Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.807 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.807 Généré par l'IA

Administrative court dismisses appeal for lack of jurisdiction as civil courts handle subjective rights.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.807
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the applicant's appeal to annul a decision by the Enterprise Agency regarding an ecology premium. The applicant argued that civil courts had jurisdiction because the dispute involved a subjective right, but the agency's decision did not explicitly grant the Council of State jurisdiction. The court ruled that the applicant was fundamentally in the wrong and therefore bore the costs of the proceedings.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 68, paragraph 5 of the 1948 Regent's Decision; The Council of State lacks jurisdiction to hear an annulment appeal when the contested decision does not explicitly confer jurisdiction upon it, leaving the matter for civil courts if it concerns a subjective right.

Mots-clés

Généré par l'IA
Council of State jurisdiction annulment appeal dismissal subjective right civil court administrative agency decision costs allocation principle restitution de subventions publiques prime irrécouvrable contribution de remplacement en cas de non-reboisement

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 68, paragraph 5 of the Regent's Decision of 23 August 1948
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

XIVe KAMER

nr. 237.807 van 28 maart 2017

in de zaak A. 215.853/XIV-36.427

In zake : de BVBA PV-FORCE

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Konstantijn Roelandt kantoor houdend te 9000 Gent Recollettenlei 9

bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jörg Van Impe kantoor houdend te 9000 Gent Ottergemsesteenweg Zuid 808 bus 301

tegen :

het VLAAMSE GEWEST

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Francine Lemaire kantoor houdend te 1070 Brussel René Berrewaertslaan 34

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 15 mei 2015, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van het Agentschap Ondernemen, Afdeling Economisch Ondersteuningsbeleid d.d. 16 maart 2015 waarbij de beslissing van 30 november 2009 impliciet wordt ingetrokken en de ecologiepremie van verzoekende partij bepaald wordt op 0 euro en ter uitvoering van deze beslissing aan verzoekende partij wordt verzocht het bedrag van 875.000 € binnen de 30 dagen terug te storten”.

XIV-36.427-1/15

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

Auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld.

De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 november 2016.

Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Konstantijn Roelandt, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Francine Lemaire, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. De afdeling Economisch Ondersteuningsbeleid van het agentschap Ondernemen beslist op 30 november 2009 om aan de verzoekende

XIV-36.427-2/15

partij een ecologiepremie van 1.750.000 euro toe te kennen voor investeringen in fotovoltaïsche omzetting van zonne-energie.

3.2. In het kader van een onderzoek ter plaatse van de afdeling Inspectie en Ondersteuning van het agentschap Ondernemen wordt op 9 oktober 2014 tot de bevinding gekomen dat de toekenning van steun onterecht is.

3.3. Op 16 maart 2015 wordt door het agentschap Ondernemen de beslissing “terugvordering Dossiernummers 2009-EP-1-0637” genomen. De beslissing luidt:

“Bij beslissing van 30 november 2009 werd aan uw onderneming een ecologiepremie van 1.750.000 euro toegekend voor investeringen in fotovoltaïsche omzetting van zonne-energie. Hiervan werd 875.000 euro uitbetaald.

Overeenkomstig de bepalingen van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2007 tot toekenning van steun aan ondernemingen voor ecologie-

investeringen in het Vlaamse Gewest, de uitvoeringsbesluiten en hun latere wijzigingen, wordt de ecologiepremie bepaald op 0 euro.

Bij de indiening van haar steunaanvraag heeft uw onderneming uitgaande van een samenwerkingsverband met de NV Sonalex en de NV Demeco, het elektriciteitsgebruik van beide onderneming in rekening gebracht. U dient derhalve aan te tonen dat de samenwerkingsovereenkomst wel degelijk bestond op het ogenblik van de indiening van de steunaanvraag.

Tijdens een controle van de dienst Inspectie werd vastgesteld dat:

- er geen overeenkomst van aandelenoverdracht werd voorgelegd.

