Court dismisses appeal against fine for overloading truck, ruling signature by authorized official valid despite employee's name.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Court of Administrative Justice rejected the applicant's appeal against an administrative fine of 1,050 euros imposed for overloading a truck. The applicant argued that the fine was invalid because it was signed by a staff member rather than the officially designated road inspector-controller. The court held that the signature of the employee served as a valid authentication of the decision taken by the authorized official, rendering the procedural defect non-existent.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 17 and 19, §1 of the Special Road Transport Decree; A signature by an employee authenticating a decision taken by an authorized official validates the decision despite the employee not holding the specific title.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER
nr. 238.331 van 30 mei 2017
in de zaak A. 217.070/XII-8046
In zake: de NV DENECKER TRANSPORT
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Frederik Vanden Bogaerde en Jasper Bolle kantoor houdend te 8800 Roeselare Kolenkaai 4
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
het VLAAMSE GEWEST
woonplaats kiezend te 1000 Brussel Koning Albert II-laan 20, bus 4
Agentschap Wegen en Verkeer T.a.v. adjunct van de directeur Veerle Vanempten
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 16 september 2015, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Administrateur-Generaal van het Agentschap Wegen van 27 juli 2015 waarbij, in graad van beroep, aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 1.050 euro wordt opgelegd en dit op grond van de artikelen 3 en volgende van het decreet van 3 mei 2013
‘betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport’.
XII-8046- 1/8
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Auditeur Ines Martens heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 mei 2017.
Kamervoorzitter Dierk Verbiest heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Inge Van Den Dorpel, die verschijnt voor de verzoekende partij, en adjunct van de directeur Veerle Vanempten, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Auditeur Ines Martens heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Op 15 september 2014 wordt een vrachtwagen, bestuurd door Alain Engels, die reed voor rekening van de nv Denecker Transport, de verzoekende partij, door de wegeninspectie gecontroleerd op de autosnelweg A18, richting Veurne, ter hoogte van Jabbeke. Bij weging van het voertuig wordt vastgesteld dat het voertuig overladen is. Op de tweede as van de trekker bedraagt
XII-8046- 2/8
de overlading 1.085 kg, hetzij 9,0%. De overschrijding van de maximaal toegela-
ten massa van de trekker bedraagt 1.292 kg, hetzij 6,8%.
Er wordt proces-verbaal opgesteld wegens inbreuk op artikel 3, alinea 1 en alinea 2, van het decreet van 3 mei 2013 ‘betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport’ (hierna: decreet ‘bijzonder wegtransport’).
3.2. Op 6 oktober 2014 wordt het proces-verbaal toegezonden aan de procureur des Konings te Brugge met het verzoek om overeenkomstig artikel 17, § 3, van het decreet ‘bijzonder wegtransport’ binnen een termijn van 60 dagen mee te delen welk gevolg aan de zaak zal worden gegeven. Op 22 oktober 2014 maakt de procureur des Konings te Brugge het dossier terug over aan de wegeninspectie tot beschikking.
3.3. Op 19 december 2014 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 1.050 euro op te leggen. De beslissing wordt in opdracht van de wegeninspecteur-controleur ondertekend door Christy Neven, een medewerker. Deze beslissing wordt dezelfde dag met een aangetekende brief aan de verzoekende partij ter kennis gebracht.
3.4. Op 26 december 2014 tekent de verzoekende partij verzet aan tegen die beslissing.
Op 20 april 2015 heeft een hoorzitting plaats. Naar aanleiding van de hoorzitting legt de verzoekende partij een schriftelijke conclusie neer.
Op 28 april 2015 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 1.050 euro op te leggen.
Deze beslissing wordt op dezelfde dag met een aangetekende brief aan de raadsman van de verzoekende partij ter kennis gebracht.
XII-8046- 3/8
3.5. Op 19 mei 2015 stelt de verzoekende partij tegen die beslissing beroep in bij de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken.
Op 7 juli 2015 heeft een hoorzitting plaats waarbij de verzoekende partij conclusies neerlegt.
Op 27 juli 2015 beslist de administrateur-generaal van het Agentschap Wegen en Verkeer aan de verzoekende partij een administratieve geld-
boete op te leggen van 1.050 euro. Die beslissing wordt op dezelfde dag met een aangetekende brief aan de raadsman van de verzoekende partij ter kennis gebracht.
Dit is de bestreden beslissing.
IV. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
4. Het middel luidt:
“Schending van artikel 19, §2 en §3 van het Decreet Bijzonder Wegtransport
Gezien artikel 19, §2 en §3 van het Decreet Bijzonder Wegtransport termijnen bevatten waarbinnen de Administratie het verzet respectievelijk het beroep tegen het opleggen van een administratieve geldboete dienen te behandelen.
Gezien in beide gevallen de termijn uitdrukkelijk voorgeschreven is op straffe van verval van de administratieve geldboete.
