Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.293 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.293 Généré par l'IA

Belgian State wins appeal; Court rejects asylum seeker's challenge to deportation order due to lack of procedural error.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.293
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State dismissed the asylum seeker's cassation appeal against a deportation order issued to her father, who was the basis of her residence permit. The applicant argued that the lower court failed to properly assess the validity of the marriage, but the court held it could not substitute its own judgment for the Refugee Board's findings. Consequently, the appeal was rejected, and the applicant was ordered to pay legal costs.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 16 and 23 of the Royal Decree of 30 November 2006 on cassation procedure; The Council of State cannot substitute its own judgment for the Refugee Board's assessment of facts and cannot find a procedural error where the lower court's reasoning is not manifestly flawed.

Mots-clés

Généré par l'IA
administrative cassation deportation order residence permit procedural error asylum seeker marriage validity legal costs visa de séjour

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 16 of the Royal Decree of 30 November 2006
Article 23 of the Royal Decree of 30 November 2006
Article 30/1, Section 2 of the Coordinated Laws on the Council of State
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

XIVe KAMER

nr. 238.293 van 23 mei 2017

in de zaak A. 216.869/XIV-36.643

In zake : XXX

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Raf Jespers kantoor houdend te 2018 Antwerpen Broederminstraat 38

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carmenta Decordier kantoor houdend te 9041 Gent-Oostakker Harlekijnstraat 9

I. Voorwerp van het cassatieberoep

1. Het cassatieberoep, ingesteld op 3 september 2015, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 150.283 van 31 juli 2015 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.

II. Verloop van de rechtspleging

2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 11.562 van 14 oktober 2015.

De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

XIV-36.643-1/20

Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.

Verzoeksterheeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ten einde te worden gehoord ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 december 2016.

Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Raf Jespers, die verschijnt voor verzoekster,en advocaat Tine Bricout, die loco advocaat Carmenta Decordier verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Verzoekster is van Turkse nationaliteit. Zij dient op 1 februari 2006 een aanvraag in voor een visum type D met het oog op gezinshereniging in functie van haar vader, die van Turkse nationaliteit is en gevestigd is in België op grond van zijn huwelijk met een Belgische onderdane. Dit huwelijk zal worden ontbonden op 7 april 2006.

XIV-36.643-2/20

Verzoeksters visumaanvraag wordt goedgekeurd op 12 juni 2006.

3.2. Met een arrest van het hof van beroep te Gent van 10 oktober 2012 wordt het eerdere huwelijk van verzoeksters vader met een Belgische onderdane vernietigd als zijnde een schijnhuwelijk.

3.3. De staatssecretaris voor Asiel en Migratie, Maatschappelijke Integratie en Armoedebestrijding beslist op 24 juni 2013 tot intrekking van het recht op vestiging en tot afgifte van een bevel om het grondgebied te verlaten in hoofde van verzoeksters vader. Eveneens op 24 juni 2013 beslist de staatssecretaris tot intrekking van verblijf en tot afgifte van een bevel om het grondgebied te verlaten in hoofde van verzoekster.

Met twee arresten van 22 oktober 2014 vernietigt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen respectievelijk de beslissing van 24 juni 2013 tot afgifte van een bevel om het grondgebied te verlaten in hoofde van verzoeksters vader en de beslissing van 24 juni 2013 tot intrekking van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten in hoofde van verzoekster zelf.

3.4. De staatssecretaris voor Asiel en Migratie, Maatschappelijke Integratie en Armoedebestrijding beslist op 12 november 2014 opnieuw tot intrekking van verblijf en tot afgifte van een bevel om het grondgebied te verlaten in hoofde van verzoekster. Hij beslist op dezelfde datum eveneens tot afgifte van een nieuw bevel om het grondgebied te verlaten in hoofde van verzoeksters vader.

Op 31 december 2014steltverzoekster tegen de in haren hoofde genomenbeslissing van 12 november 2014 een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.

XIV-36.643-3/20

Met een arrest van 31 juli 2015 verwerpt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het beroep tot nietigverklaring. Dit is het bestreden arrest.

