Belgian Council of State dismisses appeal against planning permit regarding protected cobblestones and paving stones removal.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the cassation appeal filed by the BVBA Nieuwe Voorhaven and VZW De Voorhaven against a planning permit issued to SOGent. The applicants argued that the permit was flawed because the administrative authority failed to fully assess applicable planning regulations concerning protected cobblestones and paving stones. The court held that the lower authority's finding of incomplete motivation regarding planning rules did not automatically constitute negligence, as the applicants failed to demonstrate how this omission could have altered the decision. Consequently, the appeal was dismissed, and the parties were ordered to bear their respective costs.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 2 and 3 of the Formal Motivation Act; The failure to explicitly cite all applicable planning regulations in a permit decision does not render the decision negligent if the applicant cannot prove that the omission affected the outcome.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VIIe KAMER
nr. 238.010 van 27 april 2017
in de zaak A. 218.906/VII-39.776.
In zake : 1. de BVBA NIEUWE VOORHAVEN
2. de VZW DE VOORHAVEN
3. Nadia DE GRAEVE
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Isabelle Larmuseau en tevens door advocaat Sofie Rodts kantoor houdend te 8020 Oostkamp Hertsbergsestraat 4
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG AMBTENAAR
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Veerle Tollenaere kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128
bij wie woonplaats wordt gekozen
Tussenkomende partijen :
1. de STAD GENT
2. het AG STADSONTWIKKELING GENT, thans SOGENT
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thomas Eyskens kantoor houdend te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van het beroep
1. Het cassatieberoep, ingesteld op 31 maart 2016, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb/A/1516/0688 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 23 februari 2016 in de zaak 1314/0408/A/7/0375.
VII-39.776-1/9
II. Verloop van de rechtspleging
2. Bij arrest nr. 236.630 van 1 december 2016 heropent de Raad van State het debat en wordt het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat belast met een aanvullend onderzoek.
Auditeur Joke Goris heeft een aanvullend verslag opgesteld.
De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend teneinde te worden gehoord.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 maart 2017.
Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Sofie Rodts, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Klaas De Pauw, die loco advocaat Veerle Tollenaere verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Thomas Eyskens, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
VII-39.776-2/9
III. Feiten
3.1. Met een besluit van 22 januari 2014 verleent de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar van het departement RWO, afdeling Oost-Vlaanderen (hierna: GSA) aan het Autonoom Gemeentebedrijf Stadsontwikkeling Gent (hierna: SOGent) een voorwaardelijke stedenbouwkundige vergunning “voor het wijzigen van de bouwvergunning 8.00/44021/9718.3, met name het verwijderen en gedeeltelijk herplaatsen van beschermde sporen en kasseien en licht wijzigen van de helling naar de binnentuin en ondergrondse parkeerlaag”.
3.2. Het bestreden arrest verwerpt de vordering van de verzoekende partijen tot de vernietiging van de voormelde stedenbouwkundige vergunning.
IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
4. De verzoekende partijen hebben een “gemotiveerd verzoek tot voortzetting” ingediend waarin zij om de voortzetting van de procedure verzoeken en tevens motiveren waarom het standpunt van de auditeur niet kan worden gevolgd. Het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State (hierna: cassatieprocedurebesluit)
voorziet na de kennisgeving van het auditoraatsverslag niet in de mogelijkheid om een laatste memorie neer te leggen. Wanneer de auditeur concludeert tot de verwerping van het cassatieberoep moet de verzoeker luidens artikel 18, § 1, van het cassatieprocedurebesluit, op straffe van de toewijzing van de afstand van geding, “vragen dat de procedure wordt voortgezet teneinde te worden gehoord”.
Het aanvullende auditoraatsverslag concludeert tot de verwerping van het beroep van de verzoekende partijen. Het voormelde procedurestuk wordt alleen als zodanig in aanmerking genomen in zoverre wordt gevraagd de procedure voort te zetten en gehoord te worden.
VII-39.776-3/9
V. Onderzoek van de middelen
Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
5.1. De BVBA De Nieuwe Voorhaven voert de schending aan van artikel 149 van de Grondwet.
“doordat De Raad voor Vergunningsbetwistingen bij de behandeling van het tweede middel voorbijgaat aan het argument van de verzoekende partijen - dat nogmaals het manifest onzorgvuldig karakter van de bestreden beslissing aantoont - dat ingevolge de indiening van een aparte aanvraag voor de uitbraak van de sporen, het openbaar onderzoek en dus het bezwaarrecht met betrekking tot deze uitbraak van beschermde elementen wordt omzeild.
terwijl de Raad voor Vergunningsbetwistingen overeenkomstig artikel 149 van de Grondwet gehouden is op elk middel geformuleerd door de partijen te antwoorden”.
