Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.710 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.710 Généré par l'IA

Belgian State wins cassation against Refugee Council for misapplying Article 42septies of Aliens Act to a Nigerian woman.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.710
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Belgian State successfully appealed the Refugee Council's decision to annul its residence permit revocation order against a Nigerian woman. The Council had incorrectly applied Article 42septies of the Aliens Act, which governs the termination of residence rights for family members of EU citizens, to the applicant. The Court of Cassation ruled that since her marriage to a Belgian citizen was declared void ab initio, she never acquired the status of a family member of an EU citizen, rendering Article 42septies inapplicable. Consequently, the general legal principle that fraud corrupts everything ('fraus omnia corrumpit') was the correct basis for terminating her residence rights.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 42septies of the Aliens Act; The principle that fraud corrupts everything ('fraus omnia corrumpit') applies to terminate residence rights when the applicant never legally acquired the status of a family member of an EU citizen due to a void marriage.

Mots-clés

Généré par l'IA
fraus omnia corrumpit void marriage Aliens Act residence permit family member status cassation appeal Nigerian nationality nationalité

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 42septies of the Aliens Act
Royal Decree of 30 November 2006 on the procedure for cassation at the Council of State

Jurisprudence citée

Généré par l'IA
Council of State, No. 217.116 of 5 January 2012
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

XIVe KAMER

nr. 238.710 van 29 juni 2017

in de zaak A. 218.010/XIV-36.858

In zake : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carmenta Decordier kantoor houdend te 9041 Gent-Oostakker Harlekijnstraat 9

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

XXX

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Falke Van der Schueren kantoor houdend te 2018 Antwerpen Broederminstraat 38

I. Voorwerp van het cassatieberoep

1. Het cassatieberoep, ingesteld op 4 januari 2016, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 157.589 van 2 december 2015 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.

II. Verloop van de rechtspleging

2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 11.766 van 1 februari 2016.

Verweerster heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijheeft een memorie van wederantwoord ingediend.

XIV-36.858-1/9

Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 maart 2017.

Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Brecht Heirman, die loco advocaat Carmenta Decordier verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Falke Van der Schueren, die verschijnt voor verweerster, zijn gehoord.

Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Verweerster, van Nigeriaanse nationaliteit, dient op 16 juni 2006

een aanvraag tot vestiging in als echtgenote van een Belg. Op basis van die aanvraag krijgt zij op 16 oktober 2006 een identiteitskaart voor vreemdelingen.

Verweerster dient op 26 augustus 2009 een nationaliteitsverklaring in en zij krijgt op 30 oktober 2009 de Belgische nationaliteit.

3.2. Met een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Antwerpen van 24 juni 2014 wordt verweersters huwelijk nietig verklaard als

XIV-36.858-2/9

zijnde een schijnhuwelijk. Verweerster wordt tevens vervallen verklaard van de Belgische nationaliteit. Het beschikkend gedeelte van dit vonnis is overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.3. De staatssecretaris voor Asiel en Migratie beslist op 5 maart 2015 tot intrekking van het recht op vestiging en tot afgifte van een bevel om het grondgebied te verlaten in hoofde van verweerster.

Op 16 april 2015 stelt verweerster tegen de voornoemdebeslissingen van 5 maart 2015 een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.

Met een arrest van 2 december 2015 vernietigt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de meergenoemde beslissingen van 5 maart 2015. Dit is het bestreden arrest.

IV. Onderzoek van de middelen

Enig middel

Standpunt van departijen

4. De verzoekende partijwerpt in een enig middelde schending op van artikel 149 van de Grondwet, van de artikelen 39/65 en 42septies van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’(hierna: de vreemdelingenwet) en van “het beginsel van de bewijskracht van stukken overeenkomstig de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek, minstens het principe van de miskenning van de bewijskracht dat geldt voor alle geschreven stukken”.

De verzoekende partij voert in een eerste middelonderdeel aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest oordeelt dat

XIV-36.858-3/9

verweerster een verblijfsrecht verkreeg als familielid van een burger van de Unie en dat haar verblijfsrecht enkel kan worden beëindigd op basis van artikel 42septies van de vreemdelingenwet doch niet op grond van het algemeen rechtsbeginsel fraus omnia corrumpit. Zij laat gelden dat artikel 42septies echter enkel van toepassing is op “het verblijfsrecht van de burger van de Unie of van zijn familieleden” en dus enkel de gevolgen van fraus in die bepaalde rechtsverhouding regelt. Nu verweersters huwelijk met een Belgische onderdaan is nietigverklaard als een schijnhuwelijk en zij vervallen is verklaard van de Belgische nationaliteit, wordt verweerster geacht nooit een Unieburger of een familielid van een Unieburger te zijn geweest. Dat verweerster ooit een verblijfsrecht heeft gekregen op basis van haar (schijn)huwelijk met een Belg, doet hieraan geen afbreuk vermits de toekenning van een vestigingsvergunning een declaratoire en geen rechtscheppende handeling is. Volgens de verzoekende partij kon artikel 42septies van de vreemdelingenwet niet worden toegepast met de aanvankelijk bestreden beslissing omdat de voorliggende rechtsverhouding niet onder dit artikel ressorteert. Zij is van oordeel dat het algemeen rechtsbeginsel fraus omnia corrumpit terecht is toegepast in de aanvankelijk bestreden beslissing. De beschouwingen in het bestreden arrest gaan hieraan voorbij, zonder dat wordt verduidelijkt waarom het voornoemde artikel 42septies van toepassing zou zijn op een vreemdeling die niet als een burger van de Unie of een familielid ervan kon worden beschouwd en die wordt geacht nooit een verblijf in die hoedanigheid te hebben verworven. De verwijzing in het bestreden arrest naar de voorbereidende werken van de wet van 25 april 2007 ‘tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de wet van 25 april 2007) is niet relevant vermits het meergenoemde artikel 42septies is vervangen door de wet van 8 juli 2011 ‘tot wijziging van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen wat betreft de voorwaarden tot gezinshereniging’ (hierna: de wet van 8 juli 2011).

