Belgian Court of State annuls police salary grading and appointment due to improper weighing committee establishment.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State annulled the royal decrees establishing police salary grades and the applicant's appointment. The applicant argued that the minister lacked authority to unilaterally determine the composition of the salary weighing committee. The court held that the minister must first establish an ad hoc committee before seeking advice, rendering the subsequent advice invalid.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles II.III.14 RPpol; Ministerieel besluit van 5 juni 2007: The executive authority must establish an ad hoc weighing committee before seeking advice; an invalidly constituted committee's advice cannot be used for decision-making.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
XIVe KAMER
nr. 237.962 van 20 april 2017
in de zaak A. 214.909/XIV-36.214
In zake : Erna COPPENS
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten David D’Hooghe, Leopold Schellekens en Rozanne Vander Hulst kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 31 januari 2015, strekt tot de nietigverklaring van:
- het koninklijk besluit van 11 november 2014 ‘tot vaststelling van de weging van de betrekkingen van niveau A van de Algemene Inspectie van de federale politie en van de lokale politie’ en van - het koninklijk besluit van 4 december 2014 “waarbij verzoeker benoemd is in de klasse 2 van het administratief en logistiek kader van de Algemene Inspectie van de federale politie en van de lokale politie, voor de betrekking van adviseur algemeen beleid jurist-raadgever vanaf 01-09-2007”.
XIV-36.214-1/23
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld.
De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de rechtspleging en een laatste memorie ingediend. Verzoekster heeft een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 november 2016.
Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Peter Crispyn, die verschijnt voor verzoekster, en advocaat Rozanne Vander Hulst, die tevens loco advocaten David D'Hooghe en Leopold Schellekens verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Verzoekster maakt deel uit van het CaLog-personeel van de Algemene Inspectie van de federale politie en de lokale politie, in de graad van adviseur algemeen beleid jurist-raadgever. Vóór de hier bestreden besluiten
XIV-36.214-2/23
werden genomen, was zij volgens het sinds 2007 geldend CaLog-statuut ingeschaald in de loonschaal A31.
Verzoekster is sedert 1 maart 2013 gedetacheerd bij de federale politie, DSJ - Geldelijk Statuut doch maakt nog steeds deel uit van de Algemene Inspectie.
3.2. Met toepassing van het ministerieel besluit van 5 juni 2007
‘betreffende de weging van de functies van niveau A van het administratief en logistiek kader van de politie’ (hierna: het ministerieel besluit van 5 juni 2007)
(B.S., 29 juni 2007), de ministeriële omzendbrief GPI 60 van dezelfde datum ‘betreffende de weging van de functies van het niveau A van het administratief en logistiek kader van de politiediensten’ (B.S., 29 juni 2007), artikel 70 van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 ‘betreffende de werking en het personeel van de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie’ en artikel 71
van het huishoudelijk reglement van de Algemene Inspectie, ondertekend door de minister van Binnenlandse Zaken op 7 februari 2003, maakt de inspecteur-generaal van de Algemene Inspectie op 3 april 2009 zijn “wegingsvoorstel” inzake de betrekkingen van niveau A bij de Algemene Inspectie over aan het directiecomité van de FOD Binnenlandse Zaken. Daarin stelt hij voor dat de betrekking van adviseur algemeen beleid jurist-raadgever wordt ondergebracht in klasse 3.
3.3. De directie van de mobiliteit en het personeelsbeheer (DGS/DSP) waaraan de minister bij de genoemde omzendbrief van 5 juni 2007 de rol heeft toevertrouwd om te waken over een coherente en uniforme toepassing van de principes inzake weging binnen de geïntegreerde politie heeft daartoe een technische “wegingscommissie” in het leven geroepen die een advies heeft gegeven op 14 juli 2010. Deze commissie adviseert de betrekking van jurist-raadgever onder te brengen in klasse 2.
XIV-36.214-3/23
3.4. Het voorstel en het advies worden op 14 december 2011 voor overleg aan het Hoog Overlegcomité voorgelegd waarin diezelfde omzendbrief voorziet.
3.5. Nadat het ontwerpbesluit door de minister voor advies aan de afdeling Wetgeving van de Raad van State werd voorgelegd, advies dat gegeven werd op 22 oktober 2012, wordt het op 11 november 2014 het koninklijk besluit ‘tot vaststelling van de wegingen van de betrekkingen van niveau A van de Algemene Inspectie van de federale politie en de lokale politie’ uitgevaardigd en op 2 december 2014 in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
Volgens artikel 2 van dat besluit wordt de functie van adviseur algemeen beleid jurist-raadgever (AIG02) van de Algemene Inspectie van de federale en lokale politie ingedeeld in klasse 2, met ingang van 1 september 2007
(artikel 8).
Dit is het eerste bestreden besluit. Het besluit overweegt:
“(...)
Overwegende dat de Inspecteur-generaal van de federale politie en van de lokale politie verzocht werd om zijn gemotiveerd wegingsvoorstel van de betrekkingen van niveau A van de Algemene Inspectie mee te delen aan de Directie van mobiliteit en het personeelsbeheer van de algemene directie van de ondersteuning en het beheer van de federale politie (DGS/DSP);
Overwegende dat DGS/DSP ermee werd belast een advies uit te brengen over het gemotiveerde voorstel van de Inspecteur-generaal teneinde erop toe te zien dat de principes inzake weging coherent en eenduidig worden toegepast binnen de geïntegreerde politie;
Dat DGS/DSP daartoe een technische commissie, «Wegingscommissie»
genaamd, heeft samengesteld, die betrokken werd bij alle wegingen die binnen de geïntegreerde politie werden uitgevoerd en in dit opzicht een globaal overzicht heeft van de functies van niveau A waardoor zij ze onderling kan vergelijken met een volledige relevantie inzake de waarden die aan hen moeten worden toegewezen in het kader van de weging;
Overwegende dat het advies van de Wegingscomrnissie wordt gevoegd bij het gemotiveerde advies van de Inspecteur-generaal met het oog op het overleg met de vakorganisaties om hun akkoord te verkrijgen en dat de benoemingsoverheid het voorstel, het advies en het protocolakkoord vergelijkt met het oog op het toewijzen van de wegingen aan de betrekkingen van niveau A van de Algemene Inspectie;
Overwegende dat het organiek kader van de Algemene Inspectie van de federale politie en van de lokale politie bestaat uit zeven categorieën van betrekkingen van niveau A:
XIV-36.214-4/23
(...)
