Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.683 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.683 Généré par l'IA

Flemish Council of State dismisses appeal for lack of jurisdiction due to missing voluntary appeal notice.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.683
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Flemish Council of State declared the administrative appeal inadmissible due to a lack of jurisdiction. The applicant challenged a decision to recover an ecology premium, but failed to file a voluntary appeal within the statutory timeframe. The court held that without a timely voluntary appeal, the Council of State lacks the authority to review the matter.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 10 and 11 of the Law of 16 May 2007 on the recovery of ecology premiums; An appeal to the Council of State is only admissible if a voluntary appeal is filed within the prescribed period, otherwise the Council lacks jurisdiction.

Mots-clés

Généré par l'IA
lack of jurisdiction voluntary appeal statutory deadline administrative appeal ecology premium Flemish Council of State inadmissible appeal coût environnemental

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 10 of the Law of 16 May 2007 on the recovery of ecology premiums
Article 11 of the Law of 16 May 2007 on the recovery of ecology premiums
Article 93, first paragraph, of the Decree of the Regent of 23 August 1948
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER

nr. 238.683 van 27 juni 2017

in de zaak A. 221.784/XIV-37.365

In zake : de NV SPAAS KAARSEN

woonplaats kiezend te 3930 Hamont-Achel Industriestraat 11

tegen :

het VLAAMSE GEWEST

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Francine Lemaire kantoor houdend te 1070 Brussel René Berrewaertslaan 34

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 27 maart 2017, strekt tot de nietigverklaring van de “op zich ongedateerde en als dusdanig niet meegedeelde beslissing van (de administrateur-generaal van) het Vlaams Agentschap Innoveren & Ondernemen tot terugvordering van (het uitbetaalde deel van 150.000,00 euro van) de op 06/08/2010 aan verzoekster toegekende ecologiepremie van 300.000,00

euro voor geplande investeringen in zonnepanelen en laadpalen voor elektrische voertuigen, van welke beslissing aan verzoekster kennis gegeven werd per brief van 30 januari 2017 vanwege het Agentschap Innoveren & Ondernemen […]”.

II. Verloop van de rechtspleging

2. Auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’.

XIV-37.365-1/6

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 juni 2017.

Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Francine Lemaire, die verschijnt voor de verwerende partij,is gehoord.

Auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3. Het agentschap Innoveren & Ondernemen neemt op 30 januari 2017 de volgende beslissing:

“Bij beslissing van 06/08/2010 werd een ecologiepremie toegekend van 300.000,00 euro aan uw onderneming voor geplande investeringen in zonnepanelen en laadpalen voor elektrische voertuigen ten bedrage van 3.000.000,00 euro. Van de premie werd intussen 150.000,00 euro uitgekeerd.

Overeenkomstig de bepalingen van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2007 tot toekenning van steun aan ondernemingen voor ecologie-investeringen in het Vlaamse Gewest de uitvoeringsbesluiten en hun latere wijzigingen, wordt de ecologiepremie volledig teruggevorderd.

Uit het onderzoek ter plaatse van de dienst Inspectie is gebleken dat geen van de vooropgestelde investeringen werden uitgevoerd. Bijgevolg kan er ook geen subsidie toegekend worden en dient de uitbetaalde premie terugbetaald te worden.

Gelieve de betaling uit te voeren met gebruik van de gegevens op bijgevoegd overschrijvingsformulier en ook de gestructureerde mededeling over te nemen in uw betaling.

Bijlagen: beroepsmogelijkheden […]

BEROEPSMOGELIJKHEDEN

Tegen onderhavige beslissing kunnen de volgende beroepen worden ingesteld:

- Het ‘willig en oneigenlijk beroep’: in te leiden bij de bevoegde administratie bij

XIV-37.365-2/6

middel van een gewone geargumenteerde brief, te richten aan de Vlaamse Overheid, Agentschap Ondernemen, Afdeling Economisch Ondersteuningsbeleid, Koning Albert II-laan 35 bus 12 - 1030 Brussel.

- Het ‘hiërarchisch beroep’: in te leiden bij middel van een gewone geargumenteerde brief, te richten aan de Vlaamse minister bevoegd voor het Economisch beleid, Martelaarsplein 7 te 1000 Brussel.

- Als het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van de betwisting betrekking heeft op een subjectief recht zijn de gewone burgerlijke rechtbanken bevoegd.

-Als het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van de betwisting geen betrekking heeft op een subjectief recht kan u tegen de beslissing een beroep tot nietigverklaring instellen bij de afdeling administratie van de Raad van State wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht.

