Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.810 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.810 Généré par l'IA

Court dismisses police inspector's appeal against a warning for internal hacking, upholding disciplinary authority's procedural choices.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.810
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected Tatiana Van Reckem's appeal against a disciplinary warning issued for alleged internal hacking. The court found the disciplinary authority's decision to wait for the criminal investigation's conclusion and its appointment of a preliminary investigator were within its discretionary powers. Consequently, the appeal was deemed unfounded, and the inspector was ordered to pay the legal costs.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 56, second paragraph; 57, first paragraph of the Disciplinary Law: The disciplinary authority may, within its appreciation powers, decide to await the outcome of a criminal investigation and may appoint a preliminary investigator without violating the principle of due process or reasonable time limits.

Mots-clés

Généré par l'IA
disciplinary law police officers internal hacking due process appreciation powers preliminary investigation disciplinary warning sanction disciplinaire

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 56, second paragraph of the Disciplinary Law
bepalen van de verjaringstermijn van de kennisgeving van dit inleidend verslag (art. 56, tweede lid, Tuchtwet).”
Article 57, first paragraph of the Disciplinary Law
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

XIVe KAMER

nr. 237.810 van 28 maart 2017

in de zaak A. 212.656/XIV-35.659

In zake : Tatiana VAN RECKEM

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

de STAD GENT

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Devers kantoor houdend te 9000 Gent Kouter 71-72

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 2 juni 2014, strekt tot de nietigver-

klaring van de beslissing van de korpschef van de lokale politie Gent van 4 april 2014 waarbij aan verzoekster de tuchtstraf van de waarschuwing is opgelegd.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld.

XIV-35.659-1/15

Verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 september 2016.

Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Peter Crispyn, die verschijnt voor verzoekster, en advocaat Patrick Devers, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Verzoekster is inspecteur van politie bij de lokale politie Gent.

3.2. Met een brief van 5 september 2013 deelt de korpschef van de lokale politie Gent aan het diensthoofd van de dienst Tucht mee dat hij als tuchtoverheid, op 27 mei 2013 kennis kreeg dat verzoekster wordt genoemd in een strafrechtelijk onderzoek in het kader van “interne hacking in de periode van 1 september 2012 tot en met 30 april 2013”. De korpschef is de mening toegedaan dat, “gezien inspecteur Tatiana Van Reckem het onderwerp uitmaakt van een lopend opsporingsonderzoek alsook het feit dat dit onderzoek de nodige concrete informatie bevat om met kennis van zaken een beslissing te kunnen nemen”, dat het aangewezen is te wachten op een definitieve eindbeslissing van de

XIV-35.659-2/15

gerechtelijke overheden zoals voorzien in artikel 56, tweede lid, van de wet van 13

mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: de tuchtwet).

Met een brief van 16 september 2013 wordt aan verzoekster meegedeeld dat toepassing zal worden gemaakt van de mogelijkheid voorzien in artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet. In die kennisgeving wordt vermeld dat de tuchtoverheid kennis kreeg van deze feiten op 27 mei 2013.

3.3. In antwoord op een verzoek op 7 januari 2014 van de voorafgaande onderzoeker tot het verkrijgen van een eensluidend afschrift van het dossier, deelt de procureur des Konings op 7 januari 2014 aan de tuchtoverheid mee dat verzoekster een minnelijke schikking van 100 euro heeft betaald.

Op 9 januari 2014 bezorgt de procureur des Konings een afschrift van het strafdossier aan de tuchtoverheid.

3.4. Op 20 februari 2014 wordt door de tuchtoverheid een inleidend verslag opgesteld waarin wordt voorgesteld om aan verzoekster de lichte tuchtstraf van de waarschuwing op te leggen. Het inleidend verslag bevat onder meer een uiteenzetting van de ten laste gelegde feiten, omstandigheden en gevolgen, van het vaststaan en toerekening van de feiten en de kwalificatie van die feiten als tuchtvergrijp. Tevens bevat het een voorstel tot lichte straf, meer bepaald de voormelde waarschuwing.