- Adviseur algemeen beleid jurist-raadgever (AIG02);
(...)
Overwegende dat wat de betrekking van Adviseur algemeen beleid jurist-raadgever (AIG02) betreft, de Inspecteur-generaal (IG) de klasse 3 heeft voorgesteld, terwijl de Wegingscommissie (WC) de klasse 2 heeft voorgesteld;
Dat dit resultaat als volgt wordt gespecifieerd:
As "omkadering"
IG WC
Criterium 1 0 0
Criterium 2 3 2
Criterium 3 0 0
Criterium 4 0 0
Totaal 6 4
As "bijdrage"
IG WC
Criterium 1 2 2
Criterium 2 2 2
Criterium 3 2 1
Criterium4 3 2
Totaal 22 16
Overwegende dat wat het criterium 2 van de as «omkadering» betreft, de Adviseur algemeen beleid jurist-raadgever, hoewel hij juridische ondersteuning kan bieden aan de Inspecteur-generaal, voornamelijk rekenschap aflegt aan het Diensthoofd van de statuten (IGST); dat er dientengevolge een score van 2 punten aan dit criterium moet worden toegekend;
Dat wat het criterium 3 van de as «bijdrage» betreft, de complexiteit vermeld door dit criterium, veeleer betrekking heeft op de te nemen beslissingen en niet op de behandelde materie; dat de tactische beslissingnames zijn voorbehouden aan de leden van de dienst waarvan het de hoofdfunctie, zoniet enige functie, is (diensthoofd of adviseur bij de Inspecteur-generaal); dat de complexiteit van de beslissingen van de betrekking van Adviseur algemeen beheer jurist-raadgever voornamelijk van operationele aard is (juridische ondersteuning, reactieve taken), zonder ontwikkelingsautonomie of kennelijke beslissing; dat dientengevolge een score van 1 punt aan dit criterium moet worden toegekend;
Dat wat het criterium 4 van de as «bijdrage» betreft, de impact tot uiting komt door de rechtstreekse invloed van de betrekking op de organisatie zelf; dat de impact van de betrekking van Adviseur algemeen beheer jurist-raadgever intern wordt erkend (gelijkwaardig aan 150 personeelsleden PL); dat de betrekking ter ondersteuning komt van de auditors en de realisatie en implementatie opvolgt van de actieplannen die zij aanbevelen; dat ofschoon het een daadwerkelijke functionele impact betreft, deze echter niet structureel betrekking heeft op meer dan 2.000 PL;
dat het gaat over een impact dossier per dossier betreffende, voor deze betrekking, veel kleinere entiteiten; dat dientengevolge een score van 2 punten aan dit criterium moet worden toegekend;
Dat bijgevolg het advies van de Wegingscommissie waarin de klasse 2 is voorgesteld voorde betrekking van Adviseur algemeen beheer jurist-raadgever de overhand moet hebben;
(...).”
XIV-36.214-5/23
3.6. Met toepassing van artikel 2 van het eerste bestreden besluit wordt verzoekster bij koninklijk besluit van 4 december 2014 als adviseur algemeen beleid jurist-raadgever benoemd in de klasse 2, met ingang van 1 september 2007. Dit koninklijk besluit is aan verzoekster ter kennis gebracht op 14 januari 2015.
Dit is het tweede bestreden besluit.
IV. Ontvankelijkheid van het beroep
Exceptie van de verwerende partij
4. In haar memorie van antwoord werpt de verwerende partij op dat verzoekster slechts belang heeft bij de vernietiging van de bestreden bestuurshandelingen in de mate deze haar rechtstoestand raken. De verwerende partij stelt dat verzoekster geen rechtstreeks nadeel lijdt ingevolge de bestreden koninklijke besluiten, noch dat zij enig direct en persoonlijk voordeel kan verkrijgen door de vernietiging ervan, gelet op artikel 12 van het ministerieel besluit van 5 juni 2007 dat een ‘vrijwaringsclausule’ bevat waardoor verzoekster kan blijven genieten “van de wedde die ze kreeg vóór de (her)weging van de functie naar klasse 2”. Verzoekster kan op grond van die bepaling “nog steeds genieten van de wedde die overeenstemt met de loonschalen bepaald voor klasse 3”. Zij heeft derhalve geen belang haar beroep.
In haar laatste memorie herhaalt de verwerende partij dat verzoekster geen financieel nadeel lijdt. In de mate verzoekster aanvoert dat haar nadeel is gelegen in het gegeven dat zij zonder de bestreden besluiten reeds de (hogere) loonschaal A32 zou hebben verworven en een hogere wedde zou genieten, repliceert de verwerende partij dat verzoekster niet kan aantonen dat zij in elk geval - indien haar functie nog in klasse 3 gewogen zou zijn geweest - quasi automatisch die loonschaal verworven zou hebben. Uit artikel 7.2.1. RPPol volgt immers dat de baremische loopbaan geen automatisch recht is doch afhankelijk is van het vervullen van voorwaarden waarvan verzoekster niet aantoont dat deze in
XIV-36.214-6/23
elk geval vervuld waren. Wat de zogenaamde vertraagde mogelijkheid tot bevordering door overgang naar een hogere klasse met hogere loonschaal betreft, meent de verwerende partij dat het om een “puur hypothetisch, minstens onzeker nadeel” gaat daar geenszins zeker is dat verzoekster “daadwerkelijk een kans zou hebben gehad om bevorderd te worden of te evolueren naar de hogere loonschalen A32 en A33 indien haar functie nog steeds in klasse 3 gewogen zou zijn”.
