ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.435 · Conseil d'État
Synthèse Legislator
Généré par l'IAHet beroep, ingesteld op 21 december 2015, strekt tot de nietigverklaring van: 1° het besluit van 27 augustus 2015 van de gemeenteraad van de gemeente Evergem houdende de definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan „Recreatie – Deelplan Sleidinge‟;
Regeste Legislator
Généré par l'IAECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.435 · Conseil d'État: De verzoeker roept in een eerste middel de schending in van de artikelen 2.1.1, 2.1.2 en 2.2.13 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO), alsook van het zorgvuldigheids-, redelijkheids-, rechtszekerheids- en materiëlemotiveringsbeginsel.
Mots-clés
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
Xe KAMER
nr. 238.435 van 6 juni 2017
in de zaak A.217.896/X-16.451.
In zake : Nico BERT
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Erika Rentmeesters kantoor houdend te 9100 Sint-Niklaas Vijfstraten 57
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
1. de GEMEENTE EVERGEM
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Opsommer kantoor houdend te 9700 Oudenaarde Kasteelstraat 8
bij wie woonplaats wordt gekozen 2. het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Abbeloos kantoor houdend te 9200 Dendermonde Sint-Gillislaan 117
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 21 december 2015, strekt tot de nietigverklaring van:
1° het besluit van 27 augustus 2015 van de gemeenteraad van de gemeente Evergem houdende de definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan „Recreatie – Deelplan Sleidinge‟;
2° de beslissing van 19 december 2013 van de dienst Milieueffectrapportage dat het voorgenomen plan geen aanleiding geeft tot aanzienlijke negatieve milieugevolgen en dat de opmaak van een plan-MER niet nodig is.
X-16.451-1/25
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld.
De verwerende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 mei 2017.
Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Erika Rentmeesters, die verschijnt voor verzoeker, advocaat Jan Opsommer, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en advocaat Dirk Abbeloos, die verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
X-16.451-2/25
III. Feiten
3.1. De bindende bepaling 2.5 „gewenste recreatieve structuur‟ van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan van de gemeente Evergem (hierna: het GRS) stelt het volgende over de gewenste recreatieve structuur:
“2.5. GEWENSTE RECREATIEVE STRUCTUUR
I.f.v. het behoud en uitbouw van centrale sportinfrastructuur in elke kern, worden RUP‟s opgemaakt voor de omgeving van het Engelenhof te Ertvelde, het bestaand voetbalterrein en manege te Wippelgem en het bestaand voetbalterrein te Kerkbrugge-Langerbrugge. Voor de kern van Evergem wordt een afweging gemaakt tussen Reibroeken en het randstedelijk woongebied Droogte, evenals voor Sleidinge.(keuze tussen de verschillende alternatieven zoals aangegeven in het richtinggevend deel).”
3.2. De richtinggevende bepalingen van het GRS stellen aangaande de gewenste recreatieve structuur:
“4.5. GEWENSTE RECREATIEVE STRUCTUUR
4.5.1. ONTWIKKELINGSPERSPECTIEVEN
Uitbouw per kern van voorzieningen voor sport en recreatie : Evergem is een uitgestrekte gemeente met verschillende grote kernen. Daarom wordt ervoor geopteerd om in elke kern een minimum aanbod aan sport- en recreatievoorzieningen te realiseren.
In de drie grootste kernen (Evergem, Ertvelde en Sleidinge) wordt er gestreefd naar een sterker uitgebouwd aanbod. Per deelkern wordt er gestreefd naar een centralisatie van de voorzieningen. Tevens dient bekeken te worden of voor de optimalisatie van een aantal ruimtelijk minder goed gelegen infrastructuren een herlokalisatie nodig is.
Verweving van recreatie met het wonen wordt ondersteund : Het beleid is gericht op het bundelen van de bijkomende behoeften aan recreatiegebieden in of zo dicht mogelijk bij de woonkernen. Hierbij moeten de locatie en haar activiteiten afgewogen worden t.o.v. de draagkracht van de ruimte en zo goed als mogelijk aansluiten bij de bebouwde ruimte.
Voldoende mogelijkheden voor vrijetijdsbesteding voorzien : Inwoners moeten hun vrije tijd kwalitatief en dicht bij huis kunnen doorbrengen.
Recreatief medegebruik of openluchtrecreatieve groene domeinen zijn hier de opties. Voorzieningen voor omgevingsrecreatie ondersteunen de toeristisch-recreatieve netwerken.
4.5.2. BELEIDSELEMENTEN
Om tegemoet te komen aan bovengenoemde ontwikkelingsopties kunnen een aantal ruimtelijke beleidselementen naar voor worden geschoven:
- Uitbouw van recreatieve voorzieningen per kern
X-16.451-3/25
- Een locatie voor een jongerenontmoetingscentrum - Recreatief medegebruik van natuurgebieden - Recreatie spaarbekken Kluizen UITBOUW VAN RECREATIEVE VOORZIENINGEN PER KERN
In de gemeente Evergem is er een grote behoefte aan bijkomende sportterreinen. Dit is o.a. het gevolg van het verdwijnen van een twaalftal geïsoleerde en zonevreemde sportvelden in de voorbije jaren.
De gemeente streeft zo veel mogelijk naar een centralisatie van de recreatieve voorzieningen, teneinde verdere versnippering te voorkomen.
Centralisatie bevordert ook een synergie tussen verschillende sporttakken.
Bovendien wordt gestreefd naar een centralisatie op de drogere dekzandruggen, ipv in de depressies.
Per kern worden volgende opties genomen :
[…]
Sleidinge :
De sportinfrastructuur te Sleidinge zit momenteel ingeklemd in een binnenblok in het centrum van het dorp en is bestemd als woongebied.
Uitbreiding van de infrastructuur is er niet mogelijk. Op korte termijn is er reeds behoefte aan een extra speelveld, maar op lange termijn wordt de uitbouw van een nieuwe site vooropgesteld.
Het openbaar onderzoek voor dit GRS leverde een aantal interessante suggesties voor mogelijke nieuwe locaties. Deze worden nog opgenomen in het GRS, zonder reeds een definitieve keuze te maken. Deze beslissing zal genomen bij de opmaak van het RUP voor de sportinfrastructuur te Sleidinge. Zo zal de uiteindelijk weerhouden optie aan een openbaar onderzoek onderworpen kunnen worden.
Voor de verhuis van het huidige voetbalterrein van Sleidinge aan de Herritakkerlaan worden volgende mogelijkheden bekeken :
- Ten noorden van de Weegse, nabij het kruispunt met Langendam (zone voor gemeenschapsvoorzieningen)
- Aan de zuidzijde van de Kerkstraat ofwel in het woonuitbreidingsgebied Oostveld, ofwel net voorbij het woonuitbreidingsgebied - Langsheen Hooiwege op de gronden in agrarisch gebied ten noorden van de Bentex-site, - Op de restgronden aan het spaarbekken, in zone voor openbaar nut langsheen Volpenswege.