Dit beroep moet, op straffe van onontvankelijkheid, ingediend worden binnen de 60 dagen na de kennisgeving van de beslissing. Het wordt ingediend bij middel van een aangetekende brief gericht aan de Raad van State, Wetenschapsstraat 33 te 1040

Brussel.”

Dit is de bestreden beslissing.

IV. Rechtsmacht van de Raad van State

4. De auditeur, verwijzend naar wat werd overwogen door de Raad van State in het arrest nr. 237.803 van 28 maart 2017, besluit in zijn verslag dat de Raad van State zonder rechtsmacht is,en dit op grond van volgende overwegingen.

Er bestaat in hoofde van de verzoekende partij in ieder geval een subjectief recht op steun sedert de definitief geworden toekenningsbeslissing van 6 augustus 2010, die werd genomen met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2007 ‘tot toekenning van steun aan ondernemingen voor ecologie-investeringen in het Vlaamse Gewest’ (hierna: het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2007) en de beide ministeriële besluiten van 1 oktober 2007

‘tot uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2007 tot toekenning van steun aan ondernemingen voor ecologie-investeringen in het Vlaamse Gewest’ en ‘tot uitvoering van artikel 4 van het ministerieel besluit van 1 oktober 2007’, althans in zoverre vaststaat dat de voorwaarden in het decreet van 16 maart 2012 ‘betreffende het economisch ondersteuningsbeleid’ (hierna: het decreet van 16 maart 2012) en in het voornoemde besluit van 16 mei 2007 zijn nageleefd.

XIV-37.365-3/6

De bestreden beslissing houdt niet meer in dan de loutere toepassing op een concreet geval van de in artikel 24, 4°, van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2007 vervatte regeling samen gelezen met artikel 50, § 2, derde lid van de bijzondere wet van 16 januari 1989 ‘betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten’ en met artikel 13 van de wet van 16 mei 2003‘tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof’.

Het komt dan ook de gewone rechter toe om vast te stellen dat de verwerende partij, gelet op de bevindingen van de controle door de afdeling Inspectie en Ondersteuning van het agentschap Ondernemen, al dan niet terecht tot de conclusie is gekomen dat de bij het decreet of het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2007 opgelegde voorwaarden niet werden nageleefd en bijgevolg, al dan niet terecht, tot de niet-betaling van de resterende toegekendesteun en de terugvordering van de reeds betaalde steun is overgegaan.

5. De verzoekende partij betwist het door de auditeur vastgestelde gebrek aan rechtsmacht niet.

6. De Raad van State ziet dan ook geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het beroep niet-ontvankelijk, bij gebrek aan rechtsmacht van de Raad van State.

7. Het auditoraat heeft dan ook terecht geoordeeld dat de beslechting van het geschil kan worden afgedaan met korte debatten, in de zin van artikel 93, eerste lid, van het voornoemde besluit van de Regent van 23 augustus1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

XIV-37.365-4/6

V. Rechtsplegingsvergoeding

Vraag van de verzoekende partij

8. De verzoekende partij vordert de toekenning van een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro.

Beoordeling

9. Artikel 30/1, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State luidt:

“De afdeling bestuursrechtspraak kan een rechtsplegingsvergoeding toekennen, die een forfaitaire tegemoetkoming is in de kosten en honoraria van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.”

Blijkens voormelde bepaling strekt de rechtsplegingsvergoeding ertoe een forfaitaire bijdrage te verlenen in de kosten en honoraria van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij. Er moet worden vastgesteld dat de verzoekende partij niet kan worden beschouwd als de in het gelijk gestelde partij, noch een beroep heeft gedaan op een advocaat.

Er is dan ook geen aanleiding tot het toekennen van een rechtsplegingsvergoeding.

VI. Kosten

10. In de kennisgeving van de bestreden beslissing maakt de verwerende partij onder meer melding van een beroepsmogelijkheid bij de Raad van State. Hoewel een dergelijke vermelding niet bepalend kan zijn voor de rechtsmacht van een rechtscollege, dient niettemin te worden vastgesteld dat de verwerende partij de verzoekende partij op een dwaalspoor heeft gebracht door de

XIV-37.365-5/6

verwijzing naar de Raad van State. In die omstandigheden is er grond om de verwerende partij te verwijzen in de kosten van het geding.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 200 euro.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zevenentwintig juni tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:

Kaat Leus, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.

De griffier De voorzitter

Joris Casneuf Kaat Leus

XIV-37.365-6/6

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.683