Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.809 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.809 Généré par l'IA

Belgian Council of State dismisses extradition appeal citing lack of double criminality and Article 3 ECHR risk.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.809
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Belgian Council of State rejected Syed Vagar Ashraf's appeal against his extradition to the United States, ruling the proceedings inadmissible. The applicant argued for non-prosecution based on double criminality and potential human rights violations, but the court found no evidence supporting these claims. Consequently, the court upheld the minister's decision to proceed with extradition.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 2 and 7 of the Extradition Act; Article 3 of the ECHR: Extradition is refused only if the act is not punishable in the requesting state or if there is a real risk of inhuman treatment.

Mots-clés

Généré par l'IA
extradition to United States double criminality requirement Article 3 ECHR risk humanitarian grounds refusal non-prosecution in Belgium absence de contestation des faits ajournement de débats réouverture du dossier

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Articles 2 and 7 of the Extradition Act
Article 3 of the ECHR
Articles 10 and 11 of the Constitution
Convention of 27 April 1987 on Extradition between Belgium and the USA
Convention of 25 June 2003 on Extradition between the EU and the USA

Jurisprudence citée

Généré par l'IA
ECHR 10 April 2012, Babar Ahmad and Others v. the United Kingdom
Council of State, Order No. 232.000 of 27 July 2015
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

XIVe KAMER

nr. 237.809 van 28 maart 2017

in de zaak A. 216.476/XIV-36.572

In zake : Syed Vagar ASHRAF

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sven Mary en Sven De Baere kantoor houdend te 1060 Brussel Afrikastraat 92

bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thomas Gillis kantoor houdend te 9000 Gent Vlaanderenstraat 78

tegen :

de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Derveaux kantoor houdend te 1000 Brussel Verenigingstraat 28

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 8 september 2015, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de minister van Justitie van 8 juli 2015 waarbij de uitlevering van verzoeker aan de regering van de Verenigde Staten van Amerika wordt toegestaan.

II. Verloop van de rechtspleging

2. Bij arrest nr. 232.000 van 27 juli 2015 werd de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid verworpen.

XIV-36.572-1/16

De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

Auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een verslag opgesteld.

Verzoeker heeft een laatste memorie met verzoek tot voortzetting ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 februari 2017.

Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Nicolas Van Der Smissen, die loco advocaten Sven Mary, Sven De Baere en Thomas Gillis verschijnt voor verzoeker, en advocaat Bijou D'Haeyer, die loco advocaat Bernard Derveaux verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3. De feiten zijn weergegeven in het tussenarrest nr. 232.000 van 27 juli 2015. Er wordt naar verwezen.

XIV-36.572-2/16

IV. Onderzoek van de middelen

A. Eerste middel

Uiteenzetting van het middel

4. Verzoeker werpt in een eerste middel de schending op van “de voorwaarde van dubbele vervolgbaarheid bij uitlevering, zoals onrechtstreeks vervat in de artikelen 2 en 7 Uitleveringswet in samenlezing met artikel 2.6.

Overeenkomst van 27 april 1987 inzake uitlevering tussen het Koninkrijk België en de Verenigde Staten van Amerika, ondertekend te Brussel op 27 april 1987 […]

en artikel 4.4 Overeenkomst van 25 juni 2003 betreffende uitlevering tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika […]” en van “het gelijkheidsbeginsel, zoals vervat in de artikelen 10 en 11 Grondwet”.

Verzoeker voert in een eerste middelonderdeel aan dat uitlevering slechts mogelijk is indien het feit waarvoor de uitlevering gevraagd wordt niet alleen strafbaar maar ook vervolgbaar is in België. Hij stelt het slachtoffer te zijn van politionele provocatie doordat hij wordt vervolgd voor feiten “waarvan de aanzet tot het plegen ervan ontstaan is na een actief optreden van een Amerikaanse undercoveragent, een Belgische undercoveragent en de Belgische overheid, minstens dat het voornemen tot het plegen ervan versterkt werd door het optreden van de Amerikaanse en Belgische undercoveragenten en de Belgische overheid”. Aangezien overeenkomstig artikel 30 van het Wetboek van Strafvordering de strafvordering niet-ontvankelijk is in geval van politionele provocatie, is verzoeker in België niet vervolgbaar voor de feiten waarvoor de uitlevering naar de Verenigde Staten van Amerika wordt gevraagd en is niet voldaan aan de uitleveringsvereiste van dubbele vervolgbaarheid. Wat deze laatste vereiste betreft, is volgens verzoeker wel degelijk een onderzoek in concreto vereist. Hij besluit dat de in het middel aangehaalde bepalingen zijn geschonden door in de bestreden beslissing te stellen dat de Belgische overheid geen onderzoek kan voeren naar het bestaan van politionele provocatie in België en dat een

XIV-36.572-3/16

vermeende niet-ontvankelijkheid van de strafvervolging uitsluitend tegenover de Amerikaanse rechter kan worden ingeroepen.

