Belgian court dismisses renewal permit appeal citing lack of interest in procedural delay and unequal treatment claims.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the applicant's appeal against the Minister's refusal to renew her security advisory services permit. The applicant argued the decision was delayed and violated equal treatment principles compared to permit holders, but the court found no legal interest in challenging the delay since the original permit had already expired. Consequently, the court dismissed the appeal and ordered the applicant to bear the legal costs.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 19 and 20 of the Security Services Act; A party lacks legal interest in challenging a renewal decision if the original permit has expired and no sanction can be imposed, and equal treatment requires concrete proof of identical circumstances.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VIIe KAMER
nr. 238.595 van 22 juni 2017
in de zaak A. 217.470/VII-39.529.
In zake : XXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Verbist en Lize Vandersteegen kantoor houdend te 2000 Antwerpen Graaf van Hoornestraat 51
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 3 november 2015, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken van 26 augustus 2015 waarbij aan verzoekster de vernieuwing van de vergunning voor het aanbieden van diensten van een onderneming voor veiligheidsadvies wordt geweigerd.
II. Verloop van de rechtspleging
2. Bij arrest nr. é.555 van 21 januari 2016 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen.
Verzoekster heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend.
VII-39.529-1/16
De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Eerste auditeur Ann Eylenbosch heeft een verslag opgesteld.
Verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 maart 2017.
Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Lize Vandersteegen, die verschijnt voor verzoekster, en attaché Pascale Cornette, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Verzoekster is gedelegeerd bestuurder van de NV XXXX. Deze vennootschap verleent gespecialiseerd advies in opdracht van verzekeringsmaatschappijen die actief zijn in de diamant- en juwelenhandel.
VII-39.529-2/16
Bij ministerieel besluit van 11 april 2006 wordt aan verzoekster vergunning verleend voor het aanbieden van diensten van een onderneming voor veiligheidsadvies. Aangezien de geldigheid van die vergunning verstrijkt op 10 april 2011, vraagt zij op 30 juli 2010 de verlenging aan van die vergunning.
3.2. Op 14 juli 2011 deelt de procureur des Konings te Antwerpen aan de Directie Private Veiligheid mee dat verzoekster gekend is in een gerechtelijk onderzoek inzake witwassen en dat het dossier aanhangig is bij de raadkamer te Antwerpen. Zijn advies over de aanvraag is derhalve ongunstig.
3.3. Vervolgens deelt de procureur des Konings op 6 september 2011
aan de Directie Private Veiligheid mee dat verzoekster door de raadkamer werd verwezen naar de correctionele rechtbank gezien er voldoende aanwijzingen van schuld bestaan en dat tegen de beschikking van de raadkamer beroep werd ingesteld bij de kamer van inbeschuldigingstelling. Hij besluit dat in de gegeven omstandigheden geen gunstig advies kan worden verleend.
3.4. Op 13 december 2011 maakt de procureur des Konings aan de Directie Private Veiligheid een kopie over van zijn eindvordering en de beschikking van de raadkamer. Later stelt hij de administratie ervan in kennis dat verzoekster door de kamer van inbeschuldigingstelling werd verwezen naar de correctionele rechtbank.
3.5. Met een aangetekende brief van 27 februari 2013 deelt de Directie Private Veiligheid aan verzoekster mee dat overwogen wordt de vernieuwing van de vergunning voor het aanbieden van diensten van een onderneming voor veiligheidsadvies te weigeren. Zij beschikt over een termijn van vijftien werkdagen om inzage te nemen van het administratief dossier en een termijn van veertig werkdagen om haar verweermiddelen in te dienen.
VII-39.529-3/16
3.6. Op 8 april 2013 dient verzoekster haar verweermiddelen in.
3.7. Bij vonnis van 25 april 2013 wordt verzoekster door de correctionele rechtbank te Antwerpen veroordeeld wegens valsheid in geschrifte, fiscale fraude en het uitoefenen van het beroep van privédetective zonder in het bezit te zijn van de vereiste vergunning. Verzoekster stelt beroep in tegen dit vonnis.