IV. Onderzoek van de middelen

A. Eerste middel

Uiteenzetting van het middel

4. Verzoeksterwerpt in een eerste middel, waaraan zij in de memorie van wederantwoord niets wezenlijks toevoegt, de schending op van artikel 149 van de Grondwet en van de artikelen 11, § 2, en 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’(hierna: de vreemdelingenwet).

Verzoekster voert in een eerste middelonderdeel aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met het bestreden arrest artikel 11, § 2, eerste lid, 4°, van de vreemdelingenwet schendt door te stellen dat deze bepaling in feite de discretionaire bevoegdheid zou opheffen en als dusdanig zou volstaan als juridische grondslag en motief. Zij acht deze redengeving op twee punten foutief.

Vooreerst staat nergens in het voornoemde artikel 11, § 2, dat in het geval van het eerste lid, 4°, geen rekening moet worden gehouden met de aard en de hechtheid van de gezinsband, de duur van het verblijf of het bestaan van familiebanden of culturele of sociale banden met het land van herkomst. Artikel 11, § 2, roept daarentegen een discretionaire bevoegdheid in het leven en vormt wel een grondslag voor een verplicht onderzoek door de verwerende partij. De bepaling dat de voornoemde elementen moeten worden onderzocht in de gevallen van artikel 11, § 2, eerste lid, 1° tot 3°, van de vreemdelingenwet betekent niet dat ze principieel irrelevant zijn in het kader van de discretionaire bevoegdheid.

Vervolgens faalt volgens verzoekster het motief in het bestreden arrest dat “verzoekster niet aantoont dat in casu op grond van een wettelijke bepaling of van

XIV-36.643-4/20

een algemeen rechtsbeginsel verweerder verplicht was hiermee rekening te houden” aangezien die bijzondere motivering wel is vereist op grond van de discretionaire bevoegdheid die volgt uit artikel 11, § 2, van de vreemdelingenwet en het rechtsbeginsel van zorgvuldigheid annex redelijkheid.

Verzoekster voert in een tweede middelonderdeel aan dat het vertrekpunt van het bestreden arrest de aanvankelijk bestreden beslissing van 12 november 2014 moet zijn maar dat uit de lezing van dit arrest blijkt dat als enig motief de intrekking van de vestiging van verzoeksters vader wordt gebruikt. De aanvankelijk bestreden beslissing bevat geen enkele overweging betreffende de door verzoekster opgeworpen elementen inzake de discretionaire bevoegdheid van de verwerende partij op grond van artikel 11, § 2, van de vreemdelingenwet. Uit geen enkele overweging van die beslissing blijkt dat rekening is gehouden met de “concrete situatie” van verzoekster, doch de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen plaatst zich op de stoel van de verwerende partij en ontwikkelt een gans eigen redengeving met allerlei beschouwingen over de door verzoekster ingeroepen elementen. Verzoekster besluit dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bij de beoordeling van de materiëlemotiveringsplicht zijn beoordeling niet in de plaats mag stellen van de beoordeling door het bestuur.

Verzoekster voert in een derde middelonderdeel aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest voorbijgaat aan de door haar ingeroepen redenering uit een arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van 18 april 2014 betreffende de concrete en nauwgezette motiveringsplicht bij een discretionaire bevoegdheid. De stelling in het bestreden arrest dat, anders dan in die eerdere zaak, niet blijkt dat verzoeksters situatie wordt gekenmerkt door bepaalde concrete elementen die zich kunnen verzetten tegen het nemen van de aanvankelijk bestreden beslissing, is foutief en druist in tegen de redenering van het voornoemde arrest van 18 april 2014.

Verzoekster betwist ook de overweging in het bestreden arrest dat zij “een incorrecte lezing” van het voornoemde arrest zou geven. Anders dan hetgeen het bestreden arrest laat uitschijnen, gaat het arrest van 18 april 2014 ook over een

XIV-36.643-5/20

beslissing op grond van artikel 11, § 2, eerste lid, 4°, van de vreemdelingenwet waarbij fraude in aanmerking is genomen.

