdeel niet ontvankelijk.
17.5. Het derde middel is deels niet ontvankelijk, deels ongegrond.
D. Vierde middel
18. In het vierde middel voert verzoeker machtsoverschrijding aan, het gebruik van onwettige en tegenstrijdige motieven en de onbevoegdheid van de steller van de handeling.
Verzoeker werkt het middel uit in vijf middelonderdelen.
IX-8848-27/43
a) Eerste middelonderdeel
Uiteenzetting van het middelonderdeel
19.1. In een eerste middelonderdeel stelt verzoeker dat de bevoegd-
heid over de wijze waarop de schattingen van onroerende goederen inzake suc-
cessieaangiften moeten gebeuren, enkel en alleen toekomt aan de gewesten. Bij-
gevolg is het argument van de verwerende partij dat er sprake is van een onvere-
nigbaarheid “omdat de Staat of eender welke administratieve instantie (in casu Vlabel) direct of indirect als partij betrokken is” onwettig. Meer nog, de federale Staat heeft volgens verzoeker des te minder inspraak en zeggenschap omdat inzake successieaangiften het uitsluitend zaak is om de verkoopwaarde vast te stellen (op een objectieve manier) en deze materie heeft geen uitstaans met het bepalen van het door de verwerende partij aangehaalde kadastraal inkomen dat uitsluitend een huurwaarde reflecteert. Verzoeker ziet derhalve niet in hoe de uitoefening van “Vlabel-schattingen” de neutraliteit van het federaal ambt in het gedrang kan brengen. Het verbod om “Vlabel-schattingen” uit te voeren is derhalve onwettig, aldus verzoeker.
19.2. In zijn memorie van wederantwoord geeft verzoeker aan dat de verwerende partij inderdaad bevoegd is om te beoordelen of er redenen zijn om een cumulatieactiviteit te weigeren, maar dat zij hiervoor gegronde motieven moet hebben en deze motieven zijn volgens verzoeker niet voorhanden.
19.3. In zijn laatste memorie argumenteert verzoeker dat het bepalen van het kadastraal inkomen (hierna soms ook: KI) is te onderscheiden van het bepalen van de waarde bij schattingen in het kader van erfbelastingen.
Verzoeker betwist dat bij het bepalen van het KI gewerkt wordt met “vergelijkingspunten”, die aan bod komen bij de schatting inzake erfbelasting.
In dit verband argumenteert verzoeker:
“Het KI is de Netto huurwaarde dat het goed zou gehad of kunnen gehad
IX-8848-28/43
hebben in 1975. Men kan dus niet vergelijken met het schatten voor Vlabel van de venale waarde op heden (of datum overlijden)....
Het KI werd niet meer geperequateerd sedert meer dan 40 jaar. Wel werd het KI geïndexeerd, maar (mogelijke) fouten worden alleen maar groter.
Schatters KI’s werken helemaal niet met (recente) vergelijkingspunten maar met in 1975 opgestelde tabellen met eenheidsprijzen in 1975. Nogmaals dus: geen sprake [kan zijn] van vergelijkingspunten.
2 woningen met een identieke ligging en identieke grootte hebben dus een zelfde KI als de ene gebouwd is in 1975 en de andere vorig jaar … .”
Beoordeling
20.1. In de eerste plaats kan worden verwezen naar de beoordeling van het tweede onderdeel van het eerste middel en naar de beoordeling van het tweede middel.
20.2. Daarnaast is het argument van verzoeker dat het inzake succes-
sie-aangiften uitsluitend zaak is om de verkoopwaarde van een onroerend goed vast te stellen, terwijl het bepalen van het kadastraal inkomen uitsluitend een huurwaarde reflecteert, niet dienstig. Immers, in beide gevallen dient een waar-
debepaling te gebeuren. Bovendien heeft verzoeker zoals de verwerende partij aangeeft, in zijn hoedanigheid van fiscaal deskundige bij de FOD Financiën toe-
gang tot diverse databanken met daarin gegevens over de verkoopprijzen van onroerende goederen. Een vaststelling die door verzoeker weliswaar in beperkte mate wordt genuanceerd, maar niet wordt ontkend.
