Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.712 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.712 Généré par l'IA

Court annuls disciplinary dismissal for police officer due to procedural time limit violations and lack of authority.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.712
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State annulled the disciplinary decision dismissing the police officer, ruling the proceedings were invalid due to procedural flaws. The officer argued the disciplinary body lacked authority and violated the six-month statute of limitations for initiating disciplinary actions. The court held that a prior annulment did not restart the clock, rendering the new disciplinary order procedurally unlawful.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 56 of the Disciplinary Code of Police Personnel; A disciplinary proceeding initiated more than six months after the facts were known is invalid, and a prior annulment does not restart the limitation period.

Mots-clés

Généré par l'IA
disciplinary dismissal statute of limitations police personnel procedural invalidity annulment of decision régularité de la procédure absence de contestation des faits procédure contentieuse

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 56 of the Disciplinary Code of Police Personnel of 13 May 1999
“Is art. 56, eerste lid van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten verenigbaar met de artikelen 10 en 11
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

XIVe KAMER

nr. 238.712 van 29 juni 2017

in de zaak A. 207.656/XIV-35.741

In zake : XXXX

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Emmanuel Jacubowitz en Anthony Poppe kantoor houdend te 1160 Brussel Tedescolaan 7

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGS/DSJ

gevestigd te 1050 Brussel Kroonlaan 145/A

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 11 januari 2013, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de directeur-generaal van de algemene directie van de bestuurlijke politie van 12 november 2012 waarbij aan verzoeker de tuchtstraf van ontslag van ambtswege wordt opgelegd.

II. Verloop van de rechtspleging

2. Bij arrest nr. 224.121 van 26 juni 2013 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen.

Verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend.

XIV-35.741-1/18

De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld.

Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 december 2016.

Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Anthony Poppe, die verschijnt voor verzoeker, en adviseurs Ruben Goosens en Kirsten Peeters, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3. De feiten zijn uiteengezet in het tussenarrest nr. 224.121 van 26 juni 2013. Er wordt naar verwezen.

XIV-35.741-2/18

IV. Onderzoek van het eerste middel

Standpunt van de partijen

4. Verzoeker voert in het eerste middel de schending aan van artikel 56 van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: de tuchtwet), doordat:

- de beslissing om de verjaring te schorsen werd genomen door een onbevoegde tuchtoverheid;

- het inleidend verslag van 6 augustus 2009 betekend werd meer dan anderhalf jaar nadat in de strafprocedure een eindarrest werd gewezen door het Hof van Cassatie op 8 januari 2008;

- het inleidend verslag waarmee onderhavige procedure werd ingeleid, betekend werd meer dan drie jaar na kennisname van de feiten door de tuchtoverheid, terwijl artikel 56 van de tuchtwet bepaalt dat geen tuchtvordering meer kan worden ingesteld na een termijn van zes maanden na kennisneming van de feiten.

In wat als een derde onderdeel kan worden beschouwd, stelt verzoeker dat de tuchtvordering sowieso is verjaard.

Hij betwist vooreerst de stelling dat de verjaringstermijn om het inleidend verslag te betekenen, nog niet is beginnen lopen omdat de hoofdcommissaris die de tuchtprocedure heeft gevoerd en die tot de tuchtstraf van 2 augustus 2010 heeft geleid, niet voldeed aan de vereisten van de bestuurstaalwet en derhalve geen bevoegde tuchtoverheid ratione materiae was, zodat de door artikel 56 van de tuchtwet voorgeschreven verjaringstermijn slechts begint te lopen na de kennisneming van de feiten door de bevoegde tuchtoverheid. Allereerst leidt volgens verzoeker een schending van de bestuurstaalwet niet tot de onbevoegdheid ratione materiae van het betrokken overheidsorgaan en indien de directeur-generaal O.L. zich door een wettelijk tweetalige had laten bijstaan, was er bovendien geen schending van de bestuurstaalwet geweest. Voorts is het zo dat de overheid na de vernietiging door de Raad van State een nieuwe beslissing kan