De diverse opties zijn gesitueerd op de kaart „Sleidinge op microschaal‟.
X-16.451-4/25
Herritakkerlaan Het gebrek aan uitbreidingsmogelijkheden is het enige nadeel van het terrein aan de Herritakkerlaan. Ten oosten van de Herritakkerlaan is er wel nog een onbebouwd binnengebied beschikbaar, maar voor dit gebied zijn er reeds concrete plannen voor de realisatie van een sociaal woonproject (zoals voorzien in het BPA Bernt).
Weegse Het belangrijkste bezwaar tegen de realisatie van een terrein naast het Psychiatrisch Centrum ter hoogte van de Weegse is de technische moeilijkheid om een goed speelveld aan te leggen. De afwatering van het terrein is verre van optimaal, de gronden hebben geen goede bodemstructuur en –textuur, ze zijn te nat en er liggen verschillende grachten of gedempte grachten. In de winterperiode zijn dit soort terreinen onbespeelbaar.
De mogelijkheid om een PPS op te zetten met de Psychiatrische Centra zou een voordeel kunnen zijn, o.a. met het oog op de realisatie van overdekte sportinfrastructuur.
Kerkstraat De Kerkstraat is een interessante locatie door de centrale ligging en de veilige bereikbaarheid vanuit het dorp. Een bijkomend voordeel kan zijn dat dit gelegen is nabij de gemeentelijke basisschool waardoor het sportterrein (en mogelijks ook overdekte sportinfrastructuur) gemeenschappelijk zou kunnen gebruikt worden, zeker indien gekozen wordt voor de variant binnen het woonuitbreidingsgebied.
Voor het woonuitbreidingsgebied werd wel reeds een lay-out-studie opgemaakt met het oog op de realisatie van sociale woningen (cf.
„gewenste nederzettingsstructuur‟).
Hooiwege De Bentexsite ligt ten noorden van de kern van Sleidinge langsheen Hooiwege en wordt omgeven door gronden in landbouwgebruik, waarop geen verdere ruimteclaims rusten. Er is voldoende ruimte beschikbaar om kwalitatieve sportterreinen aan te leggen. Door de nodige gebouwen (kleedkamers, eventuele overdekte sportinfra, kantine,…) aansluitend bij de gebouwen van Bentex te voorzien, zou een complex op deze plek, aan de rand van de open ruimte rond Sleidinge, ruimtelijke goed ingepast kunnen worden.
Volpenswege
X-16.451-5/25
Indien ervoor gekozen zou worden om de sportinfrastructuur volledig naar Volpenswege te verhuizen, dan wordt het voor de jeugd moeilijker zich zelfstandig te voet of met de fiets naar de sportclub te verplaatsen.
Daarom blijven er minstens per dorpskern ploegen en terreinen noodzakelijk voor de jeugd ter plaatse. Een andere nadeel van deze locatie is dat een indoorsportruimte hier niet kan, aangezien zij de ruimtelijke draagkracht van dit nog zeer open gebied zou overschrijden.
Besluit Aangezien deze opties pas na het openbaar onderzoek in het GRS
werden opgenomen, en een en ander nog dient te worden uitgeklaard, zal een definitieve beslissing omtrent de sportinfrastructuur te Sleidinge in het kader van de opmaak van een RUP genomen worden.”
3.3. Bij de goedkeuring van het GRS wijst de deputatie van de provincieraad van de provincie Oost-Vlaanderen er in haar besluit van 1 februari 2007 op dat de opmaak van een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (gemeentelijk RUP) voor bijkomende recreatie een voorafgaande behoefteraming vereist. Meer bepaald stelt dit besluit aangaande de gewenste recreatieve structuur wat volgt :
“Overwegende dat in het informatief gedeelte tevens een behoefte aan bijkomende recreatieterreinen wordt vermeld, dat niet duidelijk is hoe deze behoefte geraamd werd, dat in het informatief gedeelte voor de recreatieve structuur gesteld wordt dat in Ertvelde een tekort aan infrastructuur wordt aangevoeld vanuit de sportclubs, dat niet verduidelijkt wordt welke tekorten gevoeld worden, dat voor Evergem gesteld wordt dat er een tekort aan voetbalvelden is (specifiek voor de jeugdopleiding), dat voor Sleidinge geen tekort wordt aangegeven, dat bij de behoefte aan bijkomende recreatieterreinen gesteld wordt dat er een tekort is in Evergem, Ertvelde en Sleidinge, dat niet duidelijk is waar dit tekort in Sleidinge vandaan komt, dat gesteld wordt dat voornamelijk een gebrek is aan oefen- en jeugdvoetbalterreinen, dat dit volgens het informatief gedeelte blijkt uit de gegevens van de gemeentelijke sportdienst, dat het nodig is om, ten laatste bij de opmaak van een RUP voor bijkomende recreatie duidelijk aan te geven welke de exacte behoefte is, dat het nodig is de gegevens van de gemeentelijke sportdienst te vermelden, dat een duidelijke behoefteraming nodig is vooraleer akkoord gegaan kan worden met initiatieven voor bijkomende recreatie.
[…]
Overwegende dat in de gewenste recreatieve structuur een aantal bijkomende sportterreinen worden voorgesteld, dat, zoals hierboven gesteld, hiervoor nog een behoefte moet aangetoond worden, dat wat de voorgestelde locaties betreft in Sleidinge in RUP-fase een verdere keuze wordt gemaakt, dat voor Sleidinge een zestal potentiële locaties worden voorgesteld, dat conform het PRS bijkomende voorzieningen zoals recreatie thuis horen in de kernen, dat dit betekent dat een aantal locaties niet kunnen
X-16.451-6/25
omdat ze strijdig zijn met het PRS, dat bij uitwerking in een RUP hiermee rekening moet gehouden worden.”
3.4. Op 2 juli 2014 en 9 december 2014 worden plenaire vergaderingen gehouden omtrent het voorontwerp van gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan „Recreatie – Deelplan Sleidinge‟ (hierna: het gemeentelijk RUP), dat in uitvoering van de onder randnummer 3.1 vermelde bindende bepaling 2.5
van het GRS wordt opgemaakt.
3.5. Voorafgaand aan de opmaak van het gemeentelijk RUP wordt door SUMResearch een behoefteraming opgemaakt, zoals vooropgesteld in de onder randnummer 3.3 vermelde beslissing van de deputatie.
