Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.685 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.685 Généré par l'IA

Court dismisses suspension request because the applicant failed to prove concrete benefit after a new refusal decision was issued.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.685
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Court of State dismissed the applicant's request to suspend the execution of the municipality's refusal to grant a dance festival permit. The applicant had previously failed to prove a concrete benefit for suspending the initial January 16 refusal, and a new, more definitive refusal on February 27 was subsequently issued. Consequently, the court held that no concrete advantage could be derived from suspending the original decision, rendering the suspension request inadmissible.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Wet van de Raad van State, titel VI, hoofdstuk II: A request for suspension of execution is inadmissible if the applicant cannot demonstrate a concrete benefit, particularly when a subsequent decision has already been made that renders the suspension of the prior act futile.

Mots-clés

Généré par l'IA
suspension of execution concrete benefit requirement municipal permit refusal inadmissible request procedural standing event venue approval administrative law marque d'événement

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE Xe KAMER

nr. 238.685 van 27 juni 2017

in de zaak A. 221.783/X-16.890.

In zake : de BVBA HRCA

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Neil Braeckevelt en Chris Persyn kantoor houdend te 8000 Brugge Ezelstraat 25

bij wie woonplaats wordt gekozen en eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johan Mommaerts kantoor houdend te 3000 Leuven Brusselsesteenweg 62

tegen :

de GEMEENTE BREDENE

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Antoon Coucke kantoor houdend te 8400 Oostende Vlierstraat 27

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 27 maart 2017, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Bredene van 16 januari 2017

waarbij geweigerd wordt aan de bvba HRCA toelating te verlenen voor het gebruik van de evenementenweide van ’t Paelsteenveld voor het organiseren van een dancefestival.

X-16.890-1/4

II. Verloop van de rechtspleging

2. Bij arrest nr. 238.573 van 20 juni 2017 wordt het debat heropend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 juni 2017.

Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Evelien Vanhauter, die loco advocaten Neil Braeckevelt, Johan Mommaerts en Chris Persijn verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Antoon Coucke, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur-afdelingshoofd Diane Mareen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Ontvankelijkheid

3. In het tussenarrest nr. 238.573 van 20 juni 2017 is vastgesteld dat op de bestreden beslissing een besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Bredene van 27 februari 2017 is gevolgd dat niet louter bevestigend leek.

4. Verzoekster heeft ter terechtzitting van 23 juni 2017 niet van het tegendeel kunnen overtuigen.

X-16.890-2/4

Het besluit van 27 februari 2017 blijkt genomen op grond van een “ultiem voorstel” van verzoekster dat door het college van burgemeester en schepenen op zijn merites is onderzocht en finaal gemotiveerd is verworpen “[o]mdat de kans reëel blijft dat de minimale veiligheid niet zal worden gegarandeerd door HRCA bvba” (cursivering van de Raad van State).

5. Tegen dat besluit waarvan verzoekster blijkbaar, spijts herhaald aandringen, niet eerder kennis kreeg dan op 21 juni 2017, heeft zij (nog) geen annulatieberoep ingesteld. Behoudens indien gevraagd bij uiterst dringende noodzakelijkheid, kan er vooralsnog dan ook niet de schorsing van bevolen worden.

Op de vraag van verzoekster om het voorwerp van de voorliggende vordering tot schorsing uit te breiden tot het collegebesluit van 27 februari 2017 en om de in de schorsingsvordering aangevoerde middelen op dat collegebesluit te betrekken, wordt niet ingegaan.

6. In de plaats van de aangevochten weigeringsbeslissing van 16 januari 2017 is blijkbaar de weigeringsbeslissing van het college van burgemeester en schepenen van 27 februari 2017 gekomen.

Een schorsing van de weigeringsbeslissing van 16 januari 2017

kan verzoekster in de gegeven omstandigheden geen concrete baat bijbrengen.

Een en ander doet de vordering tot schorsing als onontvankelijk verschijnen.

BESLISSING

De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing.

X-16.890-3/4

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zevenentwintig juni 2017, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:

Johan Lust, kamervoorzitter, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier.

De griffier De voorzitter

Silvan De Clercq Johan Lust

X-16.890-4/4

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.685