Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.024 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.024 Généré par l'IA

Court dismisses civil servant's request to suspend internal transfer due to lack of urgency and medical evidence.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.024
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the civil servant's request to suspend an internal transfer to Brussels, citing insufficient proof of urgency. The applicant argued that the move would exacerbate his chronic bronchitis and hinder his ability to accompany his daughter to medical appointments, but failed to provide concrete evidence or substantiate these claims. Consequently, the court ruled that the delay in the case file did not stem from the transfer and that the applicant did not meet the cumulative conditions for granting a suspension under the relevant statutes.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 17, § 1 of the Coordinated Laws on the Council of State; A request for suspension of execution requires proof of urgency and irreparable harm, which must be concretely substantiated by the applicant.

Mots-clés

Généré par l'IA
suspension of execution internal transfer chronic bronchitis urgency requirement civil servant rights irreparable harm Council of State accès à la profession

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 17, § 1 of the Coordinated Laws on the Council of State
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE IXe KAMER

nr. 238.024 van 27 april 2017

in de zaak A. 221.112/IX-8995

In zake: Philippe CENGIAROTTI

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Verbist en Lize Vandersteegen kantoor houdend te 2000 Antwerpen Graaf van Hoornestraat 51

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Butenaerts kantoor houdend te 1080 Brussel Leopold II-laan 180

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 30 december 2016, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 14 november 2016 van de voorzitter van het directiecomité van de FOD Binnenlandse Zaken “houdende de overplaatsing van de heer Philippe Cengiarotti als maatregel van inwendige orde, benoemd in de graad van veiligheidsmedewerker bij Bureau T van de AD

Vreemdelingenzaken, met als standplaats het Gesloten Centrum voor Illegalen te Merksplas, naar de graad van veiligheidsmedewerker bij de Directie Asiel, met als standplaats Brussel”.

IX-8995-1/18

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.

Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 maart 2017.

Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Lize Vandersteegen, die verschijnt voor de verzoe-

kende partij en advocaat Stijn Butenaerts, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge-

coördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Verzoeker is statutair ambtenaar in dienst van de verwerende partij. Sedert 14 maart 2014 – en tot op het ogenblik van de bestreden beslissing –

is hij tewerkgesteld als veiligheidsmedewerker bij Bureau T van de AD Vreem-

delingenzaken met als standplaats het Gesloten Centrum voor Illegalen te Merks-

plas (hierna: het CIM). Voorheen was hij werkzaam als veiligheidsmedewerker in de gebouwen van het CIM.

IX-8995-2/18

3.2. In een medisch attest van 8 juli 2011 verklaart verzoekers arts dat verzoeker lijdt aan chronische bronchitis “waarvoor absoluut contact van en met rokers en rokersruimten dient vermeden te worden”. Volgens verzoeker is dit toe te schrijven aan passief meeroken op het werk. Er geldt dan wel een rookverbod in het CIM, maar dit is niet van toepassing in de private vertrekken – leefruimten en slaapzalen – van de bewoners. Aangezien hij als veiligheidsmedewerker voortdurend langs deze ruimtes moet en de deuren de hele tijd openstaan heeft het rookverbod nagenoeg alle belang verloren, aldus verzoeker.

Verzoeker bezorgt het medisch attest aan de directie van het CIM en wordt vervolgens onderworpen aan een medisch onderzoek door de ar-

beidsgeneesheer. Op 20 september 2011 oordeelt de arbeidsgeneesheer dat ver-

zoeker voldoende geschikt is voor de normale uitoefening van zijn functie van veiligheidsmedewerker, zonder beperkingen. Niettemin wordt verzoeker, zo stelt de verwerende partij, sedert het indienen van het medisch attest “rekening hou-

dende met de continuïteit van de dienst en voorzover organisatorisch mogelijk”

tewerkgesteld “op de meest rookvrije plaatsen”.

3.3. Verzoeker blijft ondertussen een correcte toepassing van het rookverbod benaarstigen. Omdat hij de inspanningen van de verwerende partij onvoldoende acht, dagvaardt hij de verwerende partij bij deurwaardersexploot van 3 september 2012 voor de arbeidsrechtbank te Turnhout.

Op de zitting van 8 augustus 2013 komen de partijen overeen dat verzoeker bij wege van voorlopige maatregel en tot behandeling van de zaak ten gronde tewerkgesteld zal worden als portier, onderportier of vaste man in blok IV

van het CIM in een strikt rookvrije ruimte.