5. Verzoekster repliceert in haar memorie van wederantwoord in essentie dat zij inderdaad ingevolge de vrijwaringsclausule van artikel 12 van het ministerieel besluit van 5 juni 2007 haar vroegere wedde behoudt, maar dat dit enkel de geldelijke anciënniteit betreft. De indeling in klasse 2 impliceert dat verzoekster niet verder kan evolueren naar de loonschalen A32 en A33, hetgeen zonder de bestreden besluiten wel het geval zou zijn geweest. In dat geval had verzoekster nu reeds de loonschaal A32. Anderzijds, heeft de overheid haar inschrijvingen voor het volgen van een gecertificeerde opleiding die de mogelijkheid op een competentie ontwikkelingstoelage opent, geweigerd omdat dit in haar loonschaal niet mogelijk is. Omwille van de ‘vrijwaringsclausule’ voor de loonschaal A31 waarvan verzoekster geniet “én de onderliggende loonschaal ingevolge de ponderatie de hoogste loonschaal van de klasse 2 is, nml. A23 kan [zij] geen competentieontwikkelingstoelage (COT) meer genieten” en kan zij daarvoor ook geen gecertifieerde opleiding meer volgen.
In haar laatste memorie herhaalt verzoekster dat het niet zomaar een vertraging maar een werkelijke onmogelijkheid is om door te stromen naar de loonschalen A32 en A33. Vanuit een klasse 2 kan verzoekster deze loonschalen immers niet bereiken. Hoewel de weddeschaal A31 de eerste loonschaal van klasse 3 is, kan er precies door de niet toekenning van de klasse 3, niet geëvolueerd worden naar de loonschalen A32 en A33.
XIV-36.214-7/23
Beoordeling
6. Vooraleer de bestreden administratieve rechtshandelingen werden genomen, was verzoekster ingeschaald in de loonschaal A31. Ingevolge het tweede bestreden besluit wordt verzoekster evenwel ingeschaald in de klasse 2
die de loonschalen A21, A22 en A23 bevat, zij het met dien verstande dat zij met toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 juni 2007 het recht heeft behouden op de loonschaal, met inbegrip van de tussentijdse verhogingen, die ze genoot voor de weging van de functie (te dezen de loonschaal A31).
De loonschalen van het CaLog-personeel van niveau A van de politiediensten zijn opgenomen als bijlage Ibis bij het RPPol (zoals vervangen bij koninklijk besluit van 23 maart 2007 ‘tot wijziging van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten’). Hoewel verzoekster weinig concrete informatie over haar huidig (en vroeger) loon bijbrengt, is het duidelijk dat een inschaling in de loonschalen van klasse 3 gunstiger is aangezien de maximumlonen hoger ligger dan de maximumlonen in de loonschalen van klasse 2.
De indeling in een bepaalde klasse, te dezen in klasse 2 (al behield zij haar wedde A31), heeft niet alleen gevolgen voor de vaststelling van de loonschaal. De opname van verzoekster in klasse 2 houdt in dat zij niet zonder bevordering naar een hogere klasse 3 kan evolueren en, derhalve, naar de met die klasse overeenstemmende loonschalen (te dezen de door haar geambieerde loonschalen A32 en A33). Een baremische verhoging naar die loonschalen vanuit klasse 2 is niet mogelijk. Dat verzoekster helemaal niet meer verder zou kunnen evolueren naar de loonschalen A32 en A33 is dus niet geheel correct, maar in ieder geval wordt een dergelijke mogelijke evolutie, dit is tenzij bevordering naar een hogere klasse, vertraagd. Die vaststellingen volstaan om haar belang bij de vernietiging van de bestreden besluiten te verantwoorden.
7. De exceptie is ongegrond.
XIV-36.214-8/23
V. Onderzoek van de middelen
Eerste middel
Standpunt van de partijen
8. Verzoekster voert in haar eerste middel een schending aan van artikel II.III.14 RPpol, van het ministerieel besluit van 5 juni 2007 ‘betreffende de weging van de functies van het niveau A van het administratief en logistiek kader van de politiediensten’ (hierna: koninklijk besluit van 5 juni 2007) en van de omzendbrief GPI 60 van diezelfde datum, evenals van het zorgvuldigheidsbeginsel. Zij zet in haar verzoekschrift met verwijzing naar artikel II.III.14 RPPol, het ministerieel besluit van 5 juni 2007 en de omzendbrief GPI 60 de procedure uiteen die is gevolgd voor het indelen van de betrekkingen in een klasse. Zij verwijst daarbij in het bijzonder naar de laatste fase, waar volgens de omzendbrief de commissaris-generaal en de directeurs-generaal hun gemotiveerd wegingsvoorstel aan DGS/DSP ter validatie overmaken (waarbij voor de Algemene Inspectie de inspecteur-generaal als bevoegde overheid moet worden beschouwd). Zij wijst er in haar inleidend verzoekschrift op dat de wegingscommissie een advies heeft gegeven terwijl “het bestaan, de werking en samenstelling van deze ‘wegingscommissie’ nergens is bepaald en dat deze niet voorkomt in de reglementaire teksten dewelke de weging van functies regelen.”
Dit klemt volgens verzoekster des te meer nu blijkt dat telkens het advies van die commissie gevolgd wordt (indien het afwijkt van het voorstel van de inspecteur-generaal). De indeling in klassen is aldus gebeurd op grond van een onwettige procedure “met het overwegend in acht nemen van een advies van een ‘wegingscommissie’ welke geen rechtsgrond heeft”. Volgens de omzendbrief GPI 60 was het aan de inspecteur-generaal om een gemotiveerd wegingsvoorstel over te maken aan DGS/DSP welke deze dan valideert en na overleg met de syndicale organisaties doorstuurt naar de minister. “‘Valideren’ betekent het nazien op zijn geldigheid” aldus verzoekster, “wat, conform diezelfde omzendbrief, gericht [is] op het waken over een coherente en uniforme toepassing
XIV-36.214-9/23
van de principes der weging”. Dit impliceert evenwel niet dat een wegingscommissie een onderscheiden advies aflevert, los van het advies van de inspecteur-generaal en met een geheel eigen benadering en beoordeling van de waardering der specifieke assen met elk hun eigen criteria.
Verzoekster voegt er nog aan toe dat zij niet in kennis werd gesteld van de samenstelling van deze wegingscommissie zodat haar het recht is ontnomen om een mogelijk partijdig lid van de wegingscommissie te kunnen wraken, en dit omwille van haar functie die in niet onbelangrijke mate betrekking heeft op tuchtprocedures.
