Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.663 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.663 Généré par l'IA

Court dismisses appeal against negative planning advice due to lack of binding force and procedural continuity.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.663
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the applicant's challenge to the City Council's negative planning advice regarding a cooling system. The applicant argued the advice lacked proper motivation and violated principles of good administration, but the court found the advice had no binding force. Consequently, the court held that the statutory procedure continued automatically, rendering the advice's non-issuance irrelevant to the final government decision.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Art. 171, § 1, 3de lid BWRO; Art. 173 BWRO: Where a planning advice fails to be issued within the prescribed period, the procedure continues automatically, and the non-issuance of the advice does not vitiate the subsequent administrative decision.

Mots-clés

Généré par l'IA
planning advice binding force procedural continuity good administration motivation requirement action en raison du trouble de la possession qualité pour recourir contre permis action en exclusion de la communauté des copropriétaires

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Art. 171, § 1, 3de lid BWRO
Art. 173 BWRO
Art. 169 tot 173 BWRO
Art. 2 en 3 motiveringswet
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Xe KAMER

nr. 238.663 van 27 juni 2017

in de zaak A. 216.392/X-16.295.

In zake : de VZW BOUWFONDS

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Emmanuel Goeseels kantoor houdend te 1081 Brussel Jetselaan 32

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

het BRUSSELSE HOOFDSTEDELIJKE GEWEST

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jean-Paul Lagasse kantoor houdend te 1030 Brussel de Jamblinne de Meuxplein 41

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 8 juli 2015, strekt tot de nietigverklaring van “het negatieve advies dd. 15 januari 2015 van het Stedelijk College houdende beslissing op grond van artikel 173, paragraaf 3, van BWRO

aangaande een koelingsysteem op het dak van het gebouw gelegen Livornostraat, 25, en het Arrest van de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest dat het beroep van verzoekster verwerpt”.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

X-16.295-1/15

Auditeur An Van den broeck heeft een verslag opgesteld.

De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 februari 2017.

Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Saskia Delbecque, die loco advocaat Emmanuel Goeseels verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Greet Louwet, die loco advocaat Jean-Paul Lagasse verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3. De verzoekende partij is eigenaar van een pand gelegen aan de Livornostraat 25 te Brussel, kadastraal bekend sectie A, nr. 334/g/24.

Het betreft een kantoorgebouw met 7 verdiepingen, waarvan een deel zich op het grondgebied van de gemeente Elsene en een deel zich op het grondgebied van de gemeente Sint-Gillis bevindt.

Het betrokken gebouw is volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestelijk bestemmingsplan, vastgesteld bij besluit van de Brusselse

X-16.295-2/15

Hoofdstedelijke regering (hierna: de regering) van 3 mei 2001, gelegen in een sterk gemengd gebied. Het is voor het overige niet gelegen binnen de grenzen van een bijzonder bestemmingsplan, noch binnen de grenzen van een verkavelingsvergunning.

4. Op 31 mei 2010 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Elsene aan de Landsbond van Liberale Mutualiteiten (hierna: LLM), de huurder van het onroerend goed, een stedenbouwkundige vergunning voor de plaatsing van een koelinstallatie op het platte dak van het voormelde gebouw.

5. Op 24 januari 2011 (datum ontvangstbewijs) dient de LLM ook bij de gemeente Sint-Gillis een aanvraag in voor een stedenbouwkundige vergunning betreffende de plaatsing van de voormelde koelinstallatie.

Van 2 februari 2011 tot 16 februari 2011 wordt een openbaar onderzoek georganiseerd. Er worden zes bezwaren ingediend.

Op 22 maart 2011 brengt de overlegcommissie een voorwaardelijk gunstig advies uit, onder volgende voorwaarden:

“1. Een bekleding van de zijwanden rond de installatie te voorzien teneinde de esthetica ervan te verbeteren, hetgeen ook de geluidsweerslagen zal verbeteren; […]

2. een systeem van automatische onderbreking voorzien dat met de feestdagen rekening houdt.”

Op 30 mei 2011 brengt de gemachtigde ambtenaar een ongunstig advies uit over de aanvraag.

Met een beslissing van 15 juni 2011 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Gillis de gevraagde stedenbouwkundige vergunning, om dezelfde redenen als vermeld in het ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar.

