Cassation against asylum rejection dismissed due to applicant's unconvincing sexual conduct claims in Bangladesh.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the cassation appeal filed against the Refugee Board's refusal of asylum and subsidiary protection to the applicant. The applicant argued that the lower court failed to properly assess his claim of persecution based on his alleged homosexuality and failed to distinguish between traditional homosexuals and MSM groups. The court found the applicant's account of sexual relations with a partner in Bangladesh completely unconvincing and therefore rejected his entire asylum claim without further examination.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 39/2, § 1, 2° and 48/3 of the Aliens Act; The court may reject an asylum application when the applicant's personal account regarding persecution is deemed unconvincing, rendering it impossible to establish a well-founded fear of persecution.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
XIVe KAMER
nr. 238.428 van 6 juni 2017
in de zaak A. 217.441/XIV-36.749
In zake : XXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Benoit Dhondt kantoor houdend te 2060 Antwerpen Rotterdamstraat 53
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE
VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN
kantoor houdend te 1000 Brussel Koning Albert II-laan 26 A
I. Voorwerp van het cassatieberoep
1. Het cassatieberoep, ingesteld op 2 november 2015, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 153.757 van 30 september 2015 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
II. Verloop van de rechtspleging
2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 11.665 van 17 december 2015.
De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekerheeft een memorie van wederantwoord ingediend.
XIV-36.749-1/10
Auditeur Barbara Speybrouck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.
Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ten einde te worden gehoord ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 december 2016.
Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Benoit Dhondt,dieverschijnt voor verzoeker, is gehoord.
Eerste auditeurMarijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3. Verzoekerkomt naar eigen zeggen België binnen op 21 mei 2012
en hij dientdezelfde dageen asielaanvraag in. De commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (hierna: de commissaris-generaal) beslist op 14 april 2015tot weigering van de vluchtelingenstatusen weigering van de subsidiaire beschermingsstatus in hoofde van verzoeker.
Verzoeker tekent tegen deze beslissing beroep aan bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op 15 mei 2015.Met een arrest van 30 september
XIV-36.749-2/10
2015beslist de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen eveneens tot weigering van de vluchtelingenstatus en weigering van de subsidiaire beschermingsstatus in hoofde van verzoeker. Dit is het bestreden arrest.
IV. Onderzoek van de middelen
Enig middel
Standpunt van de partijen
4. Verzoekerwerpt in een enig, genoemd “eerste”, middel de schending op van artikel 149 van de Grondwet, van de artikelen 39/2, § 1, tweede lid, 2°, en 48/3 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’(hierna: de vreemdelingenwet) en van het recht van verdediging.
Verzoeker voert aan dat artikel 48/3, § 1, van de vreemde-
lingenwet verwijst naar artikel 1A van het internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (hierna: het vluchtelingenverdrag), waarin het begrip vluchteling onder meer wordt gekoppeld aan een gegronde vrees voor vervolging wegens het behoren tot een sociale groep.
In artikel 48/3, § 4, d), van de vreemdelingenwet wordt verduidelijkt dat een groep in de zin van het vluchtelingenverdrag, “afhankelijk van de omstandigheden in het land van herkomst, als gemeenschappelijk kenmerk seksuele gerichtheid kan hebben” en verder dat “terdege rekening [wordt] gehouden met genderaspecten, waaronder genderidentiteit, wanneer moet worden vastgesteld of iemand tot een bepaalde sociale groep behoort of wanneer een kenmerk van een dergelijke groep wordt geïdentificeerd”.
Verzoeker laat gelden dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft wegens zijn lidmaatschap van een bepaalde groep, met name op basis van zijn seksuele gerichtheid, en dat hij de bescherming van de Bengaalse
XIV-36.749-3/10
autoriteiten niet kan inroepen uit hoofde van die vrees. Verzoeker en zijn vriend R.H. hebben bewijsmateriaal voorgelegd waaruit volgens hem ontegensprekelijk blijkt dat zij als mannen verschillende langdurige seksuele betrekkingen hadden.
