Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.705 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.705 Généré par l'IA

Court dismisses suspension request due to failure to prove urgent and irreparable harm from administrative enforcement.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.705
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Court of the Council of State rejected the applicants' request to suspend the enforcement of administrative measures against a water source. The applicants argued that immediate execution would cause irreparable damage to the protected spring and surrounding vegetation, but the court found no evidence of such urgency. Consequently, the court ruled that the applicants failed to meet the strict legal requirements for suspending enforcement under the relevant procedural law.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 17, § 1, second paragraph; Article 17, § 2, third paragraph of the Coordinated Laws on the Council of State: A request for suspension of enforcement is admissible only if the applicant demonstrates that the result of the main proceedings cannot be awaited without causing irreparable harmful consequences, and mere hypothetical risks or distant timelines do not constitute such urgency.

Mots-clés

Généré par l'IA
suspension of enforcement irreparable harm urgent circumstances administrative measures procedural admissibility water source protection Council of State restauration de la nature

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 17, § 1, second paragraph of the Coordinated Laws on the Council of State
Article 17, § 2, third paragraph of the Coordinated Laws on the Council of State
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER

nr. 238.705 van 29 juni 2017

in de zaak A. 221.773/VII-39.943.

In zake : 1. Johan DE SMET

2. Sabine HENNE

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Elisabeth Hannequart kantoor houdend te 2020 Antwerpen Seringenlaan 8

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

het VLAAMSE GEWEST

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Bronders kantoor houdend te 8400 Oostende Archimedesstraat 7

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 23 maart 2017, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 3 maart 2017 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de toezichthouder van het Agentschap voor Natuur en Bos van 16 november 2016, houdende het opleggen van bestuurlijke maatregelen, ongegrond wordt verklaard en de bestuurlijke maatregelen worden bevestigd.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.

VII-39.943-1/7

Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 juni 2017.

Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Elisabeth Hannequart, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Peter De Roover, die loco advocaat Bart Bronders verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. De verzoekende partijen zijn eigenaar van een perceel grond waarop zich een bron bevindt.

3.2. Op 20 juni 2012 stelt de toezichthouder van het Agentschap voor Natuur en Bos het volgende vast:

“Ik stel vast dat er op de percelen gelegen te Dilbeek 1e Afd. sectie E

nrs. 68d, 68e en 79c een bron - die duidelijk aangeduid staat op de stafkaart (zie fotodossier) - gedraineerd en in een buis is gelegd. De bron en bronvegetatie is hiermee ernstig beschadigd. Bronnen zijn volgens het natuurdecreet volledig beschermd en het beheer bestaat uit „niets doen‟. Elke wijziging aan de bron en de vegetatie is verboden. De bomen die rond de bron en bronzone stonden, zijn eveneens verdwenen. Deze bomen waren overblijvers van een eerdere niet vergunde ontbossing in 2004 (zie proces-verbaal BR92.M2.142/042/01/04).

De percelen zijn volgens het gewestplan gelegen in natuurgebied.

VII-39.943-2/7

Tijdens eerdere vaststellingen in 2010 (zie proces-verbaal BR.64J.H2.140069/10) werd er al gesproken van kalkrijk kwelwater en de biologisch zeer rijke vegetatie die toen met herbiciden behandeld werd. De volledige bronzone is nu drooggelegd door het inbuizen. De buis loopt onder een voetwegje door. Eens het water via een buis het terrein verlaat, is er langs een wandelwegje een gracht gegraven. De grond werd in het naastliggende bos gegooid (zie fotodossier). Dat het volledige gebied als een bronzone te aanzien is, kunnen we aan de graafwerken aan de gracht vaststellen. Hier zien we organisch materiaal dat omgeven is met een kalkmantel (takjes die volledig met kalk bezet zijn). Dit is een verschijnsel waarbij het uittredende kalkrijke water uit de bodem (dus een bron) in contact komt met de zuurstof uit de lucht en de kalk neerslaagt op het omliggende natuurlijke materiaal.

De beschrijving van de Habitattypes van Bijlage I van de Europese Habitatrichtlijn Kalktufbronnen met tufsteenformatie (Cratoneurion) (zie fotodossier) legt het belang uit van dit soort bronnen en de staat van bescherming”.

3.3. De toezichthoudende ambtenaar van het Agentschap voor Natuur en Bos legt op 16 november 2016 aan de verzoekende partijen de volgende bestuurlijke maatregel op:

“De buis die de bron draineert dient men te verwijderen vanaf het hoogste punt waar het water de bodem verlaat tot beneden aan de omheining. Onder de veldweg moet men een stuk buis van 2 meter laten zitten om de waterafvoer ter hoogte van de weg te bestendigen. De grond die genivelleerd werd in de moeraszone vertrekkende van de bron dient terug voorzichtig open gemaakt te worden. Smal aan de bron en steeds breder stroomafwaarts. Het niveauverschil bedraagt maximum 30 cm. De plantengroei laat men spontaan herstellen. Deze mag 2 maal per jaar gemaaid worden. Een eerste keer in juli een tweede keer in september. Het gebruik van herbiciden is verboden. Net boven de bron plant men terug 3 boswilgen aan. […]”.

Deze bestuurlijke maatregel dient “ten laatste op 31/12/2017” te zijn uitgevoerd.

