Cassation appeal dismissed; court rejects inadmissibility of technical building code violations and arbitrary refusal of conditional permit.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State dismissed the cassation appeal against the Regional Planning and Permitting Board's rejection of a building permit application. The applicants argued that the board arbitrarily refused a conditional permit despite meeting technical requirements, claiming the refusal was unreasonable and lacked proper motivation. The court declared the appeal inadmissible because the applicants failed to specify how the contested decision violated specific building code articles and did not demonstrate that the refusal was arbitrary.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 7.1 and 7.3 of Chapter 3 of the General Building Ordinance of the City of Leuven; Articles 1.2 and 4.3.1 of the Flemish Spatial Planning Code: A cassation appeal challenging a building permit decision is inadmissible if the applicant fails to specify precisely how the decision violates the cited provisions or fails to demonstrate that the refusal was arbitrary.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VIIe KAMER
nr. 238.451 van 8 juni 2017
in de zaak A. 220.553/VII-39.819.
In zake : 1. Carlo ACKERMANS
2. Edith VANDENWEGHE
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Geert Demin kantoor houdend te 3000 Leuven J.P. Minckelersstraat 90
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD
VAN VLAAMS-BRABANT
I. Voorwerp van het beroep
1. Het cassatieberoep, ingesteld op 21 oktober 2016, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb/A/1617/0005 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 6 september 2016 in de zaak 1314/0385/A/3/0365.
II. Verloop van de rechtspleging
2. Een beschikking van 10 november 2016 verklaart het cassatieberoep toelaatbaar.
De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend.
VII-39.819-1/14
Auditeur Ann Van Den Broeck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State.
De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend teneinde te worden gehoord.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 mei 2017.
Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Patrick Soeteweye, die loco advocaat Geert Demin verschijnt voor de verzoekende partijen, is gehoord.
Auditeur Ann Van Den Broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Op 19 december 2013 weigert de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant (hierna: deputatie) een stedenbouwkundige vergunning “voor het regulariseren van een woning met 8 bestaande studentenkamers” te verlenen aan de verzoekende partijen.
3.2. Het bestreden arrest verwerpt de vordering van de verzoekende partijen tot vernietiging van de vergunningsbeslissing van 19 december 2013.
VII-39.819-2/14
IV. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Standpunt van de verzoekende partijen
4. De verzoekende partijen voeren de schending aan van de artikelen 7.1 en 7.3 van hoofdstuk 3 van de Algemene Bouwverordening van de stad Leuven (hierna: ABL), alsook van de bepalingen van hoofdstuk 1 ABL en van artikel 4.3.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO).
In een eerste onderdeel, dat betrekking heeft op de toepassing van de artikelen 7.1 en 7.2 ABL, benadrukken de verzoekende partijen dat de vergunningsaanvraag een regularisatieaanvraag is voor een bestaande, vergunde gezinswoning tot de opsplitsing naar een studentenwoning, dat het perceel volledig bebouwd is en dat het finale gebruik van de ruimten niet gewijzigd is. Volgens de verzoekende partijen toont dit aan “enerzijds dat op het ogenblik van aanbouw de regel van art. 7 ABL niet bestond en anderzijds deze toestand toch vergund werd”.
Zij stellen dat het thans opleggen van deze regel, terwijl er enkel een opdeling in meerdere wooneenheden wordt gevraagd, een schending is van het legaliteitsprincipe, minstens het rechtszekerheidsbeginsel. “Bovendien is de gehanteerde norm kennelijk onredelijk omwille van het feit dat de vergunningverlenende overheid gebruik maakt van een ogenschijnlijke strengere regel dewelke na de bouw van het voorafbestaande gebouw werd ingevoerd. Met name was de bouw van woningen met een voorplaats, middenplaats en achterplaats de gebruikelijke bouwstijl voor rijwoningen in de periode van oprichting [van de]
woning (interbellum) [...]. Aan de lichtinval in een tussenplaats [thans de keuken]
werd er ten tijde van de bouw van deze woningen weinig belang gehecht. […]
Deze stringente toepassing van [de ABL] maakt trouwens dat deze woning nooit nog een vergunning zou kunnen bekomen, zelfs niet wanneer zou geopteerd worden voor het zogenaamde „kot-madamprincipe‟ waarbij binnen de woning een
VII-39.819-3/14
appartement van een gezin wordt gemaakt met daarnaast maximaal drie studentenkoten (toepassing van art. 4.2.1.2 hoofdstuk 3 [ABL])”.
