Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.158 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.158 Généré par l'IA

Council of State announces silence on appeal due to lack of reasoning and orders new explicit decision within 60 days.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.158
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Partiellement admis (Partially Allowed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State annulled the Brussels Regional Government's silence regarding an administrative appeal against a soil contamination equivalence declaration. The court found the government failed its duty of care and motivation by not addressing the applicant's arguments in its confirmation of the Environmental College's decision to declare the appeal inadmissible. Consequently, the government was ordered to issue a new explicit decision on the appeal within 60 days.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 35, § 3 and 43, § 3 of the Ordinance of 5 March 2009 on the management and remediation of contaminated soils; A decision remaining silent on an administrative appeal constitutes a failure of the duty of care and motivation, requiring the authority to issue a new explicit decision within a set timeframe.

Mots-clés

Généré par l'IA
administrative appeal duty of care duty of motivation silence on appeal soil contamination equivalence declaration new explicit decision restitution d'immeuble

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Articles 35, § 3 and 43, § 3 of the Ordinance of 5 March 2009 on the management and remediation of contaminated soils
Article 56, § 3, first paragraph of the Ordinance of 5 March 2009
“Krachtens art. 56, § 1 van de Ordonnantie van 5 maart 2009 kan tegen een beslissing van het Milieucollege een beroep worden ingesteld bij de Brusselse Hoofdstedelijke Regering.
Article 36, § 1 of the Law on the Council of State
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VIIe KAMER

nr. 238.158 van 11 mei 2017

in de zaak A. 214.435/VII-39.270.

In zake : de NV TRAFIMMO

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Flamey kantoor houdend te 2018 Antwerpen Jan Van Rijswijcklaan 16

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

het BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Ivan-Serge Brouhns en Youri Musschebroeck kantoor houdend te 1170 Brussel Terhulpsesteenweg 178

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 9 december 2014, strekt tot de nietigverklaring van “de stilzwijgende beslissing van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 13 oktober 2014 tot bevestiging van de beslissing van het Milieucollege van 10 maart 2014 waarbij het administratief beroep ingesteld tegen de gelijkvormigheidsverklaring door het Brussels Instituut voor Milieubeheer van 10 december 2013 [...] onontvankelijk werd verklaard”.

II. Verloop van de rechtspleging

2. Bij arrest nr. 235.752 van 15 september 2016 is het debat heropend en wordt het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat gelast met een aanvullend verslag.

VII-39.270-1/16

Auditeur Dieter Decock heeft een aanvullend verslag opgesteld.

De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 april 2017.

Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Astrid Lippens, die loco advocaat Peter Flamey verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaten Ivan-Serge Brouhns en Youri Musschebroeck, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. De verzoekende partij is de voormalige eigenaar van een terrein, gelegen aan de Steenweg op Drogenbos 187 te Ukkel.

3.2. Op 8 juli 2013 wordt voor dit terrein een gecombineerd sanerings- en risicobeheersvoorstel opgemaakt namens de NV Besix Real Estate Development.

VII-39.270-2/16

3.3. Het Brussels Instituut voor Milieubeheer (hierna: BIM) verklaart dit sanerings- en risicobeheersvoorstel op 10 december 2013 gelijkvormig.

De gelijkvormigheidsverklaring wordt met verwijzing naar artikel 35, § 3, en 43, § 3, van de ordonnantie van 5 maart 2009 betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems (hierna: bodemordonnantie)

onder meer betekend aan de NV Besix Real Estate Development en de verzoekende partij in haar “hoedanigheid van houder van de verplichting tot behandeling van de verontreiniging op bovengenoemd terrein”.