XIV-35.741-3/18

nemen, rekening houdend met de vernietigingsmotieven, maar dat zij in dat geval rekening moet houden met de feitelijke en juridische omstandigheden die zich sinds de vernietigde beslissing hebben voorgedaan. Te dezen is de termijn om het inleidend verslag te betekenen ruimschoots overschreden. De tuchtoverheid kan zich hierbij niet op haar eigen onwettig handelen steunen om de verjaringstermijn opnieuw te laten aanvangen, want dat zou in strijd zijn met het algemeen rechtsbeginsel dat geen enkele persoon voordeel kan halen uit zijn eigen onwettig handelen. Zelfs indien de schending van de bestuurstaalwet wel tot de onbevoegdheid van de tuchtoverheid zou leiden, dan nog moet tot slot worden vastgesteld dat de tuchtvordering verjaard is. De verjaringstermijn loopt zodra enig orgaan aan wie de regelgeving de tuchtbevoegdheid heeft opgedragen, de strafbare feiten vaststelt of ervan in kennis wordt gesteld. Te dezen staat vast dat de gewone tuchtoverheid ten laatste in 2009 kennis had van de feiten en de hogere tuchtoverheid, de waarnemend directeur-generaal, ten laatste op 2 augustus 2010, zijnde de datum waarop de vernietigde eerste beslissing waarbij aan verzoeker de zware tuchtstraf van ontslag van ambtswege werd opgelegd, door hem werd genomen. In beide hypotheses is de termijn van zes maanden ruim verstreken.

Ten tweede betwist verzoeker de in de bestreden beslissing in ondergeschikte orde verdedigde stelling dat de tuchtoverheid zich voor wat de verjaringstermijn betreft, kan terugplaatsen op de datum van 8 augustus 2009 - dat is de datum van de betekening van het eerste inleidend verslag dat leidde tot de later vernietigde tuchtstraf van 2 augustus 2010 - en dat zij dienvolgens nog over een termijn van minstens drie maanden beschikte om een nieuw inleidend verslag te betekenen. Verzoeker betoogt dat, hoewel een vernietigde beslissing wordt geacht nooit te hebben bestaan - waardoor hieraan elk rechtsgevolg wordt ontzegd - zulks niet betekent dat de feitelijke gevolgen ervan kunnen worden uitgewist. De nietigheid van het inleidend verslag schort met andere woorden de termijn om dat verslag te betekenen niet op. Bovendien blijkt uit het inleidend verslag dat de tuchtoverheid de voorbereidende handelingen van de door de Raad van State vernietigde beslissing van 2 augustus 2010 heeft ingetrokken. Zoals de Raad van State in het arrest nr. 185.771 van 21 augustus 2008 heeft geoordeeld, dient de

XIV-35.741-4/18

tuchtoverheid in dat geval wel degelijk rekening te houden met de door artikel 56

van de tuchtwet voorgeschreven verjaringstermijn en heeft zij na het verstrijken van die verjaringstermijn niet langer de mogelijkheid om de tuchtprocedure te hernemen.

5. De verwerende partij verwijst in de memorie van antwoord naar haar in het raam van de schorsingsprocedure neergelegde nota met opmerkingen “die hier integraal wordt overgenomen”.

In die nota betwist de verwerende partij, wat het derde onderdeel betreft, vooreerst dat zij een beroep had kunnen en moeten doen op een tweetalige ambtenaar voor bijstand bij de tuchtprocedure om de taalproblematiek te vermijden, hetgeen zij omstandig detailleert. In essentie stelt zij enerzijds dat op het moment van het ondertekenen van het eerste inleidend verslag de directeur-generaal van de Bestuurlijke Politie (hierna:

de DGA) niet op de hoogte was van een of andere taalproblematiek. Slechts bij uitspraak door de Raad van State is vastgesteld dat het taalbrevet van de DGA niet voldeed en gezien de veronderstelde taalbevoegdheid bijstand van één of andere wettelijk tweetalige dan ook niet nodig was. Anderzijds betoogt zij dat de denkpiste van de bijstand van een tweetalig ambtenaar, niet mogelijk is omdat zulks niet is voorzien in de tuchtwet en betreft de stelling van verzoeker de hypothese van een college als tuchtoverheid, terwijl het te dezen één persoon betreft die door de tuchtwet bevoegd wordt verklaard om de tuchtprocedure te behandelen. Het staat dan ook volgens de verwerende partij vast dat de DGA als hogere tuchtoverheid zich niet kan laten bijstaan door bijvoorbeeld een tweetalige ambtenaar, maar zelf over het bewijs dient te beschikken van de reële kennis van het Nederlands. Gegeven het tussengekomen arrest van de Raad van State, werd vastgesteld dat de hogere tuchtoverheid dergelijk bewijs niet leverde, daar het behaalde taalbrevet niet aan de bestuurstaalwet voldeed. De onbevoegdheid ratione materiae van de hogere tuchtoverheid die de beslissing van 2 augustus 2010 tot ambtshalve ontslag van de verzoeker heeft genomen, staat dan ook vast.

XIV-35.741-5/18

Dit geldt eveneens voor de kennisname door de hogere tuchtoverheid op 25 mei 2009 van de gerechtelijke eindbeslissing.