Daarenboven dient erop te worden gewezen dat uit de eerste bestreden beslissing blijkt dat verzoeker zich als fiscaal deskundige bij de AAPD
van de FOD Financiën niet enkel inlaat met het bepalen van kadastrale inkomens, maar ook met het schatten van verkoopwaarden van bebouwde en onbebouwde onroerende goederen.
20.3. Het eerste middelonderdeel is dan ook niet gegrond.
IX-8848-29/43
b) Tweede middelonderdeel
Uiteenzetting van het middelonderdeel
21.1. In een tweede middelonderdeel wenst verzoeker vooreerst, mede ter staving van het eerste onderdeel van het vierde middel, een argument te weer-
leggen dat niet in zijn dossier maar in het dossier van M.M. wordt opgeworpen, namelijk dat “ambtenaren van het kadaster en zelfstandige meetkundige schatters dezelfde denkpatronen hanteren bij het bepalen van de verkoopwaarde omwille van de vergelijkingspunten”. Dit argument is niet draagkrachtig omdat de verwe-
rende partij daarmee bevestigt, aldus verzoeker, dat het bepalen van de verkoop-
waarde gebeurt op grond van de “gerealiseerde verkoopprijzen” die voor iedereen vlot toegankelijk zijn via de openbaarheid van bestuur. Dit betekent dat verzoeker voor de uitoefening van zijn nevenactiviteit als Vlabel-schatter geen enkele andere informatie dan de “gerealiseerde verkoopprijzen” nodig heeft. De verdachtmaking van gebrek aan waardigheid van het ambt is alleen daarom al ongegrond.
Daarnaast stelt verzoeker dat het argument van toegang tot “zeer privacygevoelige informatie waaronder de verkoopprijzen van onroerende goe-
deren” onwettig en niet-draagkrachtig is omdat deze informatie voor iedereen toegankelijk is via de openbaarheid van bestuur en via de inzage in de hypotheek-
en registratiekantoren zodat deze informatie alvast niet “zeer privacygevoelig”
veeleer achterhaald en verouderd is omdat de programma’s CADNET, LOCO-
STAT en ECL niet worden bijgewerkt met verkoopprijzen, het programma STI-
PAD niet gebruiksvriendelijk is, de schattingsfiches é E in meer dan de helft van de gevallen niet meer overeenkomen met de werkelijke toestand van de gebouwen en de schetsen 207 van geen enkel nut zijn om een schatting uit te voeren. Dat verzoeker, doordat hij toegang heeft tot voormelde informatie, zijn beroepsgeheim zou kunnen schenden, is volgens hem te beschouwen als een gratuite bewering die ongegrond is.
IX-8848-30/43
21.2. Op het betoog van de verwerende partij – namelijk dat de schatting van het kadastraal inkomen steeds een schatting is en steeds een subjec-
tief bestanddeel bevat, alsook dat om zo objectief mogelijk elk kadastraal inkomen te kunnen vaststellen, de ambtenaren van het kadaster de toegang bezitten tot talrijke databanken en worden opgeleid om eenzelfde denkpatroon te hanteren, wat niet wil zeggen dat eenieder die in het bezit is van “verkoopprijzen” uit een be-
paalde regio een kadastraal inkomen correct kan bepalen – repliceert verzoeker dat dit betoog faalt, omdat de essentie van de schatting van onroerende goederen het schatten van een verkoopprijs is en omdat het kadastraal inkomen een fictieve huurprijs betreft. In het kader van zijn nevenactiviteit heeft niemand ooit aan verzoeker gevraagd om een kadastraal inkomen te schatten.
Voorts stelt verzoeker vast dat de verwerende partij niet betwist dat verkoopprijzen bekendgemaakt kunnen worden via openbaarheid van bestuur en hij benadrukt nogmaals dat hij de diverse databanken en informatiekanalen waarover de FOD Financiën beschikt absoluut niet nodig heeft om de nevenacti-
viteit van het uitvoeren van waardebepalingen van onroerende goederen te kunnen uitoefenen.
