Belgian Court of State quashes asylum board ruling for assuming ECHR Article 3 violation without examining administrative file.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Court of State quashed the Asylum Board's decision which annulled deportation orders solely based on the absence of explicit ECHR Article 3 reasoning. The applicants argued the lower court violated the duty of motivation, while the State contended the board correctly identified a procedural flaw. The court ruled that the Asylum Board erred by declaring a violation without reviewing the administrative file to verify if the deportation orders were substantively compliant with Article 3.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 3 of the ECHR; The Asylum Board cannot declare a violation of the duty of motivation under Article 3 of the ECHR solely on the absence of explicit reasoning in administrative decisions without first examining the administrative file to determine if the decisions were substantively compliant.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
XIVe KAMER
nr. 238.570 van 20 juni 2017
in de zaak A. 217.989/XIV-36.851
In zake : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door destaatssecretaris voor Asiel en Migratie, Maatschappelijke Integratie en Armoedebestrijding, thans de staatssecretaris voor Asiel en Migratie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carmenta Decordier kantoor houdend te 9041 Gent-Oostakker Harlekijnstraat 9
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
1. XXX
2. XXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Renaat Van De Sijpe kantoor houdend te 9100 Sint-Niklaas Heistraat 189
I. Voorwerp van het cassatieberoep
1. Het cassatieberoep, ingesteld op 30 december 2015, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 157.376 van 30 november 2015 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
II. Verloop van de rechtspleging
2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 11.761 van 1 februari 2016.
XIV-36.851-1/6
De verzoekende partij heeft een toelichtende memorie ingediend.
Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 februari 2017.
Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Laurent Bracke, die loco advocaat Carmenta Decordier verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord.
Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3. De verwerende partijen dienen op 4 oktober 2012 een (derde)
aanvraag om machtiging tot verblijf met toepassing van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet)
in.
Op 11 juni 2013 neemt de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, Maatschappelijke Integratie en Armoedebestrijding ten aanzien van de
XIV-36.851-2/6
verwerende partijen een beslissing waarmee die aanvraag niet-ontvankelijk wordt verklaard. Hij neemt dezelfde dag ten aanzien van iedere verwerende partij een afzonderlijke beslissing houdende bevel om het grondgebied te verlaten.
De verwerende partijenstellen op 23 juli 2013 tegen de drie voornoemde beslissingen een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vernietigt de beslissingen van 11 juni 2013 met een arrest van 30 november 2015. Dit is het bestreden arrest.
IV. Voorwerp van het cassatieberoep
4. De verzoekende partij richt zich in het verzoekschrift tot cassatie enkel tegen het bestreden arrest “in zoverre werd overgegaan tot vernietiging van de beslissingen van 11.06.2013 tot bevel om het grondgebied te verlaten”.
Het voorwerp van het cassatieberoep is daartoe beperkt.
V. Onderzoek van de middelen
Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
5. De verzoekende partij werpt in een eerste middel, dat zij in de toelichtende memorie herhaalt, de schending op van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM), van de artikelen 7 en 39/2, § 2, van de vreemdelingenwet en van de materiële-
motiveringsplicht.
XIV-36.851-3/6
In een eerste middelonderdeel voert de verzoekende partij aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest oordeelt dat uit de motieven van de aanvankelijk bestreden bevelen om het grondgebied te verlaten moet blijken dat de gemachtigde van de staatssecretaris is overgegaan tot een belangenafweging in het licht van artikel 3 van het EVRM. De verzoekende partij laat gelden dat artikel 3 van het EVRM echter geen motiveringsplicht inhoudt zodat de aanvankelijk bestreden bevelen niet moesten worden gemotiveerd in het licht van artikel 3 van het EVRM. Ook de materiëlemotiveringsplicht houdt geen motiveringsplicht in het licht van die verdragsbepaling in.
Beoordeling
6. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vermag als annulatierechter desgevraagd te onderzoeken of artikel 3 van het EVRM is geschonden bij het nemen van een beslissing houdende bevel om het grondgebied te verlaten, dit aan de hand van de door de partijen verstrekte gegevens en de gegevens van het administratief dossier. Hij dient zich daarbij niet te beperken tot de eventuele uitdrukkelijke motieven dienaangaande in de bij hem aangevochten beslissingen. Artikel 3 van het EVRM houdt immers geen bijzondere motiveringsplicht in.
Te dezen oordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in antwoord op de door de huidige verwerende partijen voorgehouden schending van artikel 3 van het EVRM dat, “teneinde na te kunnen gaan of de bevelen al dan niet (in)strijd met artikel 3 van het EVRM werden genomen, […] de Raad [dient] te kunnen controleren met welke elementen verweerder rekening heeft gehouden”.
De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vervolgt dat, “nu in de bestreden beslissing geen enkele afweging terug te vinden is die betrekking heeft op artikel 3
van het EVRM, […] de Raad verzoekers [kan] volgen waar deze aangeven dat de motivering van de bestreden bevelen niet afdoende is”. Hij besluit dat “een schending van de materiële motiveringsplicht kan worden aangenomen”.
XIV-36.851-4/6
Door aan te nemen dat artikel 3 van het EVRM een uitdrukkelijke motivering in de aanvankelijk bestreden bevelen om het grondgebied te verlaten vereist en enkel op grond van het ontbreken van dergelijke motivering, zonder nader onderzoek van het dossier, een schending van artikel 3
van het EVRM aan te nemen, schendt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen die verdragsbepaling. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kon derhalve niet wettig besluiten tot een schending van de materiëlemotiveringsplicht, enkel op grond van het ontbreken van uitdrukkelijke motieven in de aanvankelijk bestreden bevelen om het grondgebied te verlaten.
Het eerste onderdeel van het eerste middel is in die mate gegrond en deze vaststelling volstaat voor de cassatie van het bestreden arrest in de mate dat daarmee de aanvankelijk bestreden bevelen om het grondgebied te verlaten worden vernietigd.
BESLISSING
1. De Raad van State vernietigt het arrest nr. 157.376 van 30 november 2015
van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, voor zover het de beslissingen van de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, Armoedebestrijding en Maatschappelijke Integratie van 11 juni 2013 houdende bevel om het grondgebied te verlaten vernietigt.
2. Dit arrest zal in de registers van voormelde Raad worden overgeschreven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.
3. De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
4. De verweerders worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij.
XIV-36.851-5/6
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twintig juni tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:
Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, met bijstand van Johan Pas, griffier.
De griffier De voorzitter
Johan Pas Geert Debersaques
XIV-36.851-6/6
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.570