Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.718 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.718 Généré par l'IA

Belgian State cassates F-10 card revocation where EU law principles override specific withdrawal provisions.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.718
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Admis (Allowed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State annulled the Administrative Court of Aliens' Decisions' ruling that revoked the residence permits of Cameroonian nationals. The applicants argued that the withdrawal violated their rights under EU Directive 2004/38, while the lower court relied on specific Belgian statutory provisions. The court held that the general legal principle of 'fraus omnia corrumpit' applies to decisions ending residence rights where the specific withdrawal article does not cover the case, thereby invalidating the lower court's application of the statute.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 42quater and 42septies of the Aliens Act; The general legal principle of 'fraus omnia corrumpit' applies to decisions ending residence rights where specific withdrawal provisions are inapplicable, overriding strict statutory interpretation.

Mots-clés

Généré par l'IA
fraus omnia corrumpit residence permit revocation EU Directive 2004/38 Aliens Act Belgium cassation procedure droit de séjour des étrangers départ du conjoint perte du droit de cité

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 42quater of the Aliens Act
Article 42septies of the Aliens Act
Directive 2004/38/EC
Royal Decree of 30 November 2006 on the procedure for cassation at the Council of State
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

XIVe KAMER

nr. 238.718 van 29 juni 2017

in de zaak A. 218.890/XIV-36.980

In zake : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carmenta Decordier kantoor houdend te 9041 Gent-Oostakker Harlekijnstraat 9

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

1. XXX

2. XXX

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Julien Wolsey kantoor houdend te 1060 Sint-Gillis avenue de la Jonction 27

I. Voorwerp van het cassatieberoep

1. Het cassatieberoep, ingesteld op 30 maart 2016, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 162.979 van 26 februari 2016 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.

II. Verloop van de rechtspleging

2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 11.937 van 2 mei 2016.

De verweerders hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijheeft een memorie van wederantwoord ingediend.

XIV-36.980-1/10

Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 april 2017.

Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Tine Bricout, die loco advocaat Carmenta Decordier verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Julien Wolsey, die verschijnt voor de verweerders, zijn gehoord.

Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Eerste verweerder en zijn zoon uit een eerdere relatie, tweede verweerder, beiden van Kameroense nationaliteit, hebben een verblijfsrecht gekregen in het kader van gezinshereniging, met name op grond van het huwelijk van eerste verweerder met zijn in België verblijvende echtgenote van Franse nationaliteit. Eerste en tweede verweerder zijn respectievelijk op 30 juli 2008 en op 30 oktober 2009 in het bezit gesteld van een F-kaart.

Eerste verweerder heeft op 17 juni 2013 een duurzaam verblijfsrecht verworven en hij is in het bezit gesteld van een F+-kaart.

XIV-36.980-2/10

3.2. Met een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Brussel van 26 november 2013, bevestigd door een arrest van het hof van beroep te Brussel van 20 november 2014, wordt het huwelijk van eerste verweerder nietig verklaard als zijnde een schijnhuwelijk.

3.3. De staatssecretaris voor Asiel en Migratie beslist op 16 september 2015 tot intrekking van het verblijfsrecht van de verweerders. Hij beslist dezelfde dag tot afgifte van een bevel om het grondgebied te verlaten.

Op 23 oktober 2015 stellen de verweerders tegen de voornoemdebeslissingen van 16 september 2015 eenvordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.

Met een arrest van 26 februari 2016 vernietigt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de meergenoemde beslissingen van 16 september 2015. Dit is het bestreden arrest.

IV. Onderzoek van de middelen

Enig middel

Standpunt van departijen

4. De verzoekende partijwerpt in een enig middelde schending op van artikel 149 van de Grondwet, van de artikelen 39/65 en 42septies van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’(hierna: de vreemdelingenwet) en van “het beginsel van de bewijskracht van stukken overeenkomstig de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek, minstens het principe van de miskenning van de bewijskracht dat geldt voor alle geschreven stukken”.

