Court dismisses appeal due to failure to request continuation of proceedings within 30 days after rejection of suspension.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State declared the applicant's appeal inadmissible, establishing a presumption of withdrawal of proceedings. The applicant had previously failed to request suspension of the provincial decision and did not file for continuation within the statutory 30-day period following the rejection of that request. Consequently, the court ruled that the applicant had effectively abandoned the legal action and ordered costs against them.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticle 17, § 7 of the Rules of the Council of State; Upon rejection of a request for suspension, a 30-day period begins for filing a continuation request, after which a presumption of withdrawal arises if no such request is made.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IAJurisprudence citée
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER
nr. 238.070 van 2 mei 2017
in de zaak A. 219.440/XII-8161
In zake: Peter DEHANDSCHUTTER
wonende te 9200 Oudegem Eegene 71
tegen:
de PROVINCIE OOST-VLAANDEREN
Tussenkomende partij:
Johan DE MEYST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Anne-Marie Ivens kantoor houdend te 9100 Sint-Niklaas De Meulenaerstraat 29
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 7 juni 2016, strekt tot de nietig-
verklaring van “een beslissing genomen door de Bestendige Deputatie van de Provincie Oost-Vlaanderen van 7 april 2016 aldaar gekend onder kenmerk M02/2016/O/WB/2016-2017/WB-mm, inzake de opdracht ‘onderhoud van wachtbekkens en bufferstroken door middels van begrazing door schapen - periode 2016-2017’”.
II. Verloop van de rechtspleging
2. Bij arrest nr. 235.706 van 8 september 2016 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen.
XII-8161- 1/3
Het voormelde arrest is op 15 september 2016 aan de verzoekende partij ter kennis gebracht.
Op 22 november 2016 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan de verzoekende partij de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 11/3, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’.
De verzoekende partij heeft niet gevraagd om te worden gehoord.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Toepassing van artikel 17, § 7, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973
3.1. Naar luid van artikel 17, § 7, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, geldt ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding wanneer zij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement is afgewezen, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de kennisgeving van het arrest.
3.2. De verzoekende partij heeft geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend.
3.3. Het vermoeden van afstand van het geding is te dezen van toepassing.
XII-8161- 2/3
BESLISSING
1. De Raad van State stelt de afstand van het geding vast.
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing, begroot op een rolrecht van 200 euro.
De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op een rolrecht van 150 euro.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 2 mei 2017, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit:
Johan Bovin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier.
De griffier De voorzitter
Greta Scheveneels Johan Bovin
XII-8161- 3/3
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.070