Voorts bevat het inleidend verslag de volgende rubriek:

“2. Datum van kennisgeving van de feiten Op 27 mei 2013 werd de korpschef, gewone tuchtoverheid, in kennis gesteld dat inspecteur van politie Tatiana Van Reckem genoemd werd in een strafrechtelijk onderzoek in het kader van ‘interne hacking’.

De eindbeslissing van de gerechtelijke overheden werd overgemaakt aan het ambt van de korpschef op 7 januari 2014, door [M. V.], eerste substituut-procureur des Konings te 9000 Gent met de beslissing: minnelijke schikking betaald, 100 euro.

7 januari 2014 is de datum die in aanmerking moet worden genomen voor het

XIV-35.659-3/15

bepalen van de verjaringstermijn van de kennisgeving van dit inleidend verslag (art. 56, tweede lid, Tuchtwet).”

3.5. Na verzoekster te hebben gehoord, beslist de tuchtoverheid op 4 april 2014 om aan verzoekster de lichte tuchtstraf van de waarschuwing op te leggen.

Dit is de bestreden beslissing.

IV. Onderzoek van de middelen

A. Eerste middel

Uiteenzetting van het middel

5. Verzoekster voert de schending aan van artikel 56 van de tuchtwet, van het zorgvuldigheidsbeginsel en van de redelijketermijneis, alsook van de verjaring. Zij doet gelden dat de tuchtoverheid zich een actieve rol dient aan te meten en dat die zich niet kan verschuilen achter het bestaan van een strafrechtelijk onderzoek teneinde zelf niets te doen en zich finaal te beroepen op artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet. Alvorens er gebruik kan worden gemaakt van de in de voormelde bepaling vervatte uitzondering, dient allereerst vast te staan dat de tuchtoverheid in ernst en redelijkheid niet zonder die uitzondering het nodige had kunnen doen. Daarbij is inbegrepen, het gegeven dat de tuchtoverheid minstens een waarachtige poging moet ondernemen om buiten het strafrechtelijk onderzoek om, tot een voldoende kennis en inzicht te komen omtrent de feiten.

Te dezen beperkte de tuchtoverheid zich volgens verzoekster tot het aannemen van een passieve houding. Niettegenstaande de korpschef reeds op 27 mei 2013 kennis kreeg van raadplegingen van databestanden door verzoekster, -

en dat in het raam van een loggingcontrole die volgens verzoekster kaderde binnen een administratief gebeuren en niet binnen een opsporings- of gerechtelijk onderzoek dat pas opstartte met een proces-verbaal van 3 juni 2013 - heeft die daar

XIV-35.659-4/15

niets mee gedaan. Volgens verzoekster is er blijkens het tuchtdossier tussen 27 mei 2013 en 5 september 2013 helemaal niets gebeurd en werd er pas op 2 december 2013 een voorafgaand onderzoeker gelast. De melding door de korpschef van 5 september 2013 aan de dienst Tucht dat hij op 27 mei 2013 er kennis van had gekregen dat verzoekster is genoemd in een strafrechtelijk onderzoek, is volgens haar volledig fout. Op dat moment was er immers geen sprake van een strafrechtelijk onderzoek: de loggingcontrole door de dienst intern toezicht geschiedde louter administratief. Pas minstens vijf dagen later werd er een proces-verbaal opgesteld. Op 27 mei 2013 nam de korpschef aldus kennis van administratieve bevindingen (loggingcontrole) en niet van betrokkenheid in een strafrechtelijk onderzoek. Er blijkt ten andere uit niets wanneer precies en hoe de korpschef kennis kreeg van het feit dat een opsporingsonderzoek liep.

Verzoekster meent voorts dat niets de korpschef heeft belet om een vooronderzoek in tucht te gelasten dan wel uit te voeren, zodat artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet geen deugdelijke grondslag kan vormen om de afhandeling van de tuchtzaak uit te stellen tot na ontvangst van de gerechtelijke eindbeslissing. Het gebeurlijk bevragen van verzoekster naar het hoe en waarom van de vastgestelde consultaties kon volgens haar geen enkele interferentie met een gebeurlijk strafrechtelijk onderzoek met zich brengen.