Wat, ten tweede, de stelling van verzoeker betreft dat de hogere tuchtoverheid zich, blijkens zijn door de Raad van State vastgestelde onbevoegdheid, niet kan steunen op haar eigen onwettigheden om de verjaringstermijn opnieuw te doen lopen, betoogt de verwerende partij dat, gelet op de duidelijke verwoording in artikel 56, tweede lid van de tuchtwet, de verjaringstermijn gewoonweg nog niet is ingegaan. De kennisneming van het schrijven van het parket van 15 mei 2009 kon niet rechtsgeldig gebeuren wat dan ook de verjaringstermijn van 6 maanden niet kon doen ingaan. Bovendien benadrukt de verwerende partij dat de veronderstelde taalbevoegdheid van de DGA zeer aannemelijk is en dat hieraan geen nadelige gevolgen kunnen worden verbonden. Bovendien heeft de rechtspraak die verzoeker aanhaalt geen betrekking op individuele rechtshandelingen en wordt in de aangehaalde arresten louter gesteld dat het actief bestuur geen toepassing dient te maken van artikel 159 van de Grondwet gezien dat immers alleen toekomt aan de rechtsprekende organen. Niets meer dan dat. Er wordt volgens de verwerende partij dan ook geenszins aangetoond dat de overheid geen rekening dient te houden met de blijkens de Raad van State geoordeelde onwettigheid van een bestuurshandeling. Bovendien was de onregelmatigheid in casu niet gekend door de overheid, een belangrijke nuancering. Tot slot verwijst de verwerende partij ter zake nog naar het advies van de Tuchtraad en het deskundigenverslag van de Algemene Inspectie.

Voorts betwist de verwerende partij dat er, rekening houdende met de onbevoegdheid ratione materiae, sowieso een kennisneming is gebeurd in 2009 (door de gewone tuchtoverheid), dan wel in augustus 2010 door de hogere tuchtoverheid. Volgens de verwerende partij heeft de kennisneming van de feiten geen uitstaans met de tekst van artikel 56, tweede lid van de tuchtwet dat bepaalt dat de verjaringstermijn bij het bestaan van een opsporingsonderzoek of een strafvervolging pas begint te lopen vanaf de kennisneming van de gerechtelijke eindbeslissing door de tuchtoverheid. De deugdelijkheid van de beslissing om de

XIV-35.741-6/18

tuchtprocedure uit te stellen, m.a.w. de afhankelijkheid van de informatie van het gerechtelijk onderzoek, werd reeds beoordeeld in het arrest nr. 210.637 en werd rechtmatig bevonden. Een rechtsgeldige kennisneming van de gerechtelijke eindbeslissing situeren op het moment van de ondertekening van de beslissing van 2 augustus 2010 tot ambtshalve ontslag van de verzoeker, wordt volgens de verwerende partij helemaal kafka. Eerst en vooral blijkt reeds uit de voorgaande uiteenzetting dat noch O. L., noch R. P. op de hoogte waren van een eventuele onbevoegdheid van O. L. zodat, gelet op de gerechtvaardigde veronderstelling van de taalbevoegdheid van O. L., hier dan ook geen gevolg aan kan worden verbonden. Immers, elk geschil voor de Raad van State waarbij sprake is van een schorsing dan wel vernietiging van een administratieve beslissing, houdt in dat door de overheid een onregelmatigheid in de loop van de procedure werd begaan.

Toch is het algemeen aanvaard dat de overheid de begane onregelmatigheid kan herstellen door de procedure te hernemen. De redenering van verzoeker zou dit principe immers volledig uithollen door te gaan veronderstellen dat, gegeven een uitspraak van de Raad van State (op 24 januari 2011), de overheid vóór deze uitspraak hiervan reeds proactief (op 2 augustus 2010) zou kennis moeten hebben gehad wil ze nog een rechtsherstel kunnen doen. Op die wijze dient een initieel rechtmatig geachte procedure te worden geherinterpreteerd in functie van een later tussengekomen arrest. Daarnaast zou de hypothese dat een rechtsgeldige kennisneming zou zijn gebeurd van de gerechtelijke eindbeslissing op 2 augustus 2010 inhouden dat, ondanks die kennisneming, de tuchtoverheid de tuchtprocedure niet kan herstellen. Immers, R. F. was op het moment van de ondertekening waarnemend DGA, zij het tijdelijk. Het ligt dan ook niet in zijn bevoegdheid om de tuchtprocedure op dat moment te hernemen gezien maar één persoon is benoemd als DGA. O. L. was de enige tuchtoverheid die kon handelen maar was klaarblijkelijk hiervoor niet bevoegd. Dat zou indruisen tegen de goede werking van de rechtsstaat. In die zin kan artikel 56, tweede lid van de tuchtwet niet anders worden gelezen dan dat de verjaringstermijn voor het inleiden van de tuchtprocedure begint te lopen vanaf het moment van kennisneming van de gerechtelijke eindbeslissing door een bevoegde tuchtoverheid “die ook kan handelen”, wat volgens de verwerende partij te dezen niet het geval was. Enige

