Court dismisses police inspector's urgent suspension request due to lack of statutory conditions and procedural defects.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the police inspector's request for an urgent suspension of his disciplinary dismissal. The inspector alleged misconduct regarding camera surveillance and overtime, but the court found the administration's trust assessment reasonable and within its discretion. Furthermore, the request failed to meet the cumulative statutory requirements for urgent measures and contained procedural errors regarding the request for continued employment.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArt. 17, §§ 1 en 4 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt afgewezen indien de cumulatieve voorwaarden niet zijn vervuld of de vordering formeel onvolledig is.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER
nr. 237.982 van 21 april 2017
in de zaak A. 221.916/XIV-37.384
In zake: Werner KUHN
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kris Luyckx kantoor houdend te 2000 Antwerpen Amerikalei 122/14
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
de POLITIEZONE 5906MECHELEN/WILLEBROEK
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ann Coolsaet kantoor houdend te 2018 Antwerpen Arthur Goemaerelei 69
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 12 april 2017, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de beslissing genomen op 29 maart 2017 door het Politiecollege, Politiezone Mechelen-Willebroek, waarbij werd beslist bij ordemaatregel om [verzoeker]
voorlopig uit zijn ambt ais inspecteur te schorsen met ingang van 29 maart 2017
ingevolge art. 59 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiedienst en dit voor een periode van vier maanden tot en met 28 juli 2017.”
Verzoeker vraagt tevens hem “toelating te verlenen om in voormelde periode de uitoefening van zijn ambt verder te zetten”.
XIV-37.384-1/15
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 april 2017, om 9.30 uur.
Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht.
Verzoeker, die verschijnt in persoon, advocaat Bart Verbelen, die loco advocaat Kris Luyckx verschijnt voor verzoeker, en advocaat Ann Coolsaet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Verzoeker is inspecteur van politie bij de lokale politiezone Mechelen-Willebroek. Hij heeft rond de jaarwisseling zijn relatie met M.D.V.
stopgezet.
3.2. Op 7 maart 2017 zendt M.D.V. een e-mail naar de dienst intern toezicht van de politiezone waarin zij onder meer het volgende stelt:
“(…)
En nu tot besluit....
Werner had toelating gekregen om camera bewaking thuis uit te voeren,daar hij veel bij mij was stond de laptop bij me.
XIV-37.384-2/15
Hij heeft een aantal zaken van bewaking aan me laten zien.
Met name de […]straat,waar een man met 2 vrouwen het pand ingaan om nadien, de man met koffer en vrouwen met aldi/lidll zakjes buiten te komen.
Hij heeft met een fam.bezoek een kind van 14j.een uur lang camera laten bewaken en de jongen moest melden als er iets te zien was.
Hij heeft een gros aan overuren aangegeven,hij kon dit verbloemen door de camera bewaking thuis....die uren waren niet gerechtvaardigd.
En was niet de 1 ste maal hij dit deed.
Ik ben normaal niet de persoon om wraak te nemen of wat dan ook…..
Maar Meneer Kuhn heeft de grens van respect en fatsoen ver overschreden....om dan met een lachje mij duidelijk te maken dat hij er plezier in had was voor me de maat vol!
Voel ik me hier goed bij? Neen,helemaal niet....maar dit mag hij nooit meer doen.
Met zijn gedrag,zelfs verkeersagressie....en racistische uitlatingen en nog zoveel meer is meneer Kuhn een tikkende tijdbom dat vroeg of laat gaat ontploffen.
Al wat ik hier verteld heb is in eer en geweten....
Ik zal voor de 1ste keer in mijn leven hulp moeten vragen om al de emotionele, mentale problemen door leugens en bedrog door te komen, Ik dank u dat ik mijn verhaal mocht doen die meer inhoud dan het werkgerelateerde....En nogmaals,dit is nog maar het topje van de ijsberg.”
De camerabewaking waaraan M.D.V. in haar e-mail refereert, betreft een opdracht die verzoeker van thuis uit mocht uitvoeren […].
3.3. De korpschef van de politiezone heeft het politiecollege op 9 maart 2017 in kennis gesteld van de e-mail van MDV van 7 maart 2017. In datzelfde schrijven deelt de korpschef nog mee:
“Met betrekking tot de mogelijke feiten van schending van het beroepsgeheim en loondiefstal, werd aanvankelijk proces-verbaal ME.52.XX.XXXXXX/2017 d.d.
