Court dismisses appeals against heritage listing as preliminary ruling lacks current legal interest.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State dismissed two appeals challenging the inclusion of the applicant's property in the protected archaeological zone list for the Spanish Citadel. The applicant argued the full parcel should not have been listed and that the preliminary decision was illegal, but the court found the preliminary ruling had no legal consequences after the final decision. Consequently, the court ruled the applicant lacked current legal interest in the preliminary appeal, rendering it inadmissible.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 12.2.1, 3° of the Real Estate Heritage Decree; The court holds that a preliminary protection decision loses legal effect upon the adoption of a final protection decision, thereby depriving the applicant of current legal interest to challenge the preliminary ruling.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
Xe KAMER
nr. 237.989 van 25 april 2017
in de zaken A. 215.552/X-16.207
A. 218.916/X-16.578.
In zake : Bernard INDEKEU
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Peter Luypaers en Hans-Kristof Carême kantoor houdend te 3000 Leuven Justus Lipsiusstraat 24
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46/1
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van de beroepen
1. Het beroep, ingesteld op 9 april 2015, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Buitenlands Beleid en Onroerend Erfgoed van 22 december 2014 tot inschrijving van de Spaanse Citadel in Zoutleeuw op het ontwerp van lijst van de voor bescherming vatbare archeologische zones, “minstens in zoverre de eigendommen van verzoeker, kadastraal gekend 1ste afdeling, sectie A, nummers 37/p en 37/r hierin worden opgenomen” (zaak A. 215.552).
Het beroep, ingesteld op 31 maart 2016, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Buitenlands Beleid en Onroerend Erfgoed van 18 januari 2016 tot inschrijving van de Spaanse Citadel in Zoutleeuw op de lijst van de voor bescherming vatbare archeologische zones, “minstens in zoverre de eigendommen van verzoeker, kadastraal gekend
X-16.207-16.578-1/14
1ste afdeling, sectie A, nummers 37/p en 37/r hierin worden opgenomen”
(zaak A. 218.916).
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft in beide zaken een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft in beide zaken een memorie van wederantwoord ingediend.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft in beide zaken een verslag opgesteld.
Verzoeker heeft in beide zaken een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft in beide zaken een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn in beide zaken opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 januari 2017.
Staatsraad Jan Clement heeft in beide zaken verslag uitgebracht.
Advocaat Hans-Christophe Carême, die in beide zaken verschijnt voor verzoeker, en advocaat Tine Strubbe, die in beide zaken loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft in beide zaken een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
X-16.207-16.578-2/14
III. Feiten
3. Verzoeker is eigenaar van het perceel gelegen te Zoutleeuw dat kadastraal bekend is als sectie A, nr. 37/r, en waarvan de noordwestelijke grens paalt aan de Nieuwstraat. Het voornoemde perceel is meer dan 12.000 m² groot en vormt de tuin rond de woning van verzoeker. Die woning heeft het kadastraal nr. 37/p en verzoeker is er eveneens eigenaar van.
4. Met het oog op de bescherming van de Spaanse Citadel te Zoutleeuw wordt in 2013 in opdracht van het agentschap Onroerend Erfgoed een archeologische evaluatie en waardering van deze site opgemaakt, bestaande uit bureauonderzoek, landschappelijk booronderzoek, metaaldetectie, geofysisch onderzoek en proefsleuvenonderzoek (hierna: het evaluatieonderzoek).
Het evaluatieonderzoek heeft betrekking op twee perimeters, meer bepaald het ruimer onderzoeksgebied en het kerngebied. De eigendom van verzoeker behoort tot het ruimer onderzoeksgebied.