3.8. Nadat verzoekster de door het openbaar ministerie voorgestelde minnelijke schikking heeft aanvaard, stelt het hof van beroep te Antwerpen bij arrest van 21 november 2013 het verval van de strafvordering vast.
3.9. Op 21 maart 2014 brengt de procureur des Konings een ongunstig advies uit over de vergunningsaanvraag.
3.10. Verzoekster dient op 12 juli 2014 een aanvullend verweerschrift in.
3.11. Met het thans bestreden besluit weigert de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken de gevraagde vergunning.
IV. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Standpunt van de partijen
4. In een eerste middel wordt de schending aangevoerd van de materiëlemotiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.
VII-39.529-4/16
Verzoekster betoogt dat de verwerende partij in de motivering van de bestreden beslissing uitdrukkelijk verwijst naar het vonnis van de correctionele rechtbank te Antwerpen van 25 april 2013, dat na hoger beroep echter niet in kracht van gewijsde is gegaan en dus uit het rechtsverkeer is verdwenen. Tijdens de procedure in hoger beroep is zij namelijk ingegaan op het voorstel van de procureur des Konings tot minnelijke schikking, hetgeen heeft geleid tot het verval van de strafvordering. De verwijzing door de verwerende partij naar “een veroordeling” is derhalve manifest onjuist en houdt een schending in van de materiëlemotiveringsplicht. Zij miskent tevens het beginsel dat ieder voor onschuldig dient te worden gehouden tot het tegendeel wordt bewezen; een bewijs dat pas is geleverd nadat een strafrechtelijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan. Volgens verzoekster levert een minnelijke schikking geen strafrechtelijk bewijs van de feiten op. Evenmin zou de verwerende partij in de bestreden beslissing antwoorden op enkele cruciale argumenten, uiteengezet in het schriftelijk verweer van 12 juli 2014. Zij verwijt de verwerende partij onzorgvuldig te zijn geweest door de feiten zelf niet te controleren en het advies van de procureur blindelings over te nemen, zonder aandacht voor haar concrete opmerkingen.Tot slot benadrukt verzoekster dat de verwerende partij nalaat om de ernstige tekortkomingen van de beroepsdeontologie of tegenindicaties van het gewenste profiel in haren hoofde te concretiseren.
5. De verwerende partij antwoordt dat de bestreden beslissing de rechtsgrond en het juridisch kader vermeldt waarop zij is gebaseerd, alsook het procedureverloop en de concrete feiten die verzoekster ten laste worden gelegd.
Tegelijk worden de verweerargumenten van verzoekster expliciet beantwoord. Zij is echter niet verplicht om uitvoerig op alle argumenten in te gaan; het volstaat dat uit de motieven blijkt waarom zij de bestreden beslissing heeft genomen.
Voorts zet zij uiteen dat de minnelijke schikking enkel kon worden voorgesteld indien er voldoende schuldaanwijzingen in hoofde van verzoekster aanwezig waren met betrekking tot de feiten opgenomen in het schrijven van de procureur des Konings van 5 juli 2013. Niettegenstaande het
VII-39.529-5/16
verval van de strafvordering werd vastgesteld bij arrest van 21 november 2013 van het hof van beroep te Antwerpen, kon zij in het kader van de beoordeling van de deontologische geschiktheid van verzoekster rekening houden met de feiten die vermeld worden in het vonnis van 25 april 2013 van de correctionele rechtbank en dit zonder het strafrechtelijk vermoeden van onschuld te schenden.
De verwerende partij benadrukt dat zij niet gehouden is door de beslissing van het parket en dat zij van haar kant erop moet toezien dat enkel integere personen toegang krijgen of blijven behouden tot de sector. De feiten dienen beoordeeld te worden op deontologisch vlak en zij beschikt ter zake over een discretionaire bevoegdheid. Uit het geheel van de bestreden beslissing blijkt dat ze steunt op de feiten die aan de basis liggen van het vonnis van de correctionele rechtbank en niet op de veroordeling zelf. Ook stelt de verwerende partij dat zij rekening moest houden met het negatief advies van de procureur des Konings. Op grond van haar discretionaire bevoegdheid moest zij aan dit advies het gepaste gevolg geven. Tot slot stelt zij dat de feiten waarop de bestreden beslissing steunt, duidelijk verwijzen naar de sociaalrechtelijke en fiscale verplichtingen van verzoekster.