3.4. De verzoekende partij stelt op 10 januari 2014 bestuurlijk beroep in tegen deze gelijkvormigheidsverklaring van het BIM waarin zij wijst op de verkoop op 15 januari 2008 van het terrein aan de NV Besix Real Estate Development die erkent op de hoogte te zijn van bepaalde noodzakelijke saneringswerken. Zij stelt met verwijzing naar artikel 55, § 1, van de bodemordonnantie dat zij belang heeft bij haar administratief beroep omdat “de BIM in de (verkeerde) veronderstelling [verkeert] dat de N.V. Trafimmo gehouden zou zijn tot de bodemsanering waarvan sprake in het saneringsvoorstel en het risicobeheervoorstel”. Zij stelt dat zij “niet de exploitant is, noch de houder van zakelijke rechten, noch tenslotte een geïdentificeerbare persoon is die de vervuiling heeft veroorzaakt”.

3.5. Het Milieucollege van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (hierna: Milieucollege) verklaart dit bestuurlijk beroep onontvankelijk bij besluit van 10 maart 2014.

Naar aanleiding van een brief van het BIM van 10 februari 2014

die de verzoekende partij aan het Milieucollege heeft overhandigd en waarin het BIM bevestigt dat de verzoekende partij “vrijgesteld wordt van haar verplichtingen om de bodem op bovenvermelde site te behandelen, in toepassing van artikel 23§3

van de bovenvernoemde ordonnantie”, verklaart het Milieucollege het

VII-39.270-3/16

administratief beroep van de verzoekende partij onontvankelijk op grond van volgende overwegingen:

“De brief van het BIM van 10 februari 2014 is een uitdrukkelijke instemming in de zin van het tweede lid van artikel 23, § 3, van de Ordonnantie met de overdracht van de verplichtingen die krachtens de bestreden beslissing rusten op nv Trafimmo op de nv Besix Real Estate Development. Op basis van de elementen waarover het Milieucollege beschikt verzet niets zich tegen deze uitdrukkelijke instemming, die op zich al niet het voorwerp van het beroep was.

Hieruit volgt, overeenkomstig artikel 23, § 3, derde lid, van de Ordonnantie, dat de nv Trafimmo niet langer de houder van de verplichtingen zoals omschreven in de bestreden beslissing is. Hieruit volgt ook dat nv Trafimmo geen belang meer heeft bij de vernietiging van de bestreden beslissing, in de mate dat zij erdoor niet langer wordt geraakt”.

3.6. De verzoekende partij stelt tegen deze beslissing van het Milieucollege op 10 april 2014 bestuurlijk beroep in. Wat betreft de ontvankelijkheid van haar administratief beroep betoogt de verzoekende partij in haar beroepschrift wat volgt:

“Krachtens art. 56, § 1 van de Ordonnantie van 5 maart 2009 kan tegen een beslissing van het Milieucollege een beroep worden ingesteld bij de Brusselse Hoofdstedelijke Regering.

In deze werd een beroep ingesteld bij het Milieucollege in toepassing van art. 55, § 1 van de Ordonnantie van 5 maart 2009 onontvankelijk verklaard.

Art. 55, § 1, tweede lid van de Ordonnantie van 5 maart 2009 bepaalt nochtans dat de volgende personen een beroep kunnen instellen bij het Milieucollege:

- De houder van de verplichtingen resulterend uit de akte waartegen beroep wordt aangetekend;

- Iedere natuurlijke of rechtspersoon die getroffen wordt of kan worden door de gevolgen van de uitvoering van de handelingen bedoeld in het eerste lid van art. 55 van de Ordonnantie van 5 maart 2009;

- Elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een belang kan aantonen.

In de mate dat de overname van de zogenaamde verplichtingen inzake de behandeling van bodemverontreiniging in hoofde van de N.V. Trafimmo rechtsgeldig conform art. 23, § 3 van de Ordonnantie van 5 maart 2009 kon worden overgenomen door de N.V. Besix Real Estate Development, behoudt de N.V. Trafimmo haar belang bij het beroep tegen de gelijkvormigheidsverklaring van het BIM van het sanerings- en risicobeheervoorstel betreffende het onroerend goed gelegen te Ukkel, Steenweg op Drogenbos 187. De omschrijving van het belang in art. 55, § 1, tweede lid van de Ordonnantie van 5 maart 2009 is immers ruimer dan louter de

VII-39.270-4/16

personen die formeel worden aangeduid als een houder van een verplichting in de zin van de Ordonnantie. Elke rechtspersoon die een belang kan aantonen beschikt over het rechtens vereiste belang om een beroep in te stellen.