Verzoekster voert in een vierde middelonderdeel aan dat in het bestreden arrest voor de afwijzing van de ingeroepen schending van het zorgvuldigheidsbeginsel in essentie dezelfde overwegingen worden gebruikt als betreffende de motiveringsplicht terwijl het nochtans om twee zelfstandige juridische grondslagen gaat die afzonderlijk moeten worden beoordeeld.

Verzoekster had in het kader van de zorgvuldigheidsplicht opgeworpen dat rekening moest worden gehouden met haar concrete situatie en, wat die situatie betreft, met het feit dat de fraude niet door verzoekster zelf was gepleegd. Zij besluit dat deze essentiële beschouwingen worden genegeerd in het bestreden arrest.

Verzoekster voert in een vijfde middelonderdeel aan dat het adagium fraus omnia corrumpit wordt toegepast in het bestreden arrest terwijl dit algemeen rechtsbeginsel volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie enkel kan worden ingeroepen tegen degene die een fout heeft gemaakt en die bedrog heeft gepleegd.

Beoordeling

5. In artikel 11, § 2, van de vreemdelingenwet worden de gevallen opgesomd waarin “de minister of zijn gemachtigde kan beslissen dat de vreemdeling die op grond van artikel 10 toegelaten werd tot een verblijf in het Rijk […] niet meer het recht heeft om in het Rijk te verblijven”. Met het bestreden arrest wordt de wettigheid beoordeeld van een met toepassing van het eerste lid, 4°, van die bepaling genomen beslissing.

De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt in het bestreden arrest dat “door aan te geven dat de vervoegde vader fraude heeft gepleegd die van doorslaggevend belang was voor de erkenning van het

XIV-36.643-6/20

verblijfsrecht en hierbij ook bijkomend aan te […]geven dat verzoekster beschikte over een verblijfsrecht dat is afgeleid van een recht op vestiging van een gezinslid dat werd ingetrokken omdat dit was verkregen door fraude en de rechtsbasis hiervan is verdwenen - en aldus ab initio als onbestaande dient te worden beschouwd -, kan worden aangenomen dat verweerder een pertinente en voldoende draagkrachtige motivering heeft voorzien waarom hij opteerde voor de toepassing van artikel 11, § 2, eerste lid, 4° van de vreemdelingenwet en waarom hij van mening is dat verzoekster haar verblijfsrecht toegekend op grond van artikel 10

van de vreemdelingenwet niet vermag te behouden”. Hij vervolgt dat “verweerder […] aldus ook duidelijk [heeft] aangegeven waarom hij zo zwaar tilt aan de feiten dat hij meent dat dit in casu een intrekking rechtvaardigt en waarbij hij ook heeft aangegeven dat voor hem verzoekster verblijfsrechtelijk de situatie volgt van het gezinslid dat zij in België heeft vervoegd en wiens verblijfsrecht reeds werd ingetrokken, waardoor ook het afgeleide verblijfsrecht niet kan worden gehandhaafd”. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kan verzoekster “gelet op deze motivering geenszins voorhouden als zou op geen enkele wijze rekening zijn gehouden met haar concrete situatie”.

De stelling van verzoekster als zou de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de discretionaire bevoegdheid van de verwerende partij in feite opheffen, berust op een foutieve lezing van het bestreden arrest. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt immers dat de aanvankelijk bestreden beslissing een afdoende en pertinente motivering bevat waarom de verwerende partij te dezen van oordeel is dat ook het afgeleide verblijfsrecht van verzoekster moet worden ingetrokken, rekening houdend met haar concrete situatie.

De stelling van verzoekster dat “de hechtheid van de gezinsband, de duur van het verblijf of het bestaan van familiebanden of culturele en sociale banden met het land van herkomst” uitdrukkelijk in de beoordeling moeten worden betrokken bij het nemen van de aanvankelijk bestreden beslissing, faalt naar recht.