Die behoefteraming geeft vooreerst een overzicht van de bestaande recreatieve terreinen en gebouwen. Voor de deelgemeente Sleidinge wordt verwezen naar het openlucht sportcentrum Herritakkerlaan (1 voetbalveld)
als gemeentelijke zone-eigen infrastructuur met een sportoppervlakte van 7.150m². Ook wordt besloten dat inzake overdekte sportinfrastructuur de deelgemeenten Evergem en Ertvelde over een voldoende accommodatie beschikken, maar dat dit niet het geval is voor de deelgemeente Sleidinge.
De conclusie van de gesprekken met bevoorrechte getuigen in de behoefteraming luidt:
“Conclusie : Zowel op het vlak van sportinfrastructuur in open lucht als overdekt zit Evergem onder het Vlaams gemiddelde.
Meer specifiek wordt een acute nood aangevoeld aan een bijkomende sporthal in de deelgemeente Sleidinge. Daarnaast zijn er vragen naar bijkomende voetbalterreinen in Wippelgem en Sleidinge, maar ook in Evergem.”
Verder leest men in de behoefteraming wat volgt :
“4.3. Afwegingskader zonevreemde sport- en recreatieterreinen Het volgende afwegingskader wordt voorgesteld :
Principe 1 : verweving met het wonen wordt ondersteund
X-16.451-7/25
Het beleid is gericht op het bundelen van de recreatiegebieden in of zo dicht mogelijk bij de kernen, aangezien sport en recreatie een verweefbare activiteit is met het wonen.
Principe 2 : Bundeling op één terrein per kern is aanbevolen Het concentreren van sport- en recreatiemogelijkheden op één terrein moet de kwaliteit van de recreatie bevorderen en het aantasten van de open ruimte tegengaan. Aandacht voor de bereikbaarheid van het gebied is tevens van belang. Terreinen ver verwijderd gelegen van een kern of terreinen gelegen in of nabij de gewenste openruimtestructuur worden afgebouwd.
GEACTUALISEERDE VISIE PER DEELKERN
[…]
4.4.6. DEELKERN SLEIDINGE
De lokale voetbalclub van Sleidinge zit momenteel ingeklemd in een binnenblok in het centrum van het dorp en beschikt slechts over één terrein.
Bovendien is de site bestemd als woongebied. Uitbreiding van de infrastructuur is er niet mogelijk. Een verhuis naar een nieuwe site werd in het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan vooropgesteld, zonder evenwel een keuze te maken. Ondertussen heeft de gemeente die keuze gemaakt nl de optie om ter hoogte van de Weegse een volwaardige lokale sportzone uit te bouwen. Deze zone is volgens het gewestplan gelegen in een zone voor gemeenschapsvoorzieningen, wat eigenlijk nu al toelaat om een sportterrein in te planten. De site is naast een deel van de psychiatrische kliniek gesitueerd en sluit goed aan bij het centrum van Sleidinge.
Het mogelijk probleem van te natte bodemstructuur zal door de gemeente op korte termijn worden onderzocht. Volgens de bodemkaart is er, zeker langs de straatzijde, geen sprake van natte gronden.
Er wordt gedacht aan de volgende recreatieve voorzieningen :
- Twee voetbalterreinen en bijhorende accommodatie - Overdekte sportinfrastructuur - Herlocalisatie KJL Volpenswege Uit een eerste inrichtingsschets blijkt dat de zone voor gemeenschapsvoorzieningen, zoals afgebakend in het gewestplan net te klein zal zijn voor de te localiseren voorzieningen.”
3.6. Bij de opmaak van het gemeentelijk RUP wordt een onderzoek gevoerd naar mogelijke locaties voor recreatieve voorzieningen binnen Sleidinge.
Twee locaties krijgen daarbij de beste scores, zijnde “Weegse” en “Kerkstraat B”
aan Oostveld. Finaal wordt de locatie site “Kerkstraat B” aan Oostveld gekozen.
In de toelichtingsnota wordt in dit verband het volgende standpunt van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Evergem vermeld :
“- Weegse komt niet in aanmerking voornamelijk door de belemmering van de uitbreiding van het Psychiatrisch Centrum en ook wegens de waterproblematiek zoals die blijkt uit de Bodemkaart.
X-16.451-8/25
- De site Kerkstraat „B‟ heeft het grote voordeel dat het zeer goed gelegen is t.o.v. de kern van Sleidinge[...] en de kernversterkende projecten die gepland zijn in de zone Kerkstraat „A‟ met betrekking tot de sociale woningbouw. Daardoor is de site Kerkstraat „B‟ weerhouden als de meest geschikte site voor verdere uitwerking”
3.7. Het betreffende deelplan "Kerkstraat B" is volgens het bij koninklijk besluit van 14 september 1977 vastgesteld gewestplan Gentse en Kanaalzone deels in woongebied en deels in (herbevestigd) agrarisch gebied gelegen.
Uit de toelichtingsnota bij het gemeentelijk RUP blijkt dat er een gebied wordt voorzien van 6,5 ha, direct aansluitend bij het woongebied. De basisbestemming is een zone voor dagrecreatie (artikel 1). Dit gebied is bestemd voor actieve en passieve recreatie. Meer concreet wenst men twee voetbalvelden en een speelweide voor de jeugdvereniging aldaar in te planten, samen met kleinschalige constructies (kantines, sanitaire ruimtes en kleedkamers, schuilplaatsen, jeugdlokalen) en kleinschalige infrastructuur (parkeergelegenheid, paden, speeltuigen, verlichting, picknickplaatsen, ….). Een gedeelte dat volgens het gewestplan gelegen is in woongebied, krijgt de bestemming zone voor wonen (artikel 2). Dit gebied is bestemd voor wonen onder de vorm van eengezinswoningen. De straat ter ontsluiting van deze woningen zal tussen de recreatiezone en de zone voor wonen liggen.
3.8. In de toelichtingsnota leest men omtrent de basisbestemming 1.
Sportvoorzieningen:
“De lokale voetbalclub van Sleidinge (momenteel ingekleurd in een binnenblok in het centrum van het dorp) beschikt slechts over één terrein.
Dit enige veld lenigt de nood aan sportvelden niet. Er is meer dan één speelveld nodig.
- Er worden twee voetbalvelden met de nodige infrastructuur voorzien in het plangebied, één als herlokalisatie van het bestaande voetbalveld aan de Herritakkerlaan en één bijkomend om aan de nood aan uitbreiding te voldoen; De oppervlakte voor de 2 velden bedraagt +/- 2ha.
- Ook de noodzakelijke infrastructuur horende bij de exploitatie van deze voetbalvelden wordt voorzien.
- In de toelichtingsnota en de voorstudie (behoeftenonderzoek)
wordt verschillende malen gesproken over de nood aan een sporthal. Deze
X-16.451-9/25
nood wordt erkend maar zal niet in de recreatiezone van dit RUP worden ingevuld. De reden hiervoor zijn dat er op vandaag geen financiële middelen in het vooruitzicht zijn om deze sporthal te bouwen. Tevens wordt een dubbel gebruik gezocht met de plannen voor toekomstige sporthal Basisschool.”