XIV-35.741-7/18

andere interpretatie druist volgens de verwerende partij volledig in tegen de draagwijdte van de wetsbepaling en bedoeling van de wetgever. Daaruit blijkt immers dat die bepaling de termijnen bepaalt binnen dewelke de tuchtprocedure moet worden aangespannen en sanctioneert het de passiviteit van de bevoegde tuchtoverheden. Van enige passiviteit van de overheid kan volgens de verwerende partij in casu geen sprake zijn, gelet op de zeer actieve houding die doorheen de ganse tuchtprocedure werd aangenomen. Daarnaast is duidelijk dat de wetgever de tuchtoverheid die kan handelen, verplicht om binnen een bepaalde termijn de tuchtprocedure op te starten. De vermeend bevoegde tuchtoverheid, de DGA, heeft deze tuchtprocedure opgestart. Van enige andere bevoegde tuchtoverheid, voor een zware tuchtsanctie, kan geen sprake zijn.

In ondergeschikte orde en zelfs indien wordt aangenomen dat een geldige kennisneming is gebeurd door de DGA op 28 mei 2009, dan nog diende de overheid zich voor de uitvoering van het tussengekomen arrest terug te plaatsen op het moment van het begaan van de procedurefout, met name de ondertekening van het inleidend verslag. In casu gaat het over de houding die een tuchtoverheid moet innemen indien ze in kennis wordt gesteld van een gerechtelijke eindbeslissing. Hiervoor werd reeds verwezen naar de bedoeling van de wetgever die hoofdzakelijk ervan uitgaat om een stilzittende overheid te sanctioneren. Daarnaast blijkt uit het eerder tussengekomen arrest nr. 210.637, dat in deze tuchtprocedure geenszins de eindbeslissing door de procedurefout was aangetast (de eindbeslissing tot ontslag van ambtswege van 2 augustus 2010 werd immers niet ondertekend door L. wiens taalonbevoegdheid net het struikelblok vormde), doch wel het inleidend verslag waarmee de procedure is opgestart.

Hieruit blijkt dan ook duidelijk dat de gehele tuchtprocedure, van bij het begin, diende te worden overgedaan. Dit is immers geen algemene regel bij de vernietiging van een beslissing, daar in beginsel de voorbereidende handelingen waarvan in het vernietigingsarrest niet de onwettigheid is vastgesteld, behouden blijven. De bestreden beslissing citerend, stelt de verwerende partij dat “gelet op de gevolgen van een vernietigingsarrest van de Raad van State, dient de overheid zich voor het herstel van de procedure te plaatsen op het ogenblik waarop de

XIV-35.741-8/18

onregelmatigheid werd begaan. Gezien de onregelmatigheid niet slaat op de beslissing van 2 augustus 2010 tot het opleggen van het ontslag van ambtswege, maar wel de gevoerde procedure in zijn geheel aantast, heeft de vernietiging van de tuchtbeslissing door de Raad van State zijn gevolgen vanaf het opstarten van de tuchtprocedure, nl. de ondertekening van het inleidend verslag. De overheid dient zich dan ook, voor wat betreft de verjaringstermijn van de tuchtprocedure, terug te stellen op datum van 8-08-2009. Ze beschikte op dat moment hoe dan ook nog over een resterende termijn van minstens 3 maanden om het inleidend verslag te betekenen.” Een andere toepassing van de rechtsregels zou wel een zeer onbillijk gevolg hebben: enerzijds zijn er die personeelsleden waarbij de onregelmatigheid, namelijk de taalonbevoegdheid, wordt begaan bij het nemen van de eindbeslissing van de tuchtprocedure, - het opleggen van de definitieve tuchtsanctie - waaraan geen verjaringstermijn is verbonden (artikel 55 van de tuchtwet is louter een ordetermijn, geen vervaltermijn); anderzijds is er de categorie van personeelsleden waar datzelfde vormgebrek zich voordoet in het begin van de procedure, zoals in casu. In dit geval echter wordt het personeelslid anders behandeld dan de eerste categorie aangezien de overheid niet bij machte zou zijn om deze tuchtprocedure te herstellen. Verzoekers interpretatie heeft tot gevolg dat die categorieën een ongelijke behandeling ondergaan: de eerste categorie krijgt een herstel van de tuchtsanctie, de tweede categorie niet. Vandaar dat de verwerende partij vraagt om de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te willen stellen:

“Is art. 56, eerste lid van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten verenigbaar met de artikelen 10 en 11

Grondwet in die interpretatie dat aan het personeelslid waarbij een procedurefout wordt begaan na de ontvangst van het advies van de tuchtraad en waarbij een herstel van de tuchtprocedure mogelijk is na een nietigverklaring door de Raad van State (gelet op het ontbreken van een vervaltermijn), een herstelde tuchtsanctie kan worden opgelegd, terwijl een herstel van de tuchtprocedure na een nietigverklaring door de Raad van State (met als gevolg een herstelde tuchtsanctie) voor een personeelslid waarbij diezelfde procedurefout wordt begaan bij het betekenen van het inleidend verslag (waarbij art. 56, 1ste lid voorziet in een vervaltermijn), niet mogelijk zou zijn.”

Tot slot gaat volgens de verwerende partij verzoeker er overigens ten onrechte van uit dat de voorbereidende handelingen van de tuchtprocedure uit de rechtsorde zijn verdwenen door de intrekking door de

XIV-35.741-9/18

tuchtoverheid. De tuchtoverheid heeft echter duidelijk vastgesteld dat de Raad van State deze voorbereidende handelingen heeft vernietigd gelet op hun absolute nietigheid gezien het vormgebrek van openbare orde waarmee ze waren behept.

Deze voorbereidende handelingen dienden dan ook als onbestaande te worden beschouwd. Puur voor alle duidelijkheid heeft de tuchtoverheid, op dezelfde datum als het betekenen van het nieuwe inleidende verslag, bevestiging gegeven van het feit dat met deze voorbereidende handelingen geen rekening meer mag gehouden worden. Een intrekking zoals in de klassieke leer was immers niet meer mogelijk gelet op de uitputting van de bevoegdheid van de tuchtoverheid (met name door de vernietiging van de voorbereidende handelingen). Het woordgebruik van de intrekking van de voorbereidende handelingen wil enkel absolute duidelijkheid geven aan verzoeker dat met die voorgaanden geen rekening meer wordt gehouden en de tuchtprocedure vanaf dit punt dient te worden hersteld. Dit werd ook bevestigd in het advies van de tuchtraad.

Beoordeling

De termijn gesteld in artikel 56 van de tuchtwet

6. Het te dezen relevante eerste en tweede lid van artikel 56 van de tuchtwet luiden:

“Art. 56. De betekening van het inleidend verslag aan het personeelslid moet geschieden binnen zes maanden na de kennisneming of vaststelling van de feiten door een bevoegde tuchtoverheid. Bij ontstentenis en onder voorbehoud van het tweede lid, kan geen tuchtvordering meer worden ingesteld.

In het geval dat een opsporingsonderzoek loopt of de strafvervolging is ingesteld voor dezelfde feiten, begint die termijn te lopen de dag dat de tuchtoverheid door de gerechtelijke overheid ervan in kennis gesteld wordt dat er een gerechtelijke eindbeslissing werd genomen of dat het dossier geseponeerd is dan wel de strafvordering vervallen is.”

Artikel 56 van de tuchtwet verplicht “de bevoegde tuchtoverheid” om binnen zes maanden - hetzij na kennisneming of vaststelling van de feiten (eerste lid), hetzij de dag van de inkennisstelling door de gerechtelijke overheid van het feit dat er een gerechtelijke eindbeslissing werd

XIV-35.741-10/18

genomen of dat het dossier geseponeerd is dan wel de strafvordering vervallen is (tweede lid) - de tuchtprocedure op te starten, hetgeen gebeurt met de kennisgeving van het inleidend verslag aan de betrokkene. Het gaat om een vervaltermijn waarna geen tuchtvordering meer kan worden ingesteld. Die garandeert de politieambtenaar dat hij korte tijd nadat het bestuur op de in de tuchtwet bepaalde wijze kennis heeft van de feiten, uitsluitsel krijgt over zijn onzekere situatie. Of die kennisneming of de vaststelling van de feiten gebeurt door de gewone dan wel de hogere tuchtoverheid, is te dezen niet van belang: beiden zijn bevoegde overheden in de zin van artikel 17 van de tuchtwet. Hetzelfde geldt wat de in het tweede lid bepaalde inkennisstelling betreft.

Artikel 56 van de tuchtwet voorziet niet in enige schorsing van de vervaltermijn voor het instellen van de tuchtvordering. Die bepaling laat de tuchtoverheid aldus niet toe een tuchtprocedure na het verstrijken van de verjaringstermijn te hernemen.