Artikel 11, § 2, vijfde lid voorziet enkel dat de verwerende partij rekening moet

XIV-36.643-7/20

houden met “de aard en de hechtheid van de gezinsband van de betrokken persoon en met de duur van zijn verblijf in het Rijk, alsmede met het bestaan van familiebanden of culturele en sociale banden met zijn land van herkomst” bij een beslissing om een einde te stellen aan het verblijf op basis van het eerste lid, 1°, 2°

of 3°, maar dit is niet voorzien voor een beslissing die, zoals de aanvankelijk bestreden beslissing, is genomen op basis van het eerste lid, 4°. Louter uit het feit dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aanvaardt dat de aanvankelijk bestreden beslissing geen motivering hoefde te bevatten over de voormelde door verzoekster aangehaalde elementen, kan derhalve geen schending van artikel 11, § 2, eerste lid, 4°, van de vreemdelingenwet worden afgeleid.

Het eerste onderdeel van het eerste middel is ongegrond.

6. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geeft in het bestreden arrest aan waarom hij van oordeel is dat de aanvankelijk bestreden beslissing afdoende is gemotiveerd. Na de supra in punt 5 aangehaalde redenen, zet de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nog uiteen waarom “niet [kan] worden vastgesteld dat een bijzondere motivering zich opdrong in de genomen intrekkingsbeslissing betreffende de thans door verzoekster aangehaalde elementen”. Daarmee heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich niet in de plaats van het bestuur gesteld doch enkel de door verzoekster voorgehouden schending van de motiveringsplicht onderzocht aan de hand van de door verzoekster zelf opgeworpen kritiek.

Het tweede onderdeel van het eerste middel is ongegrond.

7. Verzoekster acht de redengeving in het bestreden arrest betreffende de vergelijking tussen de huidige zaak en de met het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nr. 122.728 van 18 april 2014 beoordeelde zaak “foutief”, doch zij geeft niet aan welke bepaling of beginsel zij daarmee geschonden acht. Met de verwijzing naar een andere beoordeling van een volgens

XIV-36.643-8/20

haar vergelijkbare zaak toont verzoekster alleszins geen schending aan van artikel 11, § 2, eerste lid, 4°, van de vreemdelingenwet.

Waar verzoekster aanvoert dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “ten onrechte uit de [aanvankelijk bestreden]

beslissing afleidt dat de zorgvuldigheidsverplichting en redelijkheidsverplichting gerespecteerd werden”, dient te worden opgemerkt dat de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is om in de plaats van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen na te gaan of die beslissing al dan niet op zorgvuldige of redelijke wijze is genomen omdat zulks een beoordeling van de zaak zelf zou inhouden.

Het derde onderdeel van het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

8. In punt 2.2.2.2 van het bestreden arrest wordt, na een uitgebreide uiteenzetting over de motivering van de aanvankelijk bestreden beslissing en over de vraag of de door verzoekster aangehaalde elementen in aanmerking moesten worden genomen, dit in het licht van artikel 11, § 2, eerste lid, 4°, van de vreemdelingenwet en met een vergelijking met de feitelijke gegevens die ten gronde lagen aan het door verzoekster aangehaalde arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nr. 122.728 van 18 april 2014, overwogen dat de aanvankelijk bestreden beslissing verzoekster niet verhindert om op basis van haar opgebouwde integratie en haar privéleven of voorgenomen hogere studies een aanvraag in te dienen bij het bestuur, deze laatste evenwel op eigen gronden en niet als afgeleid verblijfsrecht van een schijnhuwelijk. Er wordt overwogen dat verzoekster niet aannemelijk maakt dat het in strijd is met de redelijkheid om te besluiten dat een vreemdeling geen verblijfsrechtelijk voordeel kan genieten dat het gevolg is van bedrog en dat enkel is afgeleid uit een huwelijk van een gezinslid met een Belgische onderdaan, huwelijk dat werd vernietigd wegens schijnhuwelijk. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt onder meer dat de uiteenzetting van verzoekster niet toelaat te besluiten dat de aanvankelijk bestreden

XIV-36.643-9/20

beslissing op onzorgvuldige wijze is genomen en dat een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel niet wordt aangetoond.

De kritiek van verzoekster is dus in het bestreden arrest mede onderzocht in het licht van de aangevoerde schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. Waar verzoekster het tegendeel voorhoudt, gaat zij uit van een foutieve lezing van het bestreden arrest.

Het vierde onderdeel van het eerste middel is ongegrond.