Onder punt 9.2.3. “[s]uggesties voor toekomstig aanvullend onderzoek in functie van bescherming en beheer van de site” wordt het volgende gesteld:
“9.2.3.1. Restanten stadsomwallingen Met behulp van het historisch onderzoek en de cartografische analyse werd in deze studie een reconstructie gemaakt van de eerste, tweede en derde stadsomwalling. Grote delen van voornamelijk de tweede en derde stadsomwalling blijken nog aanwezig, zowel in het stadsweefsel (percelering, grachten, …) als fysiek herkenbaar in het landschap (hoogteverschillen, muurresten, …)
Een aantal zones verdienen bijzondere aandacht :
Perceel 37c–38d–37r, ten oosten van de Stationsstraat: In de perceelsvorm van perceel 37c, evenals op basis van reliëfverschillen vermoeden we dat op deze percelen nog resten van de derde omwalling/citadel aanwezig zijn. De cartografische analyse lijkt eveneens in deze richting te wijzen. Bij voorkeur wordt een bijkomende studie uitgevoerd om na te gaan of de relicten op deze percelen beschermenswaardig zijn.
[…]
9.2.3.8 Besluit
X-16.207-16.578-3/14
Voor het volledige areaal tot en met de derde stadsomwalling wijzen we op het hoge archeologische potentieel van het gebied. Problematisch is het feit dat een aantal zones onder sterke druk staan van de verdere stadsontwikkeling. Contrasterend daarmee blijkt [dat] er de afgelopen jaren nauwelijks archeologisch onderzoek werd uitgevoerd. Mocht deze evolutie zich verder zetten, dan is dit zeer verontrustend voor het archeologisch erfgoed van deze bijzondere stad.
Een mogelijke oplossing ligt in het feit dat (delen van) Zoutleeuw aangeduid worden als archeologische zone. Op die manier kan een scherper beleid op vlak van archeologie gevoerd worden. Als perimeter kan het areaal binnen de derde stadsomwalling, inclusief het eerste begijnhof, genomen worden. Een selectie van bepaalde deelgebieden kan eveneens.
Tot slot stellen we voor om in een aantal gebieden een aanvullende waarderende studie uit te voeren in het kader van een eventuele bescherming:
- Het areaal van het eerste begijnhof - De diverse schansen - Het Heksenkot - De percelen ten oosten van de Stationsstraat die tot de site van de citadel behoren.”
In 2014 worden bijkomende boringen gedaan op het perceel nr. 37/r. De bevindingen daarvan werden opgenomen in een rapport. Hierin wordt het volgende gesteld:
“Naar aanleiding van het opmaken van een beschermingsdossier van de Citadel te Zoutleeuw werd besloten enkele bijkomende boringen te verrichten in het oostelijk deel van de citadel. De plaats waar deze boringen gebeuren werd bepaald op basis van de kaart: De belegering van het vestinge Leeuwe’ uit 1705, waarop de gracht- en walstructuren duidelijk zichtbaar zijn, en het huidige kadasterplan […].”
De conclusie in het rapport luidt:
“Door de aanwezigheid van een 20ste-eeuwse ophogingslaag van gemiddeld meer dan anderhalve meter die vaak met de handmatige boor ondoordringbaar was, leverden 6 van de 10 boorpunten geen volledig bodemprofiel op. Toch kunnen twee belangrijke vaststellingen gedaan worden waaruit conclusies te trekken zijn. Ten eerste bevindt zich, ter hoogte van boring 3 tussen boring 2 en 4, een oude gracht die op deze plaats minstens 185 cm diep was, en die hoogstwaarschijnlijk deel uitmaakte van het verdedigingssysteem van de citadel […]. Omdat de omliggende boorpunten echter geen resultaat opleverden is het onmogelijk deze gracht in een iets breder ruimtelijk kader te plaatsen. Zo kon noch zijn uitgestrektheid, noch de eventuele aanwezigheid van opwerpingen/resten van een wallichaam aangetoond worden. Ten tweede is het duidelijk dat de drie verste boorpunten (8, 9, 10), waar dieperliggend enkel natuurlijke
X-16.207-16.578-4/14
sequenties zijn aangetroffen, zich reeds buiten het verdedigingssysteem bevonden, wat een belangrijke vaststelling is voor de afbakening.”