Hij verwijst naar foto’s, video’s, naar het feit dat verzoeker een seksuele relatie had met een huisgenoot eer R.H. in België aankwam, naar homo-pornografisch materiaal op hun gsm, naar het feit dat verzoeker in het opvangcentrum kennis had van de wijze waarop condooms verkrijgbaar waren en naar het feit dat R.H. bij zijn aankomst in België niet naar een opvangcentrum ging maar bij verzoeker kwam inwonen op een privé-adres, wat volgens verzoeker getuigt van een reële affectieve band tussen beide mannen. Verzoekers asielaanvraag is afgewezen omdat zijn homoseksuele geaardheid niet geloofwaardig werd bevonden, doch het is de vraag of de sociale groep waartoe verzoeker behoort wel wordt gekenmerkt door een “homoseksuele geaardheid”. Verzoeker haalt de COI Focus “Genderdiversiteit in Bangladesh” van 13 januari 2015 aan waaruit blijkt dat in Bangladesh een wijdverbreide seksuele gerichtheid bestaat met geslachtsverkeer tussen mannen, zijnde male-to-male seks of MSM, die niets te maken heeft met het westerse concept van homoseksualiteit. Uit dit rapport blijkt ook dat MSM in Bangladesh gewelddadig wordt behandeld, hetgeen volgens verzoeker in punt 2.4.1. van het bestreden arrest wordt erkend.
Verzoeker uit kritiek op de overweging in het bestreden arrest dat “gelet op dit geweld er kan gesteld worden dat indien mannen seksuele betrekkingen hebben met mannen zij de nodige voorzichtigheid en discretie aan de dag zullen leggen”. Volgens verzoeker wordt in het bestreden arrest geen enkele landeninformatie of andere objectieve informatie aangehaald die toelaat te stellen dat bij MSM de discretie, die de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen noodzakelijk vindt voor verzoekers geloofwaardigheid, effectief aan de dag wordt gelegd. Hij wijst erop dat de voornoemde COI Focus van 13 januari 2015
objectieve informatie bevat die aantoont dat seks tussen mannen niet uitzonderlijk is in Bangladesh en dat redelijkerwijze dan ook geen uitzonderlijke discretie aan de dag wordt gelegd door die mannen.
XIV-36.749-4/10
Verder bekritiseert verzoeker de overwegingen van het bestreden arrest waaruit blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen enkel de geloofwaardigheid heeft nagegaan van “de reeds ondergane feiten in Bangladesh” (punt 2.4.2) en van “het ingeroepen relaas en de vervolgingsfeiten”
(punt 2.4.9). Verzoeker stelt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moest onderzoeken of hij effectief tot een sociale groep behoorde, met name MSM in Bangladesh, en of hij op grond daarvan een gegronde vrees moet koesteren voor een risico op “een toekomstige vervolging bij terugkeer naar Bangladesh”.
Volgens verzoeker heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen enkel geoordeeld of hij behoorde tot “de ‘traditionele’ benadering van homoseksuelen als sociale groep” en niet of hij behoort tot ofwel “MSM als sociale groep” dan wel tot “homoseksuelen met uitbreiding van MSM als sociale groep”. Verzoeker acht dit nochtans cruciaal bij de behandeling van zijn asielaanvraag. Door niet op dit essentiële onderdeel van verzoekers middel in te gaan heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het recht van verdediging en de jurisdictionele motiveringsplicht geschonden.
5. In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoeker het middel. Hij voegt toe dat zijn vrees voor vervolging moet worden beoordeeld los van de ingeroepen vervolgingsfeiten die al zouden hebben plaatsgevonden in Bangladesh. In eerste instantie moet het risico op (toekomstige) vervolging bij terugkeer naar het land van herkomst worden onderzocht. Verzoeker benadrukt vervolgens dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het verschil erkent tussen “homoseksuelen”, “mannen die MSM praktiseren”, “Kothi’s” en “hijra’s”
en dat daaraan geen afbreuk wordt gedaan door de zinsnede in punt 2.4.9 van het bestreden arrest “daargelaten de vraag of het onderscheid tussen MSM/homo-
seksualiteit wel een geldig onderscheid is”. Tot slot merkt verzoeker op dat de rechtsvraag niet is of een asielzoeker zelf tot een sociale groep meent te behoren maar of hij volgens de maatschappij en de actoren van vervolging tot die groep behoort of niet. De lijn tussen homoseksuelen en MSM is flinterdun en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft de afbakening tussen die groepen niet onderzocht.