In een tweede onderdeel dat betrekking heeft op de gecombineerde lezing van artikel 7 van hoofdstuk 3 en artikel 3 van hoofdstuk 1
ABL, verwijzen de verzoekende partijen naar de mogelijkheid voor de stad Leuven “om ten aanzien van bepaalde toepassingen van de [ABL] een uitzondering toe te laten”. Zij bekritiseren niet het oordeel van de RvVb dat het toestaan van dergelijke uitzondering een opportuniteitsoordeel is dat door de vergunningverlener dient te worden beoordeeld maar zij “stellen wel dat deze beoordelingsmarge beperkt wordt door het feit dat de verordening zelf reeds een aantal gevallen beschrijft waarbij een afwijking kan worden overwogen”, meer bepaald “het feit dat werken aan vooraf bestaande gebouwen die afwijken van de verordening kunnen worden toegelaten”. Zij stellen dat hun woning “voldoet aan deze definitie”, gelet op de “voorafbestaande en eerder legaal beoordeelde toestand [...] van het gebrek aan een „licht‟”. Zij stellen verder dat zij “zich bovendien [kunnen] beroepen op beide hypotheses voorzien in het geciteerde artikel; het gebouw heeft specifieke kenmerken die een afwijking van de norm verantwoorden en het gaat om een bestaand, oud gebouw dat afwijkt van de verordening. […] De RvVb laat hierbij na de toetsing te maken met de concrete omstandigheid dat het gaat om een oudere klassieke rijwoning waarvan het perceel volledig bebouwd is. Ook de verwerende partij had met deze overwegingen dienen rekening te houden om zodoende bij toepassing van de uitzonderingsregel van de [ABL] wel degelijk een uitzondering op de regel van art. 7 van hoofdstuk 3 van de ABL te verlenen. Ook bij weigering van dergelijke uitzondering dient de overheid haar beslissing voldoende en afdoend te motiveren, zonder dat deze redenen tot afwijzing kennelijk onredelijk mogen zijn. De motivering die door de stad Leuven en de deputatie wordt gegeven beperkt zich tot het gegeven dat zij als vergunningverlenende overheid zelf de opportuniteit van dergelijke uitzondering kunnen inschatten. Verzoekers hebben aangetoond dat de beslissing om de gevraagde uitzondering af te wijzen onvoldoende werd gemotiveerd en de karige redenen die voor deze afwijzing werd gegeven als kennelijk onredelijk dient te worden beschouwd”.
VII-39.819-4/14
De verzoekende partijen voeren in een derde onderdeel de schending aan van artikel 4.3.1 VCRO. Zij stippen aan dat zij “een voorstel [hebben] geformuleerd om te verhelpen aan het gebrek van de lichten en zichten zoals vereist in toepassing van art. 7 van hoofdstuk 3 van de ABL. […] De verwijzing in de motivering van de RvVb naar het feit dat dit voorstel te vaag zou zijn geweest en zodoende niet kon aanvaard worden is strijdig met de stukken in het dossier en de argumenten gebruikt naar aanleiding van de hoorzitting voor de deputatie. De afwijzing van deze bijkomende voorwaarde is zodoende niet afdoende gemotiveerd. Het bijbrengen van bijkomende plannen en schetsen zoals dit werd geponeerd in het arrest van de RvVb was in het kader van de procedure voor de deputatie niet mogelijk. Het advies van de PSA werd slechts enkele dagen voor de hoorzitting meegedeeld zodat de mogelijkheden om hier op te reageren […] sterk beperkt waren. De deputatie had daarenboven reeds aangegeven dat geen uitstel kon worden gegeven omwille van het feit dat zij zelf aan een dwingende termijn zoals voorzien in het VCRO gebonden waren. Zodoende is de vereiste van het bijbrengen van bijkomende plannen en schetsen op zich reeds een kennelijk onredelijke voorwaarde, dewelke trouwens strijdig is met het rechtszekerheidsbeginsel en het recht op verdediging. In toepassing van het zorgvuldigheidsbeginsel kan trouwens gesteld worden dat gezien het advies van de PSA een belangrijk gegeven is voor degene die een vergunning aanvraagt, het zou behoren dat dit advies tijdig meegedeeld wordt, zodat de vergunningsaanvrager hierop nog kan reageren met bijkomende plannen. Verzoekers hebben hier trachten aan te verhelpen door een aantal foto‟s bij te brengen en de voorziene werken te beschrijven. De beoordeling dat dit voorstel vaag was, kan derhalve niet weerhouden worden”.