- de handtekeningen in het aandeelhoudersregister op de bladzijden voor de BVBA Solar, de NV Sonalex en de NV Demeco van de hand van dezelfde persoon zijn maar het is onduidelijk van wie deze (onleesbare) handtekening is.

- op de vraag tot mededeling van de grootboekrekeningen en de bewijsstukken van betaling voor de aankoop van het aandeel door NV

Sonalex en door NV Demeco, een uittreksel uit de dagboeken van NV Sonalex en NV Demeco werd voorgelegd, met vermelding van een boeking van het aandeel van BVBA PV-Force op 25 oktober 2012, hetzij drie jaar na de indiening van het dossier. Het betalingsbewijs werd niet voorgelegd.

Het aandeelhouderschap van NV Sonalex en NV Demeco op het ogenblik van indiening is hiermee niet bewezen. Bijgevolg is er geen betoelaagbare opwekkingscapaciteit en kan er ook geen subsidie toegekend worden.

Ter uitvoering van deze nieuwe beslissing verzoek ik u het bedrag van 875.000 euro binnen de 30 dagen terug te storten op rekeningnummer BE65 3751 1174 5796 van het Hermesfonds, Koning Albert II-laan 35 bus 12 te 1030 Brussel met vermelding van: ‘terugbetaling EP / dossier 2009-EP-1-0637.’ Bijlage: beroepsmogelijkheden.

[…]

Beroepen

XIV-36.427-3/15

Tegen onderhavige beslissing kunnen de volgende beroepen worden ingesteld:

- Het ‘willig en oneigenlijk beroep’, in te leiden bij de bevoegde administratie bij middel van een gewone geargumenteerde brief, te richten aan de Vlaamse Overheid, Agentschap Ondernemen, Afdeling Economisch Ondersteuningsbeleid, Koning Albert II-laan 35 bus 12 -

1030 Brussel.

- Het ‘hiërarchisch beroep’, in te leiden bij middel van een gewone geargumenteerde brief, te richten aan de Vlaamse minister bevoegd voor de economie, Martelaarsplein 7 te 1000 Brussel.

- Als het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van de betwisting betrekking heeft op een subjectief recht zijn de gewone burgerlijke rechtbanken bevoegd.”

Dit is de bestreden beslissing.

IV. Rechtsmacht van de Raad van State

Exceptie

4. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord op dat er op grond van de toepasselijke regelgeving wat de voorliggende subsidie betreft, een subjectief recht op steun is voor diegene die aan de door de regelgeving gestelde voorwaarden voldoet. De relevante regelgeving voorziet in een wedstrijd.

De, na oproep door de minister, ingediende aanvragen worden gerangschikt op grond van een beoordeling ervan volgens bepaalde criteria. De steun wordt toegekend volgens de rangschikking van de aanvragen tot het beschikbare budget is opgebruikt. Wanneer de overheid tot de principiële steuntoekenning heeft beslist, wat te dezen is gebeurd bij de beslissing van 30 november 2009, ontstaat een subjectief recht op steun. Vereist is wel dat de voorwaarden in de toepasselijke regelgeving zijn nageleefd. Er moet dan ook worden vastgesteld dat het werkelijke en rechtstreekse voorwerp van het voorliggend beroep een geschil over een subjectief recht betreft, te weten het recht op uitbetaling van de toegekende ecologiepremie. Gezien de vaststellingen van de afdeling Inspectie en Ondersteuning diende de verwerende partij de toegekende steun terug te vorderen, dit wil zeggen de onterecht uitbetaalde steun terug te vorderen en de nog niet uitbetaalde steun in te houden.

XIV-36.427-4/15

5. De verzoekende partij repliceert in haar memorie van wederantwoord dat het terugbrengen van de ecologiepremie van 1.750.000 euro naar 0 euro moet worden beschouwd als een impliciete intrekking van de beslissing van 30 november 2009. Zij stelt dat dit iets anders is dan de terugvordering van toegekende subsidies. Met de bestreden beslissing waarbij het toegekende subsidiebedrag teruggebracht wordt tot 0 euro, wordt de vroegere “beslissing” tot het toekennen van subsidies ingetrokken. Dit is ontegensprekelijk een administratieve rechtshandeling die vatbaar is voor vernietiging door de Raad van State.