Verzoeker voert in een tweede middelonderdeel aan dat, indien politionele provocatie als wettelijke grondslag voor niet-ontvankelijkheid van de strafvordering niet als een verplichte weigeringsgrond voor een uitlevering zou gelden, er sprake is van een ongelijke behandeling doordat de uitleveringswet van 15 maart 1874 (hierna: de uitleveringswet) niet uitdrukkelijk de uitlevering verbiedt “indien er sprake is van provocatie die leidt tot de onontvankelijkheid van de strafvordering conform de wet van de aangezochte staat”, terwijl het verbod tot uitlevering wel geldt “indien de verjaring van de strafvordering conform de wet van de aangezochte staat bereikt is”. Hij verzoekt daaromtrent een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen.

5. In de memorie van wederantwoord voegt verzoeker betreffende het eerste middelonderdeel toe dat de overwegingen van de verwerende partij over de noodzaak tot het in abstracto beoordelen van het vereiste van de dubbele strafbaarheid niet dienend zijn omdat verzoeker geen onderzoek van de dubbele strafbaarheid vraagt maar wel van de dubbele vervolgbaarheid. Naar luid van artikel 2.6 van de overeenkomst ‘inzake uitlevering tussen het Koninkrijk België en de Verenigde Staten van Amerika’, ondertekend te Brussel op 27 april 1987

(hierna: de overeenkomst van 27 april 1987) “wordt evenwel in de mate van het mogelijke rekening gehouden met de stuitings- en schorsingsdaden van de verjaring in de verzoekende Staat”, hetgeen volgens verzoeker een onderzoek in concreto inhoudt betreffende de verjaring en dus van een vereiste van (dubbele)

vervolgbaarheid.

Verzoeker voegt betreffende het tweede middelonderdeel toe dat verjaring als oorzaak van verval van de strafvordering en politionele provocatie als oorzaak van niet-ontvankelijkheid van de strafvordering wel degelijk gelijkaardig zijn. Zij vormen allebei een grond van niet-vervolgbaarheid en hebben allebei tot gevolg dat de strafvordering niet meer kan worden uitgeoefend, hoewel het

XIV-36.572-4/16

strafbare karakter van de feiten niet wordt ontnomen. Zij worden ook allebei in concreto beoordeeld. Volgens verzoeker mag het Grondwettelijk Hof uitspraak doen over de gevraagde toetsing van de uitleveringswet. Hij acht de overweging van de verwerende partij, dat zij geen rechtsmacht heeft om een aangelegenheid van niet-ontvankelijkheid van de strafvordering te onderzoeken, net het voorwerp van de voorgestelde prejudiciële vraag.

6. In zijn laatste memorie verwijst verzoeker naar de uiteenzetting in het verzoekschrift tot nietigverklaring en de memorie van wederantwoord.

Wat betreft het eerste middelonderdeel herhaalt verzoeker met verwijzing naar artikel 2.6 van de overeenkomst van 27 april 1987 dat het onderzoek naar het bestaan van stuitings- en schorsingsdaden noodzakelijkerwijze een onderzoek in concreto aangaande de verjaring inhoudt, zijnde een vereiste van dubbele vervolgbaarheid.

Wat betreft het tweede middelonderdeel verwijst verzoeker naar zijn repliek betreffende het eerste middelonderdeel.