De in het bestreden arrest aangehaalde tekst gaat weliswaar over fraude maar niet specifiek over de vreemdeling die de hoedanigheid van burger van de Unie of familielid ervan heeft verloren. Verder kan een wetsbepaling niet tegen haar

XIV-36.858-4/9

inhoud worden uitgelegd. De verzoekende partij acht minstens de bewijskracht van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Antwerpen van 24 juni 2014

geschonden door de overweging in het bestreden arrest dat verweerster als familielid van een burger van de Unie over een verblijfsrecht beschikt terwijl verweerster ingevolge de nietigverklaring van haar huwelijk en de vervallenverklaring van de nationaliteit door dat vonnis wordt geacht nooit een familielid van een burger van de Unie te zijn geweest.

5. Verweerster stelt in de memorie van antwoord dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest nergens voorhoudt dat het verblijfsrecht enkel kan worden beëindigd op basis van artikel 42septies van de vreemdelingenwet en niet op basis van het algemeen rechtsbeginsel fraus omnia corrumpit. De eerste rechter constateert enkel dat de wetgever de gevolgen van fraude op het verblijfsrecht van de familieleden van een burger van de Unie of een Belg uitdrukkelijk heeft geregeld in artikel 42septies van de vreemdelingenwet. In het bestreden arrest wordt terecht aangegeven dat de verzoekende partij verweerster een identiteitskaart voor vreemdelingen heeft gegeven, waardoor werd aanvaard dat de voorwaarden voor gezinshereniging overeenkomstig artikel 40 en volgende van de vreemdelingenwet werden vervuld. Verweerster vervolgt dat, wanneer na de erkenning van het verblijfsrecht als familielid van een Belg fraude wordt vastgesteld, overeenkomstig artikel 42septies van de vreemdelingenwet een einde kan worden gesteld aan het verblijfsrecht. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 25 april 2007 blijkt dat het voornoemde artikel 42septies van toepassing is op schijnhuwelijken wat betreft de beëindiging van het verblijfsrecht van familieleden van een Unieburger of een Belg. Dit blijft volgens verweerster relevant vermits de wet van 8 juli 2011 niet heeft geraakt aan de ratio legis van de wet van 25 april 2007. Tot slot verwijst verweerster naar ’s Raads arrest nr. 217.116 van 5 januari 2012 waaruit blijkt dat de beschouwingen van de verzoekende partij als zou te dezen artikel 42septies van de vreemdelingenwet niet gebruikt kunnen worden, in strijd zijn met de wil van de wetgever.

XIV-36.858-5/9

6. In de memorie van wederantwoord herhaalt de verzoekende partij het middel. Zij voegt wat het eerste middelonderdeel betreft toe dat het verweer in de memorie van antwoord in strijd is met de inhoud van het bestreden arrest vermits de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen duidelijk van mening is dat de aanvankelijk bestreden beslissing had moeten worden genomen op basis van artikel 42septies van de vreemdelingenwet. Verweerster betwist overigens niet dat zij geen familielid is van een burger van de Unie en dit ook nooit geweest is ingevolge de nietigverklaring van haar huwelijk, zodat geen toepassing kon worden gemaakt van artikel 42septies van de vreemdelingenwet. Volgens de verzoekende partij hebben de door verweerster aangehaalde voorbereidende werken geen betrekking op de specifieke situatie van een nietig verklaard huwelijk.

Tot slot laat de verzoekende partij gelden dat ’s Raads arrest nr. 217.116 van 5 januari 2012 geen betrekking heeft op een persoon die door de nietigverklaring van zijn huwelijk wordt geacht nooit een (familielid van) een burger van de Unie te zijn geweest maar op een persoon die een schijnhuwelijk aanging, dat niet nietig werd verklaard. Die feiten verschillen fundamenteel van de feiten die aan het thans bestreden arrest ten grondslag liggen.