Na de overname van de zogenaamde verplichtingen die krachtens de gelijkvormigheidsverklaring van het BIM op de N.V. Trafimmo zouden rusten door de N.V. Besix Real Estate Development, bestaat het belang van de N.V. Trafimmo erin om de gelijkvormigheidsverklaring uit het rechtsverkeer te laten verwijderen. Door de hervorming of vernietiging van deze beslissing zal komen vast te staan dat er in hoofde van de N.V. Trafimmo geen enkele verplichting inzake bodemsanering bestaat en dat deze verplichting ook nooit heeft bestaan. In haar administratief beroepschrift werd aangetoond dat de N.V. Trafimmo niet kon worden aangeduid als gehouden tot de verplichtingen van het sanerings- en risicobeheervoorstel zoals gelijkvormig verklaard door het BIM. De overname van haar zogenaamde verplichtingen in toepassing van art. 23, § 3 van de Ordonnantie van 5 maart 2009 doet de administratieve beslissing die vaststelde dat er gronden waren om deze verplichting in hoofde van de N.V. Trafimmo vast te stellen, niet teniet. Integendeel, de beslissing van het BIM waarbij het sanerings- en risicobeheervoorstel gelijkvormig wordt verklaard, blijft bestaan. Een overname op grond van art. 23, § 3 van de Ordonnantie van 5 maart 2009 doet de administratieve beslissing waarbij aan de N.V. Trafimmo bepaalde verplichtingen in het kader van de Ordonnantie worden opgelegd niet verdwijnen, maar zorgt er alleen voor dat jegens de N.V. Trafimmo geen gehoudenheid meer zou bestaan om deze verplichtingen effectief uit te voeren.

In hoofde van de N.V. Trafimmo bestaat bovendien het ernstig risico dat de N.V. Besix Real Estate Development de gemaakte kosten zal ten onrechte pogen terug te vorderen. De N.V. Besix heeft immers op eigen initiatief en zonder de N.V. Trafimmo te raadplegen een voorstel tot overname van de verplichtingen die krachtens de gelijkvormigheidsverklaring op de N.V Trafimmo rusten overgenomen. Een dergelijk manoeuvre kadert ongetwijfeld in de strategie van de N.V. Besix om haar vastgoedprojecten op de site zo snel als mogelijk te realiseren. De overname op grond van art. 23, § 3 van de Ordonnantie van 5 maart 2009 verhindert dan ook in geen geval dat de kosten die een dergelijke overname met zich brengen zij het ten onrechte teruggevorderd zou kunnen worden in het kader van een burgerlijke procedure.

Het belang van de N.V. Trafimmo bestaat erin de gelijkvormigheidsverklaring te laten hervormen of vernietigen, zodat in rechte komt vast te staan dat zij op grond van de Ordonnantie niet kan warden beschouwd als verantwoordelijk voor enige bodemverontreiniging. De N.V. Trafimmo had en heeft zodoende een voldoende belang om tegen de gelijkvormigheidsverklaring een beroep in te stellen, ook na de overname op grond van art. 23, § 3 van de Ordonnantie van 5 maart 2009. Het belang wordt volgens de Ordonnantie immers niet beperkt tot de houder van de verplichtingen maar betreft elke persoon die getroffen kan worden door de gevolgen van de uitvoering van de handelingen in het kader van de Ordonnantie.

Beroeper beschikt dan ook wel degelijk over een belang om administratief beroep in te stellen tegen de aangevochten gelijkvormigheidsverklaring, zodat

VII-39.270-5/16

de bestreden beslissing van het Milieucollege ten onrechte heeft geconcludeerd dat de zaak als het ware zonder voorwerp was en het beroep bijgevolg als onontvankelijk diende verworpen te worden.