X-16.295-3/15

6. Op 15 juli 2011 tekent de LLM bij de regering administratief beroep aan tegen deze weigeringsbeslissing van 15 juni 2011.

In het kader van deze beroepsprocedure adviseert het stedenbouwkundig college op 9 september 2011 de aangevraagde stedenbouwkundige vergunning te weigeren.

Op 12 april 2012 stuurt de LLM, in toepassing van artikel 173

van het Brussels Wetboek voor Ruimtelijke Ordening (hierna: BWRO), een rappel naar de regering.

Bij ontstentenis van enige beslissing van de regering, geldt het advies van het stedenbouwkundig college van 9 september 2011 als beslissing tot weigering van de stedenbouwkundige vergunning.

Tegen deze beslissing stelt de LLM een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad van State. Met arrest nr. 225.119 van 16 oktober 2013 stelt de Raad van State de afstand van geding vast.

7. Op 14 februari 2014 (datum ontvangstbewijs) dient de verzoekende partij bij de gemeente Sint-Gillis een nieuwe aanvraag in voor het plaatsen van de koelinstallatie.

In de verklarende nota bij de aanvraag wordt volgende toelichting gegeven:

“Klima-installatie wordt geplaatst op het bestaande plat dak in het kader van een renovatie van de HVAC-installatie (vervangen bestaande verwarmingsketel en voorzien van ventilatie- en koelingsinstallatie in het bestaande kantoorgebouw).

De luchtgroepen (buitentoestellen) dienen in open lucht geplaatst te worden.

De koelgroep wordt bovendien bekleed met een akoestische en esthetische lamellenwandbekleding.

De koelgroep wordt dermate gestuurd zodat deze enkel in werking is op werkdagen en overdag (dus niet ’s avonds en ’s nachts, en ook niet tijdens de weekends en op feestdagen).”

X-16.295-4/15

8. Van 3 maart 2014 tot 17 maart 2014 wordt een openbaar onderzoek georganiseerd. Er wordt één bezwaar ingediend.

9. Op 1 april 2014 brengt de overlegcommissie een ongunstig advies uit.

10. Op 8 juli 2014 deelt de gemeente Sint-Gillis aan de gemachtigde ambtenaar het ongunstig advies van het college van burgemeester en schepenen mee.

11. Met een beslissing van 2 oktober 2014 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Gillis de gevraagde stedenbouwkundige vergunning, om dezelfde redenen als vermeld in het ongunstig advies van de overlegcommissie.

12. Op 26 november 2014 tekent de verzoekende partij bij de regering administratief beroep aan tegen de weigeringsbeslissing van 2 oktober 2014.

13. In het kader van deze beroepsprocedure neemt het stedenbouwkundig college op 15 januari 2015 volgende beslissing:

“Overwegende dat niettegenstaande een herinneringsbrief op 23 december 2014 gericht aan het college van burgemeester e[n] schepenen van de gemeente Sint-Gillis, werd het administratief dossier nooit overgemaakt aan het Stedenbouwkundig College;

Overwegende dat het Stedenbouwkundig College in de onmogelijkheid verkeert een advies te verlenen betreffende de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning van de v.z.w. HET BOUWFONDS;

[…]

Artikel 1: Dit advies wordt ter kennis gebracht aan de v.z.w. HET

BOUWFONDS, aan de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van en aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Gillis.

Artikel 2: Bij ontstentenis van de beslissing door de regering, na een rappel conform artikel 173 van het BWRO, wordt de beslissing van de gemeente Sint-Gillis, die het voorwerp van het beroep heeft uitgemaakt, bevestigd, met toepassing van lid 3 van dit artikel.”

Dit is de eerste bestreden beslissing.

X-16.295-5/15

14. Op 14 april 2015 stuurt de verzoekende partij, in toepassing van artikel 173 BWRO, een rappel naar de regering.

15. Op 7 mei 2015 verklaart de regering het beroep ontvankelijk, doch ongegrond en weigert zij de gevraagde vergunning.

Dit is de tweede bestreden beslissing.

Deze beslissing werd ter kennis gebracht van de verzoekende partij met een op 13 mei 2015 ter post aangetekend verzonden brief.