3.9. De verzoeker is mede-eigenaar en bewoner van een woning gelegen aan de Kerkstraat 61c te Sleidinge (Evergem), gesitueerd tegenover het plangebied van het bestreden gemeentelijk RUP. Overeenkomstig het gewestplan is dit perceel gelegen in woongebied. Het bestreden plan voorziet dat het perceel in de onmiddellijke omgeving van verzoekers woning herbestemd wordt tot zone voor dagrecreatie.
3.10. Voor het gemeentelijk RUP wordt bij de dienst Milieueffectrapportage (de dienst Mer) een plan-MER-screeningsaanvraag ingediend. Wat de discipline Mobiliteit betreft, wordt daarin het volgende gesteld:
“Referentiesituatie Het RUP wordt omgeven door twee straten :
- de Kerkstraat is een lokale weg type II en sluit onmiddellijk aan op Sleidinge-dorp, de hoofdstraat doorheen de kern van Sleidinge en de verbinding met Evergem en de R4
- Oostveld is een typische woonstraat en lokale toegangsweg, die enkel voorziet in de ontsluiting van de omliggende bebouwing.
Er is een bushalte op ca. 600m op de hoek van de Kerkstraat met de N456.
Er zijn geen recente verkeerstellingen beschikbaar voor deze straat, maar men mag aannemen dat de verkeersdrukte zeer matig is.
De ontsluiting voor langzaam verkeer kan vlot verlopen via de Kerkstraat, deze lokale weg is aan het kruispunt met Sleidinge-dorp voorzien van fietssuggestiestroken, die na een 200m overgaan in volwaardige fietspaden.
EFFECTEN
Het RUP is gericht op inrichting van speelvelden voor sport en jeugd.
De parkings noodzakelijk voor de sportvelden worden ingericht aan de zijde van de Kerkstraat en deels aan Oostveld (max 10 wagens). Dit is de meest directe ontsluiting naar Sleidinge en vandaar naar de rest van de gemeente. In de inrichtingsschets wordt een maximaal parkingsscenario getoond van +/- 150 wagens. Doordat een deel van de parking echter in een biologisch minder waardevol gebied is gelegen, wordt uitgegaan van een groene parking met milderend effect van bomen en struiken. Het aantal
X-16.451-10/25
wagens zal dus minder (+/- 130) moeten zijn om deze groenelementen te kunnen herbergen.
Voor de jeugdlokalen en speelvelden wordt geen ontsluiting voor gemotoriseerd verkeer voorzien. Er wordt verondersteld en vanuit de gemeente aangemoedigd dat de verplaatsing naar de jeugdlokalen per fiets of te voet gebeurt. Om de ontsluiting voor langzaam verkeer te optimaliseren, wordt ook een doorsteek voor langzaam verkeer voorzien.
Dit geeft geen wijziging op gebied van mobiliteit voor gemotoriseerd verkeer.
Het gebruik van de parking is alleszins verschillend van de pieken en hoogste intensiteiten van vorig verkeer. De velden zullen immers ‟s avonds of in het weekend gebruikt worden. Het RUP heeft daardoor geen nadelige effecten op het aspect mobiliteit voor de kern van Sleidinge.”
3.11. De provincie Oost-Vlaanderen adviseert in het kader van het plan-MER-onderzoek voor wat de discipline Mobiliteit betreft het volgende:
“- Het parkeer- en mobiliteitsgebeuren wordt slechts summier behandeld. Er wordt niet aangegeven hoe de verkeersgeneratie verloopt en fluctueert tijdens de week. De effecten van mobiliteit worden enkel beschreven als het aantal parkeerplaatsen dat gepland wordt.”
3.12. Op basis van het screeningsdossier en de uitgebrachte adviezen concludeert de dienst Mer op 19 december 2013 “dat het voorgenomen plan geen aanleiding geeft tot aanzienlijke negatieve milieugevolgen en dat de opmaak van een plan-MER niet nodig is”.
Dit is de tweede bestreden beslissing.
3.13. Op 29 januari 2015 stelt de gemeenteraad van de gemeente Evergem het ontwerp van gemeentelijk RUP voorlopig vast.
3.14. Tijdens het openbaar onderzoek, georganiseerd van 16 maart 2015 tot en met 18 mei 2015, worden twee adviezen uitgebracht en dertig bezwaren ingediend.
3.15. Het bezwaarschrift van de verzoeker stelt aangaande de mobiliteitsproblematiek het volgende:
X-16.451-11/25
“-Er wordt enerzijds „aangenomen‟ dat verkeersdrukte zeer matig is en anderzijds geeft men uitdrukkelijk aan dat er geen recente verkeerstellingen beschikbaar zijn.
-Er wordt vastgesteld dat er +/-130 parkeerplaatsen mogelijk zullen zijn.
-Voor jeugdlokalen wordt geen ontsluiting voor gemotoriseerd verkeer voorzien.
(l)
Op pagina 49 van de toelichtingsnota wordt voorzien dat het maximaal aantal parkeerplaatsen op 120 plaatsen wordt gesteld. Dit maximaal aantal parkeerplaatsen op de parking wordt ook verordend opgenomen in de stedenbouwkundige voorschriften.
Er wordt in de toelichtingsnota uitgegaan van +/- 120 gelijktijdige bezoekers (p.49).
A rato van 0,5 parkeerplaatsen per bezoeker en rekening houdend met het supplementair aantal van de spelers zelf en bijkomende personen (revervespelers, trainers, scheidsrechters, bestuur, genodigden, enz) zou 120 parkeerplaatsen moeten volstaan.
Vastgesteld moet worden dat er op geen enkele wijze is nagegaan hoeveel parkeerplaatsen de voetbalclub Sleidinge nu nodig heeft, evenmin hoeveel bezoekers bijvoorbeeld een wedstrijd aantrekt. Hierbij kan dan ook rekening worden gehouden met het feit dat er slechts één veld is, wat inhoudt dat twee speelvelden meer gelijktijdig gebruik met zich zullen meebrengen. De eerste ploeg kan ook altijd naar een hogere ranking evolueren, zodat er minstens ook met dergelijke situatie rekening moet worden gehouden. Een concreet onderzoek is niet gebeurd.
(2)
De referentiesituatie is niet correct waar zij Oostveld omschrijft als een typische woonstraat die enkel voorziet in de ontsluiting van de omliggende bebouwing. Er is momenteel veel verkeer in Oostveld. Zo gebruiken de voertuigen van de gemeentelijke magazijnen deze ontsluitingsmogelijkheid.
Veel verkeer komend vanuit Gent rijdt via Oostveld naar de Kerkstraat om Ertvelde te bereiken.
Er komen in de nabije toekomst nog woningen bij die Oostveld als ontsluitingsweg zullen nemen.