Beoordeling

Eerste onderdeel

7. In het auditoraatsverslag wordt het eerste middelonderdeel ongegrond bevonden, in essentie op grond van de volgende overwegingen:

De voorwaarden van dubbele vervolgbaarheid en dubbele strafbaarheid sluiten nauw bij elkaar aan. Dubbele strafbaarheid houdt in dat de feiten die aan het uitleveringsverzoek ten gronde liggen, zowel naar Belgisch recht als naar buitenlands recht strafbaar moeten zijn, al dan niet na herkwalificatie. De dubbele vervolgbaarheid wordt niet als dusdanig vereist, maar zit onder meer vervlochten in de door verzoeker aangehaalde artikelen 7 van de uitleveringswet

XIV-36.572-5/16

en 2.6 van de overeenkomst van 27 april 1987, die betrekking hebben op de verjaring van de strafvordering en de straf, en in de aangehaalde verdragsbepalingen betreffende de bevoegdheid ratione loci.

De dubbele strafbaarheid wordt in abstracto beoordeeld: het volstaat dat de feiten naar Belgisch recht strafbaar zijn na herkwalificatie van de constitutieve bestanddelen van het misdrijf. Er wordt niet onderzocht of in de concrete omstandigheden daadwerkelijk een straf kan worden opgelegd. In dat geval zouden ook rechtvaardigingsgronden, schulduitsluitingsgronden, strafuit-

sluitende verschoningsgronden enz. een rol spelen. Net omdat de dubbele strafbaarheid enkel in abstracto wordt beoordeeld, heeft de Raad van State gesteld dat de uitlevering bijgevolg ook geen onderzoek vergt naar het gebruik door de verzoekende staat van bepaalde bijzondere (opsporings-)methoden zoals politionele provocatie.

Het beginsel van de beoordeling in abstracto kan worden doorgetrokken naar de voorwaarde van de dubbele vervolgbaarheid, die het corrolarium vormt van de voorwaarde van de dubbele strafbaarheid. Dit geldt bv.

voor de verjaring, zoals in de bestreden beslissing is gebeurd. De aangezochte overheid moet derhalve geen onderzoek voeren naar de grond van de zaak in het licht van de voorwaarde van de dubbele vervolgbaarheid. Een onderzoek naar mogelijke politionele provocatie in het kader van de voorwaarde van de dubbele vervolgbaarheid zou daarentegen een kennisneming van de grond van de zaak en de concrete feiten impliceren. Dergelijk onderzoek zou van een andere aard zijn dan het in abstracto vaststellen dat de feiten al dan niet zijn verjaard.

Te dezen werden de door de Amerikaanse overheid ten laste gelegde feiten naar Belgisch recht in abstracto gekwalificeerd als “(deelneming aan) valsheid in geschrifte en het gebruik van valse stukken” en “poging tot oplichting”. Het wordt niet betwist dat hiermee is voldaan aan de voorwaarde van de dubbele strafbaarheid en dat een eventuele politionele provocatie geen rol speelt bij de toepassing van die voorwaarde. Verder wordt vastgesteld dat de

XIV-36.572-6/16

strafvordering noch naar Belgisch noch naar Amerikaans recht is verjaard, zodat ook die uitleveringsvoorwaarde is onderzocht. Een onderzoek in concreto naar de dubbele vervolgbaarheid, gelieerd aan politionele provocatie, is daarbij niet vereist.

Vervolgens worden in het auditoraatsverslag de punten 8 en 9

van het tussenarrest nr. 232.000 van 27 juli 2015 geciteerd, waarna wordt vastgesteld dat verzoeker niet concreet toelicht hoe zijn bijkomende argumentatie in het verzoekschrift tot nietigverklaring afbreuk kan doen aan de overwegingen in dat tussenarrest.

8. Na kennisneming van het auditoraatsverslag, heeft verzoeker niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. Verzoeker beperkt er zich immers grotendeels te verwijzen naar hetgeen hij reeds in zijn eerdere procedurestukken heeft uiteengezet.

In zoverre verzoeker in zijn laatste memorie nog herhaalt dat de regel dat niet in concreto moet worden geoordeeld niet steeds geldt voor de beoordeling van de dubbele vervolgbaarheid en hij daartoe verwijst naar artikel 2.6

van de overeenkomst van 27 april 1987, om te besluiten dat het onderzoek van het bestaan van stuitings- en schorsingsdaden noodzakelijkerwijze een onderzoek in concreto van de verjaring inhoudt, voegt hij niets nieuws toe aan zijn uiteenzetting in het eerste middelonderdeel en weerlegt hij het standpunt van het auditoraatsverslag niet.