5. Het agentschap Onroerend Erfgoed stelt een motiveringsnota op betreffende de voorgenomen bescherming.
6. Bij ministerieel besluit van 22 december 2014 wordt de Spaanse Citadel in Zoutleeuw, met inbegrip van de percelen van verzoeker, ingeschreven op het ontwerp van lijst van de voor bescherming vatbare archeologische zones.
Dit besluit, dat wordt bestreden in de zaak A. 215.552, wordt op 11 februari 2015 met een aangetekende zending aan verzoeker ter kennis gebracht, samen met een kopie van het beschermingsdossier.
7. Met een aangetekend schrijven van 9 april 2015 wordt namens verzoeker een bezwaarschrift ingediend.
Dit bezwaarschrift wordt door het agentschap Onroerend Erfgoed besproken en weerlegd in de nota “[b]ehandeling van de uitgebrachte adviezen en ingediende bezwaren” van 5 augustus 2015 (hierna: de weerleggingsnota).
8. Op 1 september 2015 wordt de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed (hierna: VCOE) om advies gevraagd overeenkomstig de overgangsbepaling voorzien in artikel 12.3.1 van het decreet van 12 juli 2013
‘betreffende het onroerend erfgoed’ (hierna: het onroerenderfgoeddecreet).
De VCOE verleent op 12 oktober 2015 een voorwaardelijk gunstig advies.
9. Bij ministerieel besluit van 18 januari 2016 wordt de Spaanse Citadel te Zoutleeuw, met inbegrip van de percelen van verzoeker, ingeschreven op de lijst van de beschermde archeologische zones.
X-16.207-16.578-5/14
Dit besluit, dat wordt bestreden in de zaak A. 218.916, wordt met een aangetekend schrijven van 3 februari 2016 ter kennis van verzoeker gebracht.
IV. Samenhang
10. De zaken A. 215.552/X-16.207 en A. 218.916/X-16.578
worden wegens samenhang gevoegd.
V. Onderzoek van de middelen in de zaak A. 218.916
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
11. Een eerste middel wordt afgeleid uit de schending van artikel 12.3.1 van het onroerenderfgoeddecreet, alsook uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de motiveringswet).
Verzoeker meent dat de verwerende partij ten onrechte toepassing heeft gemaakt van het onroerenderfgoeddecreet, daar waar in feite het decreet van 30 juni 1993 ‘houdende bescherming van het archeologisch patrimonium’ moest worden toegepast. De beschermingsprocedure heeft immers een aanvang genomen voor de inwerkingtreding van het onroerenderfgoeddecreet en diende conform de overgangsbepaling voorzien in artikel 12.3.1 te worden voortgezet overeenkomstig het oude decreet. De bestreden beslissing steunt derhalve op een niet toepasselijke rechtsgrond en moet alleen al om die reden worden vernietigd. Bovendien schendt de bestreden beslissing de motiveringswet doordat ze de verkeerde rechtsgrond vermeldt.
X-16.207-16.578-6/14
Beoordeling
12. Artikel 12.3.1 van het onroerenderfgoeddecreet bepaalt wat volgt:
“De onder het stelsel van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, het decreet van 30 juni 1993
houdende bescherming van het archeologisch patrimonium en het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg begonnen beschermingsprocedures worden voortgezet overeenkomstig voormelde decreten. Als op het moment van de inwerkingtreding van hoofdstuk 3, afdeling 1, van dit decreet het advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen nog niet ter kennis werd gebracht, wordt het advies tijdens de voorlopige bescherming aan de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed gevraagd.”
13. Met verzoeker moet worden vastgesteld dat de voorliggende beschermingsprocedure een aanvang heeft genomen onder het stelsel van het decreet van 30 juni 1993 ‘houdende bescherming van het archeologisch patrimonium’ en dus, gezien de tekst van de in het vorige randnummer geciteerde overgangsbepaling, conform dit decreet diende te worden voortgezet.
Verzoeker gaat er in het middel evenwel ten onrechte van uit dat dit niet zou zijn gebeurd.