IV. Onderzoek van de middelen

A. Eerste middel

Uiteenzetting van het middel

16. Een eerste middel is afgeleid uit de schending van artikel 173

BWRO, “het begrip van goede rechtsbedeling” en misbruik van bevoegdheid.

In dit middel betoogt de verzoekende partij dat zij haar herinneringsschrijven aan de regering richtte op 14 april 2015 en de regering dienvolgens 30 dagen had vanaf 14 april 2015 om haar beslissing te laten kennen.

De regering verzond haar beslissing echter pas op 18 mei 2015, toen de termijn reeds afgelopen was. Dienvolgens, en overeenkomstig artikel 173 BWRO, kreeg het advies van het stedenbouwkundig college kracht van beslissing. Door de beslissing laattijdig te verzenden, op het moment dat het advies van de stedenbouwkundig college reeds kracht had van beslissing, schendt de regering het begrip van goede rechtsbedeling.

17. Ter weerlegging van de exceptie van gebrek aan belang bij het middel, opgeworpen door de verwerende partij, stelt de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord dat het middel de onbevoegdheid van de auteur van

X-16.295-6/15

het tweede bestreden besluit betreft en dus een kwestie van openbare orde is, die ambtshalve dient ingeroepen te worden. Bovendien wordt ze door het bestreden besluit benadeeld, zodat ze er belang bij heeft om elke onwettelijkheid die deze akte betreft ter sprake te brengen.

Het middel is eveneens gerechtvaardigd om redenen van rechtszekerheid. De verzoekende partij stelt vast dat er twee akten bestaan, zijnde het advies van het stedenbouwkundig college en het besluit van de regering.

Aangezien de regering haar besluit heeft verzonden op een ogenblik dat zij niet meer bevoegd was, geldt het advies van het stedenbouwkundig college als beslissing. In die omstandigheden is het van belang om de weigeringsbeslissing van de regering te vernietigen, aangezien zij krachtens artikel 173 BWRO

onbevoegd was.

Voor het overige handhaaft de verzoekende partij haar standpunt dat de termijnen, voorzien door artikel 173 BWRO, niet nageleefd werden. Zij benadrukt dat artikel 173 BWRO als referentiedatum de datum van de verzending van de beslissing neemt en niet de datum van de goedkeuring ervan. Door haar beslissing op 18 mei 2015 te verzenden, terwijl op die datum het advies van het stedenbouwkundig college als beslissing gold, heeft de regering artikel 173 BWRO en het beginsel van goed bestuur geschonden.

18. In de laatste memorie herhaalt de verzoekende partij dat het criterium dat in aanmerking dient te worden genomen krachtens artikel 173

BWRO wel degelijk de datum van de verzending van de beslissing is en niet de datum waarop de beslissing werd genomen.

Beoordeling

19. Artikel 173 BWRO luidt als volgt:

“Bij ontstentenis van kennisgeving van de beslissing binnen de termijn bedoeld in artikel 172 kan elke partij bij aangetekend schrijven een herinnering richten aan de Regering.

X-16.295-7/15

Wanneer het college van burgemeester en schepenen of de gemachtigde ambtenaar de Regering in gebreke stelt, richten ze gelijktijdig een kopie aan de aanvrager van de vergunning. Bij ontstentenis hiervan, heeft de herinneringsbrief geen gevolg.

Als bij het verstrijken van een nieuwe termijn van dertig dagen vanaf de verzending van de herinnering de Regering haar beslissing niet naar de partijen heeft gestuurd, geldt het advies van het College als beslissing. Bij ontstentenis van het advies van het Stedenbouwkundig College, wordt de beslissing die het voorwerp van het beroep heeft uitgemaakt, bevestigd. In het geval bedoeld in artikel 164, vijfde lid, wordt de vergunning geacht geweigerd te zijn”.

20. Er wordt niet betwist dat de verzoekende partij op 14 april 2015

bij aangetekend schrijven een herinnering heeft gericht aan de regering.

Anders dan de verzoekende partij voorhoudt, blijkt dat het tweede bestreden besluit met een op 13 mei 2015 ter post aangetekend verzonden brief naar de verzoekende partij werd verstuurd.

Zodoende is er geen sprake van enige overschrijding van de in artikel 173, derde lid BWRO bepaalde termijn en evenmin van enige daaruit voortvloeiende onbevoegdheid in hoofde van de steller van het tweede bestreden besluit.