De verzoekende partijen voegen, wat het eerste onderdeel betreft, toe dat zij zich niet voor het eerst beroepen op het vermoeden van vergunning, aangezien zij steeds hebben voorgehouden “dat zij aan [de] woning geen wijzigingen hebben aangebracht en deze discussie enkel betrekking had op de mogelijkheid om de woning op te delen. [...] Dat dit gebouw vergund is of
VII-39.819-5/14
minstens geacht vergund te zijn, is evenmin ooit geopperd geweest. Enkel de opdeling in meerdere wooneenheden staat ter discussie”.
Wat het tweede en derde onderdeel betreft, voegen zij toe dat het opleggen van de vereiste om lichten en zichten te voorzien “naar aanleiding van een regularisatieaanvraag om de woning op te delen, [...] onredelijk” is, evenals het “weigeren om gebruik te maken van een afwijkingsmogelijkheid die uitdrukkelijk in de ABL voorzien is om aan dergelijke situatie te remediëren [...]. […] Evenmin werd rekening gehouden met de concrete omstandigheden en de aanpassingen die verzoekers bereid waren aan te brengen”.
Beoordeling
5. Het middel gaat terug op de verwerping door de RvVb van het eerste en tweede middel van de verzoekende partijen waarin zij “in essentie aan[voeren] dat de [deputatie] niet afdoende heeft gemotiveerd waarom zij besluit dat de aanvraag niet in aanmerking komt voor vergunning en dus geweigerd dient te worden” en dat de deputatie “terecht oordeelt dat de woning volgens artikel 2.1.2
van hoofdstuk 4 van de […] ABL […] kan worden opgesplitst, maar vervolgens onterecht de aanvraag weigert op grond van artikel 2.1.2, 7.1 en 7.2 van hoofdstuk 3 ABL en hierbij niet voldoende rekening houdt met hun opmerkingen en de voorstellen die zij naar aanleiding van het verslag van de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar tijdens de hoorzitting naar voor hebben gebracht”.
6. Het bestreden arrest steunt de verwerping van de middelen van de verzoekende partijen op volgende overwegingen:
- de verzoekende partijen bekritiseren de weigeringsmotieven van de bestreden vergunningsbeslissing, te weten i) de keuken en de leefruimte op de gelijkvloerse verdieping hebben door gebrek aan rechtstreekse lichtinval en zicht naar buiten een ondermaatse leefkwaliteit, ii) kamer 8 met een vloeroppervlakte van 7,25 m² voldoet niet aan de oppervlaktenorm van 12 m² in de algemene bouwverordening, iii) de ruimte voorzien als fietsenstalling is te klein om acht fietsen te plaatsen;
VII-39.819-6/14
- de verzoekende partijen betwisten niet de toepasselijkheid van de ABL;
- het loutere argument van de verzoekende partijen wat betreft de vereiste van lichten en zichten dat de deputatie “voorbijgaat aan het feit dat het gaat om een perceel dat reeds volledig werd volgebouwd, zowel op de gelijkvloerse als de eerste verdieping”, leidt niet tot het besluit dat de aanvraag van de verzoekende partijen niet dient te voldoen aan de vereisten van de ABL; de verzoekende partijen tonen het tegendeel niet aan en evenmin dat de beoordeling van de deputatie op dit punt kennelijk onredelijk dan wel onzorgvuldig zou zijn;
- het argument van de verzoekende partijen gesteund op de aanwezigheid van een mezzanine waar de slaapruimte wordt ondergebracht waardoor kamer 8 in de praktijk meer dan 12 m² groot is, doet geen afbreuk aan de door artikel 2.1.2 ABL
voorgeschreven minimale netto vloeroppervlakte van 12 m²; de verzoekende partijen spreken zich op dat punt tegen door enerzijds te stellen dat kamer 8 meer dan 12 m² groot is en anderzijds te hebben voorgesteld op de hoorzitting voor de deputatie om in een dakkapel te voorzien teneinde tegemoet te komen aan deze oppervlaktevereiste;