Zij licht toe dat de RvVb zich beperkt “tot de stelling dat de bedoelde sporen en kasseien geen deel uitmaakten van de eerste vergunningsaanvraag zodat er op dit punt geen sprake kan zijn van enige onzorgvuldigheid” en dat zij “de miskenning van rechten van andere derden niet kunnen aanvoeren nu een actio popularis niet toegestaan is”. De RvVb laat aldus na “te antwoorden op het argument van de verzoekers dat het openbaar onderzoek omtrent de uitbraak van de bedoelde sporen en kasseien is omzeild […] doordat deze uitbraak geen deel uitmaakte van een tweede, aparte aanvraag, waaromtrent geen openbaar onderzoek is georganiseerd”. Zij stellen voorts dat zij geen antwoord terugvinden op het punt dat het “strijdig [is] met het zorgvuldigheidsbeginsel dat derden, waaronder verzoekers, geen bezwaar hebben kunnen indienen omtrent de uitbraak van de sporen, wat toch een cruciaal onderdeel is van de aanvraag”. “Het enige wat de [RvVb] stelt is dat het niet onzorgvuldig was dat in het kader van de eerste vergunningsaanvraag met openbaar onderzoek men zich niet kon uitspreken over de uitbraak van de sporen
VII-39.776-4/9
nu de aanwezigheid van de sporen op dit moment nog niet gekend was”. Zij betwisten dat hun middel een actio popularis is “nu uitdrukkelijk wordt aangehaald in het verzoekschrift dat het gaat om belanghebbende derden, „waaronder de verzoekende partijen‟, die niet konden ageren”.
Beoordeling
5.2. Het arrest van de RvVb moet met redenen worden omkleed.
De aan de RvVb opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren, heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet - al ware die redengeving verkeerd of onwettig - die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Bij de beoordeling of de motiveringsverplichting is nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt.
Wanneer een motivering voorts leidt tot onjuiste gevolgtrekkingen in rechte, levert dit een schending van de wet op maar geen motiveringsgebrek. Het gaat er daarbij dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is; alleen een gemis aan motivering - of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven - maakt een schending uit van de aan de rechter opgelegde motiveringsverplichting.
5.3. Het tweede cassatiemiddel gaat terug op de beoordeling door de RvVb van het tweede middel waarin de verzoekende partijen de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel aanvoeren en zij argumenteren dat het openbaar onderzoek wordt omzeild doordat de plannen van de aan een openbaar onderzoek onderworpen hoofdaanvraag de kwestieuze sporen niet vermelden en de uitbraak van deze sporen wordt vergund door de voor de RvVb bestreden vergunningsbeslissing naar aanleiding van een nieuwe aanvraag zonder openbaar onderzoek. Belanghebbende derden hebben zich daardoor niet “kunnen uitspreken
VII-39.776-5/9
in het kader van een bezwaar of administratief beroep” over de definitieve afbraak van beschermde elementen.
5.4. De RvVb verklaart dit middel van de verzoekende partijen ongegrond met volgende overwegingen:
- de rails zijn slechts aangetroffen bij de aanvang van de bij de eerste aanvraag vergunde werken; de verzoekende partijen tonen niet aan dat de aanvrager bewust heeft gepoogd een essentieel onderdeel van de beoogde werken te verzwijgen waardoor derden-belanghebbenden mogelijks misleid zouden zijn en niet de gelegenheid hebben gehad eventuele bezwaren tijdig in te dienen; er dient in alle redelijkheid aangenomen te worden dat ook de GSA hiervan geen kennis had op het ogenblik van de beoordeling van de eerste aanvraag zodat hem geen onzorgvuldige beoordeling kan worden verweten;
- er blijkt voldoende dat de kwestieuze sporen en kasseien geen deel uitmaakten van de eerste stedenbouwkundige vergunningsaanvraag, zodat deze geen voorwerp van beoordeling vormden in het kader van het gevoerde openbaar onderzoek; bijgevolg tonen de verzoekende partijen niet aan dat de zorgvuldigheidsplicht miskend werd, noch tonen zij enige tekortkoming aan van de verplichtingen inzake het openbaar onderzoek; de verzoekende partijen kunnen zich niet op ontvankelijke wijze beroepen op de miskenning van de rechten van andere derden-belanghebbenden;
- het voorwerp van een aanvraag tot verplaatsing van sporen is niet onlosmakelijk verbonden met de aanvraag tot het bouwen van een meergezinswoning; het louter gegeven dat die bouw slechts kan starten nadat een vergunning werd bekomen voor de verwijdering van rails en kasseien die ter plaatse gevonden werden, vormt hiervoor geen afdoende reden; de verzoekende partijen tonen dan ook niet aan dat het verwijderen en verplaatsen van sporen onlosmakelijk verbonden is met de bouw van de nieuwbouwappartementen, waardoor beide aspecten noodzakelijk in één en dezelfde vergunningsaanvraag behandeld hadden moeten worden.