9. In punt 2.2.2.1 van het bestreden arrest wordt vastgesteld dat in de aanvankelijk bestreden beslissing “wordt overgegaan tot de intrekking van het verblijfsrecht van verzoekster op grond van artikel 11, § 2, eerste lid, 4° van de Vreemdelingenwet, bepaling die toelaat vast te stellen dat een vreemdeling die op grond van artikel 10 van deze wet werd toegelaten tot een verblijf niet meer het recht heeft om in het Rijk te verblijven indien de vervoegde persoon fraude heeft gepleegd of onwettige middelen heeft gebruikt die van doorslaggevend belang zijn geweest voor de erkenning van dit recht op verblijf”. In het bestreden arrest wordt derhalve de toepassing van een wettelijke bepaling aangehaald en niet van het algemeen rechtsbeginsel fraus omnia corrumpit. Verzoeksters kritiek berust op een foutieve lezing van het bestreden arrest.

Het vijfde onderdeel van het eerste middel is ongegrond.

10. Het eerste middel kan niet tot cassatie leiden.

B. Tweede middel

Uiteenzetting van het middel

11. Verzoekster werpt in een tweede middel, waaraan zij in de memorie van wederantwoord niets wezenlijks toevoegt, de schending op van

XIV-36.643-10/20

artikel 149 van de Grondwet, van de artikelen 11, § 2, en 39/65 van de vreemdelingenweten van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM).

Verzoekster voert aan dat zij voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen had laten gelden dat de aanvankelijk bestreden beslissing een afweging van haar gezins- en sociaal leven had moeten bevatten in het licht van artikel 8 van het EVRM. Dit ontbreekt en in de plaats daarvan bevat het bestreden arrest een volledig eigen redenering, waardoor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich volgens verzoekster op de stoel van de verwerende partij plaatst.

In ondergeschikte orde voert verzoekster aan dat de motivering van het bestreden arrest faalt wat betreft de weerlegging van het in aanmerking nemen van haar familieleven. De overweging dat “niet ernstig kan betwist worden dat de beslissing één van de in artikel 8, tweede lid van het EVRM opgesomde doelen nastreeft, namelijk het vrijwaren van de openbare orde in het kader van de handhaving van de verblijfsreglementering” gaat niet op in het algemeen vermits de openbare orde een individueel onderzoek naar de persoon vereist. Verzoekster beschouwt de uitvoerige concrete motieven in het bestreden arrest ten dele als erg subjectief en betwistbaar en er wordt door geïllustreerd hoe de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich volledig in de plaats van de verwerende partij stelt.

Waar in het bestreden arrest betreffende de schending van het redelijkheidsbeginsel in het kader van artikel 8 van het EVRM wordt verwezen naar artikel 11, § 2, eerste lid, 4°, van de vreemdelingenwet, acht verzoekster dit strijdig met artikel 8 van het EVRM dat een hogere norm is.

XIV-36.643-11/20

Beoordeling

12. De kritiek van verzoekster dat in de aanvankelijk bestreden beslissing geen toepassing is gemaakt van artikel 8 van het EVRM, laat staan dat een proportionaliteitsafweging is gemaakt, wordt in het bestreden arrest beantwoord met de overweging “dat artikel 8 van het EVRM zelf geen motiveringsplicht oplegt aan verweerder en deze verdragsbepaling ook niet voorziet dat uit de motieven van een bestuurlijke beslissing moet blijken dat een evenredigheidsafweging werd doorgevoerd (RvS 21 november 2003, nr. 125.588)”.

Daarmee is voldaan aan de in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet vastgelegde motiveringsplicht als vormvereiste voor jurisdictionele beslissingen.

Het tweede middel is in die mate ongegrond.

13. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vermag als annulatierechter te onderzoeken of aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 8

van het EVRM is voldaan en of voldaan is aan de voorwaarden voor een inmenging in het gezinsleven wanneer een schending van die verdragsbepaling wordt opgeworpen. Door dit in punt 2.3.2.1 van het bestreden arrest te onderzoeken aan de hand van de door verzoekster aangevoerde elementen en te besluiten dat een schending van artikel 8 van het EVRM niet blijkt, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn bevoegdheid als annulatierechter niet overschreden en zich niet in de plaats van het bestuur gesteld om de aanvankelijk bestreden beslissing zelf te motiveren. Verzoekstertoont geen onwettigheid aan in de concrete motieven van het bestreden arrest betreffende de toepassing van artikel 8 van het EVRM. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen merkt terecht op dat artikel 8 van het EVRM geen bijzondere motiveringsplicht oplegt.