Met een tussenvonnis van 10 februari 2014 legt de arbeids-

rechtbank “[m]et toepassing van artikel 19, lid 2 van het Gerechtelijk Wetboek” de volgende voorlopige maatregelen op:

IX-8995-3/18

“- de heer Cengiarotti tot zij een einduitspraak ten gronde zal hebben ge-

daan, niet te werk te stellen in de door de Belgische Staat als private ruimtes beschouwde plaatsen, dat wil zeggen de dagzalen, crearuimtes en private kamers van het centrum;

- het roken te verbieden in alle andere werkruimtes en de sociale voorzie-

ningen van het CIM, evenals eventueel in het vervoermiddel dat voor gemeenschappelijk vervoer van en naar het werk ter beschikking wordt gesteld van het personeel;

- erop toe te zien dat dit verbod effectief wordt toegepast en gehandhaafd;

- de nodige maatregelen te nemen om erover te waken dat derden die zich in het CIM bevinden, geïnformeerd worden over de maatregelen die de Belgische Staat toepast overeenkomstig de wet;

- elk element dat tot roken kan aanzetten of dat laat geloven dat roken toegestaan is buiten de door de Belgische Staat als private ruimtes be-

schouwde plaatsen, dat wil zeggen de dagzalen, crearuimtes en private kamers van het centrum, te verwijderen, te weren en te verbieden.”

In hetzelfde vonnis stelt de arbeidsrechtbank ook de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof:

“Schendt artikel 11, § 2, 1° van de Wet van 22 december 2009 betreffende de algemene regeling voor rookvrije gesloten plaatsen toegankelijk voor het pu-

bliek en ter bescherming van werknemers tegen tabaksrook de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 3 en 11

van het herziene Europees Sociaal Handvest, met de artikelen 22 en 23 van de Grondwet en met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het de werknemers van alle instellingen van maatschappelijke dienstverlening en van de gevangenissen, waaronder asielcentra, blootstelt aan de gezondheidsrisico‟s verbonden aan het gebruik van tabaksproducten als deze werknemers arbeid moeten verrichten in de als private vertrekken te beschou-

wen gesloten plaatsen van deze instellingen, waar de bewoners en niet-bewoners kunnen roken onder de voorwaarden die er voor hen zijn vast-

gelegd, daar waar andere werknemers uit de private en publieke sector het recht hebben te beschikken over werkruimten en sociale voorzieningen vrij van ta-

baksrook en dus wel in een rookvrije omgeving kunnen werken.”

3.4. Met een brief van 12 maart 2014 stelt verzoekers raadsvrouw de verwerende partij in gebreke omdat zij de door de arbeidsrechtbank opgelegde voorlopige maatregelen en de door de partijen op de zitting gesloten overeenkomst niet naleeft. Zij vraagt dat verzoeker zou worden tewerkgesteld als portier, dan wel als vaste man in blok IVa met de garantie van een rookvrije werkplek.

IX-8995-4/18

3.5. Op 14 maart 2014 heeft de verwerende partij een onderhoud met verzoeker. Uit een nota van 11 april 2014 van de adviseur-generaal van de alge-

mene directie Vreemdelingenzaken blijkt dat tijdens dit gesprek aan verzoeker vier voorstellen van tewerkstelling werden gedaan, waaronder tewerkstelling als por-

tier of op een vaste post. Verzoeker wenste pas op één van die voorstellen in te gaan indien de verwerende partij bijkomende garanties zou bieden op een rookvrije werkplek. Omdat hierover geen overeenkomst werd bereikt, wijst verzoeker de vier alternatieven van tewerkstelling af. Vervolgens beslist de voorzitter ad interim van het directiecomité van de FOD Binnenlandse Zaken om verzoeker bij wege van maatregel van inwendige orde over te plaatsen naar de graad van veilig-

heidsmedewerker bij Bureau T van de AD Vreemdelingenzaken met als stand-

plaats het CIM.

3.6. Op 17 maart 2014 dient verzoekers raadsvrouw bezwaar in tegen deze overplaatsing. Zij laat onder meer gelden dat de maatregel niet beantwoordt aan de maatregelen opgelegd door het tussenvonnis van 10 februari 2014, dat verzoeker kan aanblijven als vaste man in blok IVa of als portier in het bureau dat conform de interne richtlijn volledig rookvrij moet zijn en dat verzoeker in zijn nieuwe functie nog steeds in aanraking komt met tabaksrook, vermits het de ver-

voerde personen na het transport toegestaan is te roken, waarbij de chauffeur hen van vuur moet voorzien en in hun nabijheid moet blijven om veiligheidsredenen.