9. De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het eerste middelonderdeel ongegrond.

XIV-36.572-7/16

Tweede onderdeel

10. In het auditoraatsverslag wordt het eerste middelonderdeel ongegrond bevonden, in essentie op grond van de volgende overwegingen:

Vermits bij de beoordeling van het eerste middelonderdeel, evenals in het tussenarrest nr. 232.000 van 7 juli 2015, is uiteengezet dat de verwerende partij hoe dan ook niet in concreto had moeten onderzoeken of de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd op onrechtmatige wijze werden uitgelokt, is de door verzoeker gesuggereerde prejudiciële vraag omtrent de door hem beschreven situaties niet ter zake dienend.

11. Na kennisneming van het auditoraatsverslag, heeft verzoeker niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. Verzoeker beperkt er zich immers toe te verwijzen naar hetgeen hij reeds in zijn eerdere procedurestukken heeft uiteengezet en naar zijn repliek op het eerste middelonderdeel.

12. De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het tweede middelonderdeel ongegrond.

Conclusie

13. Het eerste middel is ongegrond.

B. Tweede middel

Uiteenzetting van het middel

14. Verzoeker werpt in een tweede middel de schending op van “de materiële motiveringsplicht, voorzien in artikel 3 Wet van 29 juli 1991 betreffende

XIV-36.572-8/16

de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen”, van het zorgvuldigheidsbeginsel en van “het verbod op uitlevering naar een staat waar de betrokkene een ernstig risico op een flagrante rechtsweigering loopt, voorzien in artikel 2bis, tweede lid Uitleveringswet van 15 maart 1874”.

Na een omstandige uiteenzetting omtrent de grondig verschillende benadering en invulling van het begrip “politionele provocatie” door het Amerikaans Hooggerechtshof enerzijds en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) anderzijds, formuleert verzoeker de essentie van het middel als volgt:

“[…] Een strafrechtelijke vervolging die gesteund is op (bewijselementen verkregen via) politionele provocatie, voldoet aan de stringente vereiste van flagrante rechtsweigering.

Het verbod op politionele provocatie raakt aan het wezen van de eerlijkheid van een strafproces.

Door een politionele provocatie wordt afbreuk gedaan aan de werkelijke essentie van het strafbaar karakter van de uitgelokte handeling, namelijk de wil om het strafbaar feit te plegen.

Een strafrechtelijke vervolging wegens handelingen die de vervolgende overheid zelf uitgelokt heeft, is dermate fundamenteel aangetast, dat er geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces van bij het begin ervan.

[…] In de bestreden beslissing weerlegt de verwerende partij niet op grond van concrete motieven dat verzoeker het slachtoffer is geworden van politionele provocatie.

De bestreden beslissing beperkt zich ertoe te stellen dat voor de behandeling van het gevaar op een flagrante rechtsweigering een bijzonder hoge drempel geldt, dat het EHRM in de 22 jaar sinds het arrest SOERING geen schending van artikel 6

EVRM in het kader van een uitleveringszaak heeft vastgesteld, dat niet kan worden vastgesteld dat opsporingsmethoden zouden zijn toegepast die in strijd zijn met het Amerikaans straf(proces)recht, en dat niet kan worden vastgesteld dat verzoeker op enigerlei wijze geen eerlijk proces zou kunnen krijgen in de Verenigde Staten van Amerika.

[…] Het gebrek aan een voorgaande beslissing van het EHRM in een zaak met hetzelfde voorwerp, stelt de overheid niet vrij van haar verplichting zelf een onderzoek te voeren naar de vraag of er in het geval van politionele provocatie sprake is van een flagrante rechtsweigering in de zin van artikel 2bis Uitleveringswet en naar de vraag of verzoeker een ernstig risico loopt op dergelijke rechtsweigering bij een uitlevering naar de Verenigde Staten van Amerika. De overheid moet haar beslissing dienaangaande ook afdoend motiveren.

Bij de beoordeling van het risico op een flagrante rechtsweigering dient onderzocht te worden of er sprake is van een inbreuk overeenkomstig het Belgisch recht. De vaststelling dat geen regels van Amerikaans (straf)procesrecht overschreden werden, zonder dat nota bene gemotiveerd werd hoe tot dit oordeel gekomen werd, is niet ter zake dienend.