Zoals het auditoraatsverslag op grond van het administratief dossier heeft vastgesteld, is het bestreden besluit genomen met toepassing van het decreet van 30 juni 1993 ‘houdende bescherming van het archeologisch patrimonium’. Dat daarbij advies werd uitgebracht door de VCOE, volgt uit de in het vorige randnummer geciteerde overgangsbepaling.
14. Het eerste middel, dat grondslag blijkt te missen, wordt verworpen.
X-16.207-16.578-7/14
B. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
15. Verzoeker leidt een tweede middel af uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en uit machtsoverschrijding.
Verzoeker voert aan dat de motivering tot afbakening van de archeologische zone niet afdoende is voor wat betreft de opname van zijn percelen binnen de bescherming. Zelfs indien er geen absolute zekerheid over de mogelijke aanwezigheid van archeologische monumenten moet bestaan om tot de bescherming over te gaan, dan nog moet de bescherming steunen op een zorgvuldige feitenvinding en een redelijke inschatting van de kans dat er archeologische monumenten aanwezig kunnen zijn. De bescherming op grond van zorgvuldige feitenvinding en de inschatting van de kans van aanwezigheid van archeologische monumenten moet uitdrukkelijk en afdoende worden gemotiveerd in de bestreden beslissing zelf. In casu is er noch in het bestreden besluit, noch in het dossier een motivering terug te vinden op basis waarvan verzoeker de redenen zou kunnen achterhalen waarom er onder diens woning mogelijk restanten van de citadel aanwezig kunnen zijn. Volgens verzoeker ontbreekt het derhalve aan een voldoende zorgvuldig onderzoek naar de mogelijke aanwezigheid van archeologische monumenten om zijn percelen mee in de bescherming te kunnen opnemen. Zo benadrukt verzoeker dat aanvankelijk zijn percelen niet opgenomen waren binnen de afbakening en dat de afbakening aanvankelijk verantwoord werd voor het gebied binnen de derde stadsomwalling, terwijl zijn percelen buiten deze omwalling liggen. Uit de in extremis uitgevoerde boringen op het perceel van verzoeker wordt een vermoeden afgeleid dat er ooit een gracht zou hebben gelegen die “hoogstwaarschijnlijk” zou hebben deel uitgemaakt van het verdedigingssysteem van de citadel. Verzoeker stelt dat onmogelijk kan worden begrepen waarom zijn percelen “op die onzekere basis”
in de bescherming werden opgenomen. In ieder geval bekent de verwerende partij
X-16.207-16.578-8/14
in het rapport van de boring dat de drie verste boorpunten zich buiten het verdedigingssysteem bevonden, maar niettemin wordt het ganse perceel opgenomen binnen de bescherming. Op die manier verzwaart de verwerende partij ten onrechte, zonder reden en manifest onredelijk de rechtspositie van verzoeker. Het besluit is dat het aan enige motivering ontbreekt waarom die delen van het perceel mee dienden opgenomen te worden binnen de bescherming.
16. Verzoeker stelt in zijn memorie van wederantwoord dat hij wel degelijk de intrinsieke waarden die aan de site worden toegedicht betwist, althans voor wat betreft zijn eigendom. Er wordt minstens opgeworpen dat die intrinsieke waarden niet op een behoorlijke feitenvinding berusten en dat de motivering op dat vlak tekortschiet.
Volgens verzoeker stelt de verwerende partij ten onrechte dat er, naar aanleiding van de bijkomende boringen, effectief een opgevulde gracht zou zijn gevonden. Op tien boringen werden immers slechts op één enkel boorpunt onzekere indicaties over de mogelijke aanwezigheid van een opgevulde gracht teruggevonden, maar ook niet meer dan dat.