Op 19 maart 2014 antwoordt de verwerende partij dat de be-

slissing werd genomen om de continuïteit en de organisatie van de openbare dienst te garanderen; dat de nieuwe werkpost als veiligheidsmedewerker-chauffeur een rookvrije plek is, hetgeen in de lijn ligt van het tussenvonnis en dat een continue vaste plek als portier om organisatorische en veiligheidsredenen niet gegarandeerd kon worden, waarna zij besluit dat de beslissing wordt gehandhaafd.

3.7. Sedert de inwerkingtreding van de voormelde beslissing is verzoeker herhaaldelijk langdurig afwezig om medische redenen. Het gevolg is dat hij voor de jaren 2014 en 2015 zijn functie als veiligheidsmedewerker-chauffeur slechts beperkt heeft uitgeoefend.

IX-8995-5/18

3.8. Op 31 maart 2014 dient verzoeker “conform artikel 19, 2de lid Ger.W.” bij de arbeidsrechtbank een verzoek in om het eerdere tussenvonnis van 10 februari 2014 te specificeren.

In een tussenvonnis van 30 juni 2014 stelt de arbeidsrechtbank onder meer het volgende:

“De rechtbank stelt vast dat de Belgische Staat niet betwist dat zij er niet in is geslaagd om de opgelegde maatregelen binnen het CIM uit te vaardigen of te doen respecteren. Er wordt nog steeds gerookt buiten de als private ruimte be-

stempelde delen van het centrum. De heer Cengiarotti wordt nog steeds bloot-

gesteld aan tabaksrook. Uit de stukken van het dossier en de hierbij door par-

tijen op de zitting verschafte toelichting, blijkt dat dit ook zo is in zijn nieuwe functie. De reaffectatie van de heer Cengiarotti naar een andere functie, kan dus bezwaarlijk worden beschouwd als een maatregel waarmee de Belgische Staat tegemoet komt aan de maatregelen opgelegd in het vonnis van 10 februari 2014.

De rechtbank oordeelt het dan ook gepast om de maatregelen die zij op-

legde in het vonnis van 10 februari 2014 aan te vullen in die zin dat zij van toepassing zijn op elke werkplek waarop de heer Cengiarotti in afwachting van een beslissing ten gronde wordt tewerkgesteld. Dit laat enerzijds de Belgische Staat de nodige beleidsruimte om, rekening houdend met de noodwendigheden en de continuïteit van de openbare dienst waarin de heer Cengiarotti is aange-

steld, een geschikte taak of functie voor hem te vinden. Anderzijds belet het dat de Belgische Staat deze beleidsruimte, zoals zij thans wel lijkt te doen, zou misbruiken om aan de opgelegde maatregelen te ontkomen.

Gelet op de onwil van de Belgische Staat om zich te schikken naar het vonnis 10 februari 2014, vindt de rechtbank het gepast om deze maatregelen thans op te leggen onder verbeurte van een dwangsom. De rechtbank merkt hierbij op dat partijen zich op de zitting van 8 augustus 2013 al akkoord ver-

klaarden om de heer Cengiarotti als voorlopige maatregel met toepassing van artikel 19, lid 2 van het Gerechtelijk Wetboek te werk te stellen als portier, onderportier of vaste man in blok IV van het CIM, in een strikt rookvrije ruimte, en dit beperkt tot de periode tot de behandeling van de zaak ten gronde. Het openbaar ministerie was het toen eens met deze voorlopige maatregel. Ondanks dit akkoord op de zitting heeft de Belgische Staat deze regeling niet altijd ge-

respecteerd.

De rechtbank gaat niet in op de tweede gevorderde voorlopige maatregel.

Het is niet aan haar om de bewijsvoering van de heer Cengiarotti te faciliteren.

Als de heer Cengiarotti meent dat de opgelegde maatregelen zijn geschonden en hieruit rechten wil putten, moet hij hiervan het bewijs leveren. Het staat hem vrij het meest geëigende bewijsmiddel te kiezen. De rechter zal te gepasten tijde aan de hand van de aangevoerde bewijsmiddelen nagaan of de door de heer Cengiarotti ingeroepen feiten vaststaan.

5. Uitspraak

IX-8995-6/18

De arbeidsrechtbank heeft over de zaak beraadslaagd. Zij beslist op te-

genspraak.