6. In haar memorie van wederantwoord dupliceert verzoekster dat de verwerende partij er ten onrechte van uitgaat dat zij een correctioneel vonnis, dat intussen uit het rechtsverkeer is verdwenen, in aanmerking zou mogen nemen, zonder zelf een afweging te maken van de daarin aangehaalde feiten. In de bestreden beslissing is geen enkel motief terug te vinden waaruit blijkt hoe de verwerende partij heeft vastgesteld dat de feiten die ten grondslag lagen van het strafrechtelijk onderzoek bewezen zijn. De loutere verwijzing naar de minnelijke schikking volstaat niet. De minnelijke schikking houdt immers geen strafrechtelijke schuldbekentenis in. Ook, zo stelt verzoekster, gaat de verwerende partij niet concreet in op de eigenlijke feiten en beperkt zij zich tot de opsomming zoals weergegeven in het correctioneel vonnis van 25 april 2013. De tekortkomingen op de beroepsdeontologie of de tegenindicaties van het gewenste profiel worden niet geconcretiseerd. Zij herinnert eraan dat in het strafdossier en
VII-39.529-6/16
het administratief dossier geen enkel stuk is terug te vinden waaruit zou moeten blijken dat zij zich ooit heeft bezondigd aan het uitoefenen van een activiteit die enkel door een erkend, vergund privédetective mag worden uitgevoerd. Ook zou de verwerende partij in de bestreden beslissing hebben nagelaten te antwoorden op enkele cruciale verweermiddelen met betrekking tot de zogenaamde fouten in de BTW-aangiften. Door deze opmerkingen af te doen met verwijzingen naar het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling en het correctionele vonnis heeft de verwerende partij zelf geen concrete afweging van de feiten gemaakt. In zoverre de verwerende partij verwijst naar de sociaalrechtelijke en fiscale verplichtingen van een leidinggevende overeenkomstig artikel 5, eerste lid, 8°, van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid (hierna: bewakingswet), wijst verzoekster erop dat de BTW-achterstand en de inbreuken op de vennootschapsbelasting nooit hebben geleid tot een strafrechtelijke veroordeling en er bij gebrek aan bewijs van een moreel, kwaadwillig element geen sprake was van een misdrijf. Verzoekster besluit dat de verwerende partij de aard van de feiten niet heeft onderzocht, laat staan de ernst ervan heeft afgewogen tegenover de gevolgen van een weigering van de vernieuwing van de vergunning, en dat, zelfs indien zou worden geoordeeld dat zij fouten heeft begaan, deze niet voldoende ernstig zijn om de weigering van de vergunning te verantwoorden.
Beoordeling
7. Op grond van artikel 5, eerste lid, 8°, van de bewakingswet moeten de personen die een leidinggevende functie uitoefenen in een bewakingsonderneming voldoen aan de veiligheidsvoorwaarden noodzakelijk voor een leidinggevende functie en mogen zij geen feiten gepleegd hebben die, zelfs als ze niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een strafrechtelijke veroordeling, raken aan het vertrouwen in de betrokkene doordat hij zijn sociaalrechtelijke of fiscale verplichtingen als leidinggevende in een onderneming niet nakomt of omdat ze een ernstige tekortkoming van de beroepsdeontologie of een tegenindicatie van het gewenste profiel, zoals bedoeld in artikel 7, § 1bis,
VII-39.529-7/16
uitmaken. Het gewenste profiel is volgens laatstvermelde bepaling gekenmerkt door:
“1° respect voor de grondrechten van de medeburgers;
2° integriteit;
3° een incasseringsvermogen ten aanzien van agressief gedrag en het vermogen om zich daarbij te beheersen;
4° afwezigheid van verdachte relaties met het crimineel milieu”.
