Court dismisses appeal due to failure to request hearing after prior rejection of stay of execution.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State declared the applicants' withdrawal from the proceedings after they failed to request a hearing following the rejection of their stay of execution. The applicants had previously sought to annul a veterinarian inspector's decision regarding dog ownership but lost their interim relief request. Since they did not ask to be heard within the prescribed period, the court deemed their withdrawal valid and ordered them to bear the costs.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticle 17, § 7 of the Council of State Rules; Article 11/3, § 1 of the Regent's Decree of 23 August 1948: A party is deemed to have withdrawn from proceedings if, after a request for stay of execution is rejected, they fail to request a hearing within the allotted time.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IAJurisprudence citée
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER
nr. 238.151 van 11 mei 2017
in de zaak A. 220.476/VII-39.813.
In zake : 1. Raf FEYTONS
2. Kelly HOUBEN
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bjorn Reynders kantoor houdend te 3500 Hasselt Gouverneur Roppesingel 83
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Isabelle Cooreman kantoor houdend te 1082 Brussel Keizer Karellaan 586, bus 9
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 13 oktober 2016, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de inspecteur-dierenarts van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie van de Vlaamse Overheid van 22 augustus 2016 genomen in toepassing van artikel 42, § 2, van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren (hierna: dierenwelzijnswet) tot toekenning in volle eigendom aan het Noodasiel Lommel van volgende honden:
- 967000001049866 - Hinto;
- 900032001249992 - Bleu;
- 967000009635549 - Nita;
- 967000009752580 - Flo;
VII-39.813-1/4
- 967000009415510 - Tala;
- 528140000438954 - Balta.
II. Verloop van de rechtspleging
2. Bij arrest nr. 237.168 van 26 januari 2017 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit verworpen.
Het genoemde arrest is op 13 februari 2017 aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht.
Op 30 maart 2017 heeft de hoofdgriffier aan de verzoekende partijen de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 11/3, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Beoordeling
3. Naar luid van artikel 17, § 7, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, geldt ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding wanneer zij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement is afgewezen, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de kennisgeving van het arrest.
Bij het arrest nr. 237.168 van 26 januari 2017 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit verworpen.
VII-39.813-2/4
De verzoekende partijen hebben geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend.
De hoofdgriffier heeft de verzoekende partijen medegedeeld, met toepassing van artikel 11/3, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, dat de kamer de afstand van geding zou uitspreken, tenzij de verzoekende partijen binnen een termijn van vijftien dagen zouden vragen om te worden gehoord. De verzoekende partijen hebben niet gevraagd om te worden gehoord.
Er bestaat aanleiding om de afstand van het geding vast te stellen.
BESLISSING
1. De Raad van State stelt de afstand van het geding vast.
2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verwerende partij.
VII-39.813-3/4
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van elf mei tweeduizend zeventien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
Eric Brewaeys, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier.
De griffier De voorzitter
Bart Tettelin Eric Brewaeys
VII-39.813-4/4
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.151