De verzoekende partij meent voorts dat de verwerende partij niet kan worden gevolgd inzake de gebondenheid tot het nemen van de bestreden beslissing. Zij stelt dat artikel 24 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2007 ‘tot toekenning van steun aan ondernemingen voor ecologie-investeringen in het Vlaamse Gewest’ dat van toepassing was ten tijde van de steunregeling, bepaalt dat de subsidie geheel of gedeeltelijk kan teruggevorderd worden binnen tien jaar na de indieningsdatum van de subsidieaanvraag. De verwerende partij beschikt over een appreciatiebevoegdheid om al dan niet geheel dan wel gedeeltelijk terug te vorderen. Anders dan de verwerende partij voorhoudt kan die bepaling niet worden geïnterpreteerd als zijnde een verplichting voor haar om over te gaan tot de terugvordering indien voldaan is aan de daarin opgesomde voorwaarden. De verzoekende partij merkt op dat in vorige versies van het besluit van de Vlaamse regering tot toekenning van steun aan ondernemingen voor ecologie-investeringen in het Vlaamse Gewest, artikel 24 werd geformuleerd als volgt: “De volledige subsidie wordt teruggevorderd binnen tien jaar na het beëindigen van de investeringen, met behoud van de toepassing van de wetten op de Rijkscompatibiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991 en de wet van 7 juni 1994 tot wijziging van het koninklijk besluit van 31 mei 1933 betreffende de verklaringen te doen in verband met subsidies, vergoedingen en toelagen van elke aard, die geheel of gedeeltelijk ten laste zijn van de staat [...]”. Nadien is artikel 24 uitdrukkelijk gewijzigd waarbij de woorden “[d]e volledige subsidie wordt teruggevorderd binnen tien jaar na het beëindigen

XIV-36.427-5/15

van de investeringen” werd vervangen door de woorden “[d]e subsidie kan geheel of gedeeltelijk teruggevorderd worden binnen tien jaar na de indieningsdatum van de subsidieaanvraag”. Volgens de verzoekende partij moet hieruit worden afgeleid dat er weldegelijk een intentie was van de wetgever om de verwerende partij enige appreciatiebevoegdheid te verlenen in haar beslissing tot terugvordering van de subsidies. Bovendien kan gesteld worden dat “de voorwaarden tot terugvordering die opgesomd worden in artikel 24 van het besluit, zo danig ruim worden geïnterpreteerd waardoor de verwerende partij de facto beschikt over een discretionaire bevoegdheid om tot een beslissing te komen inzake terugvordering”.

Volgens de verzoekende partij kan dit worden afgeleid uit het feit dat de verwerende partij “op eigen initiatief nog bijkomend onderzoek heeft gelast en hierbij de voorwaarden zeer ruim lijkt te interpreteren, in plaats van de loutere uitvoering van de bepalingen inzake de terugvordering van de subsidies”.

Beoordeling

6. Uit de artikelen 144, eerste lid, en 145 van de Grondwet volgt dat de geschillen over subjectieve rechten - altijd, wat de geschillen over burgerlijke rechten betreft, en in principe, wat de geschillen over politieke rechten betreft - tot de rechtsmacht van de hoven en rechtbanken behoren. Onder voorbehoud van een toewijzing van bevoegdheid inzake politieke rechten, is de Raad van State dan ook zonder rechtsmacht om kennis te nemen van beroepen tot nietigverklaring waarvan het werkelijke en rechtstreekse voorwerp een geschil over subjectieve rechten betreft. Dat is het geval wanneer het annulatieberoep strekt tot de erkenning van een subjectief recht, waaromtrent het bestuur geen discretionaire, maar slechts een gebonden bevoegdheid bezit.