Verzoekster is bovendien van oordeel dat het advies van de wegingscommissie niet zorgvuldig tot stand is gekomen. De wegingscommissie stelt dat verzoekster voornamelijk rekenschap aflegt aan het diensthoofd statuten, terwijl de Algemene Inspectie ingedeeld is in directies en zij dus verantwoording dient af te leggen aan een directeur. De wegingscommissie baseert zich op het ministerieel besluit van 5 juni 2007 voor het bepalen van de criteria en de coëfficiënten, maar de aangegeven waarden zijn slechts situaties die voorkomen ofwel binnen de federale politie, ofwel binnen de lokale politie. Er is kennelijk niet gekeken naar wat de organisatie (AIG) verwacht van de functie. Verzoekster wijst er op dat zij van 2008 tot 2013 het ‘HRM gebeuren’ heeft overgenomen van een gepensioneerd personeelslid en dat zij in die hoedanigheid ook evaluator was van een medewerker. Verzoekster stelt dat zij in die hoedanigheid ook bijgedragen heeft in de implementatie van het statuut en in het ontwikkelen en uitvoeren van de HR strategie, gegeven waarmee in de weging geen rekening is gehouden.
9. De verwerende partij repliceert in haar memorie van antwoord in eerste instantie dat “[d]e Koning bij de totstandkoming van beide bestreden KB’s alle stappen van de procedure, zoals bepaald in de Omzendbrief, [heeft] gevolgd”.
Zo werd het advies van de wegingscommissie, samen met het voorstel van de inspecteur-generaal, aan de vakorganisaties voorgelegd alvorens de Koning een beslissing omtrent de weging heeft genomen. Het Hoog overlegcomité voor de
XIV-36.214-10/23
politiediensten waarin de betreffende vakorganisaties vertegenwoordigd zijn, heeft het voorstel van de inspecteur-generaal en het advies van de wegingscommissie geanalyseerd en heeft beslist “het advies van de wegingscommissie in aanmerking te nemen en te laten prevaleren op het voorstel van de Inspecteur-Generaal”, net omwille van het feit dat de wegingscommissie in het leven werd geroepen om erover te waken dat er rekening wordt gehouden met de criteria zoals bepaald in het ministerieel van besluit van 5 juni 2007 en dat deze op dezelfde wijze worden toegepast, ongeacht voor welke dienst van de geïntegreerde politie. Concreet werden door de wegingscommissie de 7 functies binnen de Algemene Inspectie vergeleken met de betrekkingen van niveau A bij DGS. De beide bestreden koninklijke besluiten vormen het resultaat van een zorgvuldige besluitvorming.
Meer bepaald, wat het bestaan van de wegingscommissie betreft, stelt de verwerende partij in essentie dat “het bestaan van de wegingscommissie niet wettelijk of reglementair voorgeschreven of nader geregeld [is]”. Dit impliceert echter niet dat het samenstellen van een wegingscommissie onwettig is.
De omzendbrief bepaalt niet concreet hoe de rol van DGS/DSP in het kader van het toezicht op de naleving van de principes inzake de weging en de coherente toepassing van de criteria vorm moet krijgen. De DGS/DSP heeft een technische commissie, dit is de wegingscommissie samengesteld waarin de lokale politie, de commissaris-generaal en de directeurs-generaal van de federale politie zijn vertegenwoordigd. Bovendien, aldus de verwerende partij, heeft “een bestuur” ook zonder wettelijke of reglementaire grondslag de bevoegdheid om een advies te vragen, tenzij een uitdrukkelijke bepaling haar dat verbiedt. De beslissende overheid kan in dat verband een beroep doen op bestaande adviesorganen maar kan ook voor de gelegenheid een nieuw adviesorgaan ad hoc aanstellen. De door verzoekster geschonden geachte bepalingen verbieden deze werkwijze niet. De verwerende partij stelt onder meer dat het ministerieel besluit van 5 juni 2007 geen bepalingen bevat die betrekking hebben op de concrete totstandkoming van de weging of de bevoegdheidsverdeling in dit kader en dat de bestreden besluiten in de hiërarchie der normen van een hogere rang zijn dan het ministerieel besluit van 5 juni 2007.
XIV-36.214-11/23
Het inrichten van een specifieke commissie tast voorts de inhoudelijke beslissingvrijheid van de Koning niet aan en getuigt van een zorgvuldige besluitvorming. Verzoekster wordt in haar rechten niet geschaad door het gegeven dat de Koning in casu verder is gegaan op het advies van de wegingscommissie. Zelfs zonder wettelijke of reglementaire grondslag mocht de Koning rekening houden met het advies, minstens heeft de Koning de hem toegekende discretionaire bevoegdheid omtrent de toekenning van de wegingen in casu niet onredelijk of onzorgvuldig uitgeoefend.
Wat het voorwerp van het advies betreft, doet de verwerende partij in essentie gelden dat niet blijkt dat “het advies van DGS/DSP, in casu uitgebracht door de [w]egingscommissie, niet de vorm mocht aannemen van een advies omtrent het wegingsvoorstel van de inspecteur-generaal (...)”. Zij stelt dat de omzendbrief bepaalt dat de DGS/DSP een advies uitbrengt over het wegingsvoorstel van de zonechefs en dat de “lokale korpsen, net als de Algemene Inspectie, extern aan de federale politie [zijn] waar DGS/DSP deel van uitmaakt”.
Enkel voor wat de commissaris-generaal en de directeurs-generaal van de federale politie betreft, wordt verwezen naar een “validatie”.
Wat de samenstelling van de commissie betreft, stelt de verwerende partij dat aangezien het eerste bestreden besluit reglementair van aard is en het advies van de wegingscommissie niet handelt over het functioneren van één of meerdere personeelsleden maar in abstracto over de (weging van de) functie als dusdanig, aan verzoekster geen wrakingsrecht kan worden toegekend. Evenmin kan dat wat de tweede bestreden administratieve rechtshandeling betreft aangezien in die individuele beslissing geen oordeel van de wegingscommissie, advies dat overigens niet bindend is, werd betrokken dat specifiek over het functioneren van verzoekster oordeelt.