(3)
Wat het verkeer betreft, wordt uitgegaan in de toelichtingsnota van een piekmoment voor de Kerkstraat van 80 wagens per uur. Er ligt geen mobiliteitsstudie voor. Over Oostveld wordt hier niet gesproken.
Vastgesteld moet worden dat de Kerkstraat, een lokale weg type II, wel al druk is. Ter hoogte van het voetbalveld mag 70km/u gereden worden.
Bij de beoordeling van de effecten wordt rekening gehouden met het feit dat de velden ‟s avonds en in het weekend gebruikt zullen worden en het gebruik dus verschillend zou zijn van de pieken en hoogste intensiteiten van overig verkeer.
Dit is zeker niet correct. Trainingen van jongerenploegen, waarvan de spelertjes per definitie sneller gevoerd worden met de wagen, vinden plaats in de vooravond (17 a 18u) en vallen dus per definitie in de piekmomenten.
(4)
X-16.451-12/25
Er wordt ook helemaal geen rekening gehouden met het feit dat in de nabije toekomst de Kerkstraat veel frequenter gebruikt zal worden, aangezien verschillende op- en afritten van de R4 zullen worden afgesloten.
Het verkeer ten noorden van Evergem zelf wordt in hoofdzaak langs het Ovaal van Wippelgem geleid. De Kerkstraat zal dus zonder twijfel veel bijkomend verkeer te verwerken krijgen.
(5)
Het is ook niet duidelijk waarom het college geen rekening houdt met gemotoriseerd verkeer voor de jeugdlokalen. Nochtans zijn er ook jongere kinderen die lid zijn van de jeugdvereniging KLJ en die toch met de wagen zullen worden gevoerd, vooral gelet op het niet meer centraal gelegen zijn van het lokaal.
Besluit:
Een grondige mobiliteitsstudie is noodzakelijk.”
3.16. In zitting van 7 juli 2015 bespreekt de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening (hierna: de Gecoro) de bezwaren.
De Gecoro acht verzoekers bezwaar inzake de mobiliteitsproblematiek gegrond en motiveert dit als volgt:
“Milieuscreening [...]
Met betrekking tot het aspect verkeer is de gemeentelijk commissie voor ruimtelijke ordening van oordeel [dat] het bezwaar op dit punt gegrond is.
De gemeentelijk commissie voor ruimtelijke ordening verwijst hierbij naar haar advies uitgebracht op 2 december 2014 betreffende het mobiliteitsplan van de gemeente Evergem, meer bepaald naar volgende passage uit dit advies:
„De Gecoro stelt vast dat de uitwerking van een mobiliteitsvisie voor de recreatieve zones amper aan bod komt in voorliggend mobiliteitsplan.
Gezien de diverse adviesaanvragen die daaromtrent reeds aan de Gecoro zijn voorgelegd (o.a. RUP recreatie in Ertvelde en Sleidinge) vraagt de Gecoro om de mobiliteitsvisie voor alle recreatiegebieden op Evergems grondgebied beter uit te werken in voorliggend mobiliteitsplan.‟”
3.17. Op 27 augustus 2015 stelt de gemeenteraad van Evergem het gemeentelijk RUP definitief vast. Daarin wordt met betrekking tot de mobiliteitsproblematiek en het advies van de Gecoro in dit verband, onder meer het volgende overwogen:
“Het advies van de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening met betrekking tot het mobiliteitsplan werd laattijdig gegeven zodat het niet
X-16.451-13/25
meer kon meegenomen worden in het mobiliteitsplan van de gemeente Evergem dat definitief werd aanvaard op 29 januari 2015 (publicatie in B.S.
op 9 februari 2015). De gemeenteraad verwacht geen noemenswaardige effecten op het vlak van mobiliteit bij de realisatie van deze lokale recreatiezone. Gezien het hier om de realisatie gaat van een lokale recreatiezone zal vooral het voetgangers- en fietsverkeer gestimuleerd worden. De voorziene toegang voor de zwakke weggebruikers naar het Oostveld zal een bijkomende stimulans zijn voor het voetgangers- en fietsverkeer”
Dit is het eerste bestreden besluit.
IV. Ontvankelijkheid van het beroep
Standpunt van de partijen
4.1. In zijn verzoekschrift stelt de verzoeker dat de tweede bestreden beslissing deel uitmaakt van een complexe rechtshandeling “ter goedkeuring van”
het gemeentelijk RUP.
4.2. De tweede verwerende partij betoogt in haar memorie van antwoord dat aangezien de eerste verwerende partij de eerste bestreden beslissing heeft genomen, het beroep jegens haar niet ontvankelijk is in zoverre het deze laatste beslissing betreft. De tweede bestreden beslissing ziet zij als een voorbereidende handeling ten aanzien van de eerste bestreden beslissing, die als dusdanig niet aanvechtbaar is. “A fortiori” kan er volgens deze partij “geen sprake zijn van een complexe verrichting”. Om deze redenen acht zij het beroep tegen de tweede bestreden beslissing onontvankelijk.
Beoordeling
5.1. Met de tweede verwerende partij moet worden aangenomen dat de tweede bestreden beslissing de enige beslissing is waarvoor zij te dezen verantwoordelijkheid draagt en als de verwerende partij optreedt.
Deze beslissing is louter voorbereidend ten aanzien van de eerste bestreden beslissing. Dit staat haar vernietiging – voor de duidelijkheid in
X-16.451-14/25
het rechtsverkeer – evenwel niet in de weg, voor zoveel ze samen met de definitieve vaststelling van het voorbereide gemeentelijk RUP wordt aangevochten en voor zoveel het onderzoek van het beroep tegen dat gemeentelijk RUP uitwijst dat de beslissing van de dienst Mer met een onwettigheid behept is, die uitsluitend kan worden hersteld door deze laatste beslissing over te doen.
5.2. De exceptie wordt in zoverre dan ook verworpen.
V. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Standpunt van de verzoeker
6.1. De verzoeker roept in een eerste middel de schending in van de artikelen 2.1.1, 2.1.2 en 2.2.13 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO), alsook van het zorgvuldigheids-, redelijkheids-, rechtszekerheids- en materiëlemotiveringsbeginsel.
Hij betoogt dat het gemeentelijk RUP uitvoering geeft aan de bindende bepalingen van het GRS, maar dit op een onvolledige en onzorgvuldige wijze doet, en in strijd met de bindende en richtinggevende bepalingen van het GRS. Ook werpt hij op dat onvoldoende rekening werd gehouden met de bezwaren die werden ingediend.