Opdat er sprake zou zijn van een vordering op grond van een subjectief recht, en dus van gebrek aan rechtsmacht van de Raad van State, is vereist dat een verzoeker zich beroept op een welbepaalde juridische verplichting die een regel van objectief recht rechtstreeks aan een derde oplegt en bij de nakoming waarvan een verzoeker belang heeft. Om zich ten aanzien van de

XIV-36.427-6/15

bestuurlijke overheid op een subjectief recht te kunnen beroepen is het, zoals gezegd, noodzakelijk dat de bevoegdheid van de overheid gebonden is (Cass.

8 maart 2013, nr. C.12.0424.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130308.4 ).

De Raad van State heeft bijgevolg enkel rechtsmacht indien de bestreden beslissing een constitutieve beslissing is waarbij de overheid gebruik heeft gemaakt van haar discretionaire beoordelingsbevoegdheid. Hij is zonder rechtsmacht als het gaat om een beslissing waarbij de overheid vaststelt dat de betrokkene voldoet aan de wettelijke en reglementaire voorwaarden waardoor hij zich kan beroepen op een welbepaald recht.

7. Het relevante wetgevend kader wordt hierna weergegeven.

Het op het ogenblik van de beslissing tot toekenning aan de verzoekende partij van de betrokken ecologiesteun geldende decreet van 31 januari 2003 ‘betreffende het economisch ondersteuningsbeleid’ (hierna: het decreet van 31 januari 2003) voorzag dat de Vlaamse regering onder meer steun kon verlenen aan ondernemingen voor ecologie-investeringen in het Vlaamse Gewest (artikel 13). Ten tijde van het nemen van de thans bestreden (terugvorderings)beslissing was het decreet van 16 maart 2012 ‘betreffende het economisch ondersteuningsbeleid’ (hierna: decreet van 16 maart 2012) van kracht dat dezelfde mogelijkheid tot steun voorziet (artikel 13).

Ter uitvoering van voornoemd decreet van 31 januari 2003 heeft de Vlaamse regering op 16 mei 2007 het besluit ‘tot toekenning van steun aan ondernemingen voor ecologie-investeringen in het Vlaamse Gewest’ (hierna:

besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2007) goedgekeurd. Het genoemde besluit van 16 mei 2007 dat voorheen rechtsgrond vond in het decreet van 31 januari 2003, vindt thans, dit is sedert de inwerkingtreding ervan op 7 mei 2012, rechtsgrond in het decreet van 16 maart 2012. Het genoemde besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2007 is krachtens artikel 30 van het besluit van de Vlaamse regering van 17 december 2010 ‘tot toekenning van steun aan

XIV-36.427-7/15

ondernemingen voor ecologie-investeringen in het Vlaamse Gewest’, van toepassing op de subsidieaanvragen ingediend vóór 1 februari 2011. Het bepaalt de voorwaarden en de procedure voor het toekennen van steun voor ecologie-investeringen.

Het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2007 is verder uitgewerkt door eensdeels het ministerieel besluit van 1 oktober 2007 ‘tot uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2007 tot toekenning van steun aan ondernemingen voor ecologie-investeringen in het Vlaamse Gewest’ en anderdeels het ministerieel besluit van dezelfde datum ‘tot uitvoering van artikel 4 van het ministerieel besluit van 1 oktober 2007’.

8. Volgens artikel 17 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2007 wordt de subsidie toegekend volgens een wedstrijdformule, waarbij de minister na een oproep een vooraf bepaalde subsidie-enveloppe verdeelt over de subsidieaanvragen die gerangschikt worden met inachtneming van een aantal vooraf bepaalde criteria. Deze rangschikking van alle subsidieaanvragen wordt krachtens artikel 13 van het genoemde ministerieel besluit van 1 oktober 2007

vastgesteld door de minister bevoegd voor het Economisch Beleid.

Artikel 21 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2007 bepaalt dat de subsidie wordt toegekend volgens de plaats in de rangschikking, in afnemende volgorde, te beginnen bij de eerste tot het beschikbare budget opgebruikt is.

Artikel 22 van datzelfde besluit bepaalt dat de subsidie wordt uitbetaald in drie schijven, waarbij de onderneming telkens de uitbetaling van de schijf dient aan te vragen. De desbetreffende schijf wordt uitbetaald op voorwaarde dat de daartoe omschreven reglementaire voorwaarden zijn vervuld.