Aangezien beroeper voormelde zienswijze van het Milieucollege bestrijdt wegens strijdigheid met voormelde bepaling van de Ordonnantie inzake het belang, heeft beroeper eveneens een evident belang om de beslissing van het Milieucollege aan te vechten door middel van het georganiseerd administratief beroep bij de Brusselse Hoofdstedelijke Regering”.

3.7. Bij ontstentenis van een kennisgeving van een beslissing van de regering binnen de daartoe bepaalde termijn, richt de NV Besix Real Estate Development overeenkomstig artikel 56, § 3, tweede lid, van de bodemordonnantie een aanmaning aan de regering.

3.8. De beroepen beslissing van het Milieucollege wordt bij gebreke van ontvangst van een beslissing van de regering binnen de daartoe bepaalde termijn, overeenkomstig het voormelde artikel 56, § 3, tweede lid, van de bodemordonnantie, als bevestigd beschouwd.

IV. Ontvankelijkheid van het beroep

Exceptie

4. De verwerende partij werpt op dat uit het verzoekschrift en het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partij principieel ontkent op enigerlei wijze verantwoordelijk te zijn voor de verontreiniging van de site met PCB-houdende olie, zodat het eigenlijke voorwerp van het voorliggende annulatieberoep er volgens haar in bestaat de gelijkvormigheidsverklaring van 15 februari 2013 uit het rechtsverkeer te laten verwijderen. Zij stelt dat een eventuele vernietiging van de bestreden beslissing geen afbreuk doet aan die gelijkvormigheidsverklaring, waarbij de waarnemingen en de conclusies van het gecombineerd verslag van het gedetailleerd onderzoek en het risico-onderzoek werden goedgekeurd. Een gebeurlijke vernietiging zou met andere woorden de rechtstoestand van de verzoekende partij ongewijzigd laten. Het beweerde ernstig risico dat de overnemer, de NV Besix Real Estate Development, de gemaakte

VII-39.270-6/16

kosten ten onrechte zal pogen terug te vorderen, heeft voorts betrekking op subjectieve rechten.

Voor zover de verzoekende partij daarnaast haar belang nog probeert aan te tonen op basis van artikel 23, § 3, van de bodemordonnantie, blijkt uit het administratief dossier dat aan de voorwaarden van deze bepaling is voldaan, zodat de overname van de verplichtingen van de verzoekende partij door de NV Besix Real Estate Development in overeenstemming met de bodemordonnantie heeft plaatsgevonden. Mitsdien heeft de verzoekende partij geen belang bij dit argument.

5. De verzoekende partij repliceert dat haar belang erin bestaat dat de bestreden beslissing de beslissing van het Milieucollege ongemoeid laat en haar rechtspositie aldus bevestigt in die zin, terwijl zij het niet eens is met de visie van het Milieucollege dat zij geen ontvankelijk beroep kon instellen.

Daarnaast stelt de verzoekende partij dat de NV Besix Real Estate Development, in strijd met het bepaalde in artikel 23, § 3, van de bodemordonnantie, is overgegaan tot overname van de verplichtingen, terwijl de voormelde bepaling het initiatief hiertoe duidelijk legt bij de houder van de verplichtingen om desgevallend tot overdracht van de verplichtingen over te gaan, na een verkregen instemming van het BIM. Het gevolg hiervan is dat de verzoekende partij niet langer wordt betrokken bij de opmaak en uitvoering van de opeenvolgende onderzoeken, doch dat zij desgevallend wel met de resultaten van deze onderzoeken en de eraan gekoppelde saneringsplicht zal worden geconfronteerd. De verzoekende partij wijst er daarbij op dat zij, in haar hoedanigheid van vroegere exploitant, en overeenkomstig de gelijkvormigheidsverklaringen van 15 februari 2013 en 10 december 2013, gehouden is tot het uitvoeren van de sanering op solidaire wijze van verontreinigingsvlek 3. Waar de beslissing van het Milieucollege deze gelijkvormigheidsverklaring tot voorwerp heeft, zal een vernietigingsarrest de verwerende partij ertoe nopen zich ten gronde uit te spreken over de vraag of het

VII-39.270-7/16

Milieucollege al dan niet terecht tot de onontvankelijkheid van het door de verzoekende partij ingestelde bestuurlijk beroep heeft besloten.

