Court dismisses request for new police promotion decision as original jury decision remains valid and pending formalization.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the applicant's request for a new decision regarding his promotion to chief commissioner of police. Although the applicant argued that a fresh ruling was necessary after a negative assessment, the court found the original jury decision from May 2017 remained valid and was merely awaiting formalization. Consequently, the court determined the request lacked a subject matter and was therefore without purpose.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 25, 26, and 27 of the Royal Decree of 12 October 2006; A request for a new administrative decision is inadmissible when the existing decision remains valid and merely requires formalization.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER
nr. 238.802 van 11 juli 2017
in de zaak A. 221.604/XIV-37.341
In zake : Alex BRUYNINCKX
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Butenaerts kantoor houdend te 1080 Brussel Leopold II-laan 180
I. Voorwerp van het beroep
1. De vordering, ingesteld op 27 februari 2017, strekt ertoe de “[v]erwerende partij te bevelen dat een rechtsgeldig samengestelde jury in het kader van de toelating tot het promotie-examen HCP in toepassing van Koninklijk Besluit van 12 oktober 2006 tot bepaling van het directiebrevet dat vereist is voor de bevordering tot de graad van hoofdcommissaris van politie een nieuw besluit treft over de toelating van verzoeker tot de promotieopleiding HCP in toepassing van de artikelen 6,1° en 5,3° evenals 25, 26 en 27 KB directiebrevet en hierbij een dwangsom op te leggen van € 10.000,00 per begonnen maand na tussenkomst van een arrest van uw Raad in die zin gedurende de termijn waarin zulks niet geschied”.
XIV-37.341-1/7
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen ingediend.
Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 juni 2017 en, in voortzetting, op 5 juli 2017.
Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Lieseloth Lievens, die loco advocaat Peter Crispyn verschijnt voor verzoeker en advocaat Andy Hoedenaeken, die loco advocaat Stijn Butenaerts verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven, behoudens wat de kosten betreft.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Verzoeker is commissaris van politie.
3.2. Verzoeker stelt zich kandidaat voor de promotieopleiding tot het behalen van het directiebrevet dat vereist is voor de bevordering tot de graad van hoofdcommissaris van politie.
XIV-37.341-2/7
3.3. Verzoeker neemt deel aan de proeven tot meting van de potentialiteit en de vaardigheid inzake management, ook wel assessment center genoemd. Op 3 oktober 2013 brengt de evaluatiecommissie een ongunstig advies uit inzake het potentieel van verzoeker om de functie van hoofdcommissaris van politie uit te oefenen.
3.4. Verzoeker neemt op 6 november 2013 deel aan het selectie-interview door de jury. Luidens het proces-verbaal van de jury zijn hierbij de volgende leden van de jury aanwezig:
“Aanwezige leden van de jury:
CDP F. ADAM, AIG, Président, Voorzitter;
CDP J-M. VAN BRANTEGHEM, Directeur-generaal van de ondersteuning en het beheer, lid;
CDP O. LIBOIS, Dir DGA, assesseur, lid;
CDP T. GILLIS, CG-Cabinet de la Commissaire générale, assesseur, lid;
CDP M. LEVEQUE, Chef de corps ZP Ottignies-LLN, assesseur, lid;
HCP P. PUTTEMAN, Korpschef PZ Dendermonde, assesseur, plaatsvervanger;
HCP G. VAN WYMERSCH, Korpschef PZ Brussel Hoofdstad Elsene, assesseur, lid;”
Na het selectie-interview beslist de jury, in dezelfde samenstelling, op 28 november 2013, dat verzoeker ongeschikt is om toegelaten te worden tot de opleiding tot promotie tot de graad van hoofdcommissaris. Zij bevestigt tevens het in punt 3.3. vermelde ongunstig advies met betrekking tot het resultaat van de proeven tot meting van de potentialiteit en de vaardigheid inzake management, wat verzoeker betreft.
3.5. Verzoeker stelt tegen deze beslissing een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad van State (zaak G/A.211.772/XIV-35.495) dat heeft geleid tot arrest nr. 232.846 van 10 november 2015.
Bij dat arrest vernietigt de Raad van State voormelde beslissing van 28 november 2013 van de jury directiebrevet waarbij verzoeker ongeschikt wordt bevonden om toegelaten te worden tot de opleiding tot promotie tot de graad van hoofdcommissaris en waarbij het ongunstig advies met betrekking tot het
XIV-37.341-3/7
resultaat van de proeven tot meting van de potentialiteit en de vaardigheid inzake management wordt bevestigd. De nietigverklaring steunt op de vaststelling dat de jury niet op rechtsgeldige wijze was samengesteld bij het nemen van de beslissing.
3.6. Met een op 26 augustus 2016 per post aangetekend verzonden brief stelt verzoekers raadsman de verwerende partij in gebreke om een nieuwe beslissing te nemen, meer bepaald maant hij de verwerende partij aan om door een rechtsgeldig samengestelde jury een nieuwe beslissing te laten nemen.
Op deze aanmaning volgt geen reactie.