XIV-36.980-3/10

De verzoekende partij voert in een eerste middelonderdeel aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest oordeelt dat de verweerders een verblijfsrecht verkregen als familielid van een burger van de Unie en dat hun verblijfsrecht enkel kan worden beëindigd op basis van artikel 42septies van de vreemdelingenwet doch niet op grond van het algemeen rechtsbeginsel fraus omnia corrumpit. Volgens het bestreden arrest wordt daaraan geen afbreuk gedaan door de nietigverklaring van het huwelijk van eerste verweerder. De verzoekende partij laat gelden dat artikel 42septies echter enkel van toepassing is op “het verblijfsrecht van de burger van de Unie of van zijn familieleden” en dus enkel de gevolgen van fraus in die bepaalde rechtsverhouding regelt. Nu het huwelijk van eerste verweerder met zijn Franse echtgenote nietig is verklaard als een schijnhuwelijk, wordt hij geacht nooit een familielid van een Unieburger te zijn geweest, evenmin als tweede verweerder van zijn stiefmoeder ingevolge dat vernietigde huwelijk. Dat de verweerders ooit een verblijfsrecht hebben gekregen op basis van het (schijn)huwelijk van eerste verweerder met een burger van de Unie, doet hieraan geen afbreuk vermits de toekenning van een vestigingsvergunning een declaratoire en geen rechtscheppende handeling is.

Volgens de verzoekende partij kon artikel 42septies van de vreemdelingenwet niet worden toegepast met de aanvankelijk bestreden beslissing omdat de voorliggende rechtsverhouding niet onder dit artikel ressorteert. Zij is van oordeel dat het algemeen rechtsbeginsel fraus omnia corrumpit terecht is toegepast in de aanvankelijk bestreden beslissing. De beschouwingen in het bestreden arrest gaan hieraan voorbij, zonder dat wordt verduidelijkt waarom het voornoemde artikel 42septies van toepassing zou zijn op een vreemdeling die niet als een burger van de Unie of een familielid ervan kon worden beschouwd en die wordt geacht nooit een verblijf in die hoedanigheid te hebben verworven. De verwijzing in het bestreden arrest naar de voorbereidende werken van de wet van 25 april 2007 ‘tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de wet van 25 april 2007) is niet relevant vermits het meergenoemde artikel 42septies is vervangen door de wet van 8 juli 2011 ‘tot wijziging van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de

XIV-36.980-4/10

verwijdering van vreemdelingen wat betreft de voorwaarden tot gezinshereniging’ (hierna: de wet van 8 juli 2011). De in het bestreden arrest aangehaalde tekst gaat weliswaar over fraude maar niet specifiek over de vreemdeling die de hoedanigheid van burger van de Unie of familielid ervan ex tunc heeft verloren.

Verder kan een wetsbepaling niet tegen haar inhoud worden uitgelegd. De verzoekende partij acht minstens de bewijskracht van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Brussel van 26 november 2013 en het arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 20 november 2014 geschonden door de overweging in het bestreden arrest dat de verweerders als familielid van een burger van de Unie over een verblijfsrecht beschikken terwijl zij ingevolge de nietigverklaring van het huwelijk van eerste verweerder door die rechterlijke uitspraken worden geacht nooit een familielid van een burger van de Unie te zijn geweest.

5. De verweerders stellen in de memorie van antwoord betreffende het eerste middelonderdeel dat enkel de artikelen 42quater en 42septies van de vreemdelingenwet de mogelijkheid voorzien een einde te stellen aan het verblijfsrecht dat de vreemdeling zich erkend heeft gezien op basis van de artikelen 40bis en 42 van die wet. Het voornoemde artikel 42quater voorziet de mogelijkheid een einde te stellen aan het verblijfsrecht van een familielid van een burger van de Unie binnen de vijf jaar na de erkenning van zijn recht indien het huwelijk met de burger van de Unie die hij begeleid of vervoegd heeft wordt ontbonden of nietig verklaard. De verweerders laten gelden dat de wetgever met de invoeging van artikel 42septies van de vreemdelingenwet de bedoeling had om op ieder ogenblik een einde te stellen aan het verblijfsrecht op grond van fraude, ook na de in artikel 42quater voorziene termijn van vijf jaar.