- de deputatie motiveert niet kennelijk onredelijk of onzorgvuldig dat zij de aanpassingen die de verzoekende partijen op de hoorzitting voorstellen onvoldoende concreet acht en weerlegt de opmerkingen van de verzoekende partijen op dit punt afdoende zodat de verzoekende partijen niet kunnen worden gevolgd waar zij stellen dat de deputatie de door hen voorgestelde oplossingen zonder meer afwijst; de verzoekende partijen uiten voornamelijk een andere mening die de onwettigheid van de bestreden vergunningsbeslissing niet aantoont, waar zij opmerken dat hun voorstel voldoende concreet is en de kamer 8 door de aanwezigheid van een mezzanine meer dan 12 m² groot is;
- de deputatie is niet verplicht de door de verzoekende partijen op de hoorzitting gevraagde afwijkingsmogelijkheden toe te staan; het argument van de verzoekende partijen dat de deputatie de aanvraag niet kon weigeren omdat is voldaan aan de afwijkingsmogelijkheid in de ALB komt enkel neer op het poneren van een andere mening;
VII-39.819-7/14
- de kritiek van de verzoekende partijen op de vaststelling van de deputatie dat de fietsenstalling te klein is voor het plaatsen van acht fietsen, is kritiek op een overtollig motief.
7. Als cassatierechter mag de Raad van State niet in tweede instantie de feitelijke beoordeling van de RvVb overdoen maar mag hij enkel nagaan of het hem voorgelegde arrest overeenkomstig de wet is genomen. Luidens artikel 14, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 treedt de afdeling bestuursrechtspraak in geval van cassatieberoep “niet in de beoordeling van de zaken zelf”.
In zoverre het middel noopt tot de beoordeling in feite van de gegevens van de zaak is het dan ook onontvankelijk.
Eerste middelonderdeel
8. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de verzoekende partijen de toepasselijkheid van de ALB niet hebben betwist voor de RvVb. Het middel in zover het uitgaat van de niet-toepasselijkheid van de artikelen 7.1 en 7.2 ALB, is nieuw en kan niet voor het eerst in cassatieberoep worden aangevoerd.
Het eerste middelonderdeel is in zoverre onontvankelijk.
9. Overeenkomstig artikel 4.2.24, § 1, VCRO, in zijn toepasselijke versie, worden bij de beoordeling van een regularisatieaanvraag de actuele regelgeving, stedenbouwkundige voorschriften en eventuele verkavelingsvoorschriften als uitgangspunt genomen.
Door te beslissen dat de argumentatie van de verzoekende partijen niet tot het besluit leidt dat de aanvraag van de verzoekende partijen niet dient te voldoen aan de vereisten van de ABL, dat zij niet het tegendeel aantonen en evenmin dat de beoordeling van de deputatie op dit punt kennelijk onredelijk
VII-39.819-8/14
dan wel onzorgvuldig zou zijn, schendt het bestreden arrest niet de artikelen 7.1 en 7.2 ABL.
Het eerste middelonderdeel, in zoverre ontvankelijk, is ongegrond.
Tweede middelonderdeel
10. Door te oordelen dat de deputatie niet verplicht is de door de verzoekende partijen op de hoorzitting gevraagde afwijkingsmogelijkheden toe te staan, schendt het bestreden arrest niet artikel 1.2 ABL dat erin voorziet dat een vergunningverlenende overheid een “afwijking kan [...] toe[...]staan omwille van [...] het feit dat het gaat over werken aan bestaande gebouwen die van de verordening afwijken”, noch enig ander ingeroepen bepaling van de ABL.
Het tweede middelonderdeel wordt verworpen.
