Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.752 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.752 Généré par l'IA

Court dismisses appeal against fine for overloading truck, ruling carrier is liable as offender under transport decree.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.752
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the appeal filed by NV Verhelst Aannemingen against a €4,500 administrative fine for overloading a truck. The court found the carrier liable as an 'offender' under the special road transport decree, noting that the driver possessed a CMR waybill and the carrier had not contested this role during the administrative proceedings. Consequently, the appeal was dismissed and the carrier was ordered to pay the associated court costs.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Article 17, § 1 of the Decree of 3 May 2013 on the protection of road infrastructure in the event of special road transport; The carrier of goods is considered an offender under the special road transport decree and is subject to administrative fines for overloading violations.

Mots-clés

Généré par l'IA
special road transport decree administrative fine imposition carrier liability status overloading violation penalty offender definition scope sanction de la circulation routière calcul de l'amende astreinte

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 17, § 1 of the Decree of 3 May 2013 on the protection of road infrastructure in the event of special road transport
Het tweede middel is afgeleid uit de schending van “art. 17 en art.
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER

nr. 238.752 van 4 juli 2017

in de zaak A. 218.082/XII-8067

In zake: de NV VERHELST AANNEMINGEN

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Frederik Vanden Bogaerde en Jasper Bolle kantoor houdend te 8800 Roeselare Kolenkaai 4

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

het VLAAMSE GEWEST

woonplaats kiezend bij het agentschap Wegen en Verkeer afdeling Planning en Coördinatie Koning Albert II-laan 20/4

1000 Brussel

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 4 januari 2016, strekt tot de nietig-

verklaring van de beslissing van de administrateur-generaal van het agentschap Wegen en Verkeer van 4 november 2015 waarbij in graad van beroep aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 4.500 euro wordt opgelegd en dit op grond van de artikelen 3 en volgende van het decreet van 3 mei 2013

‘betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport’.

XII-8067- 1/10

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

Auditeur Ines Martens heeft een verslag opgesteld op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 juni 2017.

Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht.

Auditeur Ines Martens heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Op 5 januari 2015 wordt een vrachtwagen met oplegger, bestuurd door Willem Meijer, door de wegeninspectie gecontroleerd op de gewest-

weg E40 richting Oostende, ter hoogte van Wetteren. De verzoekende partij, de nv Verhelst Aannemingen, wordt als de verlader aangeduid. Bij weging van het voertuig wordt vastgesteld dat het voertuig overladen is. Op as 1 van de oplegger bedraagt de overlading 3.035 kg, hetzij 30,3 %. Op as 2 van de oplegger bedraagt de overlading 3.838 kg, hetzij 38,4 %. De overschrijding van de maximaal toege-

laten massa van de oplegger bedraagt 3.643 kg, hetzij 9,8 %. De overschrijding van

XII-8067- 2/10

de maximaal toegelaten massa van de sleep bedraagt 5.813 kg, hetzij 13,2 %. De oplegger is geladen met steenpuin.

3.2. Er wordt proces-verbaal opgesteld wegens inbreuk op artikel 3, alinea 2 en artikel 14, § 3 van het decreet van 3 mei 2013 ‘betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport’ (hierna: het decreet bijzonder wegtransport).

3.3. Op 30 januari 2015 wordt het proces-verbaal verzonden aan de procureur des Konings te Dendermonde met het verzoek om overeenkomstig artikel 17, § 3, van het decreet bijzonder wegtransport binnen een termijn van 60 dagen mee te delen welk gevolg aan de zaak zal worden gegeven.

Op 6 februari 2015 beslist de procureur des Konings geen strafvervolging in te stellen en wordt het proces-verbaal voor verder gevolg toegezonden aan de wegeninspecteur-controleur.

3.4. Op 17 april 2015 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 4.500 euro op te leggen.

Deze beslissing wordt dezelfde dag met een aangetekende brief aan de verzoekende partij ter kennis gebracht.

3.5. Op 23 april 2015 tekent de verzoekende partij verzet aan tegen deze beslissing.

3.6. Op 8 juni 2015 heeft een hoorzitting plaats. Naar aanleiding van de hoorzitting legt de verzoekende partij een schriftelijke conclusie neer.

3.7. Op 19 juni 2015 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 4.500 euro op te leggen.

Deze beslissing wordt op 19 juni 2015 met een aangetekende brief aan de verzoekende partij ter kennis gebracht.

XII-8067- 3/10

3.8. Op 7 juli 2015 stelt de verzoekende partij tegen deze beslissing beroep in bij de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken.

3.9. Op 15 september 2015 heeft een hoorzitting plaats.

3.10. Op 4 november 2015 beslist de administrateur-generaal van het agentschap Wegen en Verkeer aan de verzoekende partij een administratieve geldboete op te leggen van 4.500 euro. Die beslissing wordt op dezelfde dag met een aangetekende brief aan de verzoekende partij ter kennis gebracht.

Dit is de bestreden beslissing.