9 maart 2017 opgesteld dat overgemaakt wordt aan de procureur des Konings Antwerpen- afdeling Mechelen.
De feiten van schending van het beroepsgeheim en de loondiefstal, indien deze bewezen worden, schenden mijn vertrouwen in het functioneren van INP KUHN
Werner als lid van het korps ernstig. Gelet op de ernst van de feiten en mijn geschonden vertrouwen in INP KUHN Werner verleen ik, in afwachting van een beslissing van het Politiecollege m.b.t. de feiten, met onmiddellijke ingang dienstvrijstelling aan INP KUHN Werner.”
De korpschef verleent verzoeker vanaf 9 maart 2017 met betrekking tot de feiten, met onmiddellijke ingang dienstvrijstelling in afwachting van een beslissing van het politiecollege.
XIV-37.384-3/15
3.4. Op grond van de mededeling van de korpschef van 9 maart 2017
gericht aan de voorzitter van het politiecollege, heeft het politiecollege, eveneens op 9 maart 2017 verzoeker uitgenodigd om op 17 maart 2017 te worden gehoord naar aanleiding van het voornemen om verzoeker bij ordemaatregel voorlopig te schorsen.Op vraag van verzoeker werd deze hoorzitting verdaagd naar 23 maart 2017, datum waarop de hoorzitting heeft plaatsgevonden, in aanwezigheid van verzoeker die werd bijgestaan door zijn raadsman.
Intussen deelt de procureur des Konings bij schrijven van 21 maart 2017 mee dat zijn ambt in deze zaak een opsporingsonderzoek voert waarvan de uitvoering werd toevertrouwd aan het Comité P.
3.5. Op 29 maart 2017 beslist het politiecollege als hogere tuchtoverheid om verzoeker vanaf 29 maart 2017 bij ordemaatregel voorlopig te schorsen voor de duur van vier maanden, zonder inhouding van wedde.
Dit is de bestreden beslissing.
Zij berust op de volgende overwegingen:
“4. Motivering van de beslissing tot voorlopige schorsing - Gelet op de feitelijke elementen vervat in het dossier;
- Overwegende, enerzijds, het bestaan van een opsporingsonderzoek dat lastens u werd ingesteld ingevolge het gerechtelijk dossier met notitienummer ME.52.XX.XXXXXX/2017 op datum van 9 maart 2017 inzake schending van het beroepsgeheim en loondiefstal;
- Overwegende dat op 27 maart 2017 een voorafgaand onderzoeker werd aangesteld om een voorafgaand onderzoek te voeren over de voormelde feiten;
- Overwegende, anderzijds, dat uw verdere aanwezigheid in het politiekorps voorlopig, minstens tot er meer duidelijkheid komt over de feiten hetzij via het opsporingsonderzoek, hetzij via een voorafgaand onderzoek, onverenigbaar is met het belang van de dienst, omdat:
- u ervan wordt verdacht een zeer ernstige inbreuk te hebben gepleegd die, indien deze wordt bewezen, mogelijk onverenigbaar is met de principes vervat in art. 130 en 132 van de Wet van 7 december 1998 tot de organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus.
-de inbreuk, indien bewezen, mogelijk van aard is om ieder verder vertrouwen in uw professioneel functioneren ernstig in vraag te stellen en dit zowel vanwege de korpsleiding, andere hiërarchische oversten, alsook van collega’s en derden.
XIV-37.384-4/15
- gelet op de ernst en de aard van de mogelijke inbreuken waarvan u wordt verdacht, een verdere inzet van u binnen de politie ongetwijfeld op kritiek en onbegrip van de bevolking zal stuiten. Hierdoor kan de geloofwaardigheid en het imago van de politie en haar leden ernstig in het gedrang komen. De bevolking zal immers nooit aanvaarden dat een personeelslid dat wordt verdacht van de inbreuken vermeld onder punt 2, zonder meer werkzaam blijft binnen een politiekorps in afwachting van de resultaten van het onderzoek.
- de ernst en de aard van de inbreuk, indien bewezen, onverenigbaar zijn met de waarden van de lokale politie Mechelen-Willebroek en ernstige schade kunnen aanbrengen aan het imago van zowel de geïntegreerde politie in het algemeen als de lokale politie Mechelen-Willebroek in het bijzonder.