21.3. In zijn laatste memorie betwist verzoeker de stelling dat hij geen belang zou hebben bij het aanhalen van gegevens die worden vermeld in het dos-
sier van M.M.
Wat de schatting inzake erfbelasting betreft, stelt verzoeker in essentie dat deze de kennisname van de verkoopwaarde van andere onroerende goederen kan omvatten doch dat de gegevens die van nut zijn voor een schatting, openbaar zijn in het kader van de openbaarheid van bestuur. Het argument dat kennisname van die gegevens kan worden geweigerd wegens “privacy-gevoelige informatie” – verzoeker ziet daarbij niet in wat privacy-gevoelig kan zijn aan een verkoopprijs – kan volgens verzoeker worden weerlegd omdat deze gegevens openbaar zijn en ook permanent ter inzage zijn in de registers van de registratie-
kantoren, hypotheekbewaarders en ook “andere geledingen van de overheid”.
IX-8848-31/43
Informatie betreffende de verkoopprijs kan volgens hem niet geweigerd worden en de naam van de eigenaars hoeft men daarbij niet te kennen.
Beoordeling
22.1. Waar verzoeker meent een argument te moeten weerleggen dat niet in zijn dossier maar in het dossier van M.M. wordt opgeworpen, moet worden vastgesteld dat hij geen belang heeft bij het aanvoeren van de mogelijke onwet-
tigheid van dit motief. Aangezien dit motief niet wordt gebruikt ter staving van de eerste of de tweede bestreden beslissing, zal de eventuele onwettigheid ervan geen aanleiding kunnen geven tot een vernietiging van de eerste bestreden beslissing of tot een vernietiging van de betwiste beperkende voorwaarden van de tweede be-
streden beslissing.
22.2. Het tweede middelonderdeel is op dit punt dan ook niet ont-
vankelijk.
23.1. Er kan niet worden ontkend dat verzoeker als fiscaal deskundige bij de AAPD van de FOD Financiën het gemakkelijker zou hebben om, voor de uitoefening van de activiteit van de schatting van onroerende goederen, aan de nodige informatie te komen dan een andere landmeter-expert die geen perso-
neelslid is van de FOD Financiën. Uit het administratief dossier blijkt immers dat verzoeker kosteloos toegang heeft tot tal van databanken, met daarin bepaalde schattingsinformatie waaronder de verkoopprijzen van onroerende goederen.
Het feit dat bepaalde documenten onder de wet van 11 april 1994
‘betreffende de openbaarheid van bestuur’ vallen, heeft niet altijd tot gevolg dat verzoeker in zijn hoedanigheid van onbezoldigd bestuurder van de bvba De Craemer zonder meer inzage zou krijgen in (de totaliteit van) deze documenten. De openbaarmaking van deze documenten is onderworpen aan een procedure die vastgelegd is in de wet van 11 april 1994. Meer in het algemeen is het opvragen van bestuursdocumenten met een beroep op de openbaarheid van bestuur aan
IX-8848-32/43
formaliteiten en uitzonderingsgronden onderworpen en ook om die reden totaal niet te vergelijken met een rechtstreekse toegang die een ambtenaar heeft tot be-
paalde databanken.
Via de hypotheekbewaarder kan verzoeker inderdaad ook be-
paalde informatie verkrijgen, maar ook hier zou hij – zoals bij de openbaarheid van bestuur – veel grotere inspanningen moeten leveren. Zo kan hij onder meer geen lijst met vergelijkingspunten opvragen, maar zal hij per onroerend goed afzonder-
lijk informatie moeten vragen.
Het risico dat verzoeker bij het uitoefenen van de nevenactiviteit “schatting/waardebepaling van onroerende goederen” gebruik zou maken van zijn toegangen tot de diverse databanken en schattingsdocumentatie waarover de FOD
Financiën beschikt, lijkt dan ook reëel te zijn. Uit het administratief dossier blijkt bovendien dat de diverse applicaties niet toelaten om verzoeker de toegang te ontzeggen tot de informatie die hij in het kader van zijn nevenactiviteit zou op-
vragen. In zo’n geval bestaat de kans dat het beroepsgeheim wordt geschonden.