Wat tenslotte het concrete advies van de wegingscommissie betreft, stelt de verwerende partij dat de Koning, evenals de DGS/DSP en de wegingscommissie over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid beschikken
XIV-36.214-12/23
waarbij het aan de Raad van State niet toekomt zich in de plaats van de Koning te stellen wat de concrete beoordeling van de wegingen van de functies betreft. Hij kan enkel nagaan of de Koning bij het uitoefenen van zijn discretionaire bevoegdheid zorgvuldig heeft gehandeld en of hij hierbij de grenzen van de redelijkheid niet te buiten is gegaan wat een “marginaal” toetsingsrecht van de Raad van State impliceert. De Koning heeft rekening gehouden met de wegingsmatrix van de assen “omkadering” en “bijdrage” en de daaraan verbonden criteria. De verwerende partij zet vervolgens in haar memorie van antwoord uiteen hoe die criteria door de wegingscommissie, hierin gevolgd door de Koning, in concreto wettig, zorgvuldig en correct zijn toegepast.
In haar laatste memorie benadrukt de verwerende partij dat “de van toepassing zijnde (reglementaire) bepalingen, inzonderheid Omzendbrief GPI 60” steeds verwijzen naar de zonechefs, de commissaris-generaal, de directeurs-generaal en de korpschefs als bevoegde autoriteiten inzake weging. De inspecteur-generaal wordt in deze echter nooit expliciet vermeld, doch is gelijk te stellen met de “zonechefs” in de omzendbrief omdat de lokale korpsen net als de Algemene Inspectie, extern zijn aan de federale politie waar DGS/DSP deel van uitmaakt. Dit wordt volgens de verwerende partij “bevestigd” in artikel 5 van de wet van 15 mei 2007 ‘op de Algemene Inspectie en houdende diverse bepalingen betreffende de rechtspositie van sommige leden van de politiediensten’ (hierna: de wet van 15 mei 2007) waarin wordt benadrukt dat de Algemene Inspectie een van de politiediensten onafhankelijk controleorgaan is dat ressorteert onder de uitvoerende macht. Uit diezelfde wet blijkt nog dat de inspecteur-generaal en de adjunct-inspecteur-generaal geen personeelsleden van de politiediensten zijn.
Daarom is er wel degelijk sprake van een advies van DGS/DSP bij het voorstel van de inspecteur-generaal en niet van een “validatie” waarbij de wegingscommissie wel degelijk is vertrokken van het voorstel van de inspecteur-generaal. Zij meent voorts nog dat verzoekster er niet in slaagt aan te tonen hoe de oprichting van een wegingscommissie binnen DGS/DSP in strijd zou zijn met de regelgeving, of hoe daardoor de beoordelingsbevoegdheid van de Koning zou zijn aangetast nu die wegingscommissie slechts advies verstrekt en de Koning de finale
XIV-36.214-13/23
beslissingsbevoegdheid behoudt. Tot slot, meent zij dat voor het invoeren van een wrakingsmechanisme het reglementair kader moet worden gewijzigd. Het betreft volgens haar overigens een opportuniteitskritiek op dat regelgevend kader. Het ontbreken van dergelijk mechanisme bij de totstandkoming van de bestreden besluiten maakt - nog los van het feit dat er geen wraking mogelijk is bij weging van abstracte functies - geenszins dat de bestreden beslissingen onzorgvuldig zouden zijn tot stand gekomen.
Beoordeling
10. Zoals hoger is weergegeven blijkt uit haar inleidend verzoekschrift dat verzoekster in de eerste plaats kritiek uit op het feit dat bij de functieweging een advies van de wegingscommissie is betrokken terwijl het bestaan, de werking en de samenstelling van deze wegingscommissie “nergens is bepaald en dat deze niet voorkomt in de reglementaire teksten dewelke de weging van functies regelen.” De indeling in klassen is aldus gebeurd op grond van een onwettige procedure “met het overwegend in acht nemen van een advies van een ‘wegingscommissie’ welke geen rechtsgrond heeft.” Verzoekster meent dat de argumentatie van de verwerende partij evenmin kan worden gevolgd waar die stelt dat de beslissende overheid voor de gelegenheid een nieuw adviesorgaan ad hoc zou kunnen samenstellen omdat het te dezen niet de Koning maar de DGS/DSP is die beslist heeft een wegingscommissie te installeren.
11. De voor het voorliggende beroep relevante normatieve bepalingen betreffen, achtereenvolgens, (1.) het statuut van de Algemene Inspectie, (2.) de rechtspositie(regeling) van het personeel ervan en, specifiek, (3.)
de reglementaire bepalingen inzake de functieweging met het oog op de indeling van de betrekkingen in klassen met de daaraan verbonden loonschalen.
Eerstens, wat (het statuut van) de Algemene Inspectie betreft, bepaalt artikel 3, eerste lid, van de wet van 15 mei 2007 dat de Algemene Inspectie van de federale politie en van de lokale politie (hierna: de Algemene Inspectie)
XIV-36.214-14/23
onder het gezag staat van de minister van Binnenlandse Zaken en van de minister van Justitie, die gezamenlijk de algemene principes inzake haar organisatie, haar werking en haar algemeen beheer vastleggen en die het te voeren beleid bepalen.
Overeenkomstig artikel 4, § 3, laatste lid, van de wet van 15 mei 2007 bepaalt de Koning de werkingsregels van de Algemene Inspectie.
Krachtens artikel 4, § 2, van diezelfde wet staat de Algemene Inspectie onder leiding van en wordt ze georganiseerd door de inspecteur-generaal en de adjuncten-inspecteur-generaal. De Koning stelt, op voorstel van de minister van Binnenlandse Zaken en van de minister van Justitie, de personeelsformatie van de Algemene Inspectie vast.
De Algemene Inspectie ressorteert volgens artikel 5 van de wet van 15 mei 2007 “als van de politiediensten onafhankelijk controleorgaan” onder de uitvoerende macht en heeft tot opdracht te waken over het optimaliseren van het functioneren van de federale politie en de lokale politie evenals van hun componenten.
12. Ten tweede, wat het personeel van de Algemene Inspectie betreft, bepaalt artikel 4, § 3 van de wet van 15 mei 2007 dat het is samengesteld uit 1° politieambtenaren afkomstig uit de federale politie of uit een korps van de lokale politie en 2° leden afkomstig uit het administratief en logistiek kader van de federale politie of van een korps van de lokale politie. Het administratief en logistiek kader van niveau A, waartoe verzoekster behoort, omvat onder meer ambten van adviseurs algemeen beleid in het domein van de informatie en communicatietechnologie, het human resources management, het juridische, het financiën- en het middelenbeheer en het ambt van vorser-raadgever.