XIV-36.749-5/10
Beoordeling
6. Uit het enkele feit dat een middel niet wordt beantwoord, kan geen schending worden afgeleid van het recht van verdediging, waarvan het recht op tegenspraak deel uitmaakt.
Verzoeker geeft niet concreet aan welke stukken uit het administratief dossier op welke wijze zouden zijn miskend door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Verder behoort de beoordeling van destukken uit het administratief dossier tot de soevereine appreciatiebevoegdheid van de feiten-
rechter. Als administratieve cassatierechter vermag de Raad van State niet die beoordeling over te doen. Een “miskenning van de stukken uit het administratief dossier” kan in die zin niet als cassatiegrond worden ingeroepen.
Artikel 39/2, § 1, tweede lid, 2°, van de vreemdelingenwet geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de mogelijkheid om de bestreden beslissing van de commissaris-generaal te vernietigen, “hetzij omdat aan de bestreden beslissing een substantiële onregelmatigheid kleeft die niet door de Raad kan worden hersteld, hetzij omdat essentiële elementen ontbreken die inhouden dat de Raad niet kan komen tot de in 1° bedoelde bevestiging of hervorming zonder aanvullend onderzoeksmaatregelen te moeten bevelen”. Verzoeker zet niet uiteen op welke wijze deze bepaling met het bestreden arrest zou zijn geschonden. Het behoort alleszins tot de soevereine appreciatiebevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen om te oordelen of hij al dan niet zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen kan komen tot een bevestiging of hervorming van de bestreden beslissing.
Het enige middel is in die mate niet-ontvankelijk.
7. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde
XIV-36.749-6/10
bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen.
8. Waar verzoeker aanvoert dat hij als homoseksueel of MSM een gegronde vrees voor vervolging moet koesteren in Bangladesh, temeer daar zijn homoseksuele daden met zijn vriend H.R. bekend werden, overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in punt 2.4.1 van het bestreden arrest dat uit de door de partijen in het administratief dossier en in het verzoekschrift bijgebrachte literatuur blijkt dat volgens verschillende bronnen mannelijke vrienden in Bangladesh veel intiemer met elkaar omgaan dan men in het Westen gewoon is, dat in Bangladesh netwerken bestaan van mannen die seksuele contacten met elkaar hebben zonder dat zij ook een homoseksuele genderidentiteit moeten hebben maar dat het vrijwel onmogelijk is om openlijk zijn homoseksualiteit te beleven. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vermeldt de literatuur van de partijen ook dat zowel homoseksuelen, mannen die MSM plegen enz.
worden geconfronteerd met geweld door hun omgeving, mastans of politie. Er is geen strafrechtelijke vervolging noch zijn er politieraids op homoseksuelen, mannen die MSM praktiseren, Kothi’s en hijra’s, maar wel geweld in de vorm van seksuele aanranding, verkrachting en groepsverkrachting, slagen, gedwongen huwelijken en onterving, pesterijen, afpersing en chantage door de politie. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwijst wat dat betreft uitdrukkelijk naar de COI Focus “Genderdiversiteit in Bangladesh” van 13 januari 2015. Op grond van dit alles besluit de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in punt 2.4.1 van het bestreden arrest dat redelijkerwijze kan worden verwacht dat in Bangladesh “mannen, welke seksuele geaardheid zij ook mogen hebben, toch wel de nodige voorzichtigheid en discretie aan de dag zullen leggen wanneer zij seksuele daden stellen met andere mannen”. In punt 2.4.2 van het bestreden arrest wordt in antwoord op verzoekers kritiek dat “gelet op de Bengaalse context waar male to male seks alomtegenwoordig en niet uitzonderlijk is, er verwacht kan worden dat
XIV-36.749-7/10
niet iedereen tot het uiterste gaat qua veiligheidsmaatregelen en dat het toch redelijk voorzichtig is om af te spreken in het lege huis van hun buurman”
geantwoord dat “het […] dan wel zo [kan] zijn dat MSM/male to male seks niet uitzonderlijk is in Bangladesh, verzoeker […] daarmee niet [weerlegt] dat het geweld waarmee mannen die seks hebben met mannen, in welke vorm dan ook, geconfronteerd kunnen worden, redelijkerwijs noopt tot enige discretie, zeker in een dorp waar iedereen mekaar kent, zoals in casu”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen acht het dan ook “niet in het minst geloofwaardig […]
dat verzoeker en zijn vriend het huis van een buurman zouden hebben gebruikt en daarenboven zichtbaar voor één van de ramen van de woning elkaar halfnaakt zouden kussen”, hetgeen, steeds volgens de Raad, “des te meer [klemt] daar uit zijn verklaringen blijkt dat de mensen in hun omgeving wantrouwig waren omdat ze steeds samen waren”. Daarom wordt in het bestreden arrest “geen enkel geloof [gehecht] aan dit opgediste relaas”.