De rechtbank heeft mevrouw de arbeidsauditeur gehoord in haar groten-

deels eensluidend mondeling advies. De partijen hebben hierop gerepliceerd.

De arbeidsrechtbank verklaart de vordering van de heer Cengiarotti toe-

laatbaar.

Met toepassing van artikel 19, lid 2 van het Gerechtelijk Wetboek regelt de rechtbank de toestand van de partijen voorlopig door de Belgische Staat bij wijze van voorlopige maatregel op te leggen:

1. de heer Cengiarotti tot zij een einduitspraak ten gronde zal hebben gedaan, niet te werk te stellen in de door de Belgische Staat als private ruimtes be-

schouwde plaatsen, dat wil zeggen de dagzalen, crearuimtes en private ka-

mers van het centrum noch in enige andere ruimte of voertuig waarin geen rookverbod geldt;

2. het roken te verbieden in alle andere werkruimtes, voertuigen en de sociale voorzieningen van het CIM, evenals eventueel in het vervoermiddel dat voor gemeenschappelijk vervoer van en naar het werk ter beschikking wordt ge-

steld van het personeel;

3. erop toe te zien dat dit verbod effectief wordt toegepast en gehandhaafd;

4. de nodige maatregelen te nemen om erover te waken dat derden die zich in het CIM, in andere werkruimtes of voertuigen waarin de heer Cengiarotti zijn functie uitoefent, bevinden, geïnformeerd worden over de maatregelen die de Belgische Staat toepast overeenkomstig de wet;

5. elk element dat tot roken kan aanzetten of dat laat geloven dat roken toege-

staan is buiten de door de Belgische Staat als private ruimtes beschouwde plaatsen, dat wil zeggen de dagzalen, crearuimtes en private kamers van het centrum, te verwijderen, te weren en te verbieden en dit in alle plaatsen en voertuigen waar de heer Cengiarotti voor de uitoefening van zijn functie of taak aanwezig is.

Zij legt deze maatregelen op onder verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per vastgestelde inbreuk vanaf de vierde en van € 1.000,00 vanaf de tiende door de heer Cengiarotti vastgestelde overtreding.

[...]”

Tegen dit vonnis heeft de verwerende partij beroep ingediend bij het arbeidshof te Antwerpen.

3.9. Op 11 september 2014 stelt verzoeker bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring in tegen de beslissing van 14 maart 2014 (zaak gekend onder het rolnummer A. 213.642/IX-8475).

IX-8995-7/18

3.10. Uit een dienstnota van de centrumdirecteur van 29 september 2014 blijkt dat er aan het rokerslokaal in blok I werken zijn uitge-

voerd om conform te zijn met het eigen rookbeleid.

Met een dienstnota van 18 november 2014 wordt ook de rook-

doctrine in het CIM volledig aangepast.

Gelet op deze nieuwe ontwikkelingen vraagt de raadsvrouw van verzoeker op 2 december 2014 aan de verwerende partij om verzoeker in zijn oude functie te herplaatsen.

Met een brief van 16 december 2014 antwoordt de raadsman van de verwerende partij dat deze bij haar standpunt blijft en dat zij verzoeker niet opnieuw als veiligheidsmedewerker in het CIM zal tewerkstellen, op grond van volgende reden:

“U gelieve te willen noteren dat elke veiligheidsmedewerker in het CIM

zich toegang moet kunnen verschaffen tot alle lokalen van het CIM, inclusief de rooklokalen, indien er zich een veiligheidsrisico voordoet.”

3.11. Bij arrest nr. 32/2015 van 12 maart 2015 heeft het Grondwette-

lijk Hof de door de arbeidsrechtbank in het tussenvonnis van 10 februari 2014

gestelde prejudiciële vraag ontkennend beantwoord.

3.12. Bij arrest nr. 236.464 van 21 november 2016 heeft de Raad van State in de zaak A. 213.642/IX-8475 het debat heropend en het door de audi-

teur-generaal aangewezen lid van het auditoraat met een aanvullend onderzoek gelast nadat het middelonderdeel geput uit de schending van de materiëlemotive-

ringsplicht ongegrond werd bevonden.

3.13. Ondertussen heeft verzoeker, na een afwezigheid van een jaar wegens ziekte, op 28 september 2016 het werk bij bureau T van het CIM hervat.