Artikel 5, eerste lid, 8°, van de bewakingswet verleent aan de minister van Binnenlandse Zaken een ruime discretionaire appreciatievrijheid.
Deze houdt per definitie de mogelijkheid in van uiteenlopende conclusies die elk wettig zijn en meer bepaald elk geacht kunnen worden binnen de grenzen van de redelijkheid te zijn gebleven.
8. Aangezien artikel 5, eerste lid, 8°, van de bewakingswet niet vereist dat de feiten hebben geleid tot een strafrechtelijke veroordeling, staat een minnelijke schikking er in beginsel niet aan in de weg dat de minister dezelfde feiten in aanmerking kan nemen als een ernstige tekortkoming aan de beroepsdeontologie waardoor de betrokkene niet langer het door de wet vereiste vertrouwen geniet. Een administratieve beslissing, zoals de weigering van de vergunning, genomen op grond van artikel 5, eerste lid, 8°, van de bewakingswet, doet dan ook op zich geen afbreuk aan het strafrechtelijk vermoeden van onschuld.
In dit verband kan overigens worden opgemerkt dat het aanvaarden van een minnelijke schikking omtrent strafrechtelijk gesanctioneerde feiten, niet meebrengt dat die feiten als onbestaande moeten worden beschouwd.
9. De materiëlemotiveringsplicht vereist dat er voor elke administratieve beslissing rechtens aanvaardbare motieven moeten bestaan, wat onder meer inhoudt dat die motieven steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die relevant zijn en met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld.
De uitvoerige verwijzingen in de bestreden beslissing naar de correctionele veroordeling nopen niet tot de conclusie dat de aangevochten
VII-39.529-8/16
weigering van de vergunning louter gebaseerd is op die veroordeling, maar doen er integendeel van blijken dat de verwerende partij zich een volledig beeld heeft willen vormen van de feiten die eraan ten grondslag hebben gelegen. Verzoekster toont met haar betoog aangaande de afwezigheid van strafrechtelijke schuld, niet aan dat de verwerende partij ten onrechte heeft aangenomen dat de ten laste gelegde feiten voldoende vaststaan.
10. Met betrekking tot de zwaarwichtigheid van de feiten wordt in de bestreden beslissing overwogen dat verzoekster een functie wenst uit te oefenen binnen de sector van de openbare veiligheid die nauw verwant is met de openbare orde, dat de uitoefening van het beroep van veiligheidsadviseur een absolute betrouwbaarheid en correctheid veronderstelt, dat het algemeen belang erbij gebaat is dat slechts moreel en professioneel betrouwbare personen het beroep van veiligheidsadviseur uitoefenen, dat het risico bestaat dat verzoekster misbruik zou maken van de vergunning en ze zou aanwenden om opnieuw gelijkaardige feiten te plegen, dat de wetgever met de wetswijziging van 13 januari 2014 ondernemingen die hun sociaalrechtelijke en fiscale verplichtingen niet respecteren uit de sector heeft willen weren, dat de feiten betrekking hebben op BTW-inbreuken en inbreuken op de vennootschapsbelasting en dus duidelijk verwijzen naar sociaalrechtelijke en fiscale verplichtingen, dat - niettegenstaande de aanvraag tot hernieuwing van de vergunning als veiligheidsadviseur dateert van voor de voornoemde wetswijziging - deze bepaling in acht kan worden genomen bij het behandelen van de aanvraag, dat de feiten hebben plaatsgevonden tijdens de beroepsuitoefening en dat deze een beeld vormen van de moraliteit en integriteit van verzoekster.