- de Korpschef in zijn schrijven van 9 maart 2017 aan het Politiecollege meedeelt dat zijn vertrouwen in uw functioneren op een ernstige wijze is geschaadingevolge de verdenkingen die op u rusten.
Beide voorwaarden om voorlopig te kunnen schorsen, zijn dus cumulatief vervuld: er is een opsporingsonderzoek lastens u en uw aanwezigheid binnen het politiekorps is onverenigbaar met de belangen van de dienst.
5. Rechten van de verdediging/ verhoor Tijdens uw verhoor op 23 maart 2017 door het Politiecollege, hebt u, bijgestaan door Mr Luyckx, de gelegenheid gehad uw verweer te formuleren en stukken aan het dossier toe te voegen.
U maakte hiervan gebruik. U overhandigde een inventaris met als bijlagen:
- een overeenkomst tussen uzelf en [M.D.V.] m.b.t. een vergoeding voor de maanden augustus 2017 t.e.m. november 2017 die u nog verschuldigd was en de betaling van een Iphone met bijhorende sim-kaart;
- whatsappberichten tussen [M.D.V.] en de ouders Kuhn aangaande de relatiebreuk;
- proces-verbaal ME.53.XX.XXXXXX/2017 d.d. 22 maart 2017 waarin u klacht neerlegt lastens [M.D.V.] voor belaging en lasterlijke aangifte;
- Relaas van uw ervaringen m.b.t. uw relatie met [M.D.V.] ter ontkrachting van de feiten die zij aanhaalt in haar mail d.d. 7 maart 2017, gericht aan de mailbox van intern toezicht van de lokale politie Mechelen-Willebroek.
Deze documenten werden gevoegd aan het proces-verbaal van hoorzitting van 23 maart 2017 waarin uw verweer werd opgenomen.
6. Beslissing Gelet op de bepalingen van de wet van 13 mei 1999, inzonderheid op de artikelen 2, 3 en 59 tot 65
Gelet op de elementen in rechte en in feite, bedoeld in punt 4;
Gelet op uw verhoor, bedoeld in punt 5, en het door u gevoerde verweer die niet van aard zijn om de elementen in rechte en in feite, bedoeld in punt 4, te weerleggen:
- De hogere tuchtoverheid, zijnde het Politiecollege, heeft zich op 23 maart 2017 belast met de feiten die, indien deze worden bewezen, een tuchtvergrijp uitmaken.
- In de hoedanigheid van hogere tuchtoverheid heeft het Politiecollege op 24 maart 2017 aan de procureur des Konings van Antwerpen – afdeling Mechelen inzage gevraagd in het strafrechtelijk dossier. De bevoegde tuchtoverheid heeft op dit ogenblik nog geen inzage in het strafrechtelijk dossier gekregen. Het zorgvuldigheidsbeginsel vereist van de bevoegde tuchtoverheid dat zij een duidelijk zicht krijgt op het bestaan en de ernst van de feiten om aldus over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens te beschikken over de wezenlijke elementen en zich aldus een beeld te
XIV-37.384-5/15
kunnen vormen van de noodzaak van een eventuele tuchtrechtelijke vervolging.
- Het Politiecollege is ervan overtuigd dat een voorlopige schorsing bij ordemaatregel het serene karakter van zowel het opsporingsonderzoek als het voorafgaand onderzoek vrijwaart.
- In uw verweer tijdens de hoorzitting van 23 maart 2017 verklaart u dat u zich op geen enkele wijze schuldig hebt gemaakt aan feiten van beroepsgeheim en loondiefstal; u wijst op uw aantal dienstjaren waarin u nooit een negatieve evaluatie hebt gekregen i.v.m. het niet naar behoren uitvoeren van uw werk; u voert aan dat het thuis bekijken van het opgenomen beeldmateriaal op een correcte wijze gebeurde met eerbiediging van het beroepsgeheim en met de nodige discretie, zonder [M.D.V.] of anderen daarbij te betrekken; u voert aan dat [M.D.V.] op een andere wijze aan de informatie is gekomen dan dat u haar de beelden zou hebben laten zien, met name door het uitlezen en analyseren van uw gsm-toestel zonder uw toestemming; u voert aan dat de uren die u spendeerde aan de camerabewaking, elke dag zorgvuldig en waarheidsgetrouw door u werden ingegeven in het Galop-systeem en dat [M.D.V.] onmogelijk kan weten op welke wijze uw uren werden geregistreerd; en u verklaart dat [M.D.V.] u sinds jullie relatiebreuk in uw eer tracht te krenken en uw omgeving onophoudelijk blijft belagen/stalken waardoor uw privé en uw werk ernstig worden aangetast, en waarvoor u eveneens klacht hebt ingediend tegen haar.