21. Het eerste middel is ongegrond.

B. Tweede middel

Uiteenzetting van het middel

22. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende ‘de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de motiveringswet), alsook van “het begrip van goede rechtsbedeling, in het bijzonder het principe van redelijkheid”, en uit rechtsmisbruik of misbruik van bevoegdheid.

X-16.295-8/15

De verzoekende partij zet uiteen dat zij in haar bezwaarschrift aan de regering onder andere heeft laten gelden dat de rapporten van het Brussels Instituut voor Milieubeheer (BIM) duidelijk aantonen dat er geen overschrijding was van de waarden vastgelegd bij besluit van 21 november 2002 over de geluidsoverlast. De rechtvaardiging in het tweede bestreden besluit, die gestoeld is op een eenvoudige en niet-ondersteunde bewering, is onaanvaardbaar. Het tweede bestreden besluit kan niet simpelweg stellen dat de installatie bron zou zijn van geluidsoverlast om de vergunning af te keuren, wanneer de maximale waarden niet worden overschreden.

Op dezelfde wijze worden volgens de verzoekende partij “de overige redenen van weigering niet voldoende gesteund wanneer de aanvraag stedenbouwkundige vergunning rekening hield met de voorwaarden die opgelegd werden in het kader van de eerste aanvraag bouwvergunning”.

De verzoekende partij besluit dat de motiveringswet wordt geschonden doordat de verwerende partij de argumentatie, die de verzoekende partij in haar eerste bezwaarschrift aanhaalde, naast zich neer heeft gelegd en er niet terdege op heeft geantwoord. Een beslissing die genomen wordt in graad van beroep dient nochtans te worden gemotiveerd aan de hand van de argumentatie aangehaald in graad van beroep.

23. De verzoekende partij herneemt in haar memorie van wederantwoord de uiteenzetting uit haar verzoekschrift en voegt hier nog aan toe dat er in het tweede bestreden besluit inderdaad melding gemaakt wordt van de negatieve visuele impact die de installatie op de nabijgelegen constructies heeft, zoals de verwerende partij in haar memorie van antwoord aanhaalt. In dit verband merkt zij op dat zij de aanbevelingen, die in de eerste weigering van vergunning geformuleerd waren om de visuele impact van de installatie te verminderen, gevolgd heeft, zodat de motivering op dit punt onvoldoende is en niet toelaat om de positie van de regering te begrijpen.

X-16.295-9/15

De motivering lijkt op een stijlclausule. Het gaat om een eenvoudige bewering, die geen enkele concrete beoordeling van de plaats en de eventuele impact van de installatie op de nabijgelegen constructies bevat.

Bovendien is de verzoekende partij van mening dat dienaangaande een bijzonder omstandige motivering was vereist, “gegeven het feit dat een weigering, gerechtvaardigd door de visuele impact, daar waar [de verzoekende partij] de geformuleerde aanbevelingen had gevolg[d], lijkt op een omkering in de houding van de overheid”. Een dergelijke “ommezwaai in de houding” dient zorgvuldig gemotiveerd te worden, aldus de verzoekende partij.

Zelfs indien de overheid niet op alle argumenten dient te antwoorden, dan nog moet volgens de verzoekende partij worden vastgesteld dat het tweede bestreden besluit geen enkel antwoord bevat op de argumenten die de verzoekende partij in haar beroep had ontwikkeld.

Voor wat de geluidshinder betreft, neemt de verzoekende partij nota van de uitleg die de verwerende partij in haar memorie van antwoord verschaft, maar stelt zij vast dat deze argumenten nergens, “zelfs niet in de kiem”, in het tweede bestreden besluit voorkomen. Het gaat dus om a posteriori motieven. Overeenkomstig de vaste rechtspraak van de Raad van State, dient daar geen rekening mee te worden gehouden.

24. In de laatste memorie benadrukt de verzoekende partij nogmaals dat volgens een vaststaande rechtspraak de regering op pertinente wijze de redenen dient aan te geven die haar ertoe brengen om het bezwaar te verwerpen. Deze motiveringsplicht was volgens de verzoekende partij in huidig geval verplicht, te meer nu het stedenbouwkundig college geen advies heeft verleend.