De Raad van State stelt vast dat de verwerende partij feiten in aanmerking heeft genomen die volgens het bepaalde van artikel 5, eerste lid, 8°, van de bewakingswet kunnen raken aan het vertrouwen in de persoon die een leidinggevende functie uitoefent in een bewakingsonderneming. De verwerende partij heeft de grenzen van haar appreciatiebevoegdheid niet overschreden door te oordelen dat deze feiten, gepleegd in het kader van de uitoefening van
VII-39.529-9/16
beroepsactiviteiten, een zodanig negatief licht werpen op de moraliteit en integriteit van verzoekster dat de hernieuwing van de vergunning voor het aanbieden van diensten van een onderneming voor veiligheidsadvies moet worden geweigerd. In het kader van zijn wettigheidscontrole komt het niet aan de Raad van State toe om zijn eigen beoordeling van de feiten en de gevolgen die daaraan moeten worden gegeven, in de plaats te stellen van die van de overheid.
Het eerste middel is niet gegrond.
B. Tweede middel
Standpunt van de partijen
11. In een tweede middel wordt de schending aangevoerd van artikel 4, § 2, van de bewakingswet, de redelijke termijnvereiste, het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel.
In een eerste middelonderdeel stelt verzoekster dat de verwerende partij artikel 4, § 2, van de bewakingswet niet ten volle heeft benut door, bij het uitblijven van een omstandig advies van de procureur des Konings, niet om advies van de minister van Justitie te vragen. De redelijke termijn om een beslissing te nemen over de hervergunningsaanvraag is geschonden. Tussen de aanvraag en de beslissing van de verwerende partij zijn vijf jaar verstreken. De verwerende partij heeft kennelijk onredelijk gehandeld door haar zo lang in het ongewisse te laten. Bovendien dateren de feiten van vóór oktober 2009, terwijl de bestreden beslissing bijna zes jaar later werd genomen. Dat dergelijke feiten nog aanleiding kunnen geven tot een weigering van de aangevraagde vergunning, schendt het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, zeker in het licht van artikel 5, eerste lid, 12°, van de bewakingswet, samen gelezen met artikel 5, laatste lid, van dezelfde wet. Indien de verwerende partij sneller en alleszins binnen een redelijke termijn een beslissing had genomen, was de maximumtermijn
VII-39.529-10/16
van drie jaar voorzien in artikel 5, eerste lid, 12°, van de bewakingswet intussen verstreken en kon zij actueel een nieuwe vergunning aanvragen.
In een tweede middelonderdeel betoogt verzoekster dat de bestreden beslissing bijna uitsluitend is toegespitst op een strafrechtelijke veroordeling die uit het rechtsverkeer is verdwenen, terwijl op geen enkel ogenblik rekening werd gehouden met het feit dat zij intussen een fiscale regularisatie heeft verkregen. Daarenboven is het volgens verzoekster kennelijk onredelijk om van een persoon een absolute correctheid te verwachten, zelfs al is deze een veiligheidsadviseur en raken diens taken mogelijks de openbare orde. Doordat over de hernieuwingsaanvraag geen tijdige beslissing werd genomen, heeft de verwerende partij zelf een situatie gecreëerd waarin zij de mogelijkheid heeft tenietgedaan om verzoekster een sanctie conform artikel 19 van de bewakingswet op te leggen. Immers, doordat de vergunning intussen was vervallen, konden de feiten alleen nog maar in het licht van een verlenging van de vergunning worden beoordeeld. Dat de verwerende partij niet heeft kunnen reageren op de vermeende inbreuken met een afgewogen, proportionele sanctie ten aanzien van verzoekster, is louter en alleen te danken aan het onzorgvuldig handelen van de verwerende partij zelf. Tot slot meent verzoekster dat het bestreden besluit het gelijkheidsbeginsel schendt, nu het verschil in behandeling in sanctie tussen haar en een vergunninghouder met een nog geldige vergunning, niet deugdelijk is en hiervoor geen redelijke verantwoording bestaat.
12. De verwerende partij betwist dat verzoekster belang heeft bij de nietigverklaring van de bestreden beslissing wegens schending van de redelijke termijnvereiste. Een vernietiging op grond van dit middel zou er immers toe leiden dat een (nieuwe) beslissing over de aanvraag nog langer op zich laat wachten.
