Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.375 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.375 Généré par l'IA

Court dismisses urgent suspension request due to lack of concrete evidence proving procedural incompatibility.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.375
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State granted the intervening party's request to participate in the proceedings but rejected the applicant's urgent suspension claim. The applicant failed to provide concrete and precise evidence demonstrating that the standard suspension procedure would be unreasonably delayed. Consequently, the court ruled that the statutory requirements for an urgent suspension were not met.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 17, §§ 1 and 4 of the Coordinated Laws on the Council of State; An urgent suspension request is only granted if the applicant concretely proves the standard procedure would be unreasonably delayed.

Mots-clés

Généré par l'IA
urgent suspension procedural incompatibility Council of State standard procedure delay concrete evidence requirement autorisation en matière de protection de la nature autorisation de décharge violation des charges d'autorisation

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 17, §§ 1 and 4 of the Coordinated Laws on the Council of State
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER

nr. 238.375 van 31 mei 2017

in de zaak A. 222.232/VII-39.991.

In zake : Peter SINGULÉ

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Philippe Declercq kantoor houdend te 3320 Hoegaarden Gemeenteplein 25

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

het VLAAMSE GEWEST

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Bergé kantoor houdend te 3000 Leuven Naamsestraat 165

bij wie woonplaats wordt gekozen

Tussenkomende partij :

de NV E. DE KOCK

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Flamey kantoor houdend te 2018 Antwerpen Jan Van Rijswijcklaan 16

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 22 mei 2017, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 8 mei 2017 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 19 november 2009, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan de NV De Kock voor het verder uitbaten en veranderen van

VII-39.991-1/7

een zandgroeve, gelegen aan de Ganzemanstraat te Neerijse, gedeeltelijk gegrond worden verklaard en de beroepen beslissing wordt gewijzigd.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende en de tussenkomende partij hebben een nota ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 30 mei 2017.

Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Dennis Muñiz, die loco advocaat Philippe Declercq verschijnt voor verzoeker, advocaat Kristien Vanderheiden, die loco advocaat Jan Bergé verschijnt voor de verwerende partij, en advocaten Peter Flamey en Evi Mees, die verschijnen voor de tussenkomende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Tussenkomst

3. Met een ter terechtzitting neergelegd verzoekschrift vraagt de NV E. De Kock om in het geding te mogen tussenkomen.

VII-39.991-2/7

Er is grond om dat verzoek in te willigen.

IV. Voorwaarden van de vordering tot schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid

4. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.

Uiterst dringende noodzakelijkheid

Standpunt van de partijen

5. Met betrekking tot deze voorwaarde zet verzoeker het volgende uiteen:

“Op 08 mei 2017 beslist verwerende partij voor de 5e keer om een milieuvergunning te verlenen. Dit besluit wordt op dinsdag 09 mei 2017 ter kennis gebracht aan verzoekende partij. Ingevolge een daaropvolgend verzoek tot passieve openbaarheid van bestuur worden op 10 mei 2017 de adviezen overgemaakt, en op maandag 15 mei 2017 de nota evenals het proces-verbaal van vaststellingen die de exploitant overhandigde op de zitting van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie van 21 februari 2017.

Op de bestuursvergadering van donderdag 18 mei 2017 werd door het bestuur van verzoekende partij beslist om de bestreden beslissing in rechte aan te vechten voor uw Raad […].

Sinds vrijdag 19 mei 2017 rijden er opnieuw vrachtwagens af en aan naar de zandgroeve. Eveneens op vrijdag 19 mei 2017 werd de bestreden beslissing aangeplakt. […].

Uit de feiten blijkt dat de verzoekende partij met de gepaste spoed en diligent is opgetreden, en dat zij de uiterst dringende noodzakelijkheid niet zelf in de hand hebben gewerkt of nadelig hebben beïnvloed doch integendeel alles heeft ondernomen wat in redelijkheid van haar verwacht mag worden om de

VII-39.991-3/7

gevreesde gevolgen van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te milderen.

Bovendien blijkt uit de statutaire doelstellingen van de verzoekende partij dat zij onder meer tot doel heeft de verkeersveiligheid binnen haar werkingsgebied te bevorderen. De hoofdreden van de voorgaande vernietigingen en schorsingen van de verleende milieuvergunningen, waarnaar in het verzoekschrift expliciet wordt verwezen, was gelegen in de verkeersonveilige toestand van de omgeving waarin de activiteiten plaatsvinden.

De verwerende partij toont in de bestreden beslissing niet aan dat deze situatie ondertussen reeds is verbeterd. Er kan worden van uitgegaan dat elke activiteit van de NV E. De Kock een negatieve invloed heeft op de mobiliteit in de onmiddellijke omgeving, en als zodanig onomkeerbaar van aard is, zodat zij de uiterst dringende noodzakelijkheid van de schorsing kan verantwoorden.