IV. Onderzoek van de middelen

A. Eerste middel

Uiteenzetting van het middel

4.1. In een eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 19, §§ 2 en 3, van het decreet bijzonder wegtransport, waarin vervaltermijnen voor het opleggen van de administratieve geldboete na verzet en in beroep worden vastgesteld. De verzoekende partij stelt zonder meer dat te dezen “de termijnen niet werden gerespecteerd”.

De memorie van wederantwoord is beperkt tot de mededeling dat “[v]erzoekster volhardt in het geformuleerde middel”.

Beoordeling

4.2. Artikel 2, § 1, 3°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, bepaalt dat het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten

XII-8067- 4/10

en de middelen” bevat. Onder middel in de zin van deze bepaling dient te worden verstaan een omschrijving van de geschonden geachte rechtsregel en van de wijze waarop die rechtsregel volgens de verzoekende partij is geschonden.

Het middel is beperkt tot de blote bewering dat “de termijnen niet werden gerespecteerd”. Er dient dan ook te worden vastgesteld dat de verzoekende partij op generlei wijze concreet uiteenzet op welke wijze de in het decreet bijzonder wegtransport vastgestelde termijnen te dezen niet zouden zijn gerespecteerd.

4.3. Het middel is niet ontvankelijk.

B. Tweede middel

Uiteenzetting van het middel

4.4. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van “art. 17 en art. 19, § 1 van het Decreet Bijzonder Wegtransport”.

De verzoekende partij voert in haar verzoekschrift aan dat op grond van artikel 17 van het decreet bijzonder wegtransport en op grond van het feit dat de geldboete een strafrechtelijk karakter heeft, enkel de door de Vlaamse regering aangewezen wegeninspecteurs-controleurs een administratieve geldboete kunnen opleggen.

Uit de beslissing tot het opleggen van een geldboete blijkt dat de geldboete werd opgelegd door Peter De Backer, aangewezen als afdelingshoofd, welke niet werd aangewezen door de Vlaamse regering. Hij beschikt dan ook over geen enkele rechtsmacht noch bevoegdheid om enige beslissing te nemen of te ondertekenen. De beslissing tot het opleggen van een geldboete is dan ook onregelmatig.

XII-8067- 5/10

In de memorie van wederantwoord benadrukt de verzoekende partij dat uit de bepalingen van artikel 19, §§ 3 en 4, van het decreet bijzonder wegtransport blijkt dat de regionale wetgever onmiskenbaar de wil heeft geuit dat enkel een door de Vlaamse regering aangewezen ambtenaar de beslissing in graad van administratief beroep kan nemen. Peter de Backer werd niet door de Vlaamse regering aangewezen. Het decreet bepaalt nergens dat de door de Vlaamse regering aangewezen ambtenaar zijn bevoegdheid kan overdragen.

Beoordeling

4.5. De kritiek van de verzoekende partij is gericht tegen de bestreden beslissing van 4 november 2015 betreffende het opleggen van een administratieve geldboete. Artikel 17, § 1, van het decreet bijzonder wegtransport bepaalt:

“Voor inbreuken op dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan kunnen de door de Vlaamse Regering aangewezen wegeninspecteurs-controleurs en de Vlaamse Regering in graad van beroep een administratieve geldboete opleggen overeenkomstig de hierna bepaalde regels.”

Artikel 19, §§ 3 en 4, van hetzelfde decreet bepaalt:

“§ 3. Tegen de beslissing, vermeld in paragraaf 2, zesde lid, kan onder de voorwaarden en binnen de vervaltermijn, bepaald door de Vlaamse Regering, beroep worden aangetekend bij de Vlaamse Regering. Het beroep schorst de bestreden beslissing.

[…]

§ 4. De Vlaamse Regering kan een of meer ambtenaren aanwijzen die de overtreder en de onderneming op de hoogte brengen van de eventuele onontvankelijkheid van het beroep, die de overtreder, de onderneming of de raadsman zullen horen en het beroep zullen uitspreken. Deze ambtenaren mogen niet betrokken geweest zijn bij eerdere stappen van de procedure.

[…].”

Artikel 9, § 3, van het besluit van de Vlaamse regering van 20 december 2013 ‘betreffende handhaving inzake de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport’ bepaalt:

XII-8067- 6/10

“Het hoofd van het Agentschap Wegen en Verkeer wordt aangewezen om de overtreder en, in voorkomend geval, de onderneming op de hoogte te brengen van de kennelijke onontvankelijkheid van het beroep en om de overtreder, de onderneming of de raadsman te horen in het kader van het beroep.

Het beroep, vermeld in artikel 19, § 3, van het decreet van 3 mei 2013, wordt bij het hoofd van het Agentschap Wegen en Verkeer ingediend en door hem uitgesproken.

[…].”

De verzoekende partij betwist niet dat ir. Tom Roelants op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing was aangesteld als administrateur-generaal van het agentschap Wegen en Verkeer. Uit de vermelding dat de beslissing van 4 november 2015 werd ondertekend “[v]oor ir. Tom Roelants, afwezig”, dient te worden afgeleid dat die beslissing door de administrateurgeneraal genomen werd. Met die handtekening bevestigt het afdelingshoofd, Peter De Backer, immers de authenticiteit van de beslissing van de administrateur-generaal.