Ten gronde zet de verwerende partij uiteen dat het talmen van de procureur des Konings haar niet ten kwade kan worden geduid. Bovendien wijst zij erop dat verzoekster zelf in het verweerschrift van 8 april 2013 heeft gevraagd om een beslissing over de aanvraag uit te stellen in afwachting van de uitkomst van de
VII-39.529-11/16
strafprocedure. Ook moet steeds rekening gehouden worden met de mogelijkheid om beroep in te stellen. Verzoekster gaat er onterecht van uit dat zij sneller een beslissing had kunnen nemen op basis van de gegevens van het parket van 2011.
De mogelijkheid om aan de minister van Justitie een advies te vragen, werd niet benut omdat zulks meer tijd in beslag zou nemen. Het gegeven dat verzoekster de fiscale tekorten intussen heeft gestort, doet geen afbreuk aan het bestaan van de feiten die hebben geleid tot het vonnis van 25 april 2013 en de minnelijke schikking. Bovendien moet er rekening mee gehouden worden dat inbreuken op de sociale en fiscale wetgeving een voorbeeld vormen van een tekortkoming van een leidinggevend personeelslid aan zijn maatschappelijke verplichtingen. Volgens de verwerende partij tracht verzoekster de feiten te minimaliseren, waarbij zij er evenwel aan voorbijgaat dat een lid van het leidinggevend personeel een voorbeeldfunctie heeft voor het uitvoerend personeel en de wijze waarop dit personeel optreedt ten aanzien van de burger. Verzoekster zou ook niet aantonen dat zij in andere zin heeft beslist over aanvragen van personen die zich in een vergelijkbare situatie als die van betrokkene bevinden. De verwerende partij merkt tot slot op dat op het ogenblik dat het eerste advies op 14 juli 2011 werd ontvangen, de vergunning van verzoekster reeds verstreken was en het bijgevolg niet meer mogelijk was om een sanctie op te leggen op grond van artikel 19 van de bewakingswet.
13. In haar memorie van wederantwoord voegt verzoekster, met betrekking tot het tweede middelonderdeel, nog toe dat het verschil in behandeling tussen haar en een vergunninghouder met een nog geldige vergunning wel degelijk twee vergelijkbare situaties betreft, aangezien zij op het ogenblik dat de aanvraag tot verlenging van de vergunning werd ingediend eveneens in het bezit was van een geldige vergunning.
14. In haar laatste memorie benadrukt verzoekster dat zij wel degelijk over een actueel en persoonlijk belang bij het eerste middelonderdeel beschikt. Immers, wanneer de bestreden beslissing wordt vernietigd, geldt niet langer een wachttermijn van drie jaar voor het indienen van een nieuwe
VII-39.529-12/16
vergunningsaanvraag. Voorts herhaalt zij dat in de bestreden beslissing op geen enkele wijze rekening wordt gehouden met de bezwaren, opmerkingen en rechtzettingen die aan de verwerende partij kenbaar werden gemaakt. Zij onderstreept dat de feiten de nodige nuancering verdienen en/of reeds met de bevoegde instanties zijn uitgeklaard. Wat betreft de aangevoerde schending van het gelijkheidsbeginsel onderstreept zij nog dat zij niet alleen op het ogenblik van de indiening van de verlengingsaanvraag maar ook op het ogenblik van de vermeende feiten in het bezit was van een geldige vergunning.
Beoordeling
15. Artikel 4, § 2, van de bewakingswet bepaalt:
“Niemand mag de diensten van een onderneming voor veiligheidsadvies aanbieden, of zich als dusdanig bekend maken, indien hij daartoe vooraf geen vergunning heeft verkregen van de minister van Binnenlandse Zaken, na advies van de Veiligheid van de Staat en van de procureur des Konings van de vestigingsplaats van de onderneming en, bij ontstentenis ervan, van de minister van Justitie. […]”.
Overeenkomstig artikel 5, eerste lid, 12°, van de bewakingswet moeten personen die de werkelijke leiding hebben van een bewakingsonderneming voldoen aan de voorwaarde dat zij in de afgelopen drie jaar niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij werd vastgesteld dat zij aan de veiligheidsvoorwaarden noodzakelijk voor een leidinggevende functie, bedoeld onder 8°, niet voldeden.