IX-8995-8/18

Naar eigen zeggen stelt verzoeker reeds die eerste dag inbreuken vast op het rookbeleid. Hij verklaart dat er in zijn aanwezigheid wordt gerookt en dat er sarcastische opmerkingen jegens hem worden gemaakt en hij meldt dit aan zijn oversten.

De volgende weken zijn er nog incidenten tussen verzoeker en een aantal van zijn collega‟s. Uit het onderzoek dat verzoekers oversten naar die incidenten voeren blijkt dat verzoekers versie van de feiten niet overeenstemt met die van zijn collega‟s. Hun verklaringen zijn in hoge mate gelijklopend en wijzen verzoeker aan als degene die zelf de problemen zoekt of problemen ziet waar er geen zijn. In zijn verslag van 27 oktober 2016 over deze feiten besluit de veilig-

heidsassistent-coördinator “dat de situatie niet goed is voor de teamgeest en voor de samenwerking” (met verzoeker) en stelt hij zich de vraag wanneer het fout gaat lopen bij de uitvoering van een opdracht (waarbij de veiligheid dan in het gedrang zou komen).

3.14. Op 27 oktober 2016 richt het diensthoofd van bureau T een nota aan de adviseur-generaal waarin zij onder meer stelt:

“Op 16/11/2016 is een gesprek gepland met betrokkene waarin zal toegelicht worden dat van hem verwacht wordt dat hij zich collegiaal opstelt, evenals dat hij niet alle uitspraken die rond hem gebeuren zo persoonlijk moet opnemen.

Aan de chauffeurs zal gevraagd worden dat ze met alle collega‟s, ook met de heer Cengiarotti, op een professionele manier communiceren.

De situatie binnen de groep chauffeurs te Merksplas, meer in het bijzonder betreft de samenwerking met de heer Cengiarotti, is zeer moeilijk op korte en zelfs langere termijn vol te houden.

Ik deel de mening van de lokale chef ter plaatse, dat de sfeer gespannen is wanneer betrokkene aanwezig is. Iedereen loopt op de toppen van zijn tenen, en weet niet goed wat wel of wat niet te doen. Meestal is er een aangename posi-

tieve sfeer binnen de groep. Wanneer de heer Cengiarotti aanwezig is, is iedereen op zijn/haar hoede en wacht af wat het volgende incident zal zijn. Dit is moeilijk om nog lang vol te houden, zowel voor de collega‟s ter plaatse als voor de leidinggevenden.

Een oplossing om deze malaise weg te nemen dringt zich op. De enige manier om dit probleem op te lossen is hem weghalen uit die groep en ver-

plaatsen naar een andere dienst.”

IX-8995-9/18

3.15. Op 7 november 2016 stuurt verzoeker een e-mail naar de voor-

zitter van het directiecomité van de FOD Binnenlandse Zaken, waarin hij nogmaals zijn relaas van de feiten en incidenten opsomt en waarin hij tot de volgende con-

clusies komt:

“De algemeen lakse houding van mijn hiërarchie brengt mijn veiligheid en mijn gezondheid nu rechtstreeks in gevaar[…]. Hierdoor word ik geduwd in een hoek van isolatie en de toestand escaleert tot waanzin.

Daar u tegen de conclusies van een officieel onderzoek ingaat, beslist U om mij in dezelfde ongezonde werkomstandigheden te laten blijven verder werken, zonder enige vorm van verandering, noch gesprekken met chauffeurs. De verwachte maatregel[…]en om te vermijden dat ik met rook en met de pesters in contact zou komen zijn nihil, dit is ongezien en ongehoord.

Dit gaat te ver. U mag mijn toestand niet minimaliseren, noch laten esca-

leren door niets te ondernemen. Ik ben nu in een gevarenzone terecht gekomen.

Gezien deze feiten in overtreding zijn met de vonnissen van 10 februari en 30 juni 2016 [lees: 2014] opgesteld door de Arbeidsrechtbank van Turnhout en ik nu ook voor mijn fysieke integriteit vrees, vraag ik u - ook al beschikt u over het nodige juridisch advies - als een goed huisvader op te treden en uw ver-

antwoordelijkheid te nemen.”

Op 14 november 2016 stuurt de raadsman van de verwerende partij een antwoord naar de raadsvrouw van verzoeker. In dit schrijven wordt onder meer het door verzoeker aangehaalde verband tussen zijn afwezigheid om medi-

sche redenen en de beweerde inbreuken en bedreigingen betwist. Er wordt op gewezen dat nooit is vastgesteld dat verzoeker gepest zou zijn op het werk en dat alle klachten die dienaangaande werden neergelegd, ongegrond werden bevonden.