Verzoekster merkt op dat de Raad voor Vreemdelingen-

betwistingen met betrekking tot de aangevoerde “schending van het

XIV-36.643-12/20

redelijkheidsbeginsel in het kader van artikel 8 van het EVRM” verwijst naar artikel 11, § 2, eerste lid, 4°, van de vreemdelingenwet, doch zij toont niet aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen daarmee de inhoud van artikel 8 van het EVRM heeft geschonden.

Het tweede middel is in de mate ongegrond.

14. Het tweede middel kan niet tot cassatie leiden.

C. Derde middel

Uiteenzetting van het middel

15. Verzoeksterwerpt in een derde middel, dat zij in de memorie van wederantwoord herhaalt, de schending op van artikel 149 van de Grondwet, van de artikelen 11, § 2, 39/65 en 74/13 van de vreemdelingenwet en van artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

Verzoekster voert aan dat de Raad voor Vreemdelingen-

betwistingen niet antwoordt op haar kritiek dat het aanvankelijk bestreden bevel om het grondgebied te verlaten geen enkele overweging bevat in het kader van artikel 74/13 van de vreemdelingenwet. Dit artikel verplicht de verwerende partij “rekening te houden” met het hoger belang van het kind en het gezins- en familieleven van de betrokkenen, hetgeen enkel kan blijken door een verwijzing ernaar in het bevel. Volgens verzoekster is het bestreden arrest tegenstrijdig door enerzijds te stellen dat de opname van die verplichting geen steunt vindt in de wet en anderzijds te stellen dat wel degelijk rekening is gehouden met het bestaan van het gezinsleven door de dossiers van de verschillende leden van het kerngezin samen te beoordelen. Anders dan in het bestreden arrest wordt voorgehouden, blijkt noch uit het bevel noch uit het dossier dat rekening is gehouden met bepaalde aspecten van het gezinsleven.

XIV-36.643-13/20

Verzoekster betoogt verder dat in het bestreden arrest allerlei eigen beschouwingen worden gemaakt over haar gezinsleven die op geen enkel objectief onderzoek zijn gesteund om te besluiten dat het hoorrecht niet had kunnen leiden tot een andere beslissing. Bovendien moest het aanvankelijk bestreden bevel worden beoordeeld vanuit het afdoende karakter van de motivering, hetgeen ook het evenredigheidsbeginsel inhoudt. In het bestreden arrest wordt geen enkele overweging gemaakt over het evenredigheidsbeginsel, ook niet met betrekking tot artikel 74/13 van de vreemdelingenwet en het hoorrecht.

Beoordeling

16. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft meermaals gesteld dat artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie niet is gericht tot de lidstaten maar uitsluitend tot de instellingen, organen en instanties van de Unie. Verzoekster kan er bijgevolg geen recht aan ontlenen om in elke procedure betreffende haar verblijfsrecht te worden gehoord (HvJ 11 december 2014, Boudjlida, C-249/13; HvJ 5 november 2014, Mukaburega, C-166/13; HvJ 17 juli 2014, Ys e.a., C-141/12 en C-372/12).

Het derde middel is in die mate niet-ontvankelijk.

17. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt in punt 2.4.2.2

van het bestreden arrest dat uit artikel 74/13 van de vreemdelingenwet slechts kan worden afgeleid dat de verwerende partij bij het nemen van een verwijderingsbeslissing rekening moet houden met het hoger belang van het kind, het gezins- en familieleven en de gezondheidstoestand van de betrokken vreemdeling, maar dat dit niet uit de motivering zelf moet blijken. Het bestuur moet toelichten op welke grond het een verwijderingsbeslissing neemt doch niet waarom het van oordeel is dat er geen beletsel bestaat om zulke beslissing te nemen. Dit geldt volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen des te meer nu verzoekster niet aantoont dat er te dezen concrete, relevante elementen spelen die

XIV-36.643-14/20

de verwerende partij in rekening had moeten brengen en die enige specifieke motivering zouden vereisen.