4.6. Het tweede middel is niet gegrond.

C. Derde middel

Uiteenzetting van het middel

4.7. In een derde middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 17 van het decreet bijzonder wegtransport.

De verzoekende partij wijst erop dat het decreet bijzonder wegtransport enkel de verlader als aansprakelijke partij aanduidt in het kader van de strafrechtelijke afhandeling van overladingsmisdrijven. Bij de administratieve afhandeling komt de verlader niet ter sprake zodat de verzoekende partij geen administratieve geldboete kan opgelegd krijgen.

XII-8067- 7/10

Bovendien, zelfs indien de verlader zou kunnen worden aange-

sproken, vloeit de enige mogelijkheid om de hoedanigheid van verlader vast te stellen voort uit de CMR-vrachtbrief. De vrachtbrief werd echter niet in het dossier gevoegd. De verzoekende partij kon dan ook niet als de verlader van het betrokken transport worden aangeduid.

In de memorie van wederantwoord verwijst de verzoekende partij nog naar artikel 3, tweede lid, van het decreet bijzonder wegtransport, waarin wordt bepaald dat het verboden is het wegdek te beschadigen door zich met een voertuig op de openbare weg te bevinden waarvan de massa op de grond onder een van de assen het toegestane maximum met meer dan 5 procent overschrijdt. De verzoekende partij heeft het voertuig enkel geladen en heeft geen van haar voertuigen gebruikt, laat staan zich ermee op de openbare weg bevonden. Zij kan dan ook niet als overtreder worden aangesproken. In andere transportrechtelijke regelgeving wordt de verlader wel uitdrukkelijk vernoemd als aansprakelijke partij. Voorts herhaalt zij nog dat de CMR-vrachtbrief het enig afdoende bewijs kan vormen van het feit dat de verzoekende partij verlader was in deze zaak.

Beoordeling

4.8. Artikel 17, § 1, van het decreet bijzonder wegtransport bepaalt:

“Voor inbreuken op dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan kunnen de door de Vlaamse Regering aangewezen wegeninspecteurscontroleurs en de Vlaamse Regering in graad van beroep een administratieve geldboete opleggen overeenkomstig de hierna bepaalde regels.”

Met de verwerende partij moet worden vastgesteld dat het voormelde artikel geenszins een onderscheid maakt wat betreft de hoedanigheid van de overtreder, al naargelang het de strafrechtelijke dan wel de administratief-

rechtelijke afhandeling van overladingsmisdrijven betreft.

XII-8067- 8/10

Te dezen kan ook worden verwezen naar de Memorie van Toelichting bij het ontwerp van decreet bijzonder wegtransport, waar bij artikel 2

van het ontwerpdecreet, waarin het begrip “overtreder” wordt gedefinieerd, uitdrukkelijk wordt toegelicht:

“[…]

Met betrekking tot de definitie van overtreder dient te worden verduidelijkt dat onder overtreder zowel de chauffeur van het in overtreding zijnde voertuig als zijn werkgever als de opdrachtgever en de verlader begrepen kan worden.” (Parl. St. Vl. Parl. 2012-13, nr. 1870/1, 5)

Bijgevolg kan ook de verlader worden beschouwd als een overtreder in de zin van artikel 2 van het voormelde decreet en dus als degene die een inbreuk op het decreet of de uitvoeringsbesluiten begaat zoals bedoeld in de artikelen 17 en 19 van het voormelde decreet.

4.9. Wat betreft de kritiek van de verzoekende partij dat de vracht-

brief niet bij het dossier werd gevoegd, dient te worden opgemerkt dat in het proces-verbaal van 5 januari 2015 de nv Verhelst Aannemingen werd aangeduid als de overlader. Uit de inlichtingen opgenomen in het proces-verbaal blijkt tevens dat de verbalisanten hebben vastgesteld dat de bestuurder in het bezit was van een CMR-vrachtbrief met nr. 20075511. Er weze aan herinnerd dat op grond van artikel 16, derde lid, van het reeds vermelde decreet de betrokken wegen-

inspecteurs de bevoegdheid hebben om inbreuken op het decreet of de uitvoerings-

besluiten vast te stellen bij proces-verbaal met bewijswaarde tot bewijs van het tegendeel. De verzoekende partij heeft tijdens de administratieve procedure op geen enkele wijze haar hoedanigheid als verlader betwist. Zij deed dit niet na ontvangst van het proces-verbaal en de vragenlijst waarin zij werd aangeduid als verlader en welke zij ingevuld binnen de acht dagen diende terug te bezorgen aan de wegeninspecteur-controleur en zij deed dit ook later in de administratieve procedure niet.

Voorts dient te worden vastgesteld dat de toepasselijke wetgeving niet bepaalt dat de vrachtbrief bij het dossier moet worden gevoegd.

XII-8067- 9/10

4.10. Het middel is niet gegrond.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 4 juli 2017, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit:

Johan Bovin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier.

De griffier De voorzitter

Greta Scheveneels Johan Bovin

XII-8067- 10/10

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.752