XIV-36.572-9/16

Door louter te verwijzen naar de hoge drempel die geldt, vooraleer er sprake kan zijn van een flagrante rechtsweigering die de uitlevering verhindert, door verkeerdelijk enkel na te gaan of er sprake is van de opgeworpen schending in de Verenigde Staten van Amerika, zonder verder onderzoek te doen naar de opgeworpen schending in België, en door zonder verder onderzoek en motivering louter te poneren dat er niet vastgesteld kan worden dat er geen recht op een eerlijk proces mogelijk is voor verzoeker in de Verenigde Staten van Amerika, is de bestreden beslissing onzorgvuldig tot stand gekomen en niet afdoende gemotiveerd, zodat ze de materiële motiveringsplicht, voorzien in artikel 3 Wet van 29 juli 1991

betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen […] en het zorgvuldigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur schendt.

Door te oordelen dat verzoeker geen risico loopt op een flagrante rechtsweigering bij een uitlevering naar de Verenigde Staten van Amerika, schendt de bestreden beslissing artikel 2bis Uitleveringswet.”

15. In de memorie van wederantwoord voegt verzoeker toe dat de verwerende partij niet op grond van concrete motieven weerlegt dat verzoeker het slachtoffer is geworden van politionele provocatie in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950, (hierna: het EVRM) noch dat het Amerikaanse recht geen bescherming biedt tegen politionele provocatie, zoals artikel 6 van het EVRM. Naar Europese normen inzake politionele provocatie wordt verzoeker in de Verenigde Staten blootgesteld aan een flagrant oneerlijk proces en de Belgische Staat heeft rechtsmacht om dit onderzoek te voeren.

16. In zijn laatste memorie voegt verzoeker toe dat het verbod op politionele provocatie zijns inziens wel degelijk de kern raakt van het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd door artikel 6 van het EVRM. Het EHRM heeft zich tot nu toe evenwel nog niet uitgesproken over de vraag of bij een door het EHRM verboden geachte politionele provocatie moet worden geweigerd om tot uitlevering over te gaan om de reden dat de betrokkene bij een uitlevering het voorwerp zou uitmaken van een flagrante rechtsweigering.

Beoordeling

17. In het auditoraatsverslag wordt het eerste middelonderdeel ongegrond bevonden, in essentie op grond van de volgende overwegingen:

XIV-36.572-10/16

Het beginsel van de flagrante rechtsweigering in relatie tot artikel 6 van het EVRM maakt deel uit van de vaste rechtspraak van het EHRM en is opgenomen in de Belgische wetgeving. Bij een flagrante rechtsweigering wordt op manifeste en fundamentele wijze afbreuk gedaan aan de principes van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het EVRM door de om uitlevering verzoekende staat. Het Hof van Cassatie heeft geoordeeld dat het bestaan van ernstige risico’s op flagrante rechtsweigering als bedoeld in artikel 2bis, tweede lid, van de uitleveringswet inhoudt “dat de uitgeleverde persoon in de verzoekende Staat met enige graad van waarschijnlijkheid het voorwerp zal uitmaken van de meest ernstige schendingen van de artikelen 5 en 6 EVRM, dit rekening houdend met de evoluerende rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens”. (Cass., 17 februari 2005, nr. P.15.0092.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150217.7 ) Een mogelijke schending van artikel 6 van het EVRM wegens flagrante rechtsweigering is het voorwerp van een zeer strikte toets en wordt slechts uitzonderlijk aangenomen. De betrokkene dient substantiële redenen aan te tonen die erop wijzen dat hij in de verzoekende staat daadwerkelijk een risico loopt om het slachtoffer te worden van een flagrante rechtsweigering en dat fundamenteel afbreuk wordt gedaan aan de waarborgen van artikel 6 EVRM. De instantie die om uitlevering wordt verzocht dient na te gaan of er ernstige en duidelijke redenen zijn waaruit blijkt dat de vermelde risico’s onvermijdelijk zijn. (zie onder meer EHRM 27 oktober 2011, Ahorugeze/Zweden;

EHRM 28 februari 2008, Saadi/Italië; EHRM 1 maart 2006, Sejdovic/Italië;

EHRM 4 februari 2005, Mamatkulov en Askolov/Turkije)