Bovendien bestaat het ernstig risico dat de NV Besix Real Estate Development de gemaakte kosten ten onrechte zal pogen terug te vorderen via een burgerlijke procedure.

Tot slot wijst de verzoekende partij er nog op dat, overeenkomstig de theorie van de complexe rechtshandeling, mogelijke onwettigheden van de gelijkvormigheidsverklaring alsnog kunnen worden aangewend bij het aanvechten van de gelijkvormigheidsverklaring met betrekking tot het sanerings- en risicobeheersvoorstel.

Beoordeling

6. Niet de gelijkvormigheidsverklaring van 15 februari 2013, doch wel de stilzwijgende bevestigingsbeslissing van de Brusselse Hoofdstedelijke regering die de verzoekende partij op 13 oktober 2014 ter kennis werd gebracht, is het voorwerp van het annulatieberoep. Anders dan de verwerende partij meent, en zoals de Raad van State in zijn arrest nr. 235.752 van 15 september 2016 voor recht heeft vastgesteld, raakt deze beslissing de individuele rechtstoestand van de verzoekende partij. Daargelaten de vraag welke impact de nietigverklaring van de bestreden stilzwijgende bevestigingsbeslissing zou kunnen hebben op de gelijkvormigheidsverklaring van 15 februari 2013, dient te worden vastgesteld dat een vernietigingsarrest de verwerende partij ertoe zou nopen zich uit te spreken over het door de verzoekende partij ingestelde bestuurlijk beroep, waarin zij de visie van het Milieucollege betwist dat het door haar ingestelde bestuurlijk beroep tegen de gelijkvormigheidsverklaring van het sanerings- en risicobeheersvoorstel van 10 december 2013 onontvankelijk is. De onderliggende drijfveer die de verzoekende partij ertoe zou hebben gebracht middels dit annulatieberoep de vernietiging na te streven van de voormelde stilzwijgende beslissing is in dit opzicht niet relevant.

VII-39.270-8/16

Om de bovenstaande reden alleen al heeft de verzoekende partij belang bij het door haar ingestelde annulatieberoep.

De exceptie wordt verworpen.

V. Onderzoek van het eerste middel

Standpunt van de partijen

7. De verzoekende partij voert de schending aan van de artikelen 2

en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet) gelezen in samenhang met het motiverings- en het zorgvuldigheidsbeginsel.

Zij licht toe dat met de bestreden stilzwijgende bevestigingsbeslissing op geen enkele wijze inhoudelijk wordt geantwoord op het door haar ingestelde bestuurlijk beroep tegen de beslissing van het Milieucollege van 10 maart 2014. Ook al vloeit het rechtsgevolg van het uitblijven van een uitdrukkelijke beslissing rechtstreeks uit de wet voort, dan nog moet een dergelijke impliciete beslissing kunnen steunen op draagbare en bijgevolg in rechte aanvaardbare motieven, die uit het administratief dossier moeten blijken. Er ligt te dezen geen aanknopingspunt voor over de vraag welke motieven aan het bestreden besluit ten grondslag zouden kunnen liggen noch is een aanwijzing te vinden over de vraag in welke zin de beroepsargumenten van de verzoekende partij door de verwerende partij zouden zijn ontmoet. Hierbij kan niet worden aangehaald dat het zou kunnen volstaan te verwijzen naar de beslissing van het Milieucollege om te stellen dat de argumenten van de verzoekende partij zouden zijn tegemoetgekomen, aangezien in deze beslissing enkel tot de onontvankelijkheid van het ingestelde beroep bij het Milieucollege werd besloten en op geen enkele wijze werd geantwoord op de beroepsargumenten. Het loutere feit dat het Milieucollege - in haar voorafgaandelijke beslissing - alle opmerkingen en