De kritiek van verzoeker dat de databanken en de schattingsin-
formatie waarover de FOD Financiën beschikt en waartoe verzoeker toegang heeft niet gebruiksvriendelijk, veeleer achterhaald en verouderd zijn, doet hier niets aan af. Verzoeker geeft zelf aan dat desondanks deze kritiek er uit de databanken en de schattingsinformatie waarover de FOD Financiën beschikt toch nuttige informatie te halen valt voor de uitoefening van de nevenactiviteit “schatting/waardebepaling van onroerende goederen”.
23.2. Het tweede middelonderdeel is op dit punt dan ook niet gegrond.
IX-8848-33/43
c) Derde middelonderdeel
Uiteenzetting van het middelonderdeel
24. In een derde middelonderdeel vraagt verzoeker opnieuw dat, met toepassing van artikel 159 van de Grondwet, “de beslissing van het Beheers-
comité dd. 5 mei 2015” en “de zgn. ‘oproep’-nota’s dd. 17 juli 2015 en 4 december 2015”, waarop de verwerende partij zich beroept in de motivering van de eerste bestreden beslissing, buiten toepassing worden gelaten. Een aanvraag tot cumula-
tiemachtiging heeft immers steeds een individueel karakter en de verwerende partij kan hierover bijgevolg niet bij voorbaat en op algemene wijze beslissen door de uitvaardiging van pseudo-wetgeving. Bovendien is het enkel de minister – en niet het beheerscomité – die, op grond van artikel 14ter van het voornoemde koninklijk besluit van 2 oktober 1937, bevoegd is om de meest geëigende gedragsregels vast te stellen en daaraan bijkomende gedragsregels toe te voegen.
Beoordeling
25.1. Voor de beoordeling van het derde middelonderdeel kan worden verwezen naar de beoordeling van het vierde onderdeel van het eerste middel.
25.2. Het derde middelonderdeel is niet gegrond.
d) Vierde middelonderdeel
Uiteenzetting van het middelonderdeel
26.1. In een vierde middelonderdeel stelt verzoeker dat in een beslis-
sing van de voorzitter van het directiecomité van de FOD Financiën van 29 januari 2016 waarbij hij de cumulatiemachtiging verwerft “om als zelfstandige de be-
roepsactiviteit uit te oefenen die bestaat uit landbouwactiviteiten in het kader van de paardensport, te 8420 De Haan”, onder meer als beperkende voorwaarde wordt
IX-8848-34/43
gesteld dat “hij, in het kader van zijn functie, geen enkel fiscaal of administratief dossier behandelt betreffende een belastingplichtige die betrokken is bij zijn ne-
venactiviteit” (dit is het dossiercriterium), terwijl er in de tweede bestreden be-
slissing als tegenstrijdige beperkende voorwaarde wordt gesteld dat “de nevenac-
tiviteit niet uitgeoefend wordt in de gemeente(n) waar het personeelslid een ad-
ministratieve bevoegdheid heeft” (dit is het geografisch criterium). Verzoeker stelt dat deze laatste beperkende voorwaarde onredelijk en onwettig is, omdat de zo-
genaamde administratieve bevoegdheid niet bestaat of niet keurig bepaald is en, al bij al, het ganse Belgische grondgebied omvat. Ook de beperkende voorwaarde dat “de betrokkene niet mag optreden in zaken of geschillen waarbij de Staat of eender welke andere administratieve instantie direct of indirect als tegenpartij is betrok-
ken” is onwettig omdat men in elk schattingsdossier steeds “één of andere admi-
nistratieve instantie” kan aanwijzen die (minstens) “indirect” als “tegenpartij”
zogezegd “betrokken” is, al was het maar omdat de schatting bovendien altijd de “prijsvorming” bepaalt en dus onrechtstreeks gevolgen heeft voor de inkomsten via onrechtstreekse belastingen. Op die manier wordt de cumulatiemachtiging volledig uitgehold, wat niet kan, aldus verzoeker.