Anders dan verzoeker voorhoudt, wordt in het bestreden arrest dus wel degelijk op grond van objectieve informatie, waaronder de door verzoeker zelf bijgebrachte COI Focus “Genderdiversiteit in Bangladesh” van 13 januari 2015, aangegeven waarom ook bij MSM discretie kan worden verwacht van mannen bij het plegen van seksuele handelingen met elkaar. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen beoordeelt ook verzoekers concreet relaas dienaangaande en bevindt het volstrekt ongeloofwaardig. Verzoeker maakt wat dat betreft geen schending van de jurisdictionele motiveringsplicht aannemelijk, noch toont hij een schending aan van artikel 48/3 van de vreemdelingenwet.
Het enige middel is in die mate ongegrond.
9. Verzoeker richt zich ook tegen het feit dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen enkel de aangevoerde feiten uit het verleden zou hebben beoordeeld en niet het risico op vervolging bij terugkeer naar Bangladesh, waarbij bovendien geen onderscheid zou zijn gemaakt tussen de “traditionele”
benadering van homoseksuelen en MSM als een afzonderlijke sociale groep.
XIV-36.749-8/10
In punt 2.4.9 van het bestreden arrest wordt overwogen dat de verwijzing naar rapporten over de situatie van homoseksuelen in Bangladesh en naar de definitie van sociale groep niet dienstig is, “gelet op de ongeloofwaardigheid van verzoekers beweerde homoseksualiteit”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen merkt op, “waar verzoeker stelt dat ook MSM
vervolging riskeren […] dat verzoeker ook zijn relaas en vervolgingsfeiten die betrekking hebben op een seksuele relatie met R. niet aannemelijk heeft gemaakt”
en hij besluit dat “daargelaten de vraag of het onderscheid MSM/homoseksualiteit wel een geldig onderscheid is, […] er gelet op de in de bestreden beslissing gedane pertinente vaststellingen, die allen steun vinden in het administratief dossier, geen geloof [kan] gehecht worden aan zijn beweerde homoseksualiteit en zijn relatie met R.”.
Verzoeker verwijst weliswaar naar het door hem en zijn vriend voorgelegde bewijsmateriaal waaruit hun seksuele betrekkingen met elkaar zouden blijken, maar hij gaat voorbij aan de omstandige en concrete motivering vanaf punt 2.4.1 tot en met 2.4.9 van het bestreden arrest op grond waarvan verzoekers verklaringen en bewijsmateriaal ongeloofwaardig worden bevonden. Er blijkt duidelijk uit waarom geen geloof wordt gehecht aan de voorgehouden seksuele relatie, dit los van de vraag of een onderscheid bestaat naargelang het zou gaan om MSM dan wel (traditionele) homoseksualiteit. Verzoeker toont wat dat betreft geen schending van de juridisctionele motiveringsplicht aan. Vermits een ongeloofwaardig bevonden asielrelaas niet dient te worden getoetst aan de voorwaarden om als vluchteling te worden erkend in de zin van artikel 48/3 van de vreemdelingenwet, toont verzoeker evenmin een schending aan van deze laatste bepaling.
Het enige middel is in die mate ongegrond.
10. Het enige middel kan niet tot cassatie leiden.
XIV-36.749-9/10
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200euro.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zes juni tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:
Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, met bijstand van Joris Casneuf, griffier.
De griffier De voorzitter
Joris Casneuf Geert Debersaques
XIV-36.749-10/10
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.428