Ook de recente incidenten worden betwist. De raadsman van de verwerende partij stelt dat verzoeker permanent een conflict met zijn collega‟s tracht uit te lokken zonder dat daartoe aanleiding is. Ten slotte formuleert hij het volgende besluit:

“Uit zijn bericht van 7 november 2016 kunnen wij echter afleiden - ongeacht de waarachtigheid van zijn beweringen - dat hij niet in de mogelijkheid meer is te functioneren binnen zijn huidige functie.

Onze klant neemt dit gegeven in overweging en zal in het belang van de dienst handelen.”

3.16. Op 14 november 2016 neemt de voorzitter van het directieco-

mité de volgende beslissing:

IX-8995-10/18

“Gelet op artikel 107, tweede lid, van de Grondwet;

Gelet op het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel;

Gelet op het Koninklijk Besluit van 14 januari 2002 houdende oprichting van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken, gewijzigd bij de Ko-

ninklijke Besluiten van 5 september 2002 en 11 juli 2003;

Gelet op de tussengekomen vonnissen van de Arbeidsrechtbank van Turnhout dd. 10 februari 2014 en 30 juni 2014;

Gelet op het feit dat de betreffende vonnissen met toepassing van artikel 19, lid 2 van het Gerechtelijk Wetboek een aantal voorlopige maatregelen hebben opgelegd ten aanzien van de heer Cengiarotti;

Gelet op het besluit van 14 maart 2014 van de Voorzitter a.i. houdende de overplaatsing van de heer Philippe Cengiarotti als maatregel van inwendige orde, benoemd in de graad van veiligheidsmedewerker bij het Gesloten Cen-

trum voor Illegalen te Merksplas, naar de graad van veiligheidsmedewerker bij Bureau T van de AD Vreemdelingenzaken, met als standplaats het Gesloten Centrum voor Illegalen te Merksplas;

Gelet op de mail d.d. 7 november 2016 van de heer Cengiarotti aan de Voorzitster van het Directiecomité;

Gelet op de verklaring van mevrouw [D.S.], diensthoofd Bureau T van de Algemene Directie Vreemdelingenzaken d.d. 27 oktober 2016;

Gelet op de verklaring van de heer [V.D.S.], veiligheidsassis-

tent-Coördinator bij Bureau T van de Algemene Directie Vreemdelingenzaken met standplaats het Centrum voor Illegalen te Merksplas d.d. 27 oktober 2016;

Gelet op het feit dat de heer Cengiarotti, zoals blijkt uit zijn mail d.d. 7

november 2016, zich niet veilig voelt in de functie die hij momenteel uitoefent;

dat hij aangeeft dat hij zich in zijn werkomgeving in een gevarenzone bevindt en dat hij vreest voor zijn gezondheid en zijn fysieke integriteit;

Gelet op het feit dat uit de verklaringen van mevrouw [D.S.] en de heer [V.D.S.] blijkt dat er spanningen zijn op de werkvloer waarbij er gevreesd wordt voor escalatie;

Besluit:

Artikel 1. De heer Philippe Cengiarotti, benoemd in de graad van Veilig-

heidsmedewerker bij Bureau T van de AD Vreemdelingenzaken met als standplaats het Gesloten Centrum voor Illegalen te Merksplas wordt bij wege van maatregel van inwendige orde gereaffecteerd naar de graad van Veilig-

heidsmedewerker bij de Directie Asiel met standplaats Brussel.”

Dat is de thans bestreden beslissing.

3.17. Op 16 november 2016 heeft verzoeker een onderhoud met de directeur-generaal van de AD Vreemdelingenzaken waarbij deze hem de maatre-

gel van 14 november 2016 voorlegt om voor ontvangst te ondertekenen, hetgeen verzoeker weigert.

IX-8995-11/18

De bestreden beslissing wordt dan op 16 november 2016 per aangetekend schrijven aan verzoeker betekend. In deze brief wordt ook meege-

deeld dat verzoeker zijn nieuwe functie moet opnemen vanaf maandag 21 no-

vember 2016, dat hij zijn recht op de risicopremie en de premie voor onaange-

naamheden behoudt, maar dat aangezien de nieuwe functie volgens een admini-

stratief uurrooster verloopt, het recht op de premie wegens onregelmatige presta-

ties vervalt.