Artikel 17 van het ministerieel besluit van 1 oktober 2007 ‘tot uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2007 tot

XIV-36.427-8/15

toekenning van steun aan ondernemingen voor ecologie-investeringen in het Vlaamse Gewest’, zoals gewijzigd bij ministerieel besluit van 20 februari 2009, bepaalt dat het agentschap Ondernemen vanaf de indiening van de aanvraag kan controleren of het decreet, het besluit van de Vlaamse regering en de uitvoeringsbesluiten ervan worden nageleefd. Afhankelijk van het feit of de steun al dan niet werd toegekend, kan die controle de niet-ontvankelijkheid of ongunstige rangschikking van de steunaanvraag tot gevolg hebben, of de niet-uitbetaling of terugvordering van de toegekende steun.

9. De terugvordering van de steun wordt geregeld in artikel 24 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2007. Artikel 24, 4° bepaalt dat de volledige subsidie geheel of gedeeltelijk “kan” worden teruggevorderd binnen tien jaar na de indieningsdatum van de subsidieaanvraag, met behoud van de toepassing van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991

en de wet van 7 juni 1994 ‘tot wijziging van het koninklijk besluit van 31 mei 1933

betreffende de verklaringen te doen in verband met subsidies, vergoedingen en toelagen van elke aard, die geheel of gedeeltelijk ten laste zijn van de Staat’, in geval van niet-naleving van de bij het decreet of het besluit van 16 mei 2007

opgelegde voorwaarden.

Anders dan de verzoekende partij meent, doet de wijziging in artikel 24 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2007 van de “volledige subsidie wordt teruggevorderd” in de “volledige subsidie kan geheel of gedeeltelijk teruggevorderd worden” niets af aan het gegeven dat artikel 40 van het decreet van 16 maart 2012 uitdrukkelijk bepaalt dat de Vlaamse regering de gevallen van terugvordering vaststelt “met behoud van de toepassing” van (onder meer) de bepalingen in de wet van 16 mei 2003 ‘tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof’ (hierna: wet van 16 mei 2003) en van de bepalingen van het decreet van 8 juli 2011 ‘houdende regeling van de begroting, de

XIV-36.427-9/15

boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof’.

Artikel 24 moet immers worden gelezen en geïnterpreteerd rekening houdend met het bepaalde in artikel 50, § 2, derde lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 ‘betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten’ krachtens hetwelk de federale wet de algemene bepalingen vaststelt op het stuk van de controle inzake het verlenen en het gebruik van subsidies. Ter uitvoering van het genoemde artikel 50, § 2, derde lid, heeft de federale wetgever de wet van 16 mei 2003 aangenomen. De artikelen 11 tot en met 14 van de voornoemde wet van 16 mei 2003 bevatten algemene bepalingen inzake de controle op het verlenen en het gebruik van de door de gemeenschappen en gewesten toegekende subsidies. Deze wet is, wat betreft de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest, in werking getreden op 1 januari 2012. Voormelde artikelen luiden:

“Art. 11. Iedere subsidie verleend door de in artikel 2 opgesomde gemeenschappen en gewesten of door een rechtspersoon, die rechtstreeks of onrechtstreeks door één van die gemeenschappen en gewesten wordt gesubsidieerd, daarin begrepen ieder door hen zonder interest verleend terugvorderbaar voorschot, moet worden aangewend voor de doeleinden, waarvoor zij werd verleend.

Behalve wanneer een decreet, ordonnantie of reglementaire bepaling daarin voorziet, worden in iedere beslissing houdende toekenning van een subsidie nauwkeurig de aard, het gebruik en de omvang van en de nadere regels omtrent de door de begunstigde van de subsidie te verstrekken verantwoording vermeld.

Iedere begunstigde van een subsidie is ertoe gehouden verantwoording te verstrekken over de aanwending van de ontvangen bedragen, tenzij het decreet of de ordonnantie hem daarvan vrijstelling verleent.