Derde middelonderdeel
11. Het bestreden arrest schendt met de aangehaalde overwegingen evenmin artikel 4.3.1, § 1, VCRO dat erin voorziet dat in de gevallen vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, van deze bepaling een vergunning moet worden geweigerd, het vergunningverlenende bestuursorgaan de vergunning toch kan afleveren, wanneer het van oordeel is dat de overeenstemming van het aangevraagde met het recht en de goede ruimtelijke ordening gewaarborgd kan worden door het opleggen van voorwaarden, met inbegrip van het opleggen van een beperkte aanpassing van de ter beoordeling voorgelegde plannen, die niet dienen om de leemten van een onvolledige of vage aanvraag op te vangen.
Het middel dat de strijdigheid met het rechtszekerheidsbeginsel en het recht op verdediging aanvoert, werd niet opgeworpen voor de RvVb en de verzoekende partijen tonen niet aan dat zij er niet toe in de mogelijkheid waren.
VII-39.819-9/14
Het gaat derhalve om een nieuw middel dat zij niet voor het eerst in een cassatieberoep mogen opwerpen.
Het derde middelonderdeel wordt verworpen.
12. Het eerste middel wordt verworpen.
B. Tweede middel
Standpunt van de verzoekende partijen
13. De verzoekende partijen voeren de schending aan van artikel 2.1.2 van hoofdstuk 3 ABL, de definitie in hoofdstuk 1, afdeling 4 ABL en van artikel 4.3.1 VCRO.
In een eerste onderdeel dat betrekking heeft op de regel in artikel 2.1.2 ABL dat een studentenkamer een oppervlakte van 12 m² dient te hebben, stellen de verzoekende partijen dat kamer 8 in hun aanvraag voldoet aan deze vereiste. Zij verwijzen “hierbij naar de decretale bepalingen van zowel de Wooncode als het kamerdecreet waar deze minimumoppervlakte op 12 m² werd vastgelegd. Dit resultaat is het gevolg van de wijze van opmeten, waarbij de oppervlakte wordt bepaald op een hoogte van 2,20 m., [die] maakt dat de oppervlakte wordt verminderd wanneer er in een zolderkamer sprake is van een hellend dak”. De verzoekende partijen verwijzen tevens naar artikel 1.2 van hoofdstuk 1 ABL dat de mogelijkheid bevat voor de stad Leuven “om ten aanzien van bepaalde toepassingen van de [ABL] een uitzondering toe te laten”. De verzoekende partijen stellen verder dat de RvVb ten onrechte motiveert “dat verzoekers zich zouden tegenspreken wanneer zij stellen dat deze kamer voldoet aan de oppervlaktenorm van 12 m² en tegelijkertijd naar aanleiding van de hoorzitting voor de deputatie voorstelde een dakkapel te maken om de oppervlakte te vergroten” aangezien het “als een redenering in dubbele orde” moet worden
VII-39.819-10/14
beschouwd waarbij het argument in ondergeschikte orde betrekking heeft op het verlenen van een voorwaardelijke vergunning.
In een tweede onderdeel dat betrekking op de toepassing van artikel 4.3.1, § 1, VCRO, betogen de verzoekende partijen dat de deputatie de bouw van een dakkapel kon hebben opgelegd “zodat de oppervlakte onder de dakkapel mee kon gerekend worden als vloeroppervlakte”, terwijl de RvVb heeft geoordeeld “dat de deputatie dient gevolgd te worden in haar stelling dat dit als vraag voor een voorwaardelijke vergunning te vaag was”.
In een derde onderdeel dat eveneens de toepassing van artikel 4.3.1, § 1, VCRO betreft, stellen de verzoekende partijen dat de RvVb de mogelijkheid om het gebruik van kamer 8 uit te sluiten “als voorwaarde om de gunning van de rest van het project mogelijk te maken […] zelfs niet onderzocht [heeft] en [...] ten algemene titel [stelt] dat deze voorstellen tot het verlenen van een voorwaardelijk vergunning onvoldoende concreet zouden geweest zijn”. De verzoekende partijen “stellen zich echter de vraag hoe [dit] voorstel […] niet voldoende concreet kan zijn” en dat “dit voorstel tot voorwaarde [evenmin] vaag”
is. Zij betogen dat zij belang hebben bij dit onderdeel. “Voor zover niet wordt ingegaan op de eerste twee onderdelen van dit middel, heeft dit onderdeel uiteindelijk gemaakt dat deze discussie op zich geen belang heeft. De kamer waarvan gesteld wordt dat ze niet zou voldoen aan de oppervlaktenorm wordt uit de vergunningsaanvraag gelicht. Noch de deputatie noch de RvVb houden rekening met dit argument zodat dient gesteld [te] worden dat de motiveringsplicht in al haar facetten geschonden [is]. Bovendien kan het moeilijk als redelijk omschreven worden dat dergelijk voorstel tot het opleggen van een voorwaarde tot het bekomen van een vergunning volledig wordt genegeerd. Op zich is het reeds een schending van het rechtszekerheidsbeginsel thans te stellen dat dergelijke voorwaardelijke vergunning niet mogelijk zou zijn”.