16. De bewakingswet bepaalt niet binnen welke termijn de minister van Binnenlandse Zaken uitspraak moet doen over een aanvraag tot hernieuwing van de vergunning voor het aanbieden van diensten van een onderneming voor veiligheidsadvies. Wanneer geen wettelijke of reglementaire bepaling een termijn oplegt voor het nemen van een beslissing, moet een redelijke termijn in acht worden genomen.
VII-39.529-13/16
Het gegrond bevinden van het middel waarin wordt aangevoerd dat de bestreden beslissing niet binnen een redelijke termijn werd genomen, zou tot gevolg hebben dat de minister zijn bevoegdheid heeft verloren om nog uitspraak te doen over de aanvraag van verzoekster. De vaststelling dat de redelijke beslissingstermijn werd overschreden zou bovendien niet impliceren dat de beoogde vergunning geacht moet worden te zijn verleend. De vernietiging van de bestreden beslissing op grond van dit middel zou evenmin van invloed zijn op de in artikel 5, eerste lid, 12°, van de bewakingswet bedoelde wachttermijn van drie jaar om een nieuwe aanvraag in te dienen, aangezien een nieuwe vergunningsaanvraag hoe dan ook enkel voor een toekomstige dienstverlening kan worden ingediend.
Tot slot zou verzoekster evenmin een voordeel halen uit een vernietiging op grond van dit middel doordat de duur van de behandeling van de hervergunningsaanvraag ertoe heeft geleid dat haar geen sanctie meer kon worden opgelegd met toepassing van artikel 19 van de bewakingswet. Een vernietigingsarrest kan immers niets veranderen aan het feit dat de geldigheidstermijn van de vroegere vergunning is verstreken.
Er wordt bijgevolg vastgesteld dat verzoekster geen belang heeft bij het middel in zoverre wordt aangevoerd dat de bestreden beslissing niet binnen een redelijke termijn werd genomen.
17. Het gelijkheidsbeginsel houdt in dat wie zich in dezelfde toestand bevindt, op dezelfde wijze behandeld moet worden. Dit beginsel kan slechts geschonden zijn indien in rechte en in feite gelijke gevallen ongelijk werden behandeld zonder dat er voor deze ongelijke behandeling een objectieve verantwoording bestaat. Het behoort aan verzoekster, die aanvoert dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden, dit in het verzoekschrift met concrete en precieze gegevens aan te tonen.
In weerwil van verzoeksters standpunt bevond zij zich op het ogenblik dat de bestreden beslissing werd genomen niet in dezelfde of een vergelijkbare toestand als de houder van een vergunning.
VII-39.529-14/16
18. Waar het tweede middel een herhaling vormt van grieven - schending van het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel - die reeds in het eerste middel werden aangevoerd, volstaat een verwijzing naar de beoordeling van dit middel.
Het tweede middel is ongegrond.
V. Verzoek tot anonimisering
19. In haar verzoekschrift vraagt verzoekster de anonimisering van het arrest, bij de publicatie ervan.
20. Luidens artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 betreffende de publicatie van de arresten en de beschikkingen van niet-toelaatbaarheid van de Raad van State, kan een natuurlijke persoon die partij is bij een geschil dat bij de Raad van State aanhangig is, vragen dat zijn identiteit wordt weggelaten bij de publicatie van de beschikking van niet-toelaatbaarheid of van het arrest. Dergelijk verzoek kan in het verzoekschrift of in voorkomend geval tot aan de sluiting van de debatten, worden ingediend.
Te dezen verzet niets zich tegen het inwilligen van verzoeksters vraag.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 400 euro.
3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoekster niet bekendgemaakt.
VII-39.529-15/16
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tweeëntwintig juni tweeduizend zeventien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier.
De griffier De voorzitter
Elisabeth Impens Eric Brewaeys
VII-39.529-16/16
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.595