3.4. Tegen deze beslissing stellen de verzoekende partijen bestuurlijk beroep in bij de bevoegde Vlaamse minister.

3.5. De afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer adviseert op 6 februari 2017 om het beroep ongegrond te verklaren.

VII-39.943-3/7

3.6. Met het thans bestreden besluit van 3 maart 2017 wijst de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw het beroep van de verzoekende partijen als ongegrond af en bevestigt zij de bestuurlijke maatregel.

IV. Onderzoek van de vordering

4. Krachtens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden.

Spoedeisendheid

5. De verzoekende partijen staven de spoedeisendheid van hun vordering als volgt:

“De werken die bij bestuurlijke maatregel werden opgelegd moeten uitgevoerd worden tegen uiterlijk 31.12.2017. Indien deze termijn niet wordt nageleefd kan de overheid verzoekende partijen een bestuurlijke dwangsom opleggen, hetgeen verzoekende partijen nog meer schade zou toebrengen dan de bijkomende kost om opnieuw (voor de tweede maal) werken uit te voeren aan de buis.

Gelet op de gemiddelde duur van een procedure van uw Raad, kan een verzoek tot schorsing worden gerechtvaardigd, daar het waarschijnlijk is dat dd. 31.12.2017 nog geen uitspraak over de zaak zal zijn gedaan, terwijl de werken dan al voltooid dienen te zijn.

Indien verzoekende partijen om voormelde reden toch zouden overgaan tot de opgelegde werken, wordt een situatie gecreëerd die volkomen definitief is, waardoor een vernietiging van de bestuurlijke maatregel geen passend rechtsherstel meer kan verlenen: de werken, zoals opgelegd, hebben immers kennelijk een definitief karakter: de grond wordt opnieuw geopend, de buis wordt grotendeels verwijderd, en de gronden worden opnieuw afgedicht. Bij gebeurlijke annulatie zou dit proces volledig moeten worden tenietgedaan.

Daarenboven zouden werken met het oog op de door de verwerende partij gewenste referentiesituatie inhouden dat - na de initiële werken tot herstel van de buis - nogmaals werken worden uitgevoerd, die vervolgens aanleiding zullen

VII-39.943-4/7

geven tot opnieuw bijkomende maatregelen, nu het probleem ten aanzien van de drassigheid van de gronden onderaan (de bedding van de buurtweg die geregeld extreem drassig wordt) nog steeds niet verholpen zal zijn en nu het tekort aan zuurstof in de grond op de natte stukken niet zal zijn opgelost”.

Beoordeling

6. Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, eerste lid, 4°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State. Dit houdt in dat het aan verzoeker toekomt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een - voortdurende - tenuitvoerlegging van het bestreden besluit.

De Raad van State mag daarenboven alleen rekening houden met hetgeen in het verzoekschrift werd uiteengezet en gestaafd. Hij mag geen acht slaan op hetgeen ter terechtzitting door verzoeker bijkomend nog wordt bijgebracht. De verwerende partij kan immers daarop niet meer schriftelijk reageren en de auditeur kan daarover niet op een deugdelijke wijze advies verlenen in een procedure die op grond van artikel 22 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State essentieel schriftelijk is.

De spoedeisendheid “zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 13).

7. In zoverre de verzoekende partijen verwijzen naar de datum waarop de bestreden bestuurlijke maatregel uiterlijk dient te zijn uitgevoerd, geldt

VII-39.943-5/7

dat de spoedeisendheid niet kan voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de annulatieprocedure de verzoekende partijen niet toelaat een arrest te verkrijgen vóór de in de bestreden handeling vermelde uitvoeringstermijn. De timing die door de bestreden beslissing wordt vooropgesteld staat niet gelijk met een toestand met “onherroepelijke schadelijke gevolgen” en zegt op zich niets over de gevolgen die de verzoekende partijen ondervinden bij een voorlopige tenuitvoerlegging in afwachting van een uitspraak ten gronde. Waar in de uiteenzetting van de verzoekende partijen gewag wordt gemaakt van de mogelijkheid tot het opleggen van een bestuurlijke dwangsom, betreft het een op dit ogenblik louter hypothetische veronderstelling waardoor de spoedeisendheid van de zaak niet wordt aangetoond. In dit verband kan er overigens aan herinnerd worden dat een nieuwe vordering tot schorsing mag worden ingediend, indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen (artikel 17, § 2, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State). Voorts valt niet in te zien hoe het uitvoeren van grondwerken ter plaatse een onherroepelijke situatie in het leven zou roepen. Tot slot verschaffen de verzoekende partijen geen enkel inzicht in de beweerde “bijkomende kost[en]”, zodat zij niet aantonen dat een financieel nadeel van een zodanige omvang dreigt dat de uitspraak ten gronde niet kan worden afgewacht.

De spoedeisendheid wordt niet aangetoond.

8. Er is bijgevolg niet voldaan aan een van de voorwaarden van artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Dit volstaat om de vordering tot schorsing te verwerpen.

VII-39.943-6/7

V. Kosten

9. De bijdrage in de betaling van de kosten, inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding, wordt bepaald in het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring.

BESLISSING

De Raad van State verwerpt de vordering.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig juni tweeduizend zeventien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:

Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier.

De griffier De voorzitter

Elisabeth Impens Peter Sourbron

VII-39.943-7/7

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.705