Flemish Court of State dismisses urgent execution suspension due to lack of extreme necessity.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Flemish Court of State rejected the applicant's request to suspend the enforcement of a decision confiscating her dogs under urgent necessity. The applicant argued that the withdrawal of her kennel license and the subsequent transfer of animals to shelters caused irreparable harm, yet the court found she failed to act promptly against the license revocation. Consequently, the court ruled that the extreme necessity condition was not met because the applicant did not demonstrate that ordinary suspension procedures would be too late to prevent damage.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 17, §§ 1 and 4 of the Flemish Rules of State Council; extreme necessity is a distinct prerequisite requiring separate assessment, and the illegality of a decision does not automatically satisfy this condition if the applicant could have sought ordinary suspension.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER
nr. 237.906 van 6 april 2017
in de zaak A. 221.840/VII-39.950.
In zake : Priscillia BLAIRON
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gerard Soete kantoor houdend te 8400 Oostende Kerkstraat 8, bus 1
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Filip Vincke kantoor houdend te 9600 Ronse Grote Markt 33
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 4 april 2017, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing “van de Vlaamse Overheid, Departement Leefmilieu, Natuur en Energie, Secretariaat-Generaal, Inspectie Dierenwelzijn, […] van 30 maart 2017 […]
inhoudende de bestemming van de inbeslaggenomen dieren met een definitief in volle eigendom geven aan 4 asielen”.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.
VII-39.950-1/7
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 april 2017.
Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Gerard Soete, die verschijnt voor verzoekster, en advocaat Filip Vincke, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Luc Vermeire heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Verzoekster werd op 14 april 2011 erkend voor het uitbaten van een professionele hondenkwekerij, gelegen aan de Wantestraat 24 te Ruiselede.
3.2. In de periode 2013-2016 worden lastens verzoekster herhaaldelijk processen-verbaal opgesteld wegens diverse inbreuken op bepalingen van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren (hierna: wet van 14 augustus 1986) en het koninklijk besluit van 27 april 2007 houdende erkenningsvoorwaarden voor inrichtingen voor dieren en de voorwaarden inzake de verhandeling van dieren.
3.3. Met een besluit van 21 december 2016 trekt de Vlaamse minister bevoegd voor Dierenwelzijn verzoeksters erkenning voor het uitbaten van een professionele hondenkwekerij met ingang van 1 februari 2017 in. Tevens wordt haar, in toepassing van artikel 5, § 4, tweede lid, van de wet van 14 augustus 1986, voor onbepaalde duur het verbod opgelegd om een nieuwe erkenningsaanvraag in
VII-39.950-2/7
te dienen. Verzoekster wordt er uitdrukkelijk op gewezen dat de beslissing impliceert dat zij “vanaf 1 februari 2017 voor onbepaalde duur geen overeenkomstig artikel 5, § 1, van voornoemde wet erkenningsplichtige inrichting mag beheren noch er een direct toezicht mag uitoefenen op de dieren”.
Tegen het ministerieel besluit van 21 december 2016 dient verzoekster op 23 januari 2017 een beroep tot nietigverklaring in (zaak A. 221.284/VII-39.898). Vervolgens stelt zij op 13 maart 2017 een vordering tot schorsing en tot het opleggen van voorlopige maatregelen in.
3.4. Op 14 februari 2017 wordt een beslissing genomen waarbij alle aanwezige honden op de adressen Wantestraat 24 te Ruiselede en Hazestraat 2 te Ardooie, met uitzondering van de honden die zich binnenshuis bevonden, administratief in beslag worden genomen in toepassing van artikel 42, § 1, van de wet van 14 augustus 1986. De dieren zullen later worden ondergebracht in de asielen van Brugge, Zwevegem, Roeselare en Rekkem.
3.5. Met de thans bestreden beslissing van 30 maart 2017 worden de dieren definitief in volle eigendom gegeven aan voornoemde asielen “die daarmee instemmen”.
IV. Onderzoek van de vordering
4. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.
VII-39.950-3/7
Uiterst dringende noodzakelijkheid
Uiteenzetting van verzoekster
5. Verzoekster staaft het bestaan van een dringende noodzakelijkheid door erop te wijzen dat de inspectie Dierenwelzijn na de bestreden beslissing is overgegaan tot het geven van de dieren in volle eigendom aan asielen “met het oog op het uitbesteden van de dieren”, dat de vordering “als uiterst dringende noodzakelijkheid [moet] behandeld worden om te vermijden dat de dieren in volle eigendom terechtkomen bij de asielen”, de schorsing “onmiddellijk [moet] gebeuren teneinde te vermijden dat de dieren worden verhandeld” en dat het behoud van de fokdieren voor haar bedrijf essentieel is.
Beoordeling
6. De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. De aanwending van die procedure moet dan ook de uitzondering vormen en beperkt blijven tot die gevallen waarbij het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, ofwel door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond.
Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert dat de verzoekende partij in het inleidend verzoekschrift aan de hand van precieze en concrete feitelijke gegevens onder meer aantoont dat de schorsing van de
VII-39.950-4/7
tenuitvoerlegging volgens de gewone procedure onherroepelijk te laat zal komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen.
Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, “op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (Parl. St. Senaat, 2012-2013, nr. 5-2277/1, 13).
De voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid is ten slotte een schorsingsvoorwaarde die afzonderlijk onderzocht moet worden. De onwettigheden die tegen het bestreden besluit worden aangevoerd kunnen op zich geen reden zijn om het bestaan van de uiterst dringende noodzakelijkheid te aanvaarden.
7. Vastgesteld wordt dat de erkenning van verzoekster als professioneel hondenfokker reeds op 21 december 2016 werd ingetrokken en dat haar op die datum voor onbepaalde duur werd verboden een nieuwe erkenningsaanvraag in te dienen. Uit die intrekkingsbeslissing vloeit voort dat verzoekster geen honden meer mag fokken of verhandelen. Verzoekster kon er niet rechtmatig op vertrouwen dat de beslissing van 21 december 2016 niet zou worden uitgevoerd, noch dat het verlies van haar erkenning vanaf 1 februari 2017 niet onmiddellijk zou resulteren in de door de wet voorziene maatregelen ten aanzien van de door haar gehouden dieren.
Hoewel op dat ogenblik reeds duidelijk was dat de intrekking van de erkenning zou kunnen leiden tot een bestemmingsbeslissing met overdracht in volle eigendom van de honden, heeft verzoekster voornoemde beslissing van 21 december 2016, waartegen zij op 23 januari 2017 een beroep tot nietigverklaring en op 13 maart 2017 een gewone vordering tot schorsing heeft ingesteld, nooit aanzien als een beslissing die dermate schadelijke gevolgen heeft
VII-39.950-5/7
dat de schorsing van de tenuitvoerlegging volgens de gewone procedure onherroepelijk te laat zou komen. Bijgevolg is de thans ingeroepen uiterst dringende noodzakelijkheid het loutere gevolg van het feit dat verzoekster niet voldoende alert is opgetreden tegen het verlies op 21 december 2016 van haar erkenning.
8. Hieruit volgt dat niet voldaan is aan één van de bij artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de bestreden beslissing te kunnen bevelen.
Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen.
V. Kosten
9. De bijdrage in de betaling van de kosten, inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding, wordt bepaald in het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring.
BESLISSING
De Raad van State verwerpt de vordering.
VII-39.950-6/7
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zes april tweeduizend zeventien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier.
De griffier De voorzitter
Bart Tettelin Peter Sourbron
VII-39.950-7/7
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.906