5.5. Het bestreden arrest beantwoordt aldus de grief in het tweede middel van de verzoekende partijen dat met de bestreden
VII-39.776-6/9
vergunningsbeslissing “het openbaar onderzoek en dus het bezwaarrecht met betrekking tot deze uitbraak van beschermde elementen wordt omzeild”.
5.6. Het tweede middel wordt verworpen.
Derde middel
Uiteenzetting van het middel
5.7. De verzoekende partijen voeren de schending aan van artikel 149
van de Grondwet:
“doordat De Raad voor Vergunningsbetwistingen bij de behandeling van het derde middel voorbijgaat aan het middel van de verzoekende partijen dat de motivatie in de bestreden beslissing onvolledig is en dus onzorgvuldig nu een deel van de toepasselijke stedenbouwkundige voorschriften niet in de beoordeling werden betrokken;
terwijl de Raad voor Vergunningsbetwistingen overeenkomstig artikel 149 van de Grondwet gehouden is op elk middel geformuleerd door de partijen te antwoorden”.
Zij lichten toe wat volgt:
“Met andere woorden erkent de Raad dat bepaalde te verwijderen sporen en kasseien zich buiten de verkavelingszone bevinden en overweegt dat deze rails en kasseien enkel tijdelijk verwijderd worden.
Volgens de Raad toont de verzoekende partij niet aan in welke mate het niet toetsen aan de bestemmingsvoorschriften openbaar domein van het bijzonder plan van aanleg zou geleid hebben tot een andersluidende beslissing.
Nochtans hadden de verzoekers hierop in hun wederantwoordnota al gereageerd dat het „volstaat‟ vast te stellen dat de motivatie onvolledig is. Het is op dit laatste argument dat de Raad niet antwoordt. De verzoekende partijen hebben er het raden naar waarom de vaststelling dat de motivatie onvolledig is op het vlak van toepasselijke stedenbouwkundige voorschriften (wat de Raad dus impliciet erkent) niet volstaat om te besluiten dat de vergunningsbeslissing onzorgvuldig is. Hoe kan men op zorgvuldige wijze een vergunning verlenen wanneer niet alle toepasselijke stedenbouwkundige voorschriften betrokken worden bij de planologische toets?”.
VII-39.776-7/9
Beoordeling
5.8. Het middel gaat terug op de beoordeling door de RvVb van het derde middel waarin de verzoekende partijen de schending aanvoeren “van de bestemmingsvoorschriften van het BPA Meulestede deel A nr. 23B, het goedgekeurde verkavelingsplan van 26 juli 2012 en de artikelen 2 en 3 van de formele motiveringswet en het zorgvuldigheidsbeginsel” en argumenteren dat de bestreden vergunningsbeslissing de aanvraag niet heeft getoetst aan de voorschriften van het Bijzonder Plan van Aanleg (hierna: BPA) Meulestede van zone 18 voor openbaar domein met recreatieve herinrichting hoewel een deel van de aanvraag in die zone is gelegen.
5.9. De RvVb verklaart dit middel van de verzoekende partijen ongegrond met volgende overwegingen:
- de verzoekende partijen tonen niet aan dat de door hen omcirkelde zone ook buiten de zone van het BPA;
- uit de gegevens van het administratief dossier blijkt dat de kasseien en sporen die definitief te verwijderen zijn en nadien herplaatst zullen worden buiten het bouwterrein, zich binnen de contouren van de verkaveling en de gemengde woonzone van het BPA bevinden;
- uit het plan bij de aanvraag blijkt dat te verwijderen kasseien en sporen die zich buiten de verkavelingszone bevinden, opnieuw op dezelfde plaats moeten worden teruggeplaatst; de verzoekende partijen tonen dan ook niet aan in welke mate het niet aftoetsen van bestemmingsvoorschriften van “openbaar domein” van het BPA
tot een andersluidende beslissing geleid zou kunnen hebben;
- de verzoekende partijen tonen aldus niet aan dat de GSA op kennelijk onzorgvuldige of onredelijke wijze heeft geoordeeld dat de aanvraag binnen de bestemmingszone “gemengd wonen” ligt.
5.10. Het bestreden arrest beantwoordt aldus de grief in het derde middel van de verzoekende partijen “dat de motivatie in de bestreden
VII-39.776-8/9
[vergunnings]beslissing onvolledig is en dus onzorgvuldig nu een deel van de toepasselijke stedenbouwkundige voorschriften niet in de beoordeling werden betrokken”.
5.11. Het derde middel wordt verworpen.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep, begroot op 600 euro, elk voor een derde.
De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomsten, begroot op 300 euro, elk voor de helft.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zevenentwintig april tweeduizend zeventien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier.
De griffier De voorzitter
Bart Tettelin Eric Brewaeys
VII-39.776-9/9
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.010