In antwoord op verzoekers argumentatie omtrent de verschillende benadering van “politionele provocatie” door de uitleverende en de verzoekende staten, wordt in de bestreden beslissing gesteld dat “in de mate dat de opgeëiste persoon in de verzoekende staat een ernstig risico zou lopen op flagrante rechtsweigering, er voor de beoordeling van het opgeworpen vermeende risico een bijzonder hoge drempel geldt”, dat “uit het volledige en gedetailleerde uitleveringsverzoek […] in geen geval [kan] worden afgeleid dat de opsporingsmethoden zouden zijn toegepast op een wijze die in strijd zou zijn met het Amerikaanse straf(proces)recht noch dat de opgeëiste persoon op enigerlei

XIV-36.572-11/16

wijze geen eerlijk proces zou kunnen krijgen in de SVA” en dat “de opgeëiste persoon […] geen overtuigende elementen aan[bracht] die het tegendeel zouden kunnen aantonen”.

Vervolgens wordt in het auditoraatsverslag de motivering uit punt 14 van het tussenarrest nr. 232.000 van 7 juli 2015 geciteerd, waarna wordt vastgesteld dat verzoeker in het verzoekschrift tot nietigverklaring geen nieuwe argumenten aanbrengt die die beoordeling onderuithalen. Opnieuw wordt vastgesteld dat verzoeker in zijn uiteenzetting omtrent de verschillende aanpak van politionele provocatie niet aantoont dat de bestreden beslissing het begrip flagrante rechtsweigering in relatie tot artikel 6 van het EVRM heeft miskend, gelet op de rechtspraak van het EHRM omtrent deze problematiek.

18. Na kennisneming van het auditoraatsverslag, heeft verzoeker niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. Verzoeker beperkt er zich immers grotendeels te verwijzen naar hetgeen hij reeds in zijn eerdere procedurestukken heeft uiteengezet.

In zoverre verzoeker in zijn laatste memorie nog herhaalt dat de regel dat het verbod op politionele provocatie wel degelijk de kern raakt van het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het EVRM, voegt hij niets nieuws toe aan zijn uiteenzetting in het tweede middel en weerlegt hij het standpunt van het auditoraatsverslag niet.

19. De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het tweede middel ongegrond.

XIV-36.572-12/16

C. Derde middel

Uiteenzetting van het middel

20. Verzoeker werpt in een derde middel de schending op van “het verbod op uitlevering naar een staat waar de betrokkene een ernstig risico op een flagrante rechtsweigering loopt, voorzien in artikel 2bis, tweede lid Uitleverings-

wet van 15 maart 1874”.

Verzoeker voert aan dat het gevaar bij uitlevering op een onterende of onmenselijke behandeling, of op foltering in de zin van artikel 3 van het EVRM, onder het toepassingsgebied valt van artikel 2bis, tweede lid, van de uitleveringswet. Vermits verzoeker 70 jaar oud is en sukkelt met zijn gezondheid en vermits de feiten waarvoor hij in de Verenigde Staten wordt vervolgd strafbaar zijn met een gevangenisstraf van 20 jaar, zou hij in concreto in een Amerikaanse cel komen te overlijden en zou aldus sprake zijn van een onmenselijke behandeling in de zin van artikel 3 van het EVRM.

In de bestreden beslissing wordt verzoekers gezondheids-

toestand niet dermate slecht geacht dat daardoor de uitlevering zou moeten worden geweigerd omwille van humanitaire redenen. De drempel voor de toepassing van de humanitaire clausule ligt zeer hoog. De levensverwachting in een land zegt niets over verzoekers concrete fysieke en mentale toestand en uit het dossier kan worden afgeleid dat verzoeker internationale vliegreizen kan maken en complexe onder-

handelingen kan voeren. De te verwachten straf wordt als zuiver speculatief beschouwd.

Verzoeker betoogt niet dat hij op sterven ligt, wel dat hij gezien zijn leeftijd en gezondheidstoestand bij een uitlevering naar de Verenigde Staten van Amerika, waar hem een zware effectieve gevangenisstraf wacht, in de gevangenis zal sterven. Volgens verzoeker is dit een schending van artikel 3 van het EVRM. Met de beoordeling dat verzoeker geen risico loopt op flagrante

XIV-36.572-13/16

rechtsweigering ingevolge de uitlevering, wordt in de bestreden beslissing artikel 2bis, tweede lid, van de uitleveringswet geschonden.