Zelfs binnen de eigen these van de toepassing van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet is de tuchtoverheid volgens verzoekster inactief gebleven en heeft zij geen inspanning gedaan om op de hoogte te blijven van de strafrechtelijke afwikkeling. De korpschef heeft zelf niet bij het openbaar ministerie geïnformeerd naar de stand van zaken en de op 2 december 2013

aangestelde vooronderzoeker heeft pas op 7 januari 2014 een eerste maal geïnformeerd bij de diensten van het openbaar ministerie. Het tuchtdossier bevat briefwisseling waarbij de - later - aangestelde vooronderzoeker in de maand september 2013 een “periodieke rapportage” doet aan de korpschef en in november 2014 informeert bij de diensten van het openbaar ministerie. Verzoekster is echter geen wettelijke basis bekend voor die handelingen vermits de vooronderzoeker pas

XIV-35.659-5/15

op 2 december 2013 werd aangesteld. Die acties kunnen en mogen volgens haar dan ook niet worden betrokken bij de beoordeling van de intentie van de tuchtoverheid.

Nu de datum van de kennisname van de feiten 27 mei 2013 is en er geen enkele reden noch noodzaak bestond om de gerechtelijke eindbeslissing af te wachten, moet volgens verzoekster worden vastgesteld dat het inleidend verslag is betekend buiten de termijn voorzien in artikel 56 van de tuchtwet. Zij acht op zijn minst de redelijke termijn geschonden en meent dat de overheid onzorgvuldig is te werk gegaan door te wachten tot 2 december 2013 alvorens een voorafgaand onderzoeker aan te stellen die vervolgens pas op 7 januari 2014 een eerste daad heeft gesteld. Bovendien was de strafvordering reeds vervallen op 19 december 2013 door de betaling van de minnelijke schikking, zijnde bijna drie weken vooraleer op tuchtgebied een eerste daad werd gesteld door de voorafgaand onderzoeker.

6. In haar memorie van wederantwoord plaatst verzoekster een aantal bedenkingen bij de tijdslijn die de verwerende partij in haar memorie van antwoord heeft trachten uit te zetten maar waarin een aantal gedachtesprongen voor haar onverklaarbaar blijven. De verwerende partij slaagt er volgens verzoekster niet in om op te helderen op welk moment en op welke wijze de korpschef kennis heeft gekregen van het bestaan van een opsporingsonderzoek. De opsteller van een proces-verbaal is immers gehouden door het beroepsgeheim.

Volgens verzoekster is de eerste vastgestelde officiële actie van de korpschef de aanstelling van de vooronderzoeker op 2 december 2013, terwijl ondertussen de verjaringstermijn van zes maanden is verstreken. Het later optreden van de vooronderzoeker kan niet met zich meebrengen de reeds verstreken verjaringstermijn uit te wissen. Inzake de diligentie van de korpschef is verzoekster van mening dat, verwijzend naar artikel 32 van de tuchtwet en artikel 10 van het koninklijk besluit van 26 november 2001 ‘tot uitvoering van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’, het niet opgaat dat een lid van de dienst Tucht buiten enig mandaat als

XIV-35.659-6/15

vooronderzoeker om, zich kan informeren bij de diensten van het openbaar ministerie, zelfs al vermeldt het dat de vraag zou uitgaan van de korpschef. Het is van tweeën één: ofwel belast de tuchtoverheid zichzelf met dergelijke materiële zaken ofwel besteedt zij het uit maar dan met respect voor artikel 10 van het voormelde uitvoeringsbesluit. Hoe dan ook is het zo dat er een tijdsverloop is van vijf maanden vooraleer een dergelijk verzoek om informatie is overgezonden naar het openbaar ministerie, hetgeen geen diligent handelen is.

In de laatste memorie wijst verzoekster er op dat, indien de korpschef niet op rechtsgeldige wijze kennis neemt van het bestaan van een opsporingsonderzoek, hij zich niet op deugdelijke gronden kan beroepen om de afwikkeling van de tuchtzaak uit te stellen tot na de afloop van de strafrechtelijke afhandeling. Wat de mogelijke interferentie met het strafrechtelijk onderzoek betreft, meent verzoekster dat er pas een terughoudendheid kan zijn voor een tuchtoverheid om een eigen onderzoek te voeren wanneer daardoor een strafrechtelijk onderzoek zou kunnen worden “verbrand”. In casu ging het over de resultaten van een loggingcontrole waaruit de toegang tot databestanden zou hebben gebleken. Een bevraging naar het hoe en waarom hiervan kan volgens verzoekster een strafrechtelijk onderzoek niet schaden vermits het materieel gegeven vaststaat.