De verweerders vervolgen dat artikel 35 van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004

‘betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG,

XIV-36.980-5/10

90/365/EEG en 93/96/EEG’(hierna: richtlijn 2004/38), in uitvoering waarvan artikel 42septies van de vreemdelingenwet is ingevoegd, uitdrukkelijk verwijst naar schijnhuwelijken als voorbeeld van fraude die tot intrekking van het verblijfsrecht kan leiden.

6. In de memorie van wederantwoord herhaalt de verzoekende partij het middel. Zij voegt betreffende het eerste middelonderdeel toe dat het loutere gegeven dat artikel 42quater van de vreemdelingenwet en artikel 35 van richtlijn 2004/38, waarvan artikel 42septies van de vreemdelingenwet de omzetting vormt, uitdrukkelijk verwijzen naar de hypothese van de nietigverklaring van het huwelijk, niet betekent dat deze bepaling eveneens van toepassing zou zijn voor vreemdelingen die niet als een burger van de Unie of een familielid ervan kunnen worden beschouwd, zoals te dezen het geval is.

Beoordeling

7. Met de eerste aanvankelijk bestreden beslissing wordt “als een gevolg van het rechtsprincipe ‘fraus omnia corrumpit’ [eerste verweerders] recht op vestiging in het Rijk ingetrokken evenals het verblijfsrecht van zijn zoon [tweede verweerder] dat eveneens uit dit frauduleus huwelijk voortvloeit:

Mevr [F.] was immers nooit de stiefmoeder van betrokkenes zoon”. In het bestreden arrest overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat “door het verblijfsrecht van [de verweerders] ab initio in te trekken en hiertoe te verwijzen naar het algemeen rechtsbeginsel ‘fraus omnia corrumpit’, […] de gemachtigde ambtenaar dan ook artikel 42septies van de vreemdelingenwet [heeft]

miskend”.

Naar luid van artikel 42septies van de vreemdelingenwet, zoals het gold op het ogenblik van de eerste aanvankelijk bestreden beslissing, kon “de minister of zijn gemachtigde […] de binnenkomst weigeren of een einde stellen aan het verblijfsrecht van de burger van de Unie of van zijn familieleden indien deze of dezen valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten

XIV-36.980-6/10

hebben gebruikt, of fraude gepleegd hebben of andere onwettige middelen gebruikt hebben die van doorslaggevend belang geweest zijn voor de erkenning van dit recht”.

8. Uit de niet betwiste gegevens van het rechtsplegingsdossier blijkt dat de verweerders omwille van het huwelijk van eerste verweerder met een burger van de Unie respectievelijk op 30 juli 2008 en op 30 oktober 2009 in het bezit werden gesteld van een F-kaart en dat eerste verweerder op 17 juni 2013 in het bezit werd gesteld van een F+-kaart. Verder blijkt uit het rechtsplegingsdossier dat met een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Brussel van 26 november 2013, bevestigd door een arrest van het hof van beroep te Brussel van 20 november 2014, het voornoemde huwelijk van eerste verweerder nietig werd verklaard als zijnde een schijnhuwelijk.