Artikel 11, § 2, van de wet van 15 mei 2007 verleent de Koning de bevoegdheid de kandidaten voor een functie van officier of van niveau A te benoemen. Deze benoemingen worden gedaan op voorstel van de inspecteur-generaal.
XIV-36.214-15/23
Wat het statuut van het personeel van de Algemene Inspectie betreft, bepaalt artikel 14 van de wet van 15 mei 2007 dat, behoudens de bepalingen voorzien in hoofdstuk VI (artikelen 10 tot 26/1) van diezelfde wet, de statutaire personeelsleden zoals bedoeld in artikel 4, § 3, 1° en 2° (waartoe verzoekster behoort), onderworpen blijven aan de bepalingen die het statuut of de rechtspositie vaststellen van de leden van het operationeel kader of het administratief en logistiek kader van de federale politie en van de lokale politie.
Verder bepaalt het nog dat de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie de instanties definiëren die de overheden van de federale politie en van de lokale politie vervangen voor de toepassing van de wetten en reglementen betreffende het statuut van het personeel voorzien in artikel 4, § 3, 1° en 2°.
De nadere regels van het statuut van de personeelsleden van het operationeel en het administratief en logistiek kader van de federale en lokale politie worden overeenkomstig artikel 121 van de wet van 7 december 1998 ‘tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus’ (hierna: de wet van 7 december 1998) bepaald door de Koning.
13. Wat tot slot de reglementaire bepalingen inzake de functieweging betreft, worden - in uitvoering van genoemd artikel 121 van de wet van 7 december 1998 - krachtens artikel II.III.14 RPPol de ambten van niveau A
ingedeeld in klassen, na een weging op basis van een matrix met twee assen waarbij elke as vier criteria bevat. Krachtens artikel II.III.14, § 4, tweede lid, RPPol kan de minister “daaromtrent” nadere regels vaststellen. Artikel II.III.14
RPPol luidt:
“§ 1. Het niveau A bevat vijf klassen, genummerd van A1 tot A5, waaraan de volgende loonschalen zijn verbonden:
1° klasse A1 bevat de loonschalen A11, A12, A21, A22 en A23;
2° klasse A2 bevat de loonschalen A21, A22 en A23;
3° klasse A3 bevat de loonschalen A31, A32 en A33;
4° klasse A4 bevat de loonschalen A41, A42 en A43;
5° klasse A5 bevat de loonschalen A51, A52 en A53.
De eerstgenoemde loonschaal van de loonschalengroep die aan de klasse is verbonden, wordt de basisloonschaal van die klasse genoemd.
§ 2. De personeelsleden bekleed met een bijzondere graad van niveau A, behoren minstens tot klasse A2.
XIV-36.214-16/23
§ 3. De personeelsleden van het niveau A die beantwoorden aan de wettelijke voorwaarden om het ambt van preventieadviseur uit te oefenen en effectief voor deze functie zijn aangewezen, behoren minstens tot klasse A2.
De personeelsleden die geselecteerd zijn voor een ambt van preventieadviseur en die nog niet beantwoorden aan de wettelijke voorwaarden om dit ambt uit te oefenen, behoren tot de klasse A1.
§ 4. De ambten van niveau A worden in de klassen ingedeeld na een weging op basis van een matrix met twee assen met de volgende criteria :
1° as ‘omkadering’:
- hiërarchie in dalende lijn;
- hiërarchie in stijgende lijn;
- budgettaire verantwoordelijkheid;
- autonomie in het raam van personeelsbeheer;
2° as ‘bijdrage’:
- opleidingsniveau vereist voor de uitoefening van de functie;
- ervaring vereist voor de uitoefening van de functie;
- complexiteit van de te behandelen problemen;
- invloed van de functie.
De minister kan daaromtrent nadere regels vaststellen.”
Het ministerieel besluit van 5 juni 2007 ‘betreffende de weging van de functies van het niveau A van het administratief en logistiek kader van de politiediensten’ (en de daarbij gevoegde bijlagen 1 tot 3), genomen ter uitvoering van artikel II.III.14, § 4, laatste lid, RPPol, bepaalt onder meer:
“Artikel 1. De indeling van de functies van niveau A in de vijf klassen, bedoeld in artikel II.III.14, § 1, RPPol, wordt uitgevoerd overeenkomstig het in dit besluit bepaalde systeem van weging.
Art. 2. Het systeem van de weging wordt voor elke functie van niveau A door de benoemende overheid ten uitvoer gelegd.
Art. 3. De criteria van de as ‘omkadering’, bedoeld in artikel II.III.14, § 4, eerste lid, 1°, RPPol, worden als volgt gedefinieerd:
1° hiërarchie in dalende lijn: het aantal personen die onder de hiërarchie van de functie vallen op basis van het organieke kader/organogram van de dienst;
2° hiërarchie in stijgende lijn: de functie legt rechtstreeks rekenschap af aan een bepaald niveau van de hiërarchie en dit op basis van het organieke kader/organogram van de dienst, of in voorkomend geval, op basis van vooraf bepaalde specifieke functioneringsregels;
3° budgettaire verantwoordelijkheid: de bevoegdheid om in hoofde van de organisatie een juridische verbintenis aan te gaan en/of de verantwoordelijkheid in de ontwikkeling van financiële dossiers;
4° autonomie in het raam van personeelsbeheer: de functie die in het evaluatiesysteem wordt vervuld.
De mogelijke waarden die per criterium van de as ‘omkadering’ aan een functie kunnen worden toegekend evenals de coëfficiënt per criterium, zijn bepaald in bijlage 1.
Art. 4. De criteria van de as ‘bijdrage’, bedoeld in artikel II.III.14, § 4, eerste lid, 2°, RPPol, worden als volgt gedefinieerd:
1° opleidingsniveau vereist voor de uitoefening van de functie: het vereiste
XIV-36.214-17/23
opleidingsniveau zoals dit in de mobiliteits- en aanwervingsvoorwaarden van een bepaalde functie is opgenomen;
2° ervaring vereist voor de uitoefening van de functie: de relevante ervaring die bij aanwerving en bij mobiliteit is vereist;
3° complexiteit van de te behandelen problemen: de door de functie te behandelen problemen zijn van operationeel, tactisch of strategisch niveau;
4° invloed van de functie: het aantal personeelsleden waarvan de statutaire of functionele situatie door één enkele actie van de functie kan worden beïnvloed.