VII-39.270-9/16

bezwaren van de verzoekende partij zou hebben weerlegd en dat hierin naar het standpunt van het BIM zou worden verwezen, vermag hieraan geen afbreuk te doen, omdat de devolutieve werking van het georganiseerd administratief beroep impliceert dat de verwerende partij, na een nieuw onderzoek van de zaak, zich een eigen oordeel dient te vormen over het dossier. Het is volgens de verzoekende partij duidelijk dat een louter stilzwijgende bevestiging van een beslissing die op geen enkele wijze op de argumenten van de verzoekende partij heeft geantwoord, niet voldoet aan de formelemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel.

8. De verwerende partij werpt vooreerst op dat de verzoekende partij geen belang heeft bij de door haar ingeroepen middelen, nu hierin niet de schending wordt aangevoerd van artikel 56 van de bodemordonnantie, terwijl middels de bestreden stilzwijgende beslissing slechts de beslissing van het Milieucollege wordt bevestigd die zelf beperkt is tot een uitspraak over de ontvankelijkheid van het administratief beroep.

Vervolgens stelt de verwerende partij dat de beweerde schending van het zorgvuldigheids-, het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel niet wordt ontwikkeld, zodat het middel in die mate niet ontvankelijk is. Daarnaast herhaalt de verwerende partij haar standpunt dat de kennisgeving van 13 oktober 2014 als de bestreden beslissing moet worden beschouwd en dat zulks een niet voor vernietiging vatbare handeling betreft. Ondergeschikt meent de verwerende partij dat deze kennisgeving wel degelijk voldoet aan de vereisten van artikel 3 van de motiveringswet.

Voor zover het voorwerp van het annulatieberoep tot de stilzwijgende beslissing van de Brusselse Hoofdstedelijke regering van 18 augustus 2014 zou worden uitgebreid, merkt de verwerende partij op dat de motiveringswet niet van toepassing is op stilzwijgende beslissingen, daar zij een fictief karakter bekleden. Er is geen akte, waarin de motieven worden opgenomen.

Uit de aard van impliciete beslissingen vloeit voort dat zij niet formeel kunnen worden gemotiveerd. Waar de strijdigheid met het motiverings- en het

VII-39.270-10/16

zorgvuldigheidsbeginsel in samenhang met de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet wordt aangehaald, en niet als een onafhankelijke rechtsgrond, is het middel ongegrond.

Wat daarnaast de materiëlemotiveringsplicht betreft, merkt de verwerende partij op dat uit artikel 53, § 3, tweede lid, van de bodemordonnantie volgt dat bij ontstentenis van een beslissing van de regering binnen de gestelde termijn, de eerder genomen beslissing van het Milieucollege wordt bevestigd.

Waar de verzoekende partij aanvankelijk een belang had als solidaire aansprakelijke voor verontreinigingsvlek 3, is dit verdwenen na de overname van haar verplichtingen door de NV Besix Real Estate Development. Mitsdien heeft het Milieucollege terecht kunnen beslissen dat de verzoekende partij niet meer over het vereiste belang beschikte om de gelijkvormigheidsverklaring van het gecombineerd sanerings- en risicobeheersvoorstel van 10 december 2013 te bestrijden. Waar de verzoekende partij daarbij argumenteert dat zij niet in de mogelijkheid verkeerde om tegen de gelijkvormigheidsverklaring van 15 februari 2013 een bestuurlijk beroep in te stellen, vindt zulks volgens de verwerende partij geen rechtsgrond in de bodemordonnantie. Bovendien zou zulks leiden tot bijkomende kennismakingsverplichtingen die door de wetgever niet werden voorgeschreven. Aangaande de verwijzing in het verzoekschrift naar de rechtspraak in verband met de stilzwijgende milieuvergunning, wijst de verwerende partij er ten slotte nog op dat de procedure voorzien in de bodemordonnantie net belet dat een risicobeheersvoorstel stilzwijgend gelijkvormig zou worden verklaard, vermits een stilzwijgende beslissing enkel betrekking kan hebben op een eerdere uitdrukkelijk genomen beslissing.