26.2. In zijn memorie van wederantwoord argumenteert verzoeker dat de beweerdelijk “regio-gebonden-benadering” niet te lezen is in de eerste bestre-
den beslissing en dat de tweede bestreden beslissing andere activiteiten dan de schatting van onroerende goederen toelaat zodat de uitleg van de verwerende partij aangaande de “regio-gebonden-benadering,” grondslag mist.
26.3. In zijn laatste memorie betwist verzoeker dat alle schattingen de prijsvorming beïnvloeden. Volgens hem beïnvloeden schattingen in der minne niet altijd de “prijsvraag” en kan zelfs het tegendeel worden gesteld.
Beoordeling
27.1. Verzoeker betoogt ten onrechte dat zijn administratieve be-
voegdheid nooit werd bepaald.
IX-8848-35/43
Verzoeker is, als fiscaal deskundige bij de AAPD van de FOD
Financiën, verbonden aan het Kadaster-Brugge, centrum Mutaties en Waarderin-
gen West-Vlaanderen, afdeling Waarderingen West-Vlaanderen - Oostende (An-
tenne Mutaties 302 Oostende).
Uit artikel 5, tweede lid, van het besluit van 18 december 2014
van de voorzitter van het directiecomité van de FOD Financiën ‘tot vaststelling van de taken waarmee de Administratie Opmetingen en Waarderingen is belast en tot vaststelling van de bevoegdheden en de zetel van haar operationele diensten’, gelezen in samenhang met bijlage 1 bij dit besluit, blijkt dat het ambtsgebied van de afdeling Waarderingen, waartoe verzoeker behoort, de steden en gemeenten Ardooie, Blankenberge, Bredene, De Haan, Gistel, Ichtegem, Lichtervelde, Mid-
delkerke, Oostende, Oudenburg, Pittem, Ruiselede, Tielt, Torhout en Wingene omvat. Daaruit volgt dat verzoeker een administratieve bevoegdheid heeft in de voornoemde steden en gemeenten.
Het argument van verzoeker dat zijn “zgn. administratieve be-
voegdheid nu eenmaal niet bestaat of niet keurig bepaald is en ook, al bij al, dus het ganse gebied van het Koninkrijk omvat”, mist feitelijke grond.
27.2. Gelet op het feit dat belangenconflicten zo veel als mogelijk moeten worden vermeden om te voorkomen dat de administratieve onafhanke-
lijkheid van verzoeker in het gedrang wordt gebracht, is het niet onredelijk dat de verwerende partij de tweede bestreden beslissing koppelt aan de voorwaarde dat “de nevenactiviteit niet uitgeoefend wordt in de gemeente(n) waar het perso-
neelslid een administratieve bevoegdheid heeft”. Immers, door de nevenactiviteit niet uit te oefenen in de gemeente(n) waar verzoeker een administratieve be-
voegdheid heeft, wordt de kans kleiner dat hij in contact komt met hetzelfde pu-
bliek, waarmee hij ook in zijn hoedanigheid van fiscaal deskundige bij de AAPD
van de FOD Financiën in contact komt.
IX-8848-36/43
Dat de verwerende partij verzoeker op 29 januari 2016 heeft toegestaan om “de beroepsactiviteit uit te oefenen die bestaat uit landbouwactivi-
teiten in het kader van de paardensport, te 8420 De Haan” voor zover “hij, in het kader van zijn functie, geen enkel fiscaal of administratief dossier behandelt be-
treffende een belastingplichtige die betrokken is bij zijn nevenactiviteit”, doet hieraan geen afbreuk. Aangezien deze beslissing van 29 januari 2016 een andere nevenactiviteit als voorwerp heeft dan de tweede bestreden beslissing en aangezien de verwerende partij bij het nemen van haar beslissing rekening moet houden met de elementen die eigen zijn aan elke cumulatieaanvraag, kan verzoeker niet met succes argumenteren dat beide beslissingen of de beperkende voorwaarden van beide beslissingen, gelijk zouden moeten zijn.
27.3. In zoverre verzoeker aanvoert dat de beperkende voorwaarde van de tweede bestreden beslissing, namelijk dat “de betrokkene niet mag optreden in zaken of geschillen waarbij de Staat of eender welke andere administratieve instantie direct of indirect als tegenpartij is betrokken”, de cumulatiemachtiging –
die het voorwerp uitmaakt van de tweede bestreden beslissing – volledig uitholt, faalt zijn betoog.
Waar verzoeker de ‘alomvattendheid’ van deze voorwaarde uitlegt door te argumenteren dat “men […] in elk schatting-dossier steeds ‘een of andere administratieve instantie’ (what’s in a name?) [kan] aanwijzen die (min-
stens) ‘indirect’ als ‘tegenpartij’ zogezegd is ‘betrokken’, al was het maar omdat […] de schatting bovendien altijd de ‘prijsvorming’ bepaalt en dus onrechtstreeks de inkomsten via onrechtstreekse belastingen steeds meebepaalt”, gaat hij eraan voorbij dat de verwerende partij hem in de tweede bestreden beslissing uitdruk-
kelijk het verbod heeft opgelegd om zich in te laten met “de schatting van de waarde van onroerende goederen”; met andere woorden de cumulatiemachtiging die hem door de verwerende partij in de tweede bestreden beslissing werd toege-
staan, omvat juist niet de ‘schattingsactiviteit’.
27.4. Het vierde middelonderdeel is niet gegrond.
IX-8848-37/43
e) Vijfde middelonderdeel
Uiteenzetting van het middelonderdeel
28.1. In een vijfde middelonderdeel stelt verzoeker dat het argument dat de administratie niet wil en niet mag ingrijpen in de prijsvorming op de on-
roerende markt, onwettig en tegenstrijdig is. Verzoeker meent dat de overheid altijd ingrijpt in de prijsvorming omdat elke schatting van een onroerend goed door een ambtenaar een subjectief bestanddeel bevat. Bovendien heeft de overheid destijds de ontvangers van de registratiekantoren expliciet gemachtigd tot het uitvoeren van schattingen voor rekening van derden en heeft zij er nooit graten in gezien. Bovendien is het beheerscomité van de AAPD van de FOD Financiën onbevoegd, om dit argument in te roepen. Enkel de Vlaamse overheid is hiervoor bevoegd en die heeft geen enkel bezwaar dat landmeters-experten in nevenactivi-
teit een schatting inzake successieaangiften doen.
28.2. In zijn memorie van wederantwoord vestigt verzoeker er de aandacht op dat de prijsvorming wordt bepaald door de marktprijs en niet door schattingsverslagen. Bovendien voeren de landmeters-experten, ingeschreven op het tableau van de landmeter-expert, hun opdracht uit in alle onafhankelijkheid en zijn zij onderworpen aan het toezicht van de instanties, ingesteld door de wetten van 11 mei 2003. Door dit institutioneel toezicht (met risico van schrapping van het tableau van de beroepsbeoefenaars) worden te hoge en te lage schattingen vermeden.
28.3. Het argument dat het risico op een te lage of een te hoge schatting groter zou zijn in de uitoefening van zijn nevenactiviteit dan in zijn ei-
genlijke dagtaak voor de FOD Financiën en dat hij de prijsvorming zou beïn-
vloeden, weerspreekt verzoeker in zijn laatste memorie door de stellen dat hij “precies het best vertrouwd is met de zgn. modus operandi om een correcte prijs te bepalen met […] het laagste risico tot een verkeerde schatting”. Niet voor niets heeft Vlabel verzoeker ingeschreven op de lijst. De Vlaamse overheid, als enige
IX-8848-38/43
bevoegd inzake erfbelasting, heeft volgens verzoeker dan ook met kennis van zaken gekozen voor personen-actoren die bij het schatten van onroerende goederen onderworpen zijn aan het tuchtrechtelijk toezicht, ingesteld door de voornoemde wetten van 11 mei 2003 en het toezicht ingesteld door Vlabel die met de erkende landmeters-experten een kwaliteitscharter heeft gesloten. Als de ene of andere persoon, ingeschreven op de lijst niet zou deugen, zal volgens verzoeker Vlabel deze persoon kunnen schrappen van de lijst waardoor het “systeem” dus sluitend is.
Beoordeling
29.1. Volgens de eerste bestreden beslissing is “de onverenigbaarheid om in bijberoep als onbezoldigd bestuurder binnen de bvba De Craemer waarde-
bepalingen van onroerende goederen uit te voeren [mede] ingegeven […] door het beginsel dat de Administratie op geen enkel gebied mag en wil ingrijpen in de prijsvorming op de onroerende markt” en daarom “niet toegestaan kan worden dat een personeelslid van de FOD Financiën in zijn bijberoep schattin-
gen/waardebepalingen van onroerende goederen zou doen [welke] die prijsvor-
ming […] zouden kunnen beïnvloeden”.
Tegenover verzoeker die aanvoert dat er geen zogenaamd be-
ginsel bestaat, stelt de verwerende partij dat uit de evolutie die de voorbije jaren heeft plaatsgevonden, wel degelijk kan worden afgeleid dat de administratie zich alsmaar meer wenst te onthouden van de prijsvorming op de onroerende markt. Zij wijst daarbij op het verbod voor de ontvangers van de registratie om tijdens hun dagtaak als ontvanger schattingen voor derden uit te voeren, een verbod dat sinds 1 januari 2015 van kracht is (stuk nr. 4 van het administratief dossier). Tevens werd een onverenigbaarheid om in bijberoep schattingen uit te voeren in hoofde van deze ontvangers vastgesteld (stuk nr. 7 van het administratief dossier). In het licht van deze evolutie, kan de redenering van de verwerende partij dan ook niet als onredelijk worden afgewezen.
IX-8848-39/43
29.2. De kritiek van verzoeker op de argumentatie van de verwerende partij komt in essentie erop neer dat het verhoogd risico van beïnvloeding van de prijsvorming op de onroerende markt zich niet zou kunnen voordoen omdat hij bij het schatten van onroerende goederen onderworpen is aan het tuchtrechtelijk toe-
zicht, ingesteld door de voornoemde wetten van 11 mei 2003 en het toezicht in-
gesteld door Vlabel, die met de erkende landmeters-experten een kwaliteitscharter heeft gesloten.
Het is echter niet omdat de Vlaams overheid er geen graten in ziet dat verzoeker ook federaal ambtenaar is, dat het zijn federale werkgever zou verboden zijn om een eigen beoordeling te hebben over de weerslag van de ne-
venactiviteiten op de wijze van vervullen van het federaal ambt. Ten eerste is dit een beleidsoordeel en mogen besturen daar verschillend over denken en ten tweede is het voorwerp van de boordeling – de hoofdactiviteit versus de nevenactiviteit –
verschillend.
29.3. Voor het overige mag worden verwezen naar de beoordeling van het tweede middel.
29.4. Het vijfde middelonderdeel is niet gegrond.
30. Het vierde middel is deels onontvankelijk, deels ongegrond.
E. Vijfde middel
Uiteenzetting van het middel
31.1. In een vijfde middel voert verzoeker machtsoverschrijding aan, het gebruik van onwettige motieven en de schending van de formelemotiverings-
plicht.
IX-8848-40/43
Volgens verzoeker bevat de beknopte formele motivering van de tweede bestreden beslissing immers niet de redenen van de daarin vermelde be-
streden beperkingen en zijn de motieven van de eerste bestreden beslissing niet-draagkrachtig en onwettig en sluiten ze op algemene wijze, zonder afdoende en relevant te zijn, elke schattingsactiviteit uit, ook de schattingen in der minne.
31.2. In zijn memorie van wederantwoord preciseert verzoeker dat hij de eerste zes voorwaarden en de achtste voorwaarde van de tweede bestreden beslissing niet betwist.
Wat het verbod tot het voeren van publiciteit betreft, verwijst verzoeker naar zijn uiteenzetting bij het derde middel, alsook naar zijn repliek op de weerlegging door de verwerende partij van het derde middel. Verzoeker bena-
drukt ook dat de verwerende partij van de foute premisse vertrekt dat hij als ambtenaar voltijds is tewerkgesteld, terwijl hij in werkelijkheid slechts halftijds is tewerkgesteld.
Ten slotte verwijst verzoeker ook nog naar zijn uiteenzetting van het eerste en tweede onderdeel van het eerste middel, alsook naar zijn repliek op de weerlegging door de verwerende partij van het eerste en tweede onderdeel van het eerste middel.
Beoordeling
32.1. Met betrekking tot de formelemotiveringsplicht is reeds hier-
vóór de aangevoerde schending ongegrond bevonden, zowel wat de eerste als wat de tweede bestreden beslissing betreft. De toelichting van het middel voegt geen feitelijke noch juridische gegevens toe die op die beoordeling een ander licht werpen en tot een andere conclusie zouden nopen.
32.2. De overweging in de eerste bestreden beslissing dat verzoeker “niet mag optreden in zaken of geschillen waarbij de Staat of eender welke admi-
IX-8848-41/43
nistratieve instantie direct of indirect als partij betrokken is”, staat niet op zichzelf, maar dient te worden gelezen in samenhang met de overweging die daarop volgt en die stelt dat “het uitvoeren van waardebepalingen (schattingen) van onroerende goederen (bijvoorbeeld in het kader van successieaangiften) een activiteit is die een onverenigbaarheid meebrengt omdat de Staat of eender welke administratieve instantie (in casu Vlabel) direct of indirect betrokken partij is”. Zoals reeds is vermeld, werd niet alleen om die reden, maar ook om diverse andere redenen door de verwerende partij geoordeeld dat de nevenactiviteit van het schatten van on-
roerende goederen door verzoeker als fiscaal deskundige van de AAPD van de FOD Financiën niet kan worden toegelaten.
32.3. Met de verwerende partij kan worden vastgesteld dat de eerste zes voorwaarden en de achtste voorwaarde van de tweede bestreden beslissing voorwaarden zijn die ook zijn opgenomen in de cumulatiebepalingen van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 ‘houdende het statuut van het rijkspersoneel’ en in artikel 19 van het koninklijk besluit van 10 april 1995 ‘ter uitvoering van de wet van 10 april 1995 betreffende de herverdeling van de arbeid in de openbare sector’. De zevende en de negende tot twaalfde voorwaarde van de tweede be-
streden beslissing hangen samen met voormelde reglementaire bepalingen. De beperking in actieradius, het niet uitvoeren van schattingen van waarden van on-
roerende goederen – al dan niet in der minne – en het niet voorkomen op de lijst van landmeters-experten van de Vlaamse overheid, hangen samen met de bepa-
lingen inzake het belangenconflict en zijn uitvoerig gemotiveerd in de eerste be-
streden beslissing, die samen met de tweede bestreden beslissing aan verzoeker werd toegezonden op 1 februari 2016. Het feit dat er geen actieve publiciteit door verzoeker mag worden gevoerd omtrent zijn nevenactiviteit hangt dan weer samen met de wettelijke voorwaarde dat de activiteit in elk geval bijkomstig dient te blijven ten overstaan van het uitgeoefende ambt. Dat verzoeker dit ambt niet vol-
tijds uitoefent, doet aan de deontologische eisen inzake onpartijdigheid en onaf-
hankelijkheid en de regels inzake de onverenigbaarheden geen afbreuk.
33. Het vijfde middel is niet gegrond.
IX-8848-42/43
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 13 juli 2017, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:
Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier.
De griffier De voorzitter
Vera Wauters Geert Van Haegendoren
IX-8848-43/43
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.809