Ingevolge die nietigverklaring wordt het huwelijk van eerste verweerder met een burger van de Unie geacht nooit te hebben bestaan en wordt hij geacht nooit de hoedanigheid te hebben gehad van familielid van een burger van de Unie, te dezen van zijn Franse echtgenote. Door de nietigverklaring van dat huwelijk wordt ook tweede verweerder geacht nooit de hoedanigheid te hebben gehad van familielid van een burger van de Unie, te dezen zijn stiefmoeder, de Franse echtgenote van zijn vader. De afgifte van de verblijfstitel aan de verweerders had een declaratoir en geen constitutief karakter. Het verblijfsrecht vloeit in dat geval immers voort uit de familieband zelf en de afgifte van de daarmee overeenstemmende verblijfstitel vormt slechts de vaststelling van het eraan verbonden verblijfsrecht. Wanneer die bepaalde familieband niet meer bestaat of wordt geacht niet te hebben bestaan, gaat het aan die familieband verbonden verblijfsrecht teloor of wordt het geacht niet te hebben bestaan, ook al is de betrokken vreemdeling nog in het bezit van zijn verblijfstitel. Derhalve heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest ten onrechte geoordeeld dat de verweerders moesten worden beschouwd als familielid van een burger van de Unie en onder de toepassing blijft vallen van artikel 42septies van de vreemdelingenwet voor wat de gebeurlijke beëindiging van haar verblijfsrecht

XIV-36.980-7/10

betreft. Het voornoemde artikel 42septies is enkel van toepassing op familieleden van een burger van de Unie en door de nietigverklaring ex tunc van het huwelijk van eerste verweerder met een burger van de Unie moeten de verweerders net worden geacht die hoedanigheid nooit te hebben gehad, a fortiori niet meer op het ogenblik dat de aanvankelijk bestreden beslissing werd genomen. Al voorziet artikel 42septies van de vreemdelingenwet een uitdrukkelijke regeling om in bepaalde gevallen een einde te stellen aan het verblijfsrecht van de burger van de Unie of zijn familieleden, deze bepaling verhindert niet dat toepassing kan worden gemaakt van het algemeen rechtsbeginsel ‘fraus omnia corrumpit’ voor beslissingen tot beëindiging van het verblijfsrecht waarop, zoals te dezen, het meergenoemde artikel 42septies niet van toepassing is. De verwijzing in het bestreden arrest naar de memorie van toelichting bij het ontwerp dat tot de wet van 25 april 2007 heeft geleid, doet daar geen afbreuk aan. Dit algemeen rechtsbeginsel is immers niet in strijd met een bepaling die zelf een toepassing van dat beginsel inhoudt maar die geen betrekking heeft op de voorliggende rechtsverhouding.

De verweerders kunnen niet dienstig verwijzen naar artikel 42quater van de vreemdelingenwet, alleen al omdat deze bepaling enkel betrekking heeft op de intrekking van een verblijfsrecht binnen de vijf jaar na de erkenning van dat recht, termijn die te deze overschreden was.

Artikel 35 van richtlijn 2004/38 is in het Belgische recht omgezet door artikel 42septies van de vreemdelingenwet. De verweerders laten niet gelden dat de omzetting niet of onvolledig is gebeurd zodat zij zich niet rechtstreeks op deze richtlijnbepaling kunnen beroepen.

De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft derhalve op onwettige wijze geoordeeld dat te dezen artikel 42septies van de vreemdelingenwet had moeten worden toegepast. Het eerste onderdeel van het enige middel is in die mate gegrond en deze vaststelling volstaat voor de cassatie van het bestreden arrest.

XIV-36.980-8/10

V. Begroting van de rechtsplegingsvergoeding

9. Met een tijdig ingediende nota tot vereffening van de kosten vraagt de verzoekende partij de verweerders te veroordelen tot de kosten van het geding, waaronder een rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 700 euro.

Vermits de verweerders als in het ongelijk gestelde partij tweedelijns juridische bijstand genieten en de verzoekende partij geen kennelijk onredelijke situatie aantoont, dient dit bedrag overeenkomstig artikel 30/1, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State te worden herleid tot 140 euro.

BESLISSING

1. De Raad van State vernietigt het arrest nr. 162.979 van 26 februari 2016

van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.

2. Dit arrest zal in de registers van voormelde Raad worden overgeschreven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

3. De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.

4. De verweerders worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van200 euro, elk voor de helft, en een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij.

XIV-36.980-9/10

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig juni tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:

Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, met bijstand van Johan Pas, griffier.

De griffier De voorzitter

Johan Pas Geert Debersaques

XIV-36.980-10/10

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.718