Beoordeling

25. In het middel zoals uiteengezet in het verzoekschrift voert de verzoekende partij aan dat in het tweede bestreden besluit ten onrechte geen of

X-16.295-10/15

onvoldoende rekening werd gehouden met haar beroepsargument dat er geen overschrijding is van de vastgestelde geluidsnormen.

26. Wat het aangevoerde rechtsmisbruik of misbruik van bevoegdheid betreft, dient vastgesteld te worden dat deze schending op geen enkele wijze in het verzoekschrift wordt toegelicht, zodat het middel op dit punt onontvankelijk is.

27. Het tweede bestreden besluit is als volgt gemotiveerd:

“[…]

Overwegende dat de verzoeker twee rapporten van het BIM voorlegt die dateren uit 2007 en 2008 en waaruit blijkt dat de installatie de geldende geluidsnormen niet overschrijdt. Hij wijst er tevens op dat de installatie voorzien is van een systeem van automatische onderbreking tijdens de nacht, het weekend en feestdagen. Dat het op het platte dak geplaatste systeem echter geluidsoverlast teweegbrengt voor de buurt en een negatieve impact heeft op de stedelijke omgeving. Dat die beperkt zou kunnen worden door de installatie onder te brengen in de technische verdieping;

Overwegende dat de plaatsing van de koelgroep op het plat dak van het gebouw afwijkt van artikel 6, § 3 van Titel I van de GSV, vermits hij niet geïntegreerd is in het dak.

Dat hetzelfde artikel bepaalt dat het dak van het gebouw de technische verdiepingen omvat; dat het tevens bepaalt dat schoorsteentoppen of ventilatiekappen boven het dak mogen uitsteken; dat een koelgroep echter niet gelijkgesteld kan worden met een schoorsteentop of ventilatiekap;

Overwegende dat de betwiste installaties die omwille van hun omvang de aanblik bieden van een bijkomende inspringende verdieping, ervoor zorgen dat het gebouw nog hoger uittorent boven de naastliggende gebouwen, maar ook boven de neoklassieke huizen bestaande uit een gelijkvloers, twee verdiepingen op de rooilijn en een hellend dak, die zich rechtover het kantoorgebouw bevinden ; Dat zulks niet in overeenstemming is met de goede plaatselijke aanleg;

Overwegende dat de technische installaties ondanks de aangebrachte bekleding een ontoelaatbare visuele impact hebben voor de naburige gebouwen;

Overwegende dat de vergunningverlenende overheid zich bij het onderzoek naar de mogelijkheid om een regularisatievergunning al dan niet toe te staan niet mag laten beïnvloeden door het voldongen feit;

Dat bijgevolg de gevraagde regularisatievergunning geweigerd dient te worden;”

28. De artikelen 2 en 3 van de motiveringswet bepalen dat elke eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur

X-16.295-11/15

en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat deze “afdoende” moeten zijn.

Aan de opgelegde motiveringsplicht is voldaan wanneer de uitspraak over het administratief beroep duidelijk de met de plaatselijke aanleg of ruimtelijke ordening verband houdende redenen opgeeft waarop de overheid haar beslissing steunt, derwijze dat het de aanvrager of belanghebbende derden mogelijk is met kennis van zaken tegen de beslissing op te komen, en dat de Raad van State de hem opgedragen wettigheidscontrole kan uitoefenen.

De vereisten van de formelemotiveringsverplichting zoals die volgen uit de motiveringswet reiken niet zover dat zij een vergunningverlenend bestuursorgaan, dat uitspraak doet in administratief beroep, verplichten tot het punt per punt beantwoorden van de beroepsargumenten.

29. Met de verwerende partij en de auditeur dient vastgesteld te worden dat het determinerende weigeringsmotief van de bestreden beslissing geen betrekking heeft op de mogelijke geluidshinder, maar wel op de visuele hinder. De verzoekende partij betwist deze vaststelling niet in haar laatste memorie.

In haar verzoekschrift heeft de verzoekende partij geen kritiek geuit op het motief van de visuele hinder, dat volstaat om het tweede bestreden besluit te dragen. Het motief omtrent de geluidsoverlast betreft een overtollig motief, waarvan de eventuele onwettigheid niet tot de vernietiging van de bestreden beslissing kan leiden.