9. Wat haar belang bij het middel betreft, dupliceert de verzoekende partij dat de door haar ingeroepen schending van het motiverings- en het zorgvuldigheidsbeginsel rechtstreeks is gerelateerd aan het wettelijk beschermd belang dat erin bestaat dat zij door de opeenvolgende gelijkvormigheidsverklaringen werd aangeduid als saneringsplichtige van verontreinigingsvlek 3. De verzoekende partij is evenwel van mening dat zij

VII-39.270-11/16

geenszins kan worden aangesproken tot het uitvoeren van de sanering en wijst er daarenboven op dat zij integraal heeft voldaan aan haar overdrachtsverplichtingen.

Voorts stelt de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord dat, niettegenstaande het gevolg van artikel 56, § 3, van de bodemordonnantie, de verwerende partij als beroepsinstantie verplicht is alsnog tot motivering over te gaan. Dat er een beslissing van het Milieucollege voorligt, doet hieraan geen afbreuk. Als gevolg van de devolutieve werking van het bestuurlijk beroep dient de verwerende partij een volledig nieuw onderzoek te doen van het dossier en het ingestelde beroep en dient zij in haar beslissing op gemotiveerde en afdoende wijze te beslissen. Aan geen van deze voorwaarden is te dezen voldaan.

Een motivering a posteriori kan zulks niet remediëren. Een substitutie van motieven, zoals wordt beoogd in de huidige procedure, is onmogelijk.

10. De verwerende partij stelt in de laatste memorie dat het middel ongegrond is in de mate dat de strijdigheid met de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet wordt aangevoerd. Voorts stelt zij dat de beslissing van het Milieucollege “een instrumentum [is] wiens inhoud een materiële motivering ter staving van de bestreden (impliciete) beslissing oplevert”. Wanneer de Raad van State besluit tot de gegrondheid van het middel vraagt de verwerende partij dat in toepassing van artikel 35/1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State (hierna: RvS-wet) “de maatregelen die moeten worden genomen om de onwettigheid die heeft geleid tot de nietigverklaring te verhelpen, te verduidelijken”.

11. De verzoekende partij vraagt in de laatste memorie “bij wijze van verduidelijking in de zin van artikel 35/1 en bij wijze van injunctie in de zin van artikel 36 § 1 RvS-Wet, de Brusselse Hoofdstedelijke Regering op te leggen om een nieuwe formele, derhalve niet-stilzwijgende beslissing te nemen binnen een door [de Raad van State] te bepalen termijn”.

VII-39.270-12/16

Beoordeling

12. Bij arrest nr. 235.752 van 15 september 2016 heeft de Raad van State geoordeeld dat uit het verzoekschrift niet kan worden afgeleid dat de verzoekende partij niet de vernietiging vraagt van de stilzwijgende bevestigende beslissing die haar op 13 oktober 2014 ter kennis werd gebracht.

13. Er kan niet worden ingezien waarom de verzoekende partij ten aanzien van die stilzwijgende bevestigende beslissing op ontvankelijke wijze slechts de schending zou kunnen inroepen van artikel 56 van de bodemordonnantie, en niet, zoals zij te dezen heeft gedaan, de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet gelezen in samenhang met het motiverings- en zorvuldigheidsbeginsel.

14. Artikel 56, § 3, van de bodemordonnantie bepaalt:

“De beslissing van de Regering wordt betekend aan de eiser, aan het Milieucollege, aan het Instituut en, naargelang de akte die het voorwerp van het beroep is, aan de personen en overheden bedoeld in artikel 55, § 3, binnen een termijn van 60 dagen na de datum van de afgifte bij de post van de aangetekende zending met het beroep. Wanneer de partijen gehoord worden, wordt de termijn verlengd met 15 dagen.