De verzoeker zet onder meer uiteen dat de bindende bepalingen van het GRS de verwerende partij opleggen om middels een gemeentelijk RUP
een oplossing te zoeken voor het behoud en de uitbouw van de centrale sportinfrastructuur in Sleidinge, waarbij een alternatievenonderzoek noodzakelijk is. De noodzaak tot opmaak van dit gemeentelijk RUP moet bovendien eerst uit een behoeftestudie blijken. In het richtinggevend gedeelte van het GRS worden vijf mogelijke locaties vermeld waaromtrent in het gemeentelijk RUP finaal een
X-16.451-15/25
keuze moet worden gemaakt, maar de verzoeker meent dat de verwerende partij reeds eerder de keuze voor de locatie “Kerkstraat B” heeft gemaakt en het dossier in die richting heeft geduwd.
Meer nog, wijst hij erop dat met de resultaten van de behoeftestudie geen rekening werd gehouden, aangezien gekozen werd voor een locatie die niet aan de behoefte tot de bouw van een sporthal kan voldoen. Uit de behoefteraming blijkt volgens verzoeker dat er nood is aan een volwaardige lokale sportzone met sporthal, waardoor er geopteerd werd om de site Weegse te Sleidinge uit te bouwen. Deze piste wordt in het gemeentelijk RUP volledig verlaten en er wordt niet langer een oplossing voor de zeer grote nood aan een sporthal geboden. Het doel om in een „centrale sportinfrastructuur‟ in de kern te voorzien, waartoe ook een nieuwe sporthal behoort, wordt met het gemeentelijk RUP geenszins bereikt. Ook meent de verzoeker dat het antwoord van de Gecoro op zijn bezwaar aangaande dit punt niet volstaat en manifest onjuist is.
6.2. De verzoeker betwist in zijn memorie van wederantwoord de stelling van de eerste verwerende partij dat zij geen verplichting zou hebben om de aanleg van recreatieve terreinen en de oprichting van een overdekte sportinfrastructuur in één gemeentelijk RUP te bundelen. Volgens hem legt het GRS immers wel degelijk de verplichting op om per deelgemeente een gemeentelijk RUP op te maken teneinde de centrale sportinfrastructuur te behouden en uit te bouwen. De bedoeling is duidelijk om via een gemeentelijk RUP in elke deelgemeente een site af te bakenen waarbinnen de huidige en toekomstige behoeften aan sportinfrastructuur, zoals die moeten blijken uit een behoefteraming, gecentraliseerd worden. Door enkel een gemeentelijk RUP op te maken voor openluchtrecreatie zonder de mogelijkheid om een sporthal te bouwen, wordt het vooropgestelde doel van centralisatie niet bereikt.
Bovendien merkt de verzoeker op dat de inrichting van de centrale sportinfrastructuur in de onmiddellijke omgeving van de gemeenschappelijke basisschool een mogelijkheid was, maar dat voor de
X-16.451-16/25
betreffende locatie uiteindelijk niet werd gekozen. Het bestreden RUP stelt ook niets over de bouw van een sporthal op deze site.
6.3. De verzoeker wijst er in zijn laatste memorie nog onder meer op dat in het bindend gedeelte van het GRS de woorden "streven naar" niet worden gebruikt. De eerste verwerende partij negeert volgens hem ook de bijkomende voorwaarde dat een behoeftestudie vereist is, en het feit dat de noodzaak aan een sporthal in Sleidinge uit deze studie blijkt. Hij betoogt dat initieel voor de site Weegse werd geopteerd, die wel aan alle voorwaarden voldoet.
De eerste verwerende partij slaagt er volgens de verzoeker ook niet in om aan te tonen dat zijn bezwaar afdoende zou zijn weerlegd. Hij wijst erop dat een deel van zijn bezwaarschrift wel degelijk de afwezigheid van een sporthal in het gemeentelijk RUP betreft, en dat zijn punt van kritiek net was dat het gemeentelijk RUP met de behoefte aan een sporthal geen rekening houdt.
Beoordeling
7.1. Uit artikel 2.5 van het bindend gedeelte van het GRS blijkt dat het behoud en de uitbouw van centrale sportinfrastructuur in elke kern wordt vooropgesteld (randnummer 3.1). De richtinggevende bepalingen van het GRS
verduidelijken dat ervoor geopteerd wordt om in elke kern “een minimum”
aanbod aan sport- en recreatievoorzieningen te realiseren, en verder dat er “gestreefd” wordt naar een sterker uitgebouwd aanbod ter zake, en - tot tweemaal toe - dat er “gestreefd” wordt naar een centralisatie van de recreatieve voorzieningen (randnummer 3.2).
7.2. Met de eerste verwerende partij moet worden aangenomen dat het bestreden gemeentelijk RUP aan de voorwaarde van de uitbouw van een centrale sportinfrastructuur, waarbij “gestreefd” wordt naar een centralisatie van de recreatieve voorzieningen, voldoet door de buitensportterreinen en voorzieningen voor jeugdbewegingen op één locatie samen te brengen.
X-16.451-17/25
7.3. Anders dan de verzoeker dit ziet, vermag de omstandigheid dat in het bestreden gemeentelijk RUP geen sporthal wordt voorzien, ook al blijkt de behoefte eraan uit de behoeftestudie, dit plan niet te vitiëren, nu uit het GRS geen uitdrukkelijke verplichting daartoe blijkt. De in de toelichtingsnota van het gemeentelijk RUP gegeven verantwoording dat “er op vandaag geen financiële middelen in het vooruitzicht zijn om deze sporthal te bouwen” en “[t]evens [...]
een dubbel gebruik [wordt] gezocht met de plannen voor [een] toekomstige sporthal voor de Basisschool” (randnummer 3.8), volstaat om de sporthal niet in het gemeentelijk RUP op te nemen. Dit geldt nog meer, nu de richtinggevende bepalingen van het GRS voor de locatie Kerkstraat zelf aangeven dat “[e]en bijkomend voordeel kan zijn dat dit gelegen is nabij de gemeentelijke basisschool waardoor het sportterrein (en mogelijks ook overdekte sportinfrastructuur)
gemeenschappelijk zou kunnen gebruikt worden”. Verzoekers betoog in dit verband dat van “een zorgvuldig handelende overheid mag verwacht worden” dat zij al rekening hield “met de mogelijkheid om -desnoods op lange termijn - een sporthal te bouwen als de nood hiervoor duidelijk aangetoond is en de financiële middelen wél beschikbaar zijn”, doet niet anders besluiten.
7.4. Uit het voormelde volgt dat de plannende overheid het bestreden gemeentelijk RUP terecht heeft kunnen vaststellen zonder in een sporthal te voorzien en dat afdoende argumenten daartoe in de toelichtingsnota bij dit plan terug te vinden zijn. Verzoekers betoog dat de kritiek in zijn bezwaarschrift op het feit dat “geen sporthal wordt voorzien” door de Gecoro niet afdoende werd beantwoord, is dan ook niet van aard om het bestreden gemeentelijk RUP te vitiëren.