Het Politiecollege heeft tijdens de hoorzitting benadrukt dat:
o een voorlopige schorsing geen tuchtstraf is.
o het een loutere ordemaatregel betreft die uitsluitend tot doel heeft om de belangen van de dienst te vrijwaren.
o tegenover u het vermoeden van onschuld nog altijd geldt; het Politiecollege kan, mag en wil zich op dit ogenblik niet uitspreken over de vraag of u zich schuldig gemaakt heeft aan de feiten die het voorwerp uitmaken van het opsporingsonderzoek.
Gezien deze beslissing slechts een voorlopige ordemaatregel betreft die het vermoeden van onschuld intact laat, kan noch mag het Politiecollege zich thans uitspreken over de vraag of u zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten, met name schending van het beroepsgeheim en loondiefstal, die enkel in de tuchtprocedure aan de orde is; op deze aangevoerde elementen die de grond van de zaak betreffen, moet thans dus nog niet worden ingegaan, temeer u zich niet verzet tegen een voorlopige schorsing. De enige vraag die thans aan de orde is of aan de voorwaarden tot voorlopige schorsing is voldaan. Onder punt 4 is uiteengezet waarom aan deze voorwaarden is voldaan.
Gezien dan ook moet worden vastgesteld dat de door u aangehaalde middelen falen, daar zij geen afbreuk doen aan de vaststelling dat de voorwaarden tot voorlopige schorsing vervuld zijn.”
3.6. De bestreden beslissing wordt aan verzoeker ter kennis gebracht bij aangetekende brief van 29 maart 2017, verstuurd op 30 en 31 maart 2017.
XIV-37.384-6/15
IV. Ontvankelijkheid van de vordering
4. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is.
V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
5. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.
VI. Ernst van de middelen
Uiteenzetting van de middelen
6. In een eerste middel voert verzoeker de schending aan van het redelijkheidsbeginsel. Hij zet in essentie uiteen dat het politiecollege bij de uitoefening van zijn tuchtrechtelijke discretionaire bevoegdheden de redelijkheid moet in acht nemen “wat inhoudt dat tussen de in aanmerking genomen feiten en de opgelegde sanctie een verband van redelijkheid moet bestaan. Hoe groter de discretionaire vrijheid van het Politiecollege, des te omstandiger dient de strafmaat te worden gemotiveerd”. Tevens moet uit de motivering blijken welke elementen hebben geleid tot de “uiteindelijke bepaling van de strafmaat”, evenals dat er rekening werd gehouden met alle relevante feitelijkheden zoals onder meer het
XIV-37.384-7/15
gebrek aan tuchtrechtelijke verleden van verzoeker, eventuele strafrechtelijke veroordeling enzovoort.
Verzoeker stelt dat de tuchtoverheid ter motivering van de “schorsing” enkele gronden aanduidt, zijnde het bestaan van een opsporingsonderzoek lastens verzoeker inzake schending van het beroepgeheim en loondiefstal, en onverenigbaarheid met het belang van de dienst omwille van een mogelijke inbreuk op de artikelen 130 en 132 WGP, het mogelijk in vraag stellen van het vertrouwen in het professioneel functioneren van verzoeker door het korps en collega’s, het onbegrip van de bevolking wanneer verzoeker zijn ambt zou kunnen verder zetten, de onverenigbaarheid met de waarden van de lokale politiezone, en de mogelijke schade aan het imago van de politie. Verzoeker meent dat hieruit op geen enkele wijze kan worden afgeleid hoe het politiecollege tot het besluit is gekomen om verzoeker voor vier maanden te schorsen, en evenmin blijkt dat rekening gehouden werd met het vlekkeloos parcours van verzoeker tijdens zijn jarenlange werkzaamheden binnen de politiedienst.Hij besluit dat het “pertinent onredelijk is” om verzoeker vier maanden lang te schorsen “met het enkele oog op het vermijden van potentiële imagoschade aan de politie” en louter op basis van een e-mail die kadert in een privé-afrekening.