21. In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoeker dat redelijkerwijze niet kan worden ontkend dat het ernstige risico dat hij omwille van zijn leeftijd en gezondheid, de aard van de ten laste gelegde feiten en de bestraffing hiervoor in de Verenigde Staten van Amerika, zal sterven in een Amerikaanse cel hetgeen onmenselijk is.

22. In zijn laatste memorie verwijst verzoeker naar de uiteenzetting in zijn eerdere procedurestukken.

Beoordeling

23. In het auditoraatsverslag wordt het eerste middelonderdeel ongegrond bevonden, in essentie op grond van de volgende overwegingen:

In het tussenarrest nr. 232.000 van 7 juli 2015 is overwogen dat het EHRM herhaaldelijk heeft bevestigd dat de uitlevering naar een daartoe verzoekende staat een probleem ten aanzien van artikel 3 van het EVRM kan opleveren, en dus de uitleverende staat verantwoordelijk kan stellen, wanneer er ernstige en bewezen motieven bestaan om aan te nemen dat de betrokkene in de verzoekende staat een reëel gevaar loopt om te worden onderworpen aan behandelingen die in strijd zijn met artikel 3 van het EVRM (zie onder meer EHRM 7 juli 1989 Soering/Verenigd Koninkrijk; EHRM 4 februari 2005, Mamatkulov en Askolov/Turkije; EHRM 27 februari 2014, Zarmayev/België).

Om het bestaan van dergelijk gevaar voor een behandeling in strijd met artikel 3

van het EVRM te onderzoeken, moet volgens het EHRM rekening worden gehouden met de algemene situatie in het land van bestemming en met de omstandigheden eigen aan het geval van de betrokkene. Het komt in principe de betrokkene toe om de nodige elementen bij te brengen ter staving van het voorgehouden werkelijk risico op een gevaar voor behandeling in strijd met

XIV-36.572-14/16

artikel 3 van het EVRM.

Volgens het voornoemde tussenarrest wordt in de bestreden beslissing gesteld dat “niet blijkt dat de gezondheidstoestand, ook mede gelet op de leeftijd, van een dermate zeer ernstige aard zou zijn dat de uitlevering daardoor omwille van humanitaire redenen zou moeten worden geweigerd” en dat “uit het dossier […] in elk geval [valt] af te leiden dat de opgeëiste persoon perfect in staat is om intercontinentale vliegreizen te maken en complexe onderhandelingen te voeren over de aankoop, de invoer en de financiering van hoogtechnologisch materiaal”. Verzoeker betwist deze motieven niet. Zijn hoge leeftijd en gezondheidstoestand vormen dan ook geen dwingende humanitaire reden om de uitlevering te weigeren. Voorts wordt in de bestreden beslissing overwogen dat “de te verwachten straf […] in huidig stadium van de vervolging in de VSA

daarenboven zuiver speculatief [is]”, dat “de uitlevering […] uitsluitend [is]

verzocht m.h.o. de vervolging” en dat “de maximale door de strafwet voorziene straf […] niet noodzakelijk de straf [is] die mogelijk in de toekomst in de VSA, desgevallend na het uitputten van de beschikbare rechtsmiddelen, zal worden opgelegd”.

In het meergenoemde tussenarrest wordt erop gewezen dat de uitlevering gebeurt met het oog op verzoekers vervolging en dat actueel niet vaststaat dat hij ook daadwerkelijk tot een lange gevangenisstraf zal worden veroordeeld. Bovendien vormt de uitlevering naar een land waar de betrokkene een levenslange gevangenisstraf riskeert, op zich geen onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 3 van het EVRM (EHRM 10 april 2012, BabarAhmad e.a./ Verenigd Koninkrijk).

Volgens het auditoraatsverslag brengt verzoeker in het verzoekschrift tot nietigverklaring geen argumenten aan die toelaten er anders over te denken.

XIV-36.572-15/16

24. Na kennisneming van het auditoraatsverslag, heeft verzoeker niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. Verzoeker beperkt er zich immers toe te verwijzen naar hetgeen hij reeds in zijn eerdere procedurestukken heeft uiteengezet.

25. De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het derde middel ongegrond.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigver-

klaring, begroot op 200 euro.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig maart tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:

Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier.

De griffier De voorzitter

Johan Pas Geert Debersaques

XIV-36.572-16/16

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.809