Met deze motivering heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de kritiek van verzoekster beantwoord dat het aanvankelijk bestreden bevel geen overwegingen bevatte betreffende artikel 74/13

van de vreemdelingenwet. De overweging in het bestreden arrest dat de motieven niet formeel in het aanvankelijk bestreden bevel moeten worden weergegeven is niet strijdig met de overweging dat uit het administratief dossier moet blijken dat rekening is gehouden met de in artikel 74/13 van de vreemdelingenwet bedoelde belangen. Derhalve toont verzoekster geen schending aan van de in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet vastgelegde motiveringsplicht als vormvereiste voor jurisdictionele beslissingen.

Het derde middel is in die mate ongegrond.

18. Na in punt 2.4.2.2 te hebben vastgesteld dat verzoekster niet aantoont dat er te dezen concrete, relevante elementen spelen die de verwerende partij in rekening had moeten brengen en die enige specifieke motivering zouden vereisen, wordt in het bestreden arrest met verwijzing naar de elementen uit het administratief dossier geoordeeld dat geen schending blijkt van artikel 74/13 van de vreemdelingenwet, meer bepaald van de in die bepaling bedoelde belangen.

In punt 2.4.2.4 van het bestreden arrest wordt verder overwogen dat, om te besluiten tot een onrechtmatigheid van het aanvankelijk bestreden bevel wat het recht om te worden gehoord betreft, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moet nagaan of de administratieve procedure een andere afloop had kunnen hebben doordat verzoekster dienstige inlichtingen had kunnen aanvoeren. Verzoekster verwees daartoe voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen naar een hechte, affectieve band met haar zus en een relatie met een Belgische vriend. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gaat deze elementen na en overweegt dat ze hetzij gekend waren door de verwerende

XIV-36.643-15/20

partij hetzij niet concreet bewezen zijn. Hij besluit dat verzoekster dan ook niet aannemelijk maakt dat zij, indien zij nog bijkomend was gehoord, aanvullende inlichtingen had kunnen verstrekken die het bestuur niet kende en die vermochten te leiden tot een andere beslissing, zodat een schending van de hoorplicht niet wordt aanvaard.

Uit die motivering blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel degelijk de kritiek van verzoekster heeft onderzocht in het licht van een voorgehouden schending van het hoorrecht en niet enkel van artikel 74/13 van de vreemdelingenwet. Dit onderzoek gebeurde uiteraard in het licht van artikel 74/13 vermits verzoekster net betoogde dat zij had moeten worden gehoord betreffende de elementen waarmee de verwerende partij rekening moest houden overeenkomstig die bepaling.

Het derde middel is in die mate ongegrond.

19. Verzoekster voert nog aan dat het voormelde onderzoek eveneens had moeten gebeuren in het licht van het evenredigheidsbeginsel. Zij heeft de schending van dit beginsel evenwel niet opgeworpen voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, zodat het in die mate om een nieuw middel gaat dat niet voor het eerst kan worden opgeworpen voor de Raad van State als administratieve cassatierechter.

Het derde middel is in die mate niet-ontvankelijk.

20. Het derde middel kan niet tot cassatie leiden.

XIV-36.643-16/20

D. Vierde middel

Uiteenzetting van het middel

21. Verzoekster werpt in een vierde middel, dat zij in de memorie van wederantwoord herhaalt, de schending op van artikel 149 van de Grondwet, van de artikelen 7, 11, § 2, 39/65 en 74/13 van de vreemdelingenwet en van artikel 26/4, § 1, van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: het vreemdelingenbesluit).