7. Verzoekers tweede middel steunt op een schending van het evenredigheidsbeginsel. Verzoeker herhaalt dat bij de uitoefening van discretionaire bevoegdheden het politiecollege “enige omzichtigheid aan de dag [dient] te leggen wat betreft de keuze van de meest gepaste tuchtstraf”. Verzoeker zet uiteen dat het evenredigheidsbeginsel als geschonden wordt beschouwd “wanneer een tuchtstraf dermate buiten verhouding staat tot de zwaarte van de feiten dat geen enkele in redelijkheid oordelende overheid ze voor die feiten zou opleggen”. De tuchtstraf of ordemaatregel moet in redelijke verhouding staan tot de feiten, inzonderheid rekening houdende met de ernst ervan, het eenmalig of repetitief karakter en de weerslag ervan op de werking van de dienst en op het publiek. Tevens moet ten aanzien van het personeelslid rekening worden gehouden met het tuchtverleden, de aard van de uitgeoefende functie en zijn
XIV-37.384-8/15
gezondheidstoestand, wat te dezen niet is gebeurd. De sanctie is niet in verhouding tot de ernst van de feiten waarvan geen enkel materieel bewijs voorligt. Bovendien “[kan] de eerder beperkte ernst van deze feiten de imagoschade en bekladding van een jarenlange loopbaan geenszins verantwoorden”. Er is geenszins sprake van herhaaldelijk gepleegde onregelmatigheden. Er is ook afweging tussen de belangen van openbare orde en de belangen van verzoeker gebeurd, en evenmin werd rekening gehouden met de onberispelijke loopbaan van verzoeker.
Beoordeling
8. Het past de beide middelen die samenhangen, samen te beoordelen.
9. Zowel een schending van het redelijkheidsbeginsel als een schending van het evenredigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, veronderstelt dat de overheid bij het nemen van de beslissing cq. het nemen van de opgelegde maatregel onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij de haar toegekende discretionaire beoordeling - of beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Het redelijkheids- of het evenredigheidsbeginsel kan derhalve slechts geschonden zijn indien de administratieve overheid een beslissing neemt die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende administratieve overheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen.
Het komt de Raad van State niet toe zijn beoordeling in de plaats te stellen van de bevoegde administratieve overheid. Hij gaat bij de beoordeling van de redelijkheid cq. de evenredigheid van de bestreden beslissing uit van de feiten zoals ze blijken uit de bestreden beslissing en waarvan verzoeker de onjuistheid of de onwettigheid niet heeft aangetoond, getoetst aan de door verzoeker in het middel aangevoerde argumenten die volgens hem doen blijken dat de bestreden beslissing het redelijkheids- of evenredigheidsbeginsel miskent.
XIV-37.384-9/15
10. Voorshands moet worden vastgesteld dat zowel het eerste als het tweede middel uitgaat van het - onjuiste - uitgangspunt dat de voorlopige schorsing een tuchtstraf of een sanctie is terwijl het een preventieve of bewarende maatregel is. In zowel de uiteenzetting van het eerste als het tweede middel hanteert verzoeker een terminologie die verwijst naar het opleggen van een tuchtrechtelijke straf of sanctie, het hanteren van een strafmaat, enzovoort zonder te verduidelijken waarom de beginselen waarvan hij de schending inroept zoals die gelden bij het opleggen van een tuchtstraf ook toepassing moeten vinden ten aanzien van het opleggen, bij ordemaatregel, van een voorlopige schorsing.
De bestreden beslissing is gesteund op artikel 59 van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: de tuchtwet) waarin voorzien is dat een personeelslid onder bepaalde voorwaarden bij ordemaatregel voorlopig kan worden geschorst, maar dat maakt van deze maatregel nog geen tuchtsanctie. De tuchtsancties zijn opgenomen in de artikelen 4 en 5 van de tuchtwet en hebben als finaliteit een personeelslid te sanctioneren voor een tuchtvergrijp. De voorlopige schorsing bedoeld in artikel 59 van de tuchtwet heeft niet de bedoeling te sanctioneren, maar beoogt, bij wijze van tijdelijke, bewarende maatregel, het belang van de dienst te vrijwaren in afwachting van een eventuele tuchtsanctie. De ordemaatregel van de voorlopige schorsing houdt geen oordeel in over de schuldvraag en laat het vermoeden van onschuld onverlet. De beginselen die gelden bij het opleggen van een tuchtsanctie vinden dan ook niet op identieke wijze toepassing bij het opleggen van een ordemaatregel, gelet op de verschillende finaliteit van de ordemaatregel en de tuchtmaatregel.