30. Waar de verzoekende partij in haar verzoekschrift stelt dat “de overige redenen van weigering niet voldoende gesteund [worden] wanneer de aanvraag stedenbouwkundige vergunning rekening hield met de voorwaarden die opgelegd werden in het kader van de eerste aanvraag bouwvergunning”, is het middel niet voldoende uiteengezet. In de mate dat zij in haar memorie van

X-16.295-12/15

wederantwoord alsnog kritiek uit op het motief betreffende de visuele hinder, dient te worden vastgesteld dat zij dit reeds in haar verzoekschrift had kunnen doen, zodat deze laattijdige uitbreiding van het middel niet kan worden aangenomen.

31. Ingevolge de devolutieve werking van het georganiseerd administratief beroep doet de overheid die in beroep uitspraak doet over een aanvraag, dit op grond van een eigen beoordeling, zowel in rechte als in feite, van de aanvraag en is zij daarbij niet gebonden door argumenten die werden aangewend en adviezen die werden gegeven in de daaraan voorafgaande administratieve procedure.

Het volstond voor de verwerende partij om duidelijk de redenen aan te geven op grond waarvan zij haar beslissing verantwoordt. Uit de motivering van het tweede bestreden besluit blijkt duidelijk dat de vergunning essentieel wordt geweigerd om reden van haar onverenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening en waarom het beroep van de verzoekende partij wordt afgewezen.

32. Het tweede middel is ongegrond.

C. Derde middel

Uiteenzetting van het middel

33. Een derde middel wordt afgeleid uit de schending van de artikelen 169 tot 173 BWRO, “het begrip van goede rechtsbedeling”, “het principe van redelijkheid”, de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, alsook uit rechtsmisbruik of misbruik van bevoegdheid.

De verzoekende partij voert aan dat het advies van het stedenbouwkundig college, dat kracht van beslissing heeft gekregen, niet voldoet aan de motiveringswet aangezien het geen enkele aanvaardbare en relevante

X-16.295-13/15

motivering bevat die ertoe zou leiden de vergunning te weigeren en het bezwaar af te wijzen. Door geen beslissing te nemen wanneer dit advies kracht kon krijgen van beslissing, heeft het stedenbouwkundig college de artikelen 171 en 173

BWRO geschonden. Volgens de verzoekende partij kan men enkel verbaasd zijn door de beslissing van het stedenbouwkundig college om geen advies te geven na één enkel herinneringsschrijven aan de gemeente. De verzoekende partij vraagt zich af waarom het stedenbouwkundig college zo snel beslist heeft zich te ontlasten van haar taak. Om deze redenen schendt de eerste bestreden beslissing manifest het begrip van goede rechtsbedeling alsmede het principe van redelijkheid.

34. In de laatste memorie stelt de verzoekende partij dat, zelfs indien het advies van het stedenbouwkundig college niet als beslissing zou gelden, dit advies wel te beschouwen is als een substantiële formaliteit aangezien dit advies als doel heeft de regering in te lichten en duidelijkheid te verschaffen over de te nemen beslissing. In casu is het advies van het stedenbouwkundig college ingegeven door lichtzinnigheid, wat de wettigheid van de procedure aantast.

Beoordeling

35. Uit beoordeling van het eerste middel blijkt dat het besluit van het stedenbouwkundig college van 15 januari 2015 geen kracht van beslissing heeft verkregen. Het middel vertrekt dan ook vanuit een foutief uitgangspunt.

Verder dient te worden vastgesteld dat het stedenbouwkundig college op 15 januari 2015 beslist heeft om geen advies uit te brengen, zodat de in artikel 171, § 1, derde lid, BWRO genoemde hypothese van “ontstentenis van een advies binnen de termijn” zich voordoet. De laatstgenoemde bepaling voorziet uitdrukkelijk dat in die hypothese “de procedure [wordt] voortgezet”. Het motief op grond waarvan het stedenbouwkundig college beslist heeft om geen advies uit te brengen vermag het besluit van de regering niet te vitiëren.

X-16.295-14/15

36. Het derde middel wordt verworpen

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en op een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro die verschuldigd is aan de verwerende partij.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zevenentwintig juni 2017, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:

Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier.

De griffier De voorzitter

Frank Bontinck Johan Lust

X-16.295-15/15

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.663