Beoordeling

7. Met de eerste aanvankelijk bestreden beslissing wordt “als een gevolg van het algemeen rechtsprincipe ‘fraus omnia corrumpit’ [verweersters]

recht op vestiging in het Rijk ingetrokken”. In het bestreden arrest overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat “door [verweersters] verblijfsrecht ab initio in te trekken en hiertoe te verwijzen naar het algemeen rechtsbeginsel ‘fraus omnia corrumpit’, […] de gemachtigde ambtenaar dan ook artikel 42septies van de vreemdelingenwet en de materiële motiveringsplicht [heeft] miskend”.

Naar luid van artikel 42septies van de vreemdelingenwet, zoals het gold op het ogenblik van de eerste aanvankelijk bestreden beslissing, kon “de minister of zijn gemachtigde […] de binnenkomst weigeren of een einde stellen aan het verblijfsrecht van de burger van de Unie of van zijn familieleden indien

XIV-36.858-6/9

deze of dezen valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten hebben gebruikt, of fraude gepleegd hebben of andere onwettige middelen gebruikt hebben die van doorslaggevend belang geweest zijn voor de erkenning van dit recht”.

8. Uit de niet betwiste gegevens van het rechtsplegingsdossier blijkt dat verweerster omwille van haar op 5 mei 2006 met een Belg afgesloten huwelijk een identiteitskaart voor vreemdelingen kreeg op 16 oktober 2006 en de Belgische nationaliteit kreeg op 30 oktober 2009. Verder blijkt uit het rechtsplegingsdossier dat met een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Antwerpen van 24 juli 2014, waarvan het beschikkend gedeelte werd overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand, verweersters huwelijk van 5 mei 2006 nietig werd verklaard en dat haar Belgische nationaliteit vervallen werd verklaard.

Ingevolge die nietigverklaring wordt verweersters huwelijk met een Belg geacht nooit te hebben bestaan en wordt zij geacht nooit de hoedanigheid te hebben gehad van familielid van een burger van de Unie, te dezen van een Belg.

De afgifte van de verblijfstitel aan verweerster had een declaratoir en geen constitutief karakter. Het verblijfsrecht vloeit in dat geval immers voort uit de familieband zelf en de afgifte van de daarmee overeenstemmende verblijfstitel vormt slechts de vaststelling van het eraan verbonden verblijfsrecht. Wanneer die bepaalde familieband niet meer bestaat of wordt geacht niet te hebben bestaan, gaat het aan die familieband verbonden verblijfsrecht teloor of wordt het geacht niet te hebben bestaan, ook al is de betrokken vreemdeling nog in het bezit van zijn verblijfstitel. Derhalve heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest ten onrechte geoordeeld dat verweerster moest worden beschouwd als familielid van een burger van de Unie en onder de toepassing blijft vallen van artikel 42septies van de vreemdelingenwet voor wat de gebeurlijke beëindiging van haar verblijfsrecht betreft. Het voornoemde artikel 42septies is enkel van toepassing op familieleden van een burger van de Unie en door de nietigverklaring ex tunc van haar huwelijk met een Belg moet verweerster net worden geacht die

XIV-36.858-7/9

hoedanigheid nooit te hebben gehad, a fortiori niet meer op het ogenblik dat de aanvankelijk bestreden beslissing werd genomen. Al voorziet artikel 42septies van de vreemdelingenwet een uitdrukkelijke regeling om in bepaalde gevallen een einde te stellen aan het verblijfsrecht van de burger van de Unie of zijn familieleden, deze bepaling verhindert niet dat toepassing kan worden gemaakt van het algemeen rechtsbeginsel ‘fraus omnia corrumpit’ voor beslissingen tot beëindiging van het verblijfsrecht waarop, zoals te dezen, het meergenoemde artikel 42septies niet van toepassing is. De verwijzing in het bestreden arrest naar de memorie van toelichting bij het ontwerp dat tot de wet van 25 april 2007 heeft geleid, doen daar geen afbreuk aan. Dit algemeen rechtsbeginsel is immers niet in strijd met een bepaling die zelf een toepassing van dat beginsel inhoudt maar die geen betrekking heeft op de voorliggende rechtsverhouding.

De verwijzing in de memorie van antwoord naar ’s Raads arrest nr. 217.116 van 5 januari 2012 is niet dienstig. Dat arrest heeft geen betrekking op de beoordeling van een vernietigd schijnhuwelijk maar op de beoordeling van het verborgen houden van een eerste, niet ontbonden huwelijk in Pakistan en het nadien in Nederland nogmaals in het huwelijk te treden met een burger van de Unie, zonder dat dit laatste huwelijk echter werd vernietigd.

De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft derhalve op onwettige wijze geoordeeld dat te dezen artikel 42septies van de vreemdelingenwet had moeten worden toegepast. Het eerste onderdeel van het enige middel is in die mate gegrond en deze vaststelling volstaat voor de cassatie van het bestreden arrest.

BESLISSING

1. De Raad van State vernietigt het arrest nr. 157.589van 2 december 2015

van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.

2. Dit arrest zal in de registers van voormelde Raad worden overgeschreven,

XIV-36.858-8/9

en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

3. De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.

4. Verweerster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig juni tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:

Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, met bijstand van Joris Casneuf, griffier.

De griffier De voorzitter

Joris Casneuf Geert Debersaques

XIV-36.858-9/9

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.710