Gezien de termijnen niet werden gerespecteerd.
De administratieve geldboete dient vernietigd.”
XII-8046- 4/8
5. In de memorie van wederantwoord voegt de verzoekende partij niets meer toe aan haar betoog in het inleidend verzoekschrift.
Beoordeling
6. Artikel 2, § 1, 3°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ bepaalt dat het verzoekschrift een uiteenzetting van de middelen moet bevatten. Onder de uiteenzetting van de middelen wordt verstaan de voldoende duidelijke omschrijving van de geschonden rechtsregel en van de wijze waarop die rechtsregel door de bestreden rechtshandeling werd geschonden.
Bij de omschrijving van de wijze waarop de rechtsregel door het bestreden besluit wordt geschonden, dient de verzoekende partij op voldoende concrete wijze aan te geven waarom de rechtsregel door het bestreden besluit wordt geschonden.
Te dezen beperkt de verzoekende partij er zich toe in het algemeen te verwijzen naar “artikel 19, § 2 en § 3, van het Decreet Bijzonder Wegtransport” en te stellen dat te dezen “de termijnen niet werden gerespecteerd”.
Dergelijke beknopte en vage uiteenzetting mag niet worden beschouwd als een voldoende concrete uiteenzetting van een middel.
Dit geldt des te meer nu de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord op geen enkele wijze reageert op de omstandige toelichting door de verwerende partij in haar memorie van antwoord waarin deze op concrete wijze uiteenzet op welke wijze de door artikel 19, § 2 en § 3, van het voormelde decreet opgelegde termijnen wel werden gerespecteerd.
7. Het middel is niet ontvankelijk.
XII-8046- 5/8
Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
8. Het tweede middel luidt:
“Schending van art. 17 en art. 19, §1 van het Decreet Bijzonder Wegtransport
1. Artikel 17 van het Decreet Bijzonder Wegtransport, basis voor de opgelegde administratieve geldboete, stelt onder meer als volgt:
§ 1. Voor inbreuken op dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan kunnen de door de Vlaamse Regering aangewezen wegen-
inspecteurs-controleurs en de Vlaamse Regering in graad van beroep een administratieve geldboete opieggen overeenkomstig de hierna bepaalde regels.
Uit deze bepaling, alsook uit het feit dat de opgelegde geldboete een strafrechtelijk karakter heeft, volgt dat enkel de door de Vlaamse Regering aangewezen wegeninspecteurs-controleurs een administratieve geldboete kunnen opleggen.
2. Uit de beslissing tot het opleggen van een geldboete blijkt dat de geldboete werd opgelegd door Mevrouw Christy Neven, aangeduid als medewerker.
Er kan geen twijfel bestaan over het feit dat Mevrouw Neven door de Regering niet werd aangeduid als Wegeninspecteur-Controleur.
Zij beschikt dan ook over geen enkele rechtsmacht, noch bevoegdheid om enige beslissing te nemen, laat staan deze te ondertekenen.
Zodoende werd geen geldige beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete genomen.
De beslissingen tot het opleggen van een geldboete zijn zodoende onregelmatig en dienen te worden vernietigd.”
9. In de memorie van wederantwoord voegt de verzoekende partij niets meer toe aan haar betoog in het inleidend verzoekschrift.
XII-8046- 6/8
Beoordeling
10. De kritiek van de verzoekende partij in het hier besproken middel lijkt gericht tegen de voormelde – eerste – beslissing, van 19 december 2014, tot het opleggen van een administratieve geldboete.
Uit de vermelding dat de beslissing van 19 december 2014 “in opdracht” van wegeninspecteur-controleur Peter Bulen door Christy Neven, medewerker, ondertekend werd, dient te worden afgeleid dat die beslissing door de wegeninspecteur-controleur werd genomen. Met die handtekening bevestigt de medewerker immers de authenticiteit van de beslissing van de wegen-
inspecteur-controleur.
Het feitelijk uitgangspunt van het middel faalt.
De vraag rijst overigens naar de ontvankelijkheid van de grief, omdat na ‘verzet’ van de verzoekende partij de beslissing die alsdan werd genomen op 28 april 2015, de handtekening draagt van de voormelde wegen-
inspecteur-controleur, Peter Bulen, en ten slotte de te dezen formeel bestreden beslissing deze is van 27 juli 2015 genomen voor de betrokken administra-
teur-generaal door het afdelingshoofd. Deze vraagstelling blijkt echter in het inleidend verzoekschrift onbesproken.
Het middel is niet gegrond.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro.
XII-8046- 7/8
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 30 mei 2017, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit:
Dierk Verbiest, kamervoorzitter, bijgestaan door Silja Doms, griffier.
De griffier De voorzitter
Silja Doms Dierk Verbiest
XII-8046- 8/8
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.331