7.5. Het middel, in zoverre dit in het auditoraatsverslag werd onderzocht, is ongegrond.
X-16.451-18/25
B. Tweede middel
Standpunt van de partijen
8.1. Verzoeker roept in een tweede middel de schending in van artikel 23 van de Grondwet, de artikelen 4.2.1, 4.2.3, 4.2.6 en 4.2.8 van het decreet van 5 april 1995 'houdende algemene bepalingen inzake het milieubeleid'
(hierna DABM), van de artikelen 1.1.4 en 2.2.2 van de VCRO, alsook van het materiëlemotiverings-, rechtszekerheids-, redelijkheids-, zorgvuldigheids- en voorzorgsbeginsel.
Hij betoogt dat op kennelijk onredelijke wijze werd besloten dat er ingevolge het gemeentelijk RUP geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn en ontheffing werd verleend van de plicht om een plan-MER op te maken. Hij wijst er onder meer op dat onvoldoende rekening gehouden werd met de te verwachten effecten op vlak van mobiliteit.
Verzoeker bekritiseert onder andere dat de screeningsnota er zonder meer van uitgegaat dat de bestaande situatie geen mobiliteitsprobleem kent. Van een zorgvuldig handelende overheid mag volgens hem verwacht worden dat zij de bestaande situatie onderzoekt en duidelijk omschrijft, in plaats van “aan te nemen” dat de verkeersdrukte “matig” is. Ook wordt de impact van de geplande inplanting van de nieuwe sportvelden en jeugdlokalen volgens verzoeker geminimaliseerd. Ten onrechte wordt er volgens hem van uitgegaan dat het voorzien van een parking van +/- 130 wagens afdoende is om elke mogelijke impact op te vangen. Hoe men redelijkerwijze kan stellen dat de trainingen en – vooral de wedstrijden – van dergelijk omvangrijke club geen aanleiding zullen geven tot een toename van de mobiliteit, is volgens verzoeker niet duidelijk, zeker wanneer men weet dat deze activiteiten in het weekend op eenzelfde moment kunnen plaatsvinden als de activiteiten van de KLJ die op dezelfde site haar jeugdlokalen krijgt.
X-16.451-19/25
Verzoeker meent dat de impact van het plan op de discipline Mobiliteit onvoldoende werd onderzocht, door zowel de bestaande toestand te minimaliseren als de te verwachten implicaties niet in rekening te brengen. Dat zijn bezwaar hieromtrent door de Gecoro wordt bijgetreden, wordt volgens hem genegeerd.
8.2. De eerste verwerende partij stelt in haar memorie van antwoord onder meer dat verzoeker geen concrete elementen aandraagt waaruit zou blijken dat de MER-screening foutief of onzorgvuldig is uitgevoerd. In tegenstelling tot wat verzoeker voorhoudt, wordt in de MER-screening met de toekomstige ontwikkeling rekening gehouden. Bovendien voorziet het gemeentelijk RUP in een bijkomende ontsluiting van de recreatieve terreinen ter hoogte van het Oostveld, zodat mag worden aangenomen dat de Kerkstraat minstens deels zal worden ontlast. Ook wijst zij erop dat in de Kerkstraat, ter hoogte van de bebouwing, verschillende parkeerstroken zijn voorzien en dat geparkeerde wagens op de rijweg dan ook de uitzondering vormen.
De eerste verwerende partij stelt verder nog dat verzoeker op geen enkele wijze onderbouwt waarom de 120 voorziene parkeerplaatsen en de bijkomende ontsluiting voor gemotoriseerd verkeer, alsook de vooropgestelde trage verbindingsweg, niet afdoende zouden zijn om de verkeerstoename (gemotoriseerd, per fiets of te voet) op te vangen. Zij wijst er ook op dat, om het voetgangers- en fietsersverkeer te stimuleren, ter hoogte van het Oostveld in een rechtstreekse doorsteek voor langzaam verkeer wordt voorzien. Bijkomend zal ook de centrale ligging, aansluitend aan de dorpskern, onmiddellijk palend aan de woonontwikkeling Oostveld, het voetgangers- en fietsverkeer stimuleren.
Evenmin mag volgens haar uit het oog worden verloren dat wat de mobiliteitsimpact van het aangevraagde op de omgeving betreft, door de dienst MER wordt aangenomen dat geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten vallen.
8.3. De tweede verwerende partij stelt in haar memorie van antwoord vooreerst dat het middel onontvankelijk is, in de mate dat wordt
X-16.451-20/25
aangevoerd dat in de eerste bestreden beslissing de bezwaren inzake mobiliteitshinder en vrees voor de veiligheid en gezondheid op manifest onredelijke en niet-afdoende gronden zouden zijn afgewezen. Dit raakt volgens haar immers de eerste bestreden beslissing, die niet door haar werd genomen.
Ten gronde merkt zij op dat de verzoeker geen concrete elementen aanvoert die van aard zijn om te doen besluiten dat de dienst Mer niet op grond van juiste feitelijke gegevens en in redelijkheid tot haar conclusie is kunnen komen. Gelet op de kwalificatie van de Kerkstraat als (slechts) lokale weg type II, is het volgens haar geenszins kennelijk onredelijk om ervan uit te gaan dat het verkeer op de Kerkstraat zeer matig is.
Volgens de tweede verwerende partij is het uitgangspunt dat de kwestieuze recreatiezone vooral lokaal gericht is, terwijl de Kerkstraat onmiddellijk aansluit bij de kern van Sleidinge. Daardoor zal de zone vooral langzaam, niet-gemotoriseerd verkeer aantrekken, hetgeen ook aangemoedigd zal worden doordat geen ontsluiting voor gemotoriseerd verkeer voor de jeugdlokalen en speelvelden is voorzien en doordat aan Oostveld een doorsteek voor langzaam verkeer is voorzien. Verzoeker toont volgens haar niet aan dat dit uitgangspunt onjuist of kennelijk onredelijk zou zijn. Het is dan ook niet onjuist of kennelijk onredelijk om te veronderstellen dat verplaatsingen per fiets of te voet zullen gebeuren.
De ontsluiting van het langzaam verkeer kan volgens haar vlot verlopen via de Kerkstraat, die aan het kruispunt met Sleidinge-dorp voorzien is van fietssuggestiestroken die na 200 meter reeds overgaan in volwaardige fietspaden. In dit opzicht is het aannemelijk dat het gemeentelijk RUP geen nadelige effecten op vlak van mobiliteit zal hebben. Verzoekers betoog dat uit de screening geen maatregelen zouden blijken die langzaam verkeer aanmoedigen, faalt. Ook is zijn betoog dat het verkeer langsheen de Kerkstraat belemmerd zal worden wanneer op straat wordt geparkeerd, niet ter zake dienend: op de fietspaden mag uiteraard niet worden geparkeerd.