Beoordeling

Betreffende de schending van artikel 56 van de tuchtwet en de erin vervatte verjaringsregels en de redelijketermijneis

7. Artikel 56, eerste en tweede lid, van de tuchtwet luidt:

“Art. 56. De betekening van het inleidend verslag aan het personeelslid moet geschieden binnen zes maanden na de kennisneming of vaststelling van de feiten door een bevoegde tuchtoverheid. Bij ontstentenis en onder voorbehoud van het tweede lid, kan geen tuchtvordering meer worden ingesteld.

In het geval dat een opsporingsonderzoek loopt of de strafvervolging is ingesteld voor dezelfde feiten, begint die termijn te lopen de dag dat de tuchtoverheid door de gerechtelijke overheid ervan in kennis gesteld wordt dat er een gerechtelijke

XIV-35.659-7/15

eindbeslissing werd genomen of dat het dossier geseponeerd is dan wel de strafvordering vervallen is.”

Artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet verplicht de tuchtoverheid om binnen een bepaalde termijn de tuchtprocedure op te starten, hetgeen gebeurt met de kennisgeving van het inleidend verslag aan de betrokkene. Het gaat om een vervaltermijn waarna geen tuchtvordering meer kan worden ingesteld. Deze bepaling garandeert de politieambtenaar dat hij korte tijd nadat de tuchtoverheid op de in de wet bepaalde wijze kennis heeft van de feiten, uitsluitsel krijgt over zijn onzekere situatie. Van een kennisneming of vaststelling van tuchtfeiten in de zin van artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet is slechts sprake op het moment dat de tuchtoverheid met betrekking tot die feiten over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikt. Het is ook pas dan dat deze verjaringstermijn ingaat.

Artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet biedt de tuchtoverheid de mogelijkheid - maar niet de verplichting - om de tuchtrechtelijke vervolging uit te stellen tot de gerechtelijke overheden hun onderzoek hebben beëindigd. Het maakt het de tuchtoverheid mogelijk om, wanneer zij twijfels heeft over de wezenlijke elementen die in een tuchtzaak aan de orde zijn - het bewijs van de feiten die de betrokkene gepleegd heeft, de ernst van de feiten en de schuld van de betrokkene, de tuchtrechtelijke kwalificatie en de weerslag van de feiten op de werking van de dienst -, een definitieve uitspraak van de strafrechter af te wachten. De verwijzing naar artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet kan evenwel slechts deugdelijk het uitstel van de tuchtvordering verantwoorden wanneer de tuchtoverheid op grond van een eigen onderzoek geen voldoende klaarheid in de zaak heeft kunnen brengen. De tuchtoverheid heeft immers de verplichting om een tuchtzaak binnen een redelijke termijn af te handelen en het bestaan van een strafonderzoek is op zich geen deugdelijke reden om de tuchtvordering niet op te starten. Er is slechts reden om de tuchtvordering uit te stellen wanneer de tuchtoverheid er niet in slaagt om met een eigen onderzoek een duidelijk zicht te krijgen op het bestaan en de ernst van de feiten en om zich aldus een beeld te vormen van de noodzaak van een tuchtrechtelijke vervolging.

XIV-35.659-8/15

De mogelijkheid om de tuchtvordering uit te stellen moet derhalve worden opgevat als een uitzondering op de regel, waarvan slechts gebruik mag worden gemaakt wanneer de tuchtoverheid op basis van een eigen onderzoek er niet in slaagt om alle gegevens die van wezenlijk belang kunnen zijn voor het tuchtrechtelijk optreden te achterhalen. Een en ander heeft tot gevolg dat de Raad van State, wanneer een verzoeker aanvoert dat de tuchtvordering ten onrechte gekoppeld is aan de afloop van de gerechtelijke procedure, desgevraagd nagaat of de tuchtoverheid niet op grond van het eigen onderzoek over voldoende gegevens beschikte om op correcte wijze de tuchtvordering in te stellen en of zij wel voldoende inspanningen heeft geleverd om zelf klaarheid in de zaak te brengen. Bij ontstentenis van dat bewijs zal worden vastgesteld dat de tuchtvordering niet tijdig ingesteld is.