3.18. Op zondag 20 november 2016 deelt verzoeker per e-mail aan de voorzitter van het directiecomité mee dat hij zich verzet tegen de maatregel. In een andere e-mail van dezelfde dag vraagt hij praktische informatie over de nieuwe functie.

3.19. Op 21 november 2016 biedt verzoeker zich niet aan voor het opnemen van zijn nieuwe functie.

Diezelfde dag antwoordt de directeur-generaal dat de door ver-

zoeker gevraagde praktische informatie reeds is meegedeeld in het onderhoud van 16 november 2016 en dat verzoeker zich op 22 november 2016 moet aanbieden voor het opnemen van zijn nieuwe functie.

3.20. Op 22 november 2016 biedt verzoeker zich aan voor het opne-

men van zijn nieuwe functie.

3.21. Op 23 november 2016 dient verzoeker een aanvraag in tot vol-

tijdse loopbaanonderbreking van 28 november 2016 tot 27 februari 2017, alsook een aanvraag tot halftijdse loopbaanonderbreking van 28 februari 2017 tot 27 februari 2018, waarbij verzoeker alternerend drie en twee dagen per week zal werken. Deze aanvragen worden ingewilligd op 28 november 2016.

IX-8995-12/18

IV. Regelmatigheid van de rechtspleging

4. Op vrijdag 10 maart 2017, de laatste werkdag vóór de behande-

ling van de zaak ter terechtzitting (maandag 13 maart 2017), heeft de griffie een brief van verzoeker ontvangen met daarin een repliek op het auditoraatsverslag en “nieuwe aanvullende stukken”.

5. De verwerende partij vraagt op de terechtzitting dat deze brief en bijhorende nieuwe stukken uit het debat worden geweerd.

6. In het koninklijk besluit van 5 december 1991 „tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State‟ is niet voorzien in de mogelijkheid om nieuwe stukken, al dan niet verduidelijkt in een brief of nota, neer te leggen. De brief van 10 maart 2017 van verzoeker en de bij die brief meege-

deelde stukken dienen derhalve uit het debat te worden geweerd.

V. Ontvankelijkheid

7. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de ver-

werende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is.

VI. Schorsingsvoorwaarden

8. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden.

IX-8995-13/18

VII. Spoedeisendheid

Uiteenzetting door verzoeker

9. Verzoeker motiveert de spoedeisendheid van zijn zaak als volgt:

“82. De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit is spoedeisend conform artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Immers, verzoekende partij kan de uitspraak inzake de procedure tot nietigverklaring niet afwachten omwille van de aanzienlijke ge-

volgen die de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing met zich mee zouden brengen.

De gezondheid van verzoekende partij staat op het spel, doordat hij als chronische bronchitis patiënt in zijn nieuwe functie dagelijks in contact komt met tabaksrook en mogelijk ernstig besmettelijke personen. Nochtans werd eerder al in verschillende medische attesten van verzoekende partij aangetoond dat zijn gezondheid door het passief meeroken op het werk zwaar werd aange-

tast, alsook dat elk contact met personen met overdraaglijke ziekten moet worden vermeden.

Bovendien dient verzoekende partij grotere verplaatsingen te maken naar de nieuwe standplaats te Brussel. Hierdoor is hij dagelijks gemiddeld drie uur onderweg […], terwijl dit voorheen in zijn oude functie amper een halfuurtje per dag was. Dit is niet alleen buitenmatig vermoeiend en belastend, maar is bovendien nefast voor zijn privé- en gezinsleven, nu hij hierdoor nauwelijks tot geen tijd meer heeft om zijn dochter naar de verplichte sessies bij de kinesist en dokter te begeleiden.

83. Tot slot kent het dossier ook al een zekere historiek die al enige jaren aansleept. Een spoedige behandeling van onderhavige zaak is ook om die reden aangewezen.

84. De zaak is m.a.w. te spoedeisend voor een beroep tot nietigverklaring.”

Beoordeling

10. Zoals sub 8 hiervóór in herinnering is gebracht, kan krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen indien, onder meer, “de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring”.

In de parlementaire voorbereiding van de voormelde wettelijke bepaling is te lezen dat “[d]e spoedeisendheid zal worden vastgesteld wanneer de

IX-8995-14/18

verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onher-

roepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-13, nr. 5-2277/1, 13).

11. Naar eis van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten]

die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter onder-

steuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in arti-

kel 8, eerste lid, 4°, van het voornoemde koninklijk besluit van 5 december 1991.