X-16.451-21/25
Tenslotte verschilt volgens de tweede verwerende partij het gebruik van de parking met de pieken van het overige verkeer. Ook wordt er louter beweerd dat de parking onvoldoende capaciteit heeft.
8.4. De eerste verwerende partij doet in haar laatste memorie onder meer nog gelden dat verzoeker poogt om het aantal voorziene parkeerplaatsen manifest foutief te laten lijken door een grote overschatting. Zij wijst erop dat vaak aan carpooling wordt gedaan, dat niet iedereen met de auto zal komen, dat er op de actuele locatie van het voetbalveld geen parkeergelegenheid is, dat er twee toegangen zijn voorzien, en dat de spelers en bezoekers op verschillende tijdstippen zullen aankomen en vertrekken.
Voorts stelt de eerste verwerende partij dat ten onrechte wordt voorbijgegaan aan het mobiliteitsplan dat enkele maanden voor de definitieve aanname van het gemeentelijk RUP werd opgemaakt en aangenomen, en waarnaar in de eerste bestreden beslissing uitdrukkelijk wordt verwezen. Ook stelt zij dat de lokale voetbalclub reeds lang actief is en dat de bestaande toestand iedereen welbekend is. De gemeenteraad was volgens haar derhalve voorgelicht over de mobiliteitstoestand. Bovendien bevestigde het mobiliteitsplan de vaststelling in het GRS “dat de Kerkstraat slechts een lokale weg type II is”.
Evenzeer wordt volgens de eerste verwerende partij uit het oog verloren dat de mobiliteit “ook nog kan bijgestuurd worden door maatregelen als parkeerverboden, snelheidsbeperkingen, enkele rijrichtingen enz.”.
8.5. Verzoeker stelt in zijn laatste memorie onder meer nog dat de simpele verwijzing vanwege de eerste verwerende partij naar een mobiliteitsplan, zonder aan te duiden welke vaststellingen hierin gedaan worden en welke conclusies hieruit getrokken worden, uiteraard niet volstaat. Bovendien verliest zij volgens verzoeker uit het oog dat de Gecoro het mobiliteitsplan ongunstig heeft geadviseerd, omdat er nauwelijks een mobiliteitsvisie met betrekking tot de recreatieve zones is in uitgewerkt. Het antwoord van de eerste verwerende partij hierop, namelijk dat met het ongunstig advies van de Gecoro geen rekening is gehouden omdat het laattijdig is, toont nog niet aan dat het mobiliteitsplan
X-16.451-22/25
volstaat om voldoende kennis te hebben van de situatie op het vlak van mobiliteit.
Verzoeker betoogt dat, los van het gegeven dat de argumenten die de eerste verwerende partij in haar laatste memorie aanhaalt uit de bestreden beslissing zelf niet blijken, zij opnieuw uitgaat van foutieve veronderstellingen.
Beoordeling
9.1. Vastgesteld wordt dat in de plan-MER-screeningsaanvraag met betrekking tot de Kerkstraat, zonder nadere motivering, wordt overwogen dat “[e]r [...] geen recente verkeerstellingen beschikbaar [zijn] voor deze straat, maar men mag aannemen dat de verkeersdrukte zeer matig is” (randnummer 3.10).
Vastgesteld wordt ook dat de provincie in het kader van het plan-MER-onderzoek heeft opgemerkt dat “[…] [h]et parkeer- en mobiliteitsgebeuren [...] slechts summier [wordt] behandeld”, dat “[e]r [...] niet [wordt] aangegeven hoe de verkeersgeneratie verloopt en fluctueert tijdens de week”, en dat “[d]e effecten van mobiliteit [...] enkel [worden] beschreven als het aantal parkeerplaatsen dat gepland wordt. [...]” (randnummer 3.11).
9.2. Verder wijst verzoeker erop dat zijn bezwaar, waarin onder meer wordt bekritiseerd dat “[e]r [...] enerzijds [wordt] „aangenomen‟ dat verkeersdrukte zeer matig is en [men] anderzijds [...] uitdrukkelijk aan[geeft] dat er geen recente verkeerstellingen beschikbaar zijn”, en waarin wordt aangevoerd dat “[e]en grondige mobiliteitsstudie [...] noodzakelijk [is]” (randnummer 3.15), door de Gecoro gegrond is bevonden.
De Gecoro verwijst ter motivering van haar standpunt naar haar eerder op 2 december 2014 uitgebrachte advies betreffende het mobiliteitsplan van de gemeente Evergem, waarin zij er uitdrukkelijk op heeft gewezen “dat de uitwerking van een mobiliteitsvisie voor de recreatieve zones amper aan bod komt in voorliggend mobiliteitsplan”, en “vraagt [...] om de mobiliteitsvisie voor alle recreatiegebieden op Evergems grondgebied beter uit te werken in voorliggend mobiliteitsplan” (randnummer 3.16).
X-16.451-23/25
9.3. Gelet op de voormelde standpunten van de provincie en de Gecoro, moet met verzoeker worden aangenomen dat het mobiliteitsonderzoek op onvolkomen wijze is gevoerd.
De loutere verwijzing in de eerste bestreden beslissing naar het mobiliteitsplan (randnummer 3.17) doet alvast niet anders besluiten, temeer nu de Gecoro uitdrukkelijk van oordeel is dat in dit plan de uitwerking van een mobiliteitsvisie voor de recreatieve zones amper aan bod komt. De door de eerste verwerende partij aangevoerde omstandigheden “dat de lokale voetbalclub reeds lang actief is en dat de bestaande toestand iedereen welbekend is”, dat “het mobiliteitsplan de vaststelling in het GRS [bevestigde] „dat de Kerkstraat slechts een lokale weg type II is‟”, en dat de mobiliteit “ook nog kan bijgestuurd worden door maatregelen als parkeerverboden, snelheidsbeperkingen, enkele rijrichtingen enz.” nopen evenmin tot een andere conclusie.
9.4. Het middel is in de aangegeven mate gegrond.
BESLISSING
1. De Raad van State vernietigt:
1) het besluit van 27 augustus 2015 van de gemeenteraad van de gemeente Evergem houdende de definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Recreatie – Deelplan Sleidinge’;
2) de beslissing van 19 december 2013 van de dienst Milieueffectrapportage dat het voorgenomen plan geen aanleiding geeft tot aanzienlijke negatieve milieugevolgen en dat de opmaak van een plan-MER niet nodig is.
2. Dit arrest dient te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde gemeenteraadsbesluit.
3. De verwerende partijen worden, elk voor de helft, verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en
X-16.451-24/25
op een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro die verschuldigd is aan verzoeker.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zes juni 2017, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:
Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier.
De griffier De voorzitter
Frank Bontinck Johan Lust
X-16.451-25/25
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.435