7. De in artikel 56 van de tuchtwet vervatte verplichting de tuchtvordering op te starten met de betekening van het inleidend verslag aan het personeelslid binnen de vervaltermijn, is een facultatieve bevoegdheid. Het staat de tuchtoverheid derhalve vrij om al dan niet een tuchtvordering in te stellen. Het tuchtrechtelijk optreden van de tuchtoverheid wanneer zij feiten die mogelijk een tuchtvergrijp uitmaken, vaststelt of er zoals te dezen kennis van krijgt, beantwoordt bijgevolg niet aan een rechtsplicht. Is de in artikel 56 van de tuchtwet bepaalde vervaltermijn verlopen, dan brengt zulks het verlies van die facultatieve tuchtbevoegdheid met zich mee.

8. Anders dan hoe de verwerende partij het ziet, is de al dan niet actieve houding van de bevoegde tuchtoverheid niet bepalend ter beoordeling van de vraag of de in artikel 56 van de tuchtwet bepaalde vervaltermijn al dan niet is overschreden.

XIV-35.741-11/18

De datum van kennisneming van de feiten in de zin van artikel 56 van de tuchtwet

9. Te dezen kan niet worden betwist dat er sprake was van een strafonderzoek lastens verzoeker. Met toepassing van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet, nam de vervaltermijn van zes maanden om een inleidend verslag aan verzoeker te betekenen slechts een aanvang de dag dat de - bevoegde -

tuchtoverheid door de gerechtelijke overheid ervan in kennis gesteld wordt dat er een gerechtelijke eindbeslissing werd genomen of dat het dossier geseponeerd is dan wel de strafvordering vervallen is.

10. Op grond van artikel 20, 2°, a) van de tuchtwet is ten aanzien van verzoeker, de DGA de hogere tuchtoverheid en dus een bevoegde overheid in de zin van artikel 56 van de tuchtwet.

In de bestreden beslissing en inzonderheid in de rubriek betreffende de datum van kennisgeving van de feiten is het volgende gesteld:

“[…]

Met zijn brief van 15-05-2009 […], stelt de Procureur-generaal van het Hof van beroep te Antwerpen de dienst Intern Toezicht van de federale politie in kennis van de in kracht van gewijsde gegane eindbeslissing. De dienst Intern Toezicht (DIT)

neemt kennis op 25-05-2009. Op 28-05-2009 krijg ik als DGA kennis van de gerechtelijke eindbeslissing. De initiële tuchtprocedure werd opgestart door de betekening van het inleidend verslag op datum van 8-08-2009, ruim binnen de 3 maanden nadat ik kennis kreeg van de gerechtelijke eindbeslissing. Deze tuchtprocedure kent haar eindbeslissing op 2 augustus 2010 waartegen in beroep [wordt] gegaan.

[…].”

Hieruit blijkt dat op 28 mei 2009 de DGA-titularis O. L., als bevoegde tuchtoverheid, kennis kreeg van de gerechtelijke eindbeslissing. In hoofde van de DGA nam aldus de in artikel 56 van de tuchtwet bepaalde vervaltermijn van zes maanden op die datum een aanvang.

11. Het argument van de verwerende partij dat de DGA-titularis O. L. onbevoegd ratione materiae zou zijn om op te treden in de voorliggende tuchtprocedure omdat die geen blijk kon geven van de voldoende taalkennis in de

XIV-35.741-12/18

zin van de bestuurstaalwetgeving - zodat de voormelde kennisgeving door het parket-generaal bij brief van 15 mei 2009 niet de verjaringstermijn van zes maanden kon doen ingaan - wordt niet bijgetreden.

De onbevoegdheid van de steller van de akte heeft betrekking op beslissingen die uitgaan van een administratieve overheid, terwijl ze hadden moeten uitgaan van een andere administratieve overheid en op beslissingen die genomen worden door een administratieve overheid op een tijdstip dat zij nog niet bevoegd is of op een tijdstip waarop zij heeft opgehouden bevoegd te zijn, waarbij er sprake is van een onbevoegdheid ratione materiae wanneer een administratieve overheid een beslissing neemt over een aangelegenheid die ressorteert onder de bevoegdheid van een andere administratieve overheid. Te dezen heeft de Raad van State bij arrest nr. 218.494 van 15 maart 2012 de beslissing van de DGA van 2 augustus 2010 waarbij aan verzoeker, na het verder onderzoek van de tuchtprocedure, de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege werd opgelegd, vernietigd omdat de directeur-generaal met het taalbrevet dat hij voorlegt, niet doet blijken dat hij voldoet aan de vereisten waarvan de bestuurstaalwet het optreden van de tuchtoverheid bij de federale politie afhankelijk stelt. Anders dan hoe de verwerende partij het ziet, is dat geen zaak van bevoegdheid (ratione materiae)

maar wel van miskenning (door een ter zake bevoegde hogere tuchtoverheid) van een substantiële vormvereiste in de zin van artikel 14, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. De door de Raad van State in het laatstgenoemde arrest erga omnes vastgestelde miskenning van die vormvereiste, maakte op zich de DGA niet onbevoegd ratione materiae om zijn door de tuchtwet bepaalde toegewezen bevoegdheid uit te oefenen.