Art. 12. Door het aanvaarden van de subsidie verleent de begunstigde meteen aan de in artikel 2 opgesomde gemeenschappen en gewesten het recht om ter plaatse controle te doen uitoefenen op de aanwending van de toegekende gelden.

De regering of het verenigd college zorgt voor de organisatie en de coördinatie van de controle. Voor die controle doen zij onder meer een beroep op de inspecteurs van financiën.

Art. 13. Tot onmiddellijke terugbetaling van de subsidie is gehouden de begunstigde :

1° die de voorwaarden niet naleeft, waaronder de subsidie werd verleend;

2° die de subsidie niet aanwendt voor de doeleinden, waarvoor zij werd verleend;

3° die de in artikel 12 bedoelde controle verhindert.

Blijft de begunstigde van de subsidie in gebreke de in artikel 11 bedoelde

XIV-36.427-10/15

verantwoording te verstrekken, dan is hij gehouden tot terugbetaling ten belope van het deel dat niet werd verantwoord.

Art. 14. De uitkering van de subsidies kan worden opgeschort zolang de begunstigde voor soortgelijke subsidies, die hij voordien heeft ontvangen, verzuimt de in artikel 11 bedoelde verantwoording te verstrekken of zich aan de in artikel 12 bepaalde controle te onderwerpen.

Wordt een subsidie in tranches uitgekeerd, dan wordt iedere tranche voor de toepassing van dit artikel als een afzonderlijke subsidie beschouwd.”

10. Nog daargelaten de vraag of te dezen de verwerende partij al dan niet beschikt over een discretionaire bevoegdheid bij de toekenning van de betrokken ecologiesteun, bestaat er in hoofde van de verzoekende partij in ieder geval een subjectief recht op steun sedert de definitief geworden toekenningsbeslissing van 30 november 2009 die werd genomen met toepassing van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2007 en de eerder genoemde ministeriële uitvoeringsbesluiten van 1 oktober 2007, althans in zoverre vaststaat dat de voorwaarden in het voornoemde decreet van 16 maart 2012 en in het voornoemde besluit van 16 mei 2007 zijn nageleefd.

11. De vraag die derhalve nog rijst is of de verwerende partij bij het nemen van de bestreden (terugvorderings)beslissing over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid beschikte.

Uit het geciteerde artikel 13 blijkt dat elke toelagetrekker principieel verplicht is de toelage onmiddellijk terug te betalen wanneer de toekenningsvoorwaarden niet worden nageleefd of de toelage niet wordt aangewend voor de doeleinden waarvoor ze werd verleend. In het geval dat de toelagetrekker in gebreke blijft de verantwoording te verstrekken over de aanwending van de ontvangen subsidies, is hij gehouden tot terugbetaling ervan ten belope van het deel dat niet werd verantwoord. Dit betekent dat de verwerende partij ter zake over geen enkele discretionaire bevoegdheid beschikt, noch met betrekking tot het principe van de terugbetaling, noch met betrekking tot het bedrag ervan.

XIV-36.427-11/15

Dit houdt in dat artikel 24 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2007, ondanks het gebruik van het werkwoord “kan”, teneinde in overeenstemming te zijn met de voormelde bepalingen van de wet van 16 mei 2003, in die zin moet worden gelezen dat een verplichting tot terugvordering wordt opgelegd aan de verwerende partij indien de dienstverlener de voorwaarden van het decreet van 31 januari 2003 (en diens opvolger het decreet van 16 maart 2012)

evenals de uitvoeringsbesluiten ervan, niet naleeft. In die omstandigheid kan het resterend (nog niet uitbetaalde) saldo ook niet meer worden uitbetaald.

12. De bestreden beslissing houdt bijgevolg niet meer in dan de loutere toepassing op een concreet geval van de in artikel 24, 4°, van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2007 vervatte regeling samen gelezen met artikel 50, § 2, derde lid van de eerder genoemde bijzondere wet van 16 januari 1989 en met artikel 13 van de wet van 16 mei 2003.