De verzoekende partijen voegen, wat het eerste onderdeel betreft, toe dat hun aanvraag voldeed aan de specifieke regels van de Wooncode en
VII-39.819-11/14
het kamerdecreet en dat de ABL 2009 hiermee in strijd was en dat zij beroep konden doen op de uitzondering van artikel 1.2 van hoofdstuk 1 ABL 2009. “Het gecombineerde feit dat de vergunningverlenende overheid haar regel wijzigt en bovendien weigert een voorwaardelijke vergunning te verlenen nadat de aanvrager tegemoetkomt aan het „betwistbare‟ standpunt van deze overheid is niet alleen kennelijk onredelijk maar zelfs arbitrair”.
Aangaande het tweede onderdeel laten de verzoekende partijen nog gelden dat een overheid, wanneer deze beschikt “over de mogelijkheid om een voorwaardelijk vergunning te verlenen, […] een beoordelingsvrijheid [heeft]
dewelke echter afgelijnd wordt door een motiveringsverplichting. Deze motivering moet een toetsing vanwege de RvVb mogelijk [maken] teneinde na te gaan of de vergunningverlenende overheid niet kennelijk onredelijk is geweest bij de afwijzing van het verzoek. In onderhavig geval hebben verzoekers wel degelijk om een voorwaardelijke vergunning verzocht [...]. Dit voorstel als vaag omschrijven, is kennelijk onredelijk alleen al omwille van het feit dat tegemoetgekomen wordt aan de vraag van de vergunningverlenende overheid. De vraag naar bijkomende plannen en tekeningen is dat evenzeer wanneer de omschrijving van het voorstel van voorwaarde de precieze stipulering van de voorwaarde in de bouwvergunning toelaat”.
Wat het derde onderdeel betreft, voegen de verzoekende partijen toe dat de essentie van het argument eruit bestaat “dat de vergunningverlenende overheid een volledig project afwijst terwijl er een probleem zou zijn met een af te splitsen onderdeel dat niet essentieel is voor de rest van het project. [...] Uiteraard werd de vraag om dergelijke vergunning te verlenen niet aan de RvVb gesteld.
Deze laatste diende te beoordelen of de weigering om een voorwaardelijke vergunning te lenen waarbij kamer acht werd uitgesloten kennelijk onredelijk was.
Verzoekers blijven bij hun stelling dat dit wel degelijk het geval is [...]. De vraag kon niet als „vaag‟ worden afgewezen”.
VII-39.819-12/14
Beoordeling
Eerste middelonderdeel
14. Het middel dat aanvoert dat de oppervlakte van kamer 8 voldoet aan de vereiste van artikel 2.1.2 ABL onder verwijzing naar “de decretale bepalingen van zowel de Wooncode als het kamerdecreet waar deze minimumoppervlakte op 12 m² werd vastgelegd”, noopt de Raad van State als cassatierechter in de beoordeling van de zaak zelf te treden, en is bijgevolg onontvankelijk.
Evenzo het middel dat niet uiteenzet op welke wijze het bestreden arrest de ingeroepen Wooncode of het kamerdecreet of de aangevoerde mogelijkheid om beroep te doen op de uitzondering van artikel 1.2 ABL schendt.
Tweede en derde middelonderdeel
15. Om de redenen hiervoor uiteengezet tot verwerping van het eerste middel, worden het tweede en derde onderdeel verworpen.
16. Het tweede middel wordt verworpen.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep, begroot op 400 euro, elk voor de helft.
VII-39.819-13/14
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van acht juni tweeduizend zeventien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier.
De griffier De voorzitter
Elisabeth Impens Eric Brewaeys
VII-39.819-14/14
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.451