12. Evenmin leiden de argumenten dat het om een bevoegde overheid moet gaan “die ook kan handelen” en dat een beroep op een taal-adjunct wettelijk niet mogelijk is, tot een ander besluit.

Zonder dat de Raad van State te dezen moet onderzoeken of desgevallend de directeur-generaal zich had kunnen laten bijstaan door een

XIV-35.741-13/18

taaladjunct, bemerkt de Raad van State dat in elk geval niet blijkt dat de uitoefening van de aan de DGA door de tuchtwet toegewezen tuchtbevoegdheid te dezen onmogelijk zou zijn. Niet alleen biedt artikel 120, derde en vierde lid, van de wet van 7 december 1998 ‘tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus’ de mogelijkheid, teneinde “de continuïteit van de openbare dienst en de rechtszekerheid van ieder in de toepassing van de procedures te waarborgen” (Parl. St. Kamer 2005-2006, nr. 51-é2/001, 16) om bij verhindering van, te dezen, een titularis van een mandaat, alle bevoegdheden die bij de wetten en reglementen aan hem zijn toegekend, te laten uitoefenen door een plaatsvervanger. Bovendien komt het in elk geval aan de verwerende partij toe zich dermate te organiseren dat de functies waaraan de tuchtwet uitdrukkelijk bepaalde bevoegdheden verbindt, kunnen worden uitgeoefend.

13. Tot slot mag de hogere tuchtoverheid bij haar optreden weliswaar uitgaan van het vermoeden van wettigheid, maar dat vermoeden geldt maar zolang dat de onwettigheid ervan niet door de rechter is vastgesteld. Stelt die, zoals te dezen het geval was, die onwettigheid met gezag van gewijsde vast, dan kan de tuchtoverheid geen aanspraken (meer) putten uit het feit dat, tot dat ogenblik, haar optreden en beslissing wettig waren.

De mogelijkheid om de procedure na nietigverklaring te hernemen

14. Na een vernietigingsarrest vermag de tuchtoverheid de in het vernietigingsarrest vastgestelde onwettigheid te remediëren door de tuchtprocedure vanaf dat punt te hernemen. Eventuele vervaltermijnen dienen hierbij evenwel te worden gerespecteerd.

15. Het vernietigingsmotief dat leidde tot het arrest nr. 218.494 van 15 maart 2012 vitieert zowel de tuchtstraf zelf als het inleidend verslag van 6 augustus 2009, hetgeen de verwerende partij overigens heeft erkend door onder meer het door de waarnemende DGA op 28 maart 2012 intrekken van dat inleidend verslag “gelet op de overwegingen in [het] arrest [nr. 218.494 van 15 maart 2012],

XIV-35.741-14/18

nl. de vastgestelde onregelmatigheid aangaande het bewijs van taalkennis in hoofde van dhr. [O.L.], DGA”. De door het voormelde vernietigingsarrest vastgestelde onwettigheid situeert zich aldus bij het instellen van de tuchtvordering.

Het vernietigingsmotief impliceert derhalve dat de tuchtprocedure ab initio, d.i. vanaf de kennisneming van het inleidend verslag, zou moeten worden hernomen, wat voorts ook het standpunt is van de verwerende partij in haar nota. Het is ook op die wijze dat de hogere tuchtoverheid overigens is opgetreden, door het inleidend verslag op 28 maart 2012 in te trekken en met betrekking tot dezelfde feiten op dezelfde dag een nieuw inleidend verslag op te stellen, waarvan verzoeker op 30 maart 2012 kennisneemt.

16. Om zich bevoegd ratione temporis te achten om de procedure te hernemen door het ter kennis brengen van een nieuw inleidend verslag opgesteld door de waarnemend directeur-generaal waarvan niet wordt betwist dat die voldeed aan de door de bestuurstaalwet gestelde vereisten, gaat de verwerende partij in wezen uit van de opvatting dat de hogere tuchtoverheid, na de kennisneming van het vernietigingsarrest nr. 218.494 van 15 maart 2012, - op zijn minst - nog beschikte over het gedeelte van de vervaltermijn dat de tuchtoverheid restte toen het inleidend verslag waarvan de onwettigheid uit het vernietigingsarrest van de Raad van State moet worden afgeleid, aan verzoeker ter kennis werd gebracht.