Bij de beoordeling van de vraag wanneer de gegevens waarover de tuchtoverheid beschikt volstaan om de tuchtvordering op te starten en daartoe een inleidend verslag op te stellen, met andere woorden wanneer de tuchtoverheid zich een duidelijk beeld kan vormen omtrent het bestaan en de ernst van de feiten en de toerekening ervan aan de ambtenaar, beschikt deze overheid over een ruime beoordelingsbevoegdheid. De Raad van State is bij de beoordeling hiervan, enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen.

8. Uit wat voorafgaat volgt dat de beoordeling van het eveneens door verzoekster geschonden geachte beginsel van de redelijke termijn zich aandient indien de voorwaarden om toepassing te maken van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet vervuld zijn - en de tuchtoverheid dus niet over voldoende gegevens beschikt om op correcte wijze de tuchtvordering in te stellen - en de tuchtoverheid derhalve de gerechtelijke eindbeslissing afwacht om de tuchtvordering in te stellen.

XIV-35.659-9/15

Beschikt de overheid daarentegen over voldoende gegevens om op correcte wijze de tuchtvordering in te stellen, dan vergt dit geen beoordeling van de vraag of door dit afwachten er een schending is van het beginsel van de redelijke termijn, maar wel van de vraag of de tuchtvordering alsnog tijdig is ingesteld.

9. Betreffende de grief dat de tuchtoverheid reeds vroeger over voldoende gegevens beschikt om op correcte wijze de tuchtvordering in te stellen

Niet wordt betwist dat de tuchtoverheid daadwerkelijk de gerechtelijke eindbeslissing heeft afgewacht alvorens de tuchtprocedure op te starten. Zij maakte aldus toepassing van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet. Uit het inleidend verslag (zie supra, punt 3.4.) blijkt dat de tuchtoverheid 7 januari 2014 als de datum beschouwt voor het bepalen van de verjaringstermijn. Het inleidend verslag is op 27 februari 2014 aan verzoekster betekend. Dat is binnen de termijn van zes maanden bepaald in artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet.

Verzoekster van haar kant, stelt zich in fine van het middel zoals uiteengezet in het verzoekschrift, op het standpunt dat “de datum van kennisname der feiten is geplaatst op 27 mei 2013”. Het argument waarop zij steunt, is dat volgens haar de korpschef reeds op die datum was ingelicht van het feit dat in het kader van een onderzoek lastens een derde, door het diensthoofd van de dienst Intern Toezicht, opdracht is gegeven om een loggingcontrole van verzoekster te doen en dat de tuchtoverheid kennis heeft gekregen van raadplegingen door verzoekster van de databestanden. Uit het administratief dossier blijkt echter niet, noch wordt dat door verzoekster in het middel aannemelijk gemaakt, dat de tuchtoverheid op dat ogenblik reeds over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikte om zich een duidelijk beeld te vormen over de wezenlijke elementen van het tuchtfeit, en om hiervoor de tuchtvordering lastens verzoekster in te stellen. Dit klemt des te meer nu inzake een van de wezenlijke elementen die in de voorliggende tuchtzaak aan de orde is - de schuld van verzoekster - uit het gevoerde opsporingsonderzoek blijkt dat verzoekster

XIV-35.659-10/15

aanvankelijk voorhield zich de feiten niet meer te herinneren en uit het gevoerde tuchtonderzoek blijkt dat zij tevens heeft aangegeven niet akkoord te zijn met de feiten die haar ten laste worden gelegd, maar de minnelijke schikking heeft betaald “gezien de dreigende taal van de procureur des Konings”.

Gelet op de hiervoor geschetste appreciatieruimte die de tucht-

overheid heeft bij de beoordeling van de vraag wanneer de gegevens waarover zij beschikt volstaan om tuchtrechtelijk op te treden (supra, punt 7.), is de Raad van State dan ook van oordeel dat de tuchtoverheid binnen de perken van haar appreciatiebevoegdheid blijft door te oordelen dat de gegevens waarover zij op 27 mei 2013 beschikte, niet volstonden om de tuchtvordering op te starten en daartoe een inleidend verslag op te stellen.