Bij ontstentenis van kennisgeving van de beslissing binnen de gestelde termijn kan de houder van de verplichtingen resulterend uit de akte waartegen beroep is aangetekend, per aangetekend schrijven een aanmaning richten aan de Regering. Indien bij het verstrijken van een nieuwe termijn van 30 dagen na de datum van de afgifte bij de post van de aangetekende zending met de aanmaning deze persoon geen beslissing heeft ontvangen, wordt de beslissing die het voorwerp van het beroep uitmaakt, ook al was ze stilzwijgend, als bevestigd beschouwd”.

De bestreden beslissing is een uit kracht van de ordonnantie stilzwijgende bevestigende beslissing. Het beroep van de verzoekende partij tegen de beslissing van het Milieucollege van 10 maart 2014 wordt derhalve uit kracht van de ordonnantie verworpen door de beroepen beslissing van het Milieucollege als bevestigd te beschouwen. De bevestiging heeft betrekking op de onontvankelijkverklaring door het Milieucollege van het beroep van de

VII-39.270-13/16

verzoekende partij tegen de gelijkvormigheidsverklaring van het BIM, alsmede op de motieven ervan.

15. Uit de in randnummer 3.5 aangehaalde motieven van de bevestigde beslissing van het Milieucollege blijkt dat de in randnummer 3.6

aangehaalde beroepsargumenten van de verzoekende partij niet in de bestreden bevestigende beslissing van de regering werden betrokken en dat uit die laatste beslissing evenmin impliciet kan worden afgeleid waarom deze beroepsargumenten niet worden aanvaard.

Hiermee is de verwerende partij haar plicht tot zorgvuldigheid en motivering niet nagekomen. Het eerste middel is gegrond.

16. Het vernietigingsarrest houdt in dat de verwerende partij binnen de termijn bepaald in artikel 56, § 3, eerste lid, van de bodemonrdonnantie opnieuw uitspraak moet doen over het bestuurlijk beroep dat de verzoekende partij heeft ingesteld tegen de beslissing van onontvankelijkverklaring van 10 maart 2014 van het Milieucollege.

Gelet op het feit dat onderhavig vernietigingsarrest inhoudt dat de verwerende partij een nieuwe beslissing neemt over het administratief beroep van de verzoekende partij en dat de verwerende partij met de bestreden beslissing uit kracht van de ordonnantie verzuimd heeft binnen de daarvoor voorziene termijn een formele beslissing te nemen, kan ingegaan worden op de vordering van de verzoekende partij tot toepassing van artikel 36, § 1, van de RvS-wet.

De Raad van State beveelt dat de verwerende partij binnen de vervaltermijn van 60 dagen vanaf de kennisgeving van het vernietigingsarrest een nieuwe uitdrukkelijke beslissing neemt over het bestuurlijk beroep van de verzoekende partij.

VII-39.270-14/16

BESLISSING

1. De Raad van State vernietigt “de stilzwijgende beslissing van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 13 oktober 2014 tot bevestiging van de beslissing van het Milieucollege van 10 maart 2014 waarbij het administratief beroep ingesteld tegen de gelijkvormigheidsverklaring door het Brussels Instituut voor Milieubeheer van 10 december 2013 [...] onontvankelijk werd verklaard”.

2. De Raad van State beveelt de verwerende partij om binnen de vervaltermijn van 60 dagen vanaf de kennisgeving van het vernietigingsarrest een nieuwe uitdrukkelijke beslissing te nemen over het bestuurlijk beroep van de verzoekende partij.

3. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als de vernietigde beslissing.

4. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verzoekende partij.

VII-39.270-15/16

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van elf mei tweeduizend zeventien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:

Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier.

De griffier De voorzitter

Elisabeth Impens Eric Brewaeys

VII-39.270-16/16

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.158