Dit houdt in dat het aan een verzoekende partij toevalt aan de zaak eigen, speci-

fieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een (voortdurende) tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing.

12. Uit wat voorafgaat volgt dat een verzoekende partij die de schorsing van de tenuitvoerlegging van een bestreden beslissing wenst te verkrij-

gen, ertoe gehouden is om in haar verzoekschrift een uiteenzetting op te nemen die betrekking heeft op de voorwaarde van de spoedeisendheid waarin zij aan de hand van concrete, precieze en dienstige gegevens uitlegt in welke mate volgens haar onherroepelijke schade zou ontstaan wanneer het resultaat van een beroep tot nietigverklaring zou worden afgewacht.

13. Dat zijn gezondheid op het spel staat doordat hij als chronische-

bronchitispatiënt in zijn nieuwe functie dagelijks in contact komt met tabaksrook en mogelijk ernstig besmettelijke personen, is een bewering die verzoeker met geen enkel concreet gegeven staaft. Een dergelijke loutere bewering vermag niet aan te tonen dat er sprake zal zijn van onherroepelijke schadelijke gevolgen wanneer het resultaat van de procedure ten gronde wordt afgewacht.

IX-8995-15/18

14. Ten gevolge van de bestreden beslissing moet verzoeker gewis een grotere verplaatsing maken, waaraan hij meer tijd moet spenderen. Verzoeker stelt wel dat dit buitenmatig vermoeiend en belastend is, maar brengt geen concrete gegevens bij die er blijk van geven dat hij deze verplaatsing niet zou aankunnen in afwachting van een uitspraak ten gronde. Een ambtenaar kan worden overgeplaatst als de dienst dit vereist en een standplaats is geen verworven recht. De loutere omstandigheid dat men langer onderweg is naar de werkplek is dan ook niet van aard om het spoedeisend karakter van de vordering aan te tonen.

Volgens verzoeker is de langere verplaatsing ook nefast voor zijn privé- en gezinsleven, nu hij hierdoor nauwelijks tot geen tijd meer heeft om zijn dochter naar de verplichte sessies bij de kinesist en de dokter te begeleiden.

Opnieuw moet worden vastgesteld dat dit een eenvoudige bewering is die ver-

zoeker op geen enkele manier concretiseert en staaft. Hij brengt geen stukken bij die aantonen dat het bijvoorbeeld omwille van het tijdstip, de frequentie en/of de duur van de bezoeken aan de kinesist en de dokter voor hem thans moeilijk tot onmogelijk wordt om zijn dochter te begeleiden en dat dit gegeven van aard is om onherroepelijke schadelijke gevolgen te hebben indien de behandeling van de zaak in een beroep tot nietigverklaring wordt afgewacht.

15. Uit de feitelijke uiteenzetting van de zaak blijkt inderdaad dat het dossier al een zekere historiek kent en al enige jaren aansleept. Nog daargelaten de vraag evenwel of het lang aanslepen van de zaak onherstelbare schadelijke gevolgen heeft – hetgeen verzoeker niet aanvoert, laat staan concretiseert of staaft – moet worden vastgesteld dat het aanslepen van de zaak niet het gevolg is van de thans bestreden overplaatsing en dat een schorsing van de bestreden beslissing dit niet ongedaan kan maken.

In de mate dat verzoeker zou alluderen op de omstandigheid dat omwille van de doorlooptijd van een beroep tot nietigverklaring de zaak nog langer zou aanslepen, moet worden opgemerkt dat een verwijzing naar de doorlooptijd

IX-8995-16/18

van een annulatieprocedure op zich niet volstaat om de spoedeisendheid van de vordering te verantwoorden.

16. Het voorgaande noopt tot het besluit dat verzoeker met zijn uiteenzetting niet aantoont dat zijn zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring.

17. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumula-

tief vervuld moeten zijn, wil een vordering tot schorsing worden toegewezen.

VIII. Kosten met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding

18. Wat de respectieve vraag van verzoeker en van de verwerende partij betreft om de kosten, met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding, ten laste van de andere partij te leggen, zij eraan herinnerd dat de bijdrage in de beta-

ling van de kosten, inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding, wordt bepaald in het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring.

BESLISSING

De Raad van State verwerpt de vordering.

IX-8995-17/18

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 27 april 2017, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:

Bruno Seutin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier.

De griffier De voorzitter

Tiny Temmerman Bruno Seutin

IX-8995-18/18

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.024