Verzoekster voert aan dat er slechts een (betwiste) motivering is voor de aanvankelijk bestreden beslissing tot intrekking van het verblijf maar niet voor het aanvankelijk bestreden bevel. Voor dit laatste is er enkel de verwijzing naar artikel 7, eerste lid, 2°, van de vreemdelingenwet. De motieven voor de intrekking van het verblijf gelden niet voor het bevel vermits het gaat om afzonderlijke beslissingen met een eigen rechtsgrond. Verzoekster laat gelden dat het bevel ook moest worden gemotiveerd vanuit de discretionaire bevoegdheid van de verwerende partij vermits artikel 26/4 van het vreemdelingenbesluit voorziet dat het bevel “zo nodig” wordt gegeven.

Beoordeling

22. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in punt 2.5.2 van het bestreden arrest dat “verzoekster zelf aangeeft dat zij er kennis van heeft dat haar ingevolge artikel 7, eerste lid, 2° van de vreemdelingenwet bevel wordt gegeven om het grondgebied te verlaten, omdat zij langer in het Rijk verblijven dan de overeenkomstig artikel 6 van de vreemdelingenwet bepaalde termijn of er niet in slagen het bewijs te leveren dat deze termijn niet overschreden werd” en dat “in de voorafgaand aan het bevel om het grondgebied te verlaten genomen beslissing tot intrekking van het verblijfsrecht die in dezelfde akte is opgenomen […] verder op duidelijke wijze [wordt] aangegeven dat verzoekster

XIV-36.643-17/20

met een visum type D afreisde naar België en vervolgens in het bezit werd gesteld van een verblijfstitel, doch het verblijfsrecht waarmee zij vervolgens in België verbleef dient te worden ingetrokken”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen besluit dat “verzoekster [aldus] kennis [heeft] kunnen nemen van de overwegingen in rechte en in feite die aan het bevel om het grondgebied te verlaten ten grondslag liggen en heeft […] kunnen nagaan of het zin heeft het bevel om het grondgebied te verlaten aan te vechten met de beroepsmogelijkheden waarover zij in rechte beschikt”.

Verzoekster toont niet aan dat de voormelde motieven van het bestreden arrest in strijd zijn met één van de aangehaalde bepalingen. Verder komt het de Raad van State als administratieve cassatierechter niet toe om zelf in de plaats van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te oordelen of de motivering van het aanvankelijk bestreden bevel afdoende is of niet.

23. Het vierde middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond en kan derhalve niet tot cassatie leiden.

V. Begroting van de rechtsplegingsvergoeding

24. De verwerende partij vraagt met een tijdig ingediende vereffeningsnota de rechtsplegingsvergoeding te begroten op 700 euro ten laste van verzoekster.

25. Wat betreft de begroting van de omvang van de rechtsplegingsvergoeding, bepaalt artikel 30/1, § 2, van de gecoördineerdewetten op de Raad van State:

“§ 2. De afdeling bestuursrechtspraak kan, bij met bijzondere redenen omkledebeslissing, de vergoeding verlagen of verhogen, zonder echter de door de Koningvoorziene maximale en minimale bedragen te overschrijden. In haar beoordelinghoudt ze rekening met:

1° de financiële draagkracht van de in het ongelijk gestelde partij, om hetbedrag van de vergoeding te verlagen;

2° de complexiteit van de zaak;

XIV-36.643-18/20

3° de kennelijk onredelijke aard van de situatie.

Indien de in het ongelijk gestelde partij juridische tweedelijnsbijstand geniet, wordt de rechtsplegingsvergoeding vastgelegd op het door de Koning bepaalde minimale bedrag, behalve in geval van een kennelijk onredelijke situatie. Wat dit betreft, omkleedt de afdeling bestuursrechtspraak haar beslissing tot vermindering of verhoging met bijzondere redenen.

[…]”

Te dezen geniet verzoekster juridische tweedelijnsbijstand. De rechtsplegingsvergoeding ten laste van verzoekster als in het ongelijk gestelde partij dient derhalve op grond van artikel 30/1, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State te worden herleid tot het bedrag van 140 euro. De verwerende partij toont geen “kennelijk onredelijke situatie” aan die het verantwoordt van dat minimum af te wijken.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.

2. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.

XIV-36.643-19/20

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig mei tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:

Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, met bijstand van Joris Casneuf, griffier.

De griffier De voorzitter

Joris Casneuf Geert Debersaques

XIV-36.643-20/20

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.293