De mogelijke waarden die per criterium van de as ‘bijdrage’ aan een functie kunnen worden toegekend evenals de coëfficiënt per criterium, zijn bepaald in bijlage 2.
Art. 5. De score per criterium wordt bepaald door de aan een functie voor dat criterium toegewezen waarde te vermenigvuldigen met de eraan verbonden coëfficiënt.
De globale score per as bestaat uit de som van de verschillende scores per criterium behorend tot de as. Deze globale score per as bepaalt het niveau van de functie op die as.
Art. 6. Overeenkomstig de tabel in bijlage 3, wordt als volgt een klasse toegekend aan een functie door de combinatie van het door de functie behaalde niveau op de as ‘omkadering’ en de as ‘bijdrage’:
a) indien de globale score zich bevindt tussen 0 en 9 op de as ‘omkadering’ en tussen 4 en 12 op de as ‘bijdrage’, behoort de functie tot klasse A1;
b) indien de globale score zich bevindt tussen 0 en 9 op de as ‘omkadering’ en tussen 13 en 20 op de as ‘bijdrage’, behoort de functie tot klasse A2;
c) indien de globale score zich bevindt tussen 0 en 9 op de as ‘omkadering’ en 21
of meer bedraagt op de as ‘bijdrage’, behoort de functie tot klasse A3;
(...)
Art. 7. Om de vijf jaar gaat de benoemende overheid over tot een ambtshalve weging van de functies van niveau A.
(...)
Art. 17. Vanaf 1 september 2007 vermeldt de personeelsformatie de klasse waartoe een functie van niveau A behoort.
(...).”
14. Eveneens op 5 juni 2007 vaardigt de minister van Binnenlandse Zaken de ministeriële omzendbrief GPI 60 ‘betreffende de weging van de functies van het niveau A van het administratief en logistiek kader van de politiediensten’, uit. Die omzendbrief voorziet luidens de bewoordingen ervan, in “de richtlijnen voor de uitvoering” van het ministerieel besluit van 5 juni 2007. Het doel van de omzendbrief is (1.) de methodologie van het wegingssysteem “toe te lichten”, (2.)
de acht wegingscriteria “te definiëren”, (3.) de gevolgen verbonden aan de weging “vast te leggen”, evenals (4.) de algemene principes van de tenuitvoerlegging van het systeem “vast te leggen”.
XIV-36.214-18/23
De omzendbrief GPI 60 bepaalt in artikel 2.4. onder het kopje “Praktische regels” onder meer dat “een eerste regel die gevolgd dient te worden bij deze wegingsoefening het feit [is] dat men zich bij de weging moet baseren op de te wegen functie, en niet op de persoon die deze uitoefent. De functie moet bekeken worden naar inhoud en vereisten, volgens wat door de organisatie verwacht wordt van de functie. Zo is het niet onmogelijk om een verschillende weging te hebben voor eenzelfde functionaliteit”. Voorts wordt gesteld dat het essentieel is dat de criteria op dezelfde manier worden begrepen en toegepast om een uniforme toepassing te verzekeren, en “moet” de weging van een functie rekening houden met de context van het functioneren omdat een functie niet op zichzelf maar in relatie met andere functies staat, in een gegeven context.
De omzendbrief GPI 60 beperkt er zich niet toe het systeem van de weging “toe te lichten”. De minister legt in de genoemde omzendbrief tevens de gevolgen van de weging vast, evenals “de algemene principes van de tenuitvoerlegging van het systeem”.
Wat dat laatste betreft, ditmaal onder het kopje “[i]nwerkingtreding”, worden - na te hebben vastgesteld dat het ministerieel besluit van 5 juni 2007 voorziet in de toepassing van de gevolgen verbonden aan de weging vanaf 1 september 2007 -, een aantal geheel nieuwe procedureregels uitgewerkt waaraan de verwerende partij in haar laatste memorie reglementaire draagwijdte toeschrijft (zie supra, punt 9). Zo bepaalt de omzendbrief GPI 60 wat de te volgen procedure betreft:
“Voor de lokale politie komt het de gemeente- of politieraad toe om het systeem in werking te doen treden, na overleg in het betrokken basisoverlegcomité en vervolgens de beslissingen aan de toezichthoudende overheden te communiceren.
Het komt de minister toe deze inwerkingtreding uit te voeren, op voorstel van de commissaris-generaal en de directeurs-generaal, voor de betrokken personeelsleden van de federale politie, na overleg in het hoog overlegcomité.
Concreet zal de directie van de mobiliteit en het personeelsbeheer (DGS/DSP), na de verschijning van de wettelijke en reglementaire teksten betreffende de nieuwe loopbaan van het Calog-personeel, de verantwoordelijken (korpschefs, commissaris-generaal en directeurs-generaal) uitnodigen de weging te maken van de functies die onder hun verantwoordelijkheid vallen volgens de in deze omzendbrief vastgelegde principes.
XIV-36.214-19/23
De zonechefs zullen uitgenodigd worden hun gemotiveerd voorstel mee te delen aan DGS/DSP, die een advies hierover zal uitbrengen (naleving van de principes, coherente toepassing van de criteria). Dit advies zal toegevoegd worden aan het voorstel van de korpschef met het oog op het overleg met de syndicale organisaties.
De commissaris-generaal en de directeurs-generaal delen hun gemotiveerd wegingsvoorstel mee aan DGS/DSP, die deze valideert. Na overleg met de syndicale organisaties zal DGS het voorstel van de federale politie doorsturen naar de minister.
Het is de rol van DGS/DSP te waken over een coherente en uniforme toepassing van de principes inzake weging binnen de geïntegreerde politie; het is op deze voorwaarde dat het wegingssysteem haar volledige uitwerking zal kennen als erkenningsinstrument van de bijdrage aan het functioneren van de organisatie (...).”
15. Zoals hiervoor is gebleken (zie supra, punt 13) wordt het systeem van de functieweging met het oog op de indeling van de functies in klassen met de daaraan verbonden loonschalen, in eerste instantie geregeld door artikel II.III.14 RPPol. Specifiek wat de wegingscriteria zoals bedoeld in artikel II.III.14, § 4, RPPol betreft, heeft de Koning in het tweede lid van die bepaling de minister ertoe gemachtigd “daaromtrent” nadere regels vast te stellen.