Hoe meer er immers verder wordt ontgind, hoe meer de belangen van verzoekende partij worden geschaad. Onmiddellijk handelen is derhalve noodzakelijk om de gevreesde gevolgen van de exploitatie te milderen. Uit de concrete gevolgen van de exploitatie kan worden afgeleid dat de vrijwaring van de belangen van de verzoekende partij onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. De uiteenzetting van de verzoekende partij overtuigt dat schade van een bepaalde omvang, dan wel ernstige ongemakken dreigen zodat een onmiddellijke beslissing noodzakelijk is om deze te voorkomen”.

6. De verwerende partij stelt daar het volgende tegenover:

“De verzoekende partij dient aan de hand van precieze en concrete gegevens aan te tonen dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien zij pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen. Bijgevolg is het gegeven dat het nadeel of het risico erop langer blijft voortbestaan wanneer de gewone schorsingsprocedure wordt gevolgd, op zich nog geen reden om te besluiten dat de uiterst dringende noodzakelijkheid aanwezig is. Er anders over oordelen zou betekenen dat alle schorsingsprocedures volgens de procedure van de UDN zouden kunnen worden behandeld, wat uiteraard de negatie zelve van de voorwaarde van de UDN en van het zeer uitzonderlijke karakter van deze schorsingsprocedure zou betekenen. (R.v.St. 24 augustus 2011, nr. 214.853).

De uiterst dringende noodzakelijkheid kan niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schorsings- of annulatieprocedure verzoeker niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat de bestreden beslissing haar volledige uitwerking heeft gehad. Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan zou zijn, moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die

VII-39.991-4/7

eigen zijn aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid eraan inherent is. Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is daartoe vereist dat verzoekster het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, „op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen‟ (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat 2012-2013, nr. 5-2277/1, 13) (R.v.St. nr. 229.718 van 30 december 2014)

De verzoekende partij gaat slechts zeer summier in op de reden waarom huidig dossier via de UDN procedure moet behandeld worden. Ze haalt geen concrete redenen aan waarom ze de gewone schorsingsprocedure niet kan doorlopen. Haar stelling „dat het noodzakelijke is de gevolgen van de tenuitvoerlegging te milderen‟ wordt niet onderbouwd. De verzoekende partij zet niet uiteen welke gevolgen de bestreden beslissing voor haar concreet heeft die haar niet toelaten een gewone schorsingsprocedure te doorlopen.

Verzoekende partij laat na feitelijke gegevens aan te brengen die eigen - in hoofde van de verzoekende partij - zijn aan deze zaak en die erop wijzen dat ze zich omwille van het doorlopen van de normale schorsingsprocedure in een toestand zal bevinden die onherroepelijk schadelijke gevolgen teweeg brengt.

Analoog met het arrest nr. 223.006 van 24 november 2015 moet geoordeeld worden dat:

„De verzoekende partij moet op heldere en overtuigende wijze de feiten en omstandigheden die aantonen dat de zaak niet verenigbaar is met de behandeltermijn van de gewone vordering tot schorsing uiteenzetten, ze aannemelijk maken en ze in de tijd situeren. De uiterst dringende noodzakelijkheid moet, op grond van wat verzoeker uiteenzet, voor iedereen evident zijn. De zeer theoretische uiteenzetting van verzoeker voldoet niet aan die voorwaarden‟.

De verzoekende partij toont niet concreet en precies aan waarom de zaak niet verenigbaar is met de behandeltermijn van de gewone vordering tot schorsing. De procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid is nochtans een uitzonderingsprocedure die de rechten van verdediging ernstig in het gedrang brengt en die de procesgang verzwaart. Deze procedure kan slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden worden gebruikt.

Verzoekende partij verantwoordt de uiterste dringende noodzakelijkheid niet op overtuigende wijze”.

Beoordeling

7. De toepassing van de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid brengt een ernstige verstoring teweeg in het normale verloop van de rechtspleging bij de Raad van State, beperkt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en brengt de uitoefening van de rechten van de verdediging van de andere partijen aanzienlijk in het gedrang. Daarom moet de aanwending van die procedure zeer uitzonderlijk blijven, in die zin dat ze slechts

VII-39.991-5/7

mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, ofwel door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Dit laatste impliceert dat de verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens aantoont dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien zij pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen. De verzoekende partij moet dus op heldere en overtuigende wijze de feiten en omstandigheden, die aantonen dat de zaak niet verenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing uiteenzetten, ze aannemelijk maken en ze in de tijd situeren.

De vage, niet concreet onderbouwde uiteenzetting van verzoeker, die overigens geen betrekking lijkt te hebben op zijn persoonlijke situatie, volstaat te dezen niet.

Hoewel het diligent optreden bij het inleiden van een vordering tot schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid een noodzakelijke vereiste is, volstaat het enkel voldoen aan deze eis op zich niet.

Er is niet voldaan aan één van de voorwaarden van artikel 17, § 1

en § 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Dit volstaat om de vordering tot schorsing te verwerpen.

BESLISSING

1. Het verzoek van de NV E. De Kock tot tussenkomst wordt ingewilligd.

2. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid.

VII-39.991-6/7

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenendertig mei tweeduizend zeventien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:

Eric Brewaeys, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier.

De griffier De voorzitter

Bart Tettelin Eric Brewaeys

VII-39.991-7/7

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.375