10. Het is aan verzoekster die de schending van artikel 56 van de tuchtwet aanvoert, om het bewijs te leveren dat de door die bepaling voorgeschreven verjaringstermijn niet werd nageleefd. Uit wat voorafgaat volgt dat verzoekster dat bewijs niet levert.

Uit wat voorafgaat volgt ook dat de kritiek van verzoekster dat uit niets blijkt wanneer en hoe de korpschef kennis kreeg van het feit dat een opsporingsonderzoek lastens haar liep, niet ter zake is. Opdat toepassing kan worden gemaakt van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet, volstaat dat er voor dezelfde feiten een opsporingsonderzoek loopt, hetgeen te dezen onbetwistbaar is.

Vreemd aan die beoordeling is de vraag hoe en wanneer de tuchtoverheid hiervan kennis kreeg.

Het middel is in die mate niet gegrond.

11. Inzake de grief dat de tuchtoverheid heeft stilgezeten

Verzoekster voert in het middel ook aan dat de tuchtoverheid heeft stilgezeten.

XIV-35.659-11/15

12. In een eerste, centrale, argument doet verzoekster gelden dat de tuchtoverheid tussen 27 mei 2013 en 5 september 2013 niets heeft ondernomen en dat pas op 2 december 2013 een voorafgaand onderzoeker werd aangewezen. Er is geen voorafgaand onderzoek bevolen, geen enkele onderzoeksdaad werd gelast, terwijl niets zulks de korpschef belette en “het gebeurlijk bevragen van verzoekster naar het hoe en waarom van de vastgestelde consultaties […] ten andere geen enkele interferentie met een gebeurlijk strafrechtelijk onderzoek met zich [kon]

meebrengen.”

Verzoekster beperkt zich te dezen tot een algemene kritiek, zonder dat zij evenwel concreet aangeeft welke voor de hand liggende tuchtrechtelijke onderzoeksdaden de tuchtoverheid of de desgevallend aangestelde voorafgaande onderzoeker konden stellen om op tuchtrechtelijk vlak meer duidelijkheid in de zaak te krijgen betreffende de wezenlijke elementen die in een tuchtzaak aan de orde zijn - het bewijs van de feiten die de betrokkene gepleegd heeft, de ernst van de feiten en de schuld van de betrokkene, de tuchtrechtelijke kwalificatie en de weerslag van de feiten op de werking van de dienst - zonder daarbij het opsporingsonderzoek te hinderen en die zouden toelaten dat de tuchtoverheid op grond daarvan over voldoende gegevens beschikte om op correcte wijze de tuchtvordering in te stellen. Verzoekster verwijst te dezen wel op algemene wijze naar de mogelijkheid tot het aanstellen van een voorafgaand onderzoeker en het stellen van onderzoeksdaden, doch zij verklaart niet nader in welke mate dat zulks zou hebben bijgedragen tot het verkrijgen van meer duidelijkheid inzake de wezenlijke elementen van de tuchtzaak.

Hetzelfde geldt wat het horen van haar betreft “naar het hoe en waarom”. Het enkele gegeven dat de tuchtoverheid verzoekster had kunnen horen, maakt op zich niet aannemelijk dat verzoekster gedurende het lopende opsporingsonderzoek aan de tuchtoverheid klaarheid had willen geven over de wezenlijke elementen die in de voorliggende tuchtzaak aan de orde zijn, zodat haar tuchtrechtelijk verhoor redelijkerwijs te dezen een voor de hand liggende onderzoeksdaad zou zijn geweest. De Raad van State bemerkt ter zake overigens

XIV-35.659-12/15

dat zulks te dezen des te meer klemt nu uit het gevoerde opsporingsonderzoek blijkt dat verzoekster aanvankelijk voorhield zich de feiten niet meer te herinneren en dat in het tuchtonderzoek zij tevens heeft aangegeven niet akkoord te zijn met de feiten die haar ten laste worden gelegd, maar de minnelijke schikking heeft betaald “gezien de dreigende taal van de procureur des Konings”.