Het komt dan ook de gewone rechter toe om vast te stellen dat de verwerende partij, gelet op de bevindingen van de controle door de afdeling Inspectie en Ondersteuning van het agentschap Ondernemen, al dan niet terecht tot de conclusie is gekomen dat de bij het decreet of het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2007 opgelegde voorwaarden niet werden nageleefd en bijgevolg, al dan niet terecht, tot de niet-betaling van de resterende toegekende steun en de terugvordering van de reeds betaalde steun is overgegaan.

Er moet dan ook worden vastgesteld dat het werkelijke en rechtstreekse voorwerp van het voorliggende beroep een geschil over een subjectief recht betreft, namelijk het recht op uitbetaling van de toegekende ecologiepremie en de niet-terugvordering daarvan. Bij gebreke aan een uitdrukkelijke bevoegdheidstoewijzing aan de Raad van State, behoort dit geschil tot de bevoegdheid van de hoven en rechtbanken.

Dat in de bestreden beslissing wordt gesteld dat “de ecologiepremie [wordt] bepaald op 0 euro” doet daaraan geen afbreuk. Evenmin

XIV-36.427-12/15

kan daarin, zoals de verzoekende partij in haar laatste memorie nog herhaalt, een intrekking van de niet-bestreden, en dus definitief geworden, toekennings-

beslissing van 30 november 2009 worden gezien.

13. De Raad van State is bijgevolg zonder rechtsmacht om van het beroep tot nietigverklaring kennis te nemen.

De exceptie is gegrond.

V. Kosten met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding

14. De verwerende partij vordert in haar memorie van antwoord dat de verzoekende partij zou worden verwezen in de kosten, met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding die door de verwerende partij wordt begroot op het basisbedrag van 700 euro.

15. De verzoekende partij betwist dat de kosten, daarin begrepen de door de verwerende partij gevorderde basisrechtsplegingsvergoeding, haar ten laste kunnen worden gelegd. Evenmin is er reden om de basisrechtsplegingsvergoeding te milderen tot het minimum van 140 euro.

Volgens de verzoekende partij kunnen haar in het geheel kosten noch rechtsplegingsvergoeding ten laste worden gelegd. Zij meent dat de verwerende partij “die perfect op de hoogte is van Uw rechtspraak en dus wist dat enkel de burgerlijke rechtbanken in casu bevoegd zijn” haar heeft misleid door bij de beroepsmogelijkheden in de bijlage bij de bestreden beslissing te stellen “als het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van de betwisting betrekking heeft op een subjectief recht de gewone rechtbanken bevoegd zijn.” Zij heeft bewust verwarring gezaaid door de bevoegdheid van de burgerlijke rechtbanken aldus “in het midden” te laten.

XIV-36.427-13/15

Beoordeling

16. Op grond van artikel 68, vijfde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, wordt “in ieder geval [...] het geheel van de kosten [...] ten laste gelegd van de partij die ten gronde in het ongelijk wordt gesteld.”

Bij de kennisgeving van de bestreden beslissing is de verzoekende partij meegedeeld dat zij tegen de bestreden beslissing hetzij een willig (oneigenlijk) of hiërarchisch beroep kon inleiden bij het in de bestreden beslissing aangeduide actief bestuur, hetzij een (jurisdictioneel) beroep bij de gewone burgerlijke rechter in de mate het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van de betwisting betrekking heeft op een subjectief recht. Anders dan hoe de verzoekende partij het ziet, wordt in de bestreden beslissing derhalve op generlei wijze melding gemaakt van enige rechtsmacht van de Raad van State zodat op dat punt geen verwarring kan zijn ontstaan.

De verzoekende partij is te dezen de partij die ten gronde in het ongelijk wordt gesteld.

17. Om dezelfde reden wordt aan de verwerende partij de door haar gevorderde rechtsplegingsvergoeding van 700 euro toegekend.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegings-

vergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.

XIV-36.427-14/15

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig maart tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:

Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.

De griffier De voorzitter

Joris Casneuf Geert Debersaques

XIV-36.427-15/15

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.807