De Koning heeft in de hier relevante rechtspositieregeling zelf niet voorzien in een vooraf vastgestelde algemene regeling wat de door de benoemende overheid bij de functieweging te volgen procedure betreft. Hij heeft niet voorzien zoals de omzendbrief doet, in de tussenkomst van de DGS/DSP bij wijze van “validatie” noch in enig advies (al dan niet met het oog op die validatie), laat staan in de tussenkomst van een door de DGS/DSP op te richten wegingscommissie of in de samenstelling daarvan.
Evenmin voorziet het ministerieel besluit van 5 juni 2007 in dergelijke procedureregels. Dat ministerieel besluit bevat daarentegen zelf - anders dan de verwerende partij het ziet -, regels inzake de bevoegdheidsverdeling bij de functieweging. Aldus bepaalt artikel 2 van dat ministerieel besluit dat het systeem van de weging voor elke functie door de benoemende overheid ten uitvoer wordt gelegd.
In de mate de verwerende partij in haar laatste memorie aan de omzendbrief GPI 60 een reglementaire en, dus, statutaire draagwijdte toekent,
XIV-36.214-20/23
moet worden vastgesteld dat dergelijke als algemeen verbindende voorschriften geldende procedureregels niet kunnen worden bepaald bij wijze van omzendbrief.
16. Zoals sub 15 is gebleken bepaalt artikel 2 van het ministerieel besluit van 5 juni 2007 dat het systeem van de weging voor elke functie door de benoemende overheid ten uitvoer wordt gelegd. Krachtens artikel 11, § 2, van de wet van 5 mei 2007 is te dezen, wat de Algemene Inspectie betreft, de Koning de benoemende overheid. Hij benoemt immers de kandidaten voor een functie van niveau A, op voorstel van de algemeen-inspecteur. Hij stelt overigens ook, ditmaal op voorstel van de minister van Binnenlandse Zaken (en van de minister van Justitie), de personeelsformatie van de Algemene Inspectie vast (art. 4, § 2, van de wet van 5 mei 2007). Volgens artikel 17 van het genoemde ministerieel besluit van 5 juni 2007 tot slot vermeldt de personeelsformatie de klasse waartoe een functie van niveau A behoort.
Indien de Koning, als benoemende overheid, bij gebrek aan enige normatieve of reglementaire bepaling die hem daartoe verplicht, het wenselijk had geoordeeld om een wegingscommissie op te richten teneinde Hem bij te staan in de uitoefening van zijn discretionaire beoordelingsbevoegdheid bij de tenuitvoerlegging van het wegingssysteem, kwam het Hem toe om voorafgaand aan de tussenkomst ervan, dergelijke commissie op te richten, evenals de rol, de opdracht en de (wijze van) samenstelling ervan te bepalen. Immers, waar de verwerende partij kan worden gevolgd dat bij afwezigheid van een normatieve bepaling een bestuur, de bevoegdheid heeft om - ook zonder wettelijke of reglementaire grondslag - een advies in te winnen tenzij een uitdrukkelijke bepaling dit verbiedt, moet wel worden gepreciseerd dat diegene aan wie de bevoegdheid om advies in te winnen toekomt, het bestuur is dat in de betrokken aangelegenheid over de beslissingsbevoegdheid beschikt. Het komt alsdan de tot het nemen van de beslissing bevoegde overheid toe om niet alleen tot het inwinnen van een advies te besluiten maar tevens om te bepalen of daartoe een beroep wordt gedaan op een reeds (rechtens) bestaand adviesorgaan dan wel op een door die tot beslissen geroepen overheid nog op te richten ad hoc orgaan waarvan het dan -
XIV-36.214-21/23
uiteraard voorafgaand aan de tussenkomst van dat orgaan - ook de opdracht en samenstelling bepaalt, wat te dezen niet is gebeurd.
Daargelaten nog de vraag of, zoals verzoekster voorhoudt, de algemeen-inspecteur deel moet uitmaken van een gebeurlijk op te richten wegingscommissie voor de functies van de klasse A bij de Algemene Inspectie, kwam het te dezen krachtens artikel 2 van het ministerieel besluit van 5 juni 2007
de benoemende overheid, dit is de Koning, toe het systeem van functieweging ten uitvoer te leggen en dus ook om, desgevallend, te beslissen een advies in te winnen, daartoe - voorafgaand aan de tussenkomst ervan - een wegingscommissie op te richten en de opdracht, samenstelling en werking ervan te bepalen en niet de minister van Binnenlandse Zaken noch de DGS/DSP. Een bekrachtiging achteraf bij koninklijk besluit volstaat daartoe niet.
Een advies dat niet rechtsgeldig tot stand is gekomen, zoals te dezen het advies van de wegingscommissie, kan en mag niet bij de besluitvorming worden betrokken.
Deze vaststellingen volstaan om te besluiten tot een schending van artikel II.III.14 RPpol en van het ministerieel besluit van 5 juni 2007 door het eerste bestreden besluit en door het tweede bestreden besluit dat in het eerste bestreden besluit rechtsgrond vindt.
17. Het eerste middel is in de aangegeven mate gegrond.
Het tweede middel waarin een schending wordt aangevoerd van de materiëlemotiveringsplicht kan niet tot een ruimere vernietiging leiden zodat het niet verder moet worden onderzocht.
XIV-36.214-22/23
BESLISSING
1. De Raad van State vernietigt:
- het koninklijk besluit 11 november 2014 ‘tot vaststelling van de weging van de betrekkingen van niveau A van de Algemene Inspectie van de federale politie en van de lokale politie’ en - het koninklijk besluit van 4 december 2014 waarbij verzoekster benoemd is in de klasse 2 van het administratief en logistiek kader van de Algemene Inspectie van de federale politie en van de lokale politie, voor de betrekking van adviseur algemeen beleid jurist-raadgever vanaf 01-09-2007.
2. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het eerste vernietigde besluit.
3. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan verzoekster.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twintig april tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:
Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.
De griffier De voorzitter
Joris Casneuf Geert Debersaques
XIV-36.214-23/23
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.962