In de mate tot slot dat verzoekster in de laatste memorie doet gelden dat er enkel een terughoudendheid kan zijn voor een tuchtoverheid om een eigen onderzoek te voeren indien daardoor het strafrechtelijk onderzoek zou kunnen worden “verbrand”, gaat verzoekster ter zake uit van een foutieve interpretatie van de verplichting van de tuchtoverheid. Te dezen volstaat het dat het eigen onderzoek of de te stellen onderzoekshandelingen, het gerechtelijk onderzoek kunnen hinderen of doorkruisen zonder dat moet blijken dat die dat onderzoek zouden “verbranden”.

13. In een tweede argument doet verzoekster gelden dat de tuchtoverheid zelf geen inspanningen heeft gedaan om op de hoogte te blijven van de strafrechtelijke afwikkeling.

Ook dat argument overtuigt niet. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat in opdracht (“i.o.”) van de korpschef een medewerker van de dienst Tucht op 12 november 2013 bij de diensten van het openbaar ministerie informeerde naar de stand van het onderzoek/strafdossier op het niveau van het parket, alsook op 7 januari 2014. In het licht van het feit dat het opsporingsonderzoek - dat de reden was voor de toepassing van artikel 56, tweede lid van de tuchtwet - op dat ogenblik slechts sinds enkele maanden was opgestart, volstaat te dezen die bevraging naar de stand van zaken opdat er geen sprake zou zijn van een passieve houding in hoofde van de tuchtoverheid. Het argument van verzoekster dat de bevraging op 12 november 2013 zou moeten zijn gebeurd door de tuchtoverheid zelf of door de voorafgaande onderzoeker, wordt te dezen niet bijgetreden. Niets belet immers dat de tuchtoverheid, ook zonder het aanstellen van een voorafgaand onderzoeker, de uitvoering van materiële, administratieve handelingen zoals het nemen van contact

XIV-35.659-13/15

met het parket, mag opdragen aan een politieambtenaar, te meer dat er te dezen geen sprake is van delegatie van bevoegdheid of van het uitoefenen van een procedurebevoegdheid. De door verzoekster in de memorie van wederantwoord aangehaalde bepalingen staan zulks evenmin in de weg.

14. Uit wat voorafgaat volgt dat de tuchtoverheid binnen de perken van haar appreciatiebevoegdheid blijft door geen eigen administratief onderzoek uit te voeren en door te wachten op de kennisgeving van het strafdossier om de werkelijke toedracht van het tuchtfeit te achterhalen.

15. Het middel is in die mate niet gegrond.

Betreffende de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel

16. Nu uit wat voorafgaat volgt dat geen schending van artikel 56

van de tuchtwet noch van de redelijke termijn voorligt en de betekening van het inleidend verslag is gebeurd binnen de wettelijke termijn van zes maanden na de kennisneming van de feiten op 7 januari 2014, heeft verzoekster geen belang bij haar kritiek dat pas op 2 december 2013 een voorafgaand onderzoeker werd aangesteld, te meer dat er geen wettelijke verplichting bestaat om een voorafgaand onderzoek te voeren. Waar verzoekster erop wijst dat zij reeds op 19 december 2013 een minnelijke schikking heeft betaald, “bijna 3 weken vooraleer op tuchtgebied een eerste daad werd gesteld door de voorafgaand onderzoeker”, blijkt voorts uit het administratief dossier dat de tuchtoverheid daarvan pas op 7 januari 2014 door het openbaar ministerie op de hoogte van werd gesteld (supra, punt 3.3.)

en niets verzoekster, die op de hoogte was van het lopende tuchtonderzoek, heeft belet dat reeds vroeger aan de tuchtoverheid mee te delen.

Het middel is in die mate niet gegrond voor zover het ontvankelijk is.

XIV-35.659-14/15

Conclusie

17. Het eerste middel is niet gegrond.

B. Tweede middel - Afstand

18. Verzoekster doet in haar memorie van wederantwoord afstand van het tweede middel.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

2. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietig-

verklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegings-

vergoeding van 700 euro die verschuldigd is aan de verwerende partij.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig maart tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:

Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier.

De griffier De voorzitter

Johan Pas Geert Debersaques

XIV-35.659-15/15

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.810