Artikel 59, eerste lid, van de tuchtwet bepaalt:
“Onverminderd andere ordemaatregelen bepaald door de minister van Binnenlandse Zaken die onder meer ter gelegenheid van een tuchtvordering kunnen getroffen worden, kan de burgemeester of, naar gelang van het geval, het politiecollege, het personeelslid van de lokale politie tegen wie een tuchtprocedure of een opsporingsonderzoek loopt of een strafvervolging werd ingesteld en wiens aanwezigheid bij de lokale politie onverenigbaar is met het belang van de dienst, bij ordemaatregel voorlopig schorsen.”
XIV-37.384-10/15
Uit die bepaling volgt dat voor het opleggen van een voorlopige schorsing bij ordemaatregel twee cumulatieve voorwaarden vervuld dienen te zijn, in het bijzonder moet in de eerste plaats een tuchtprocedure of een opsporingsonderzoek lopen of een strafvervolging ingesteld zijn, en moet ten tweede de aanwezigheid van het betrokken personeelslid bij de lokale politie onverenigbaar zijn met het belang van de dienst.
Verzoeker betwist niet dat tegen hem een opsporingsonderzoek loopt op het ogenblik van de bestreden beslissing. Dit volstaat opdat aan de eerste voorwaarde van het genoemde artikel 59 is voldaan.
Verzoekers argumentatie dat de feiten moeten worden gekaderd in een privé-afrekening, dat er nog geen materieel bewijs van de feiten is en dat het niet om herhaaldelijk gepleegde feiten gaat, is dan ook niet relevant ten aanzien van de beoordeling van de redelijkheid of evenredigheid van de bestreden ordemaatregel. Verzoeker gaat er in zijn kritiek aan voorbij dat de bestreden maatregel een voorlopige ordemaatregel is ingegeven door de vastgestelde onverenigbaarheid van verzoekers aanwezigheid met het belang van de dienst.
Daarbij wordt vooralsnog geen uitspraak gedaan over de schuldvraag of over de toewijsbaarheid van de feiten, Het betreft immers aangelegenheden die in het opsporingsonderzoek, en het eventueel vervolg daarop, uitgeklaard zullen moeten worden en waarop met de bestreden beslissing niet wordt vooruitgelopen.
Evenmin is de kritiek van verzoeker dat geen rekening werd gehouden met zijn onberispelijke loopbaan pertinent, vermits dit een verzachtende omstandigheid is die in het kader van een tuchtprocedure bij het bepalen van de strafmaat in aanmerking wordt genomen, terwijl de hier bestreden maatregel geen tuchtsanctie, maar een bewarende maatregel in het belang van de dienst is.
11. Wat de tweede voorwaarde betreft, kan tot een voorlopige schorsing worden beslist wanneer de bevoegde overheid rekening houdend met alle gegevens die op dat ogenblik beschikbaar zijn, uiteenzet waarom de
XIV-37.384-11/15
aanwezigheid van het personeelslid tegen wie een opsporingsonderzoek loopt onverenigbaar is met het belang van de dienst.
Het komt daarbij de bevoegde overheid toe te oordelen of de voorlopige maatregel in het belang van de dienst is vereist. Zij beschikt ter zake over een discretionaire bevoegdheid. Het komt aan de Raad van State in het raam van zijn wettigheidstoezicht niet toe om zelf deze beoordeling te maken. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct beoordeeld heeft en of zij op grond daarvan overeenkomstig artikel 59 van de tuchtwet en binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen.
Verzoeker meent te dezen dat de motivering van de bestreden maatregel onvoldoende aangeeft waarom zijn aanwezigheid onverenigbaar is met het belang van de dienst.