Die zienswijze gaat uit van een verkeerde opvatting van het recht.

17. Zonder dat de Raad van State moet onderzoeken of, zoals de verwerende partij stelt, bij de vernietiging van de beslissing van 2 augustus 2010bij arrest nr. 218.494 in beginsel de voorbereidende handelingen waarvan in het vernietigingsarrest niet de onwettigheid is vastgesteld, behouden blijven en los van de vraag of die voorbereidende handelingen te dezen als onbestaande moeten

XIV-35.741-15/18

worden beschouwd en de intrekking door de tuchtoverheid van te dezen het initiële inleidend verslag op 28 maart 2012 is gebeurd omwille van de rechtszekerheid, stelt de Raad van State vast dat in elk geval het (formeel) ingetrokken inleidend verslag geacht moet worden nooit genomen te zijn geweest.

Het aldus retroactief verdwijnen uit de rechtsorde van de (tijdige doch facultatieve) beslissing om een tuchtvordering in te stellen, vermag evenwel niet opnieuw de hiervoor geschetste facultatieve mogelijkheid om een tuchtvordering in te stellen (zie supra, punt 7) , te doen herleven. De retroactieve werking doet de bevoegdheid ratione temporis immers niet herleven in het, te dezen toepasselijke, geval dat er geen verplichting bestaat tot het uitoefenen van die bevoegdheid en tot het nemen van een nieuwe beslissing. Bijgevolg is er evenmin sprake van het corollarium van een rechtsplicht tot het uitoefenen van een bevoegdheid, met name het verder lopen, c.q. het ingaan van een nieuwe termijn voor het instellen van de tuchtvordering.

Te dezen verplicht het tussengekomen vernietigingsarrest van de Raad van State niet tot enig tuchtrechtelijk optreden vanwege de verwerende partij:

het tussengekomen vernietigingsarrest verschaft aan verzoeker volledig rechtsherstel en het doet voorts geen nieuwe termijn ontstaan vermits de tuchtoverheid niet wordt verplicht tot het nemen van een nieuwe beslissing.

Evenmin voorziet de rechtspositieregeling van verzoeker in een bepaalde termijn om de tuchtrechtelijke vervolging te hernemen na de kennisgeving van het vernietigingsarrest van de Raad van State.

18. Uit wat voorafgaat volgt dat het “hernemen” van de tuchtprocedure ab initio in wezen het instellen betreft van een nieuwe tuchtprocedure die te dezen is gebeurd meer dan zes maanden na de inkennisstelling door de gerechtelijke overheid van de bevoegde tuchtoverheid dat er een gerechtelijke eindbeslissing is genomen.

XIV-35.741-16/18

De tuchtvordering is bijgevolg ingesteld buiten de in artikel 56

van de tuchtwet voorziene vervaltermijn.

Het stellen van een prejudiciële vraag

19. Met de door de verwerende partij gesuggereerde prejudiciële vraag stelt zij niet de grondwettigheid van artikel 56 van de tuchtwet, maar wel de rechtspraak van de Raad van State inzake de rechtsgevolgen van een vernietigingsarrest ter discussie.

20. Er is derhalve geen grond om aan het Grondwettelijk Hof de voorgestelde vraag te stellen.

Conclusie

21. Het eerste middel is in de aangegeven mate gegrond.

V. Anonimisering

22. Verzoeker vraagt de anonimisering van het arrest, bij de publicatie ervan.

Luidens artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 ‘betreffende de publicatie van de arresten en de beschikkingen van niet-toelaatbaarheid van de Raad van State’ kan bij de publicatie van de beschikking of van het arrest de identiteit van natuurlijke personen, op uitdrukkelijk verzoek van een natuurlijke persoon die partij is bij een geschil dat bij de Raad van State aanhangig is, worden weggelaten.

De vraag wordt ingewilligd.

XIV-35.741-17/18

BESLISSING

1. De Raad van State vernietigt de beslissing van de directeur-generaal van de algemene directie van de bestuurlijke politie van 12 november 2012 waarbij aan verzoeker de tuchtstraf van ontslag van ambtswege wordt opgelegd.

2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 375 euro.

3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker weggelaten.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig juni tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:

Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.

De griffier De voorzitter

Joris Casneuf Geert Debersaques

XIV-35.741-18/18

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.712