De verwerende partij merkt weliswaar op dat het vrijwaren van mogelijk archeologisch patrimonium ook in afwachting van grondig archeologisch onderzoek of als bufferzone, wettelijk wordt voorzien, maar uit de bestreden beslissing blijkt niet dat de bescherming met die bedoeling wordt geboden. In ieder geval levert de verwerende partij geen enkel verweer over de boorpunten 8, 9 en 10, waarover de onderzoekers hebben toegegeven dat deze zich buiten het verdedigingssysteem bevonden, zodat er geen enkele reden voorhanden is om dat deel van het kadastraal perceel nr. 37/r mee in de bescherming op te nemen. Specifiek voor wat betreft perceel nr. 37/p ontbreekt het al helemaal aan motieven om het in de bescherming op te nemen. De enkele verwijzing naar de cartografische analyse om hieruit af te leiden dat er zich onder de bestaande woningen nog restanten van de citadel zouden “kunnen” bevinden, zonder dat er enig archeologisch waarderingsonderzoek heeft plaatsgevonden, kan niet naar redelijkheid de bescherming schragen.
X-16.207-16.578-9/14
17. In de laatste memorie volhardt verzoeker in zijn argumentatie uit het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord. Bijkomend voegt hij nog toe dat de motivering om delen van een perceel in de bescherming op te nemen, “goed wetende dat die delen zich buiten het verdedigingssysteem bevonden”, voorkomt als “niet afdoende, vreemd aan het decretale begrip van wat een archeologische zone is, en alleszins kennelijk onredelijk, mede in het licht van de gevolgen van zulke beschermingsmaatregel voor verzoeker”.
Volgens verzoeker had men de bescherming evengoed kunnen afbakenen aan de hand van een bij het bestreden besluit gevoegd opmetingsplan, waarbij men zich niet baseert op de kadastrale perceelsgrenzen.
Beoordeling
18. De belangrijkste bestaansreden van de formelemotiveringsplicht opgelegd door de motiveringswet is erin gelegen dat de betrokken bestuurde in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen vinden op grond waarvan de beslissing werd genomen. Het is noodzakelijk dat de beslissing duidelijk de fundamentele redenen doet kennen die haar verantwoorden, of minstens toelaat na te gaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij deze feiten correct heeft beoordeeld, of zij de geformuleerde bezwaren heeft onderzocht en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen, zodat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden.
De gegeven motivering moet draagkrachtig zijn en de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te schragen.
19. Als annulatierechter is de Raad van State belast met een wettigheidstoezicht. Het komt hem daarbij niet toe het feitenonderzoek in de behandelde zaak over te doen en in de plaats van het bestuur te appreciëren of een terrein als archeologische zone beschermd moet worden. De Raad van State mag
X-16.207-16.578-10/14
in het kader van het voormelde toezicht echter wel nagaan of de administratieve overheid rechtmatig tot haar voorstelling van de feiten is kunnen komen.
20. Conform artikel 3, 3°, van het te dezen toepasselijke decreet van 30 juni 1993 ‘houdende bescherming van het archeologisch patrimonium’ dient onder een “archeologische zone” te worden verstaan “alle gronden die van wetenschappelijk en cultuurhistorisch belang zijn wegens de mogelijk aanwezige archeologische monumenten, met inbegrip van een bufferzone”.
Uit deze definitie blijkt reeds dat de mogelijke aanwezigheid van archeologische monumenten volstaat om een grond binnen een archeologische zone op te nemen.
21. In het uitgevoerde evaluatieonderzoek (randnr. 4) is op basis van onder meer reliëfverschillen en een cartografische analyse vastgesteld dat er op de percelen van verzoeker vermoedelijk nog resten van de derde omwalling van de citadel aanwezig zijn.
Vervolgens werden op het perceel nr. 37/r bijkomende boringen uitgevoerd, die resulteerden in de vondst van één opgevulde gracht, die, “hoogstwaarschijnlijk deel uitmaakte van het verdedigingssysteem van de citadel”. Anders dan verzoeker dit blijkbaar ziet wordt dit resultaat niet ontkracht door het feit dat andere boorpunten geen resultaat opleverden.
Betreffende het perceel nr. 37/p stelt de motiveringsnota vast dat “[o]nder de bestaande woning[…] nog restanten [kunnen] zitten van de citadel”.
