Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.178 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.178 Généré par l'IA

Belgian court dismisses appeal due to failure to request continuation of proceedings after rejection of stay.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.178
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Court of Administrative Justice dismissed the applicant's appeal for non-annulment of the Flemish Government's subsidy decision. The applicant had previously failed to request a stay of execution, which was subsequently rejected. Consequently, the court applied the statutory presumption of withdrawal of proceedings because the applicant did not file a request to continue the litigation within the required thirty-day period. The decision was based on the applicant's procedural inaction rather than the merits of the underlying subsidy dispute.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 17, § 7 of the Council of State Act; Upon rejection of a stay of execution, failure to request continuation of proceedings within thirty days triggers a presumption of withdrawal of the case.

Mots-clés

Généré par l'IA
presumption of withdrawal continuation of proceedings stay of execution administrative litigation procedural default Flemish Government subsidy decision

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 17, § 7 of the Council of State Act, coordinated on 12 January 1973
Article 11/3, § 1 of the Decree of the Regent of 23 August 1948

Jurisprudence citée

Généré par l'IA
Arrêt nr. 237.017 van 12 januari 2017

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE IXe KAMER

nr. 238.178 van 11 mei 2017

in de zaak A. 220.256/IX-8920

In zake: de VZW KUNST

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Veerle Tollenaere kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

de VLAAMSE GEMEENSCHAP

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Frederik Vandendriessche, Ian Arnouts en Alexandre Peytchev kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 12 september 2016, strekt tot de nie-

tigverklaring van “de beslissing van de Vlaamse Regering van 29 juni 2016 over de toekenning van de vijfjarige werkingssubsidies 2017-2021, zowel wat betreft het (impliciet) niet toekennen van een (structurele) werkingssubsidie aan de [vzw Kunst] als het toekennen van (structurele) werkingssubsidies aan andere aanvra-

gers”.

II. Verloop van de rechtspleging

2. Bij arrest nr. 237.017 van 12 januari 2017 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen.

IX-8920-1/3

Het genoemde arrest is op 20 januari 2017 aan de verzoekende partij ter kennis gebracht.

Op 20 april 2017 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan de verzoekende partij de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 11/3, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuurs-

rechtspraak van de Raad van State’.

De verzoekende partij heeft niet gevraagd om te worden ge-

hoord.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge-

coördineerd op 12 januari 1973.

III. Beoordeling

3. Naar luid van artikel 17, § 7, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, geldt ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding wanneer zij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement is afgewezen, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de ken-

nisgeving van het arrest.

4. De verzoekende partij heeft geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend.

5. Het vermoeden van afstand van geding is te dezen van toepas-

sing.

IX-8920-2/3

IV. Kosten

6. De verwerende partij vordert in haar nota een verhoogde rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 840 euro.

Gelet op het bepaalde in artikel 67, § 2, derde lid, van het voormelde besluit van de Regent van 23 augustus 1948 is er evenwel aanleiding om de rechtsplegingsvergoeding te beperken tot het basisbedrag, zijnde 700 euro.

BESLISSING

1. De Raad van State stelt de afstand van geding vast.

2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsver-

goeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 11 mei 2017, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:

Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier.

De griffier De voorzitter

Vera Wauters Geert Van Haegendoren

IX-8920-3/3

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.178