De vraag daar gelaten of verzoeker aldus niet eerder de schending van de motiveringsplicht dan de schending van het redelijkheids- of het evenredigheidsbeginsel beoogt aan te voeren, kan zijn kritiek niet worden bijgetreden. Door te oordelen dat het enkel omwille van de mogelijke imagoschade zou zijn dat zijn aanwezigheid onverenigbaar wordt geacht met het belang van de dienst, gaat hij uit van een selectieve lezing van de bestreden beslissing. Immers, in de motivering van de bestreden beslissing die hiervoor is weergegeven (zie infra punt 3.5), wordt onder punt 4 het volgende gesteld:
“Overwegende, anderzijds, dat uw verdere aanwezigheid in het politiekorps voorlopig, minstens tot er meer duidelijkheid komt over de feiten, hetzij via het opsporingsonderzoek, hetzij via een voorafgaand onderzoek, onverenigbaar is met het belang van de dienst, omdat:
- u ervan wordt verdacht een zeer ernstige inbreuk te hebben gepleegd die, indien deze wordt bewezen, mogelijk onverenigbaar is met de principes vervat in art.
130 en 132 van de Wet van 7 december 1998 tot de organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus.
- de inbreuk, indien bewezen, mogelijk van aard is om ieder verder vertrouwen in uw professioneel functioneren ernstig in vraag te stellen en dit zowel vanwege de korpsleiding, andere hiërarchische oversten, alsook van collega’s en derden.
XIV-37.384-12/15
- gelet op de ernst en de aard van de mogelijke inbreuken waarvan u wordt verdacht, een verdere inzet van u binnen de politie ongetwijfeld op kritiek en onbegrip van de bevolking zal stuiten. Hierdoor kan de geloofwaardigheid en het imago van de politie en haar leden ernstig in het gedrang komen. De bevolking zal immers nooit aanvaarden dat een personeelslid dat wordt verdacht van de inbreuken vermeld onder punt 2, zonder meer werkzaam blijft binnen een politiekorps in afwachting van de resultaten van het onderzoek.
- de ernst en de aard van de inbreuk, indien bewezen, onverenigbaar zijn met de waarden van de lokale politie Mechelen-Willebroek en ernstige schade kunnen aanbrengen aan het imago van zowel de geïntegreerde politie in het algemeen als de lokale politie Mechelen-Willebroek in het bijzonder.
- de Korpschef in zijn schrijven van 9 maart 2017 aan het Politiecollege meedeelt dat zijn vertrouwen in uw functioneren op een ernstige wijze is geschaad ingevolge de verdenkingen die op u rusten.”
De tuchtoverheid wijst aldus op de redenen waarop het actueel gebrek aan vertrouwen in het professioneel functioneren van verzoeker zowel bij de korpsleiding en andere hiërarchische oversten, als bijcollega's, is gesteund.
Gelet op het bestaan van een opsporingsonderzoek inzake schending van het beroepsgeheim en loondiefstal en de ernst van de inbreuken, indien bewezen, is het argument dat het vertrouwen in het professioneel functioneren van verzoeker is geschonden niet onredelijk en volstaat het om te verantwoorden dat de aanwezigheid van verzoeker - voorlopig - onverenigbaar is met het belang van de dienst. Verzoeker geeft in zijn middelen weliswaar blijk van een eigen feitelijke beoordeling ter zake maar verzoeker maakt aldus niet aannemelijk dat de bevoegde overheid door het verrichten van de actuele beoordeling als gedaan in de bestreden beslissing, de grenzen van een redelijke uitoefening van haar beoordelingsvrijheid te buiten zou zijn gegaan.
12. Het eerste en het tweede middel zijn niet ernstig.
13. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen.
XIV-37.384-13/15
14. In het beschikkend gedeelte van zijn verzoekschrift vraagt verzoeker hem “toelating te verlenen om in voormelde periode de uitoefening van zijn ambt verder te zetten”.
Daargelaten nog de vaststelling dat, gelet op de verwerping van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, er geen reden is om de gevraagde voorlopige maatregel te bevelen, kan verzoeker niet voor het eerst in het beschikkend gedeelte van zijn verzoekschrift vragen hem de toelating te verlenen de uitoefening van zijn ambt verder te zetten.
Verzoeker heeft geen verzoekschrift tot het opleggen van voorlopige maatregelen ingediend dat beantwoordt aan de formele vereisten vermeld in artikel 8, 1°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’, noch zet hij daaromtrent iets in zijn verzoekschrift uiteen zodat, om die reden alleen al, zijn vordering tot het opleggen van een voorlopige maatregel moet worden afgewezen.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt de vordering.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan deverwerende partij.
XIV-37.384-14/15
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenentwintig april tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:
Kaat Leus, wnd. kamervoorzitter,staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.
De griffier De voorzitter
Joris Casneuf Kaat Leus
XIV-37.384-15/15
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.982