22. Uit de bestreden beslissing en de stukken van het dossier blijken de motieven op basis waarvan de Spaanse Citadel wordt beschermd als archeologische zone, evenals de redenen waarom de percelen van verzoeker mee worden opgenomen binnen deze zone.
X-16.207-16.578-11/14
Op grond van het in het evaluatieonderzoek onderzochte cartografisch materiaal kon de beschermende overheid zonder de grenzen van de redelijkheid te buiten te gaan, aannemen dat de derde omwalling van de citadel zich vermoedelijk ten zuidoosten van de Nieuwstraat, en bijgevolg over verzoekers eigendom, uitstrekte.
De beschermende overheid blijkt dit feitelijk aspect van het dossier deugdelijk te hebben gecontroleerd door de uitvoering van een aanvullend boringsonderzoek, dat zoals gezegd resulteerde in de vondst van een gracht die “hoogstwaarschijnlijk deel uitmaakte van het verdedigingssysteem van de citadel”.
In zoverre verzoeker aanvoert dat het minstens volstaan had slechts delen van zijn perceel mee te beschermen in plaats van het volledige kadastraal perceel, dient erop gewezen dat de verwerende partij dit bezwaar van verzoeker afdoende heeft weerlegd door in de weerleggingsnota te verduidelijken dat “[d]e percelen […] in hun geheel [werden] opgenomen om geen onzekerheid te scheppen over de afbakening van de bescherming”. Dat verzoeker de mening is toegedaan dat dergelijke doelstelling ook kan worden bekomen door het toevoegen van een opmetingsplan bij het bestreden besluit, maakt de besluitvorming niet onwettig.
23. Besluitend kan worden gesteld dat verzoeker er niet van kan overtuigen dat de overheid door de opname van verzoekers percelen in de bescherming de grenzen van de redelijkheid te buiten zou zijn gegaan of anderszins de aangevoerde rechtsregels zou hebben geschonden.
24. Het tweede middel is niet gegrond.
X-16.207-16.578-12/14
C. Derde middel
Uiteenzetting van het middel
25. Verzoeker leidt een derde middel af uit “de onwettigheid van de beslissing van 22 december 2014 houdende inschrijving op het ontwerp van lijst van de voor bescherming vatbare archeologische zones”, alsook uit de schending van artikel 12.2.1, 3°, van het onroerenderfgoeddecreet, en uit machtsoverschrijding.
Meer bepaald voert verzoeker ten aanzien van het voorlopig beschermingsbesluit het identieke middel aan dat hij als tweede middel aanvoerde ten aanzien van het definitief beschermingsbesluit. Verzoeker stelt dat de onwettigheid van de beslissing tot inschrijving op het ontwerp van lijst van de voor bescherming vatbare archeologische zones de wettigheid aantast van het definitief beschermingsbesluit.
Beoordeling
26. Met het ongegrond bevinden van het tweede middel hiervoor, komt meteen ook de ongegrondheid van het derde middel vast te staan.
VI. Ontvankelijkheid van het beroep in de zaak A. 215.552
27. Ten gevolge van het definitieve beschermingsbesluit, bestreden in de zaak A. 218.916, kan het voorlopige beschermingsbesluit, bestreden in de zaak A. 215.552, hoe dan ook geen rechtsgevolgen meer sorteren zodat verzoeker geen actueel belang heeft bij het beroep tot nietigverklaring ervan.
28. Het beroep in de zaak A. 215.552 is onontvankelijk.
X-16.207-16.578-13/14
BESLISSING
1. De zaken A. 215.552/X-16.207 en A. 218.916/X-16.578 worden gevoegd.
2. De Raad van State verwerpt de beroepen.
3. Verzoeker wordt in beide zaken verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro en op een rechtsplegingsvergoeding van 1400 euro die verschuldigd is aan de verwerende partij.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijfentwintig april 2017, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:
Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier.
De griffier De voorzitter
Silvan De Clercq Johan Lust
X-16.207-16.578-14/14
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.989