3.7. Gelet op het uitblijven van enige beslissing dient verzoeker op 27 februari 2017 de thans voorliggende vordering tot “het opleggen van een dwangsom met bevel” in.
3.8. Met een schrijven van 15 maart 2017 wordt verzoeker uitgenodigd om te worden gehoord door de jury op de zitting van 3 mei 2017.
3.9. Op 3 mei 2017 wordt verzoeker door een nieuw samengestelde jury gehoord.
3.10 Diezelfde dag, bij een beslissing van 3 mei 2017, beslist die nieuw samengestelde jury opnieuw over verzoekers kandidatuur om toegelaten te worden tot de in punt 3.2. bedoelde promotieopleiding. De beslissing luidt:
“[…]
Artikel 1. Mijnheer Alex BRUYNINCKX wordt ongeschikt bevonden om toegelaten te worden tot de opleiding tot promotie tot de graad van hoofdcommissaris.
Artikel 2. De jury bevestigt het ongunstig advies met betrekking tot het resultaat van de proeven tot meting van de potentialiteit en de vaardigheid inzake management.
[…].”
XIV-37.341-4/7
Deze beslissing wordt met een aangetekend schrijven van 3 juli 2017 (tegen ontvangstmelding) aan verzoeker ter kennis gebracht.
IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
4. Verzoeker legt op de terechtzitting van 14 juni 2017 een pleitnota neer die eerder al per e-mail werd bezorgd aan de Raad van State en de verwerende partij.
5. Het koninklijk besluit van 2 april 1991 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State inzake het bevel en de dwangsom’ voorziet niet in de mogelijkheid om een pleitnota als een processtuk neer te leggen. Het is de partijen echter wel toegestaan om nieuwe feiten die een invloed kunnen hebben op de ontvankelijkheid en/of de gegrondheid van de vordering, aan de Raad van State ter kennis te brengen. In zoverre de door de verzoekende partij neergelegde pleitnota op dergelijke feiten betrekking heeft, kan ze dan ook bij de zaak worden betrokken. In zoverre de pleitnota geen betrekking heeft op dergelijke feiten, maar de neerslag vormt van de uiteenzetting ter terechtzitting wordt ze niet als een processtuk, maar als een loutere inlichting in aanmerking genomen.
IV. Ontvankelijkheid van het beroep
6. Op de terechtzitting van 14 juni 2017 stelt de raadsman van verzoeker dat het niet volstaat dat verzoeker op 3 mei 2017 is gehoord door de jury om aan de voorliggende vordering van verzoeker tegemoet te komen. Daartoe is immers een nieuwe beslissing vereist, genomen met toepassing van onder andere de artikelen 25, 26 en 27 van het koninklijk besluit van 12 oktober 2006 ‘tot bepaling van het directiebrevet dat vereist is voor de bevordering tot de graad van hoofdcommissaris van politie’ die niet voorligt. Verzoeker heeft derhalve nog steeds een belang bij zijn vordering die hij handhaaft.
XIV-37.341-5/7
7. Desgevraagd, verklaart de verwerende partij ter zitting dat de beslissing “nakend” is, dat het nog “een kwestie van tijd” is in die zin dat de beslissing “nog moet worden geformaliseerd”.
8. In die omstandigheden en teneinde tot een door de partijen voorgestane pragmatische oplossing te komen, wordt een beperkt uitstel voorgesteld en toegestaan.
9. Daags voorafgaand aan de terechtzitting van 5 juli 2017, deelt de verwerende partij in een brief van 4 juli 2017 mee dat met de in punt 3.10
genoemde brief van 3 juli 2017 de beslissing van de jury van 3 mei 2017 ter kennis werd gebracht van verzoeker. Een kopie van beide stukken zijn bij de brief van 4 juli 2017 gevoegd.
De voorliggende vordering is derhalve zonder voorwerp en doelloos geworden, zodat er geen reden meer is om met toepassing van artikel 36
van de gecoördineerde wetten op de Raad van State het gevorderde bevel, op te leggen. Hetzelfde geldt voor de gevorderde dwangsom.
V. Kosten
10. In zijn verzoekschrift vraagt verzoeker in toepassing van artikel 67, § 1, van het besluit van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna:
de algemene procedureregeling) de kosten ten laste te leggen van de verwerende partij, daarin begrepen de basisrechtsplegingsvergoeding.
11. Het koninklijk besluit van 2 april 1991 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State inzake het bevel en de dwangsom’, zoals laatst gewijzigd door het koninklijk besluit van 28 januari 2014 ‘tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (BS, 3 februari 2014),
XIV-37.341-6/7
bepaalt dat een aantal artikelen van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948
tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (algemene procedureregeling) van toepassing zijn. De artikelen 66 en 67
van de algemene procedureregeling, waarin sprake is van de kosten en de rechtsplegingsvergoeding, komen daarin niet voor zodat de vraag van verzoeker niet kan worden ingewilligd.
BESLISSING
De Raad van State verwerpt de vordering.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van elf juli tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:
Kaat Leus, wnd. Kamervoorzitter, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier.
De griffier De voorzitter
Johan